Waar past de opname van de Gemeente in Openbaring?
Een Bijbels betoog waarom Openbaring 4–19 niet over de Gemeente kan gaan.
Inleiding — waarom dit deel zo belangrijk is
In DEEL 1 hebben we vastgesteld (en bewezen):
- De opname is niet de wederkomst
- De opname is een verborgenheid (iets totaal nieuws)
- De wederkomst op aarde was altijd al bekend (OT, Henoch, profeten)
Daarmee volgt vanzelf een nieuwe en noodzakelijke vraag:
Als de opname werkelijk bestaat en verschilt van de wederkomst, waar past zij dan in het boek Openbaring?
Veel verwarring ontstaat doordat:
- het boek Openbaring zonder eigen indeling gelezen wordt
- hoofdstukken los van elkaar worden beschouwd
- of aangenomen wordt dat alles na Openbaring 3 automatisch over de Gemeente gaat
In dit deel wordt Openbaring tekst-voor-tekst, in volgorde en zonder vermenging van bedelingen gelezen.
1. De door de Schrift gegeven indeling van Openbaring
Openbaring geeft zelf de sleutel tot zijn structuur:
“Schrijf hetgeen gij gezien hebt, en hetgeen is, en hetgeen
na dezen geschieden zal.”
— Openbaring 1:19
Deze drieslag is bepalend:
- “hetgeen gij gezien hebt” → Openbaring 1
- “hetgeen is” → Openbaring 2–3
- “hetgeen na dezen geschieden zal” → Openbaring 4 en verder
Openbaring zelf markeert dus hoofdstuk 4 als het begin van een nieuwe fase.
2. Openbaring 1–3: de Gemeente op aarde
In Openbaring 2 en 3 zien wij:
- zeven plaatselijke gemeenten
- vermaningen en oproepen tot bekering
- beloften aan overwinnaars
- telkens de afsluiting:
“Wie oren heeft, hore wat de Geest tot de gemeenten zegt”
Dit is onmiskenbaar de
Gemeente-bedeling.
De Gemeente bevindt zich hier
op aarde.
Dit wordt algemeen erkend en behoeft geen verdediging.
3. Openbaring 4:1 — wat gebeurt hier precies?
Nu komt het cruciale overgangsvers:
“Na dezen zag ik, en ziet, een deur was geopend in den hemel; en de eerste stem, die ik gehoord had… zeide:
Kom herwaarts op, en Ik zal u tonen hetgeen
na dezen geschieden zal.”
— Openbaring 4:1
Deze tekst vraagt om nauwkeurige lezing.
3.1 “Na dezen”
Deze woorden verwijzen rechtstreeks naar:
- het einde van Openbaring 2–3
- de periode van de Gemeente
Wat volgt, behoort niet meer tot “hetgeen is”, maar tot “hetgeen na dezen geschieden zal”.
3.2 “Een deur geopend in den hemel”
Vanaf dit punt:
- verschuift de scène van aarde naar hemel
- wordt de blik boven geplaatst
Dit is opvallend, omdat:
- de grote verdrukking zich op aarde afspeelt
- Openbaring 4 begint in de hemel
3.3 “Kom herwaarts op”
Deze oproep is opwaarts gericht.
Belangrijk is eerlijkheid:
- Dit vers zegt niet letterlijk: “de Gemeente werd opgenomen”
- Het beschrijft dat Johannes wordt opgenomen in de hemel om te zien wat daarna gebeurt
Maar dit past exact bij wat de Schrift elders leert:
- de opname is al volledig geopenbaard in 1 Thessalonicenzen 4 en 1 Korinthe 15
- zij is een verborgenheid
- zij hoeft niet opnieuw symbolisch beschreven te worden
- De Schrift veronderstelt de opname, zij herhaalt haar niet.
4. De hemelse situatie in Openbaring 4–5
Wat Johannes vervolgens ziet, is beslissend.
4.1 De vierentwintig ouderlingen
In Openbaring 4 en 5 verschijnen vierentwintig ouderlingen die:
- op tronen zitten
- kronen dragen
- gekleed zijn in witte klederen
- het Lam aanbidden
Dit zijn geen engelen:
- engelen worden nooit zo beschreven
- engelen dragen geen kronen
- engelen zitten niet op tronen
Kronen en tronen horen bij:
- beloning
- heersen met Christus
Zoals eerder beloofd aan de Gemeente:
“Zo wie overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten op Mijn troon.”
— Openbaring 3:21
Deze personen zijn:
- verlost
- beloond
- in de hemel
Dit alles gebeurt vóór de wederkomst.
4.2 Het boek met zeven zegels
In Openbaring 5 ontvangt het Lam:
- het boek met zeven zegels
Dit boek ontketent de oordelen.
Belangrijk is de volgorde:
- Openbaring 4–5 → hemelse scène
- daarna pas → de opening van de zegels
De oordelen beginnen niet zolang deze hemelse fase niet heeft plaatsgevonden.
5. Openbaring 6–19: een periode van goddelijke toorn
Vanaf Openbaring 6 volgen:
- zegeloordelen
- bazuinoordelen
- schaaloordelen
De Schrift noemt deze periode expliciet:
“Want de grote dag Zijns
toorns is gekomen.”
— Openbaring 6:17
En:
“Gaat heen, en giet uit de zeven schalen der
toorns Gods op de aarde.”
— Openbaring 16:1
Dit is Gods toorn, niet slechts menselijke vervolging.
6. De Gemeente en Gods toorn — Schrift naast Schrift
6.1 Wat leert Paulus over de Gemeente?
“Jezus, Die ons verlost van den
toekomenden toorn.”
— 1 Thessalonicenzen 1:10
“Want God heeft ons
niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid.”
— 1 Thessalonicenzen 5:9
Deze uitspraken zijn absoluut.
6.2 Noodzakelijke conclusie
Als:
- Openbaring 6–19 = Gods toorn
- en de Gemeente niet tot toorn is gesteld
dan volgt onvermijdelijk:
De Gemeente kan zich niet in Openbaring 6–19 bevinden.
Elke andere conclusie maakt Paulus’ woorden betekenisloos.
7. Openbaring 3:10 — bewaard uit de tijd zelf
Tot de Gemeente zegt Christus:
“Zo zal Ik u ook
bewaren uit de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal.”
— Openbaring 3:10
Niet:
- bewaard in
- niet bewaard tijdens
Maar:
- bewaard uit
- uit de tijdspanne zelf
Dit sluit deelname aan de verdrukking uit.
8. Het verdwijnen van de Gemeente in Openbaring
Een objectief gegeven:
- Het woord “gemeente” komt vaak voor in Openbaring 1–3
- Het komt geen enkele keer voor in Openbaring 4–19
Als de Gemeente:
- op aarde zou zijn
- centraal zou staan
- massaal vervolgd zou worden
dan is deze afwezigheid onverklaarbaar.
De eenvoudigste verklaring is:
zij is er niet.
9. Gelovigen in Openbaring ≠ de Gemeente
Ja. En dit is waar veel mensen vastlopen.
9.1 Gelovigen ≠ Gemeente
Voor de Gemeente waren er gelovigen:
- Abraham
- Mozes
- David
Maar:
- zij waren niet “in Christus”
- zij vormden niet het Lichaam van Christus
In Openbaring 6–19 zien we:
- mensen die tot geloof komen
- velen die sterven als martelaren
“Dezen zijn het, die
uit de grote verdrukking komen.”
— Openbaring 7:14
Zij zijn:
- bekeerd tijdens de verdrukking
- geen deel van het Lichaam van Christus
- gelovigen in een andere bedeling
10. Mattheüs 24 en de wederkomst
“En
terstond na de verdrukking… zullen zij den Zoon des mensen zien.”
— Mattheüs 24:29–30
Maar:
- de opname is een verborgenheid
- Mattheüs spreekt over Judea en sabbat
- de gebeurtenis vindt plaats na de verdrukking
Daarom:
- Mattheüs 24 = wederkomst
- 1 Thessalonicenzen 4 = opname
Zij kunnen niet hetzelfde zijn.
11. Gods onveranderlijk patroon
God handelt consistent:
- Noach → vóór de vloed
- Lot → vóór het vuur
- Rachab → vóór Jericho
“De Heere weet de godzaligen
uit de verzoeking te verlossen.”
— 2 Petrus 2:9
Niet: erdoorheen.
Maar:
eruit.
12. Schriftuurlijke samenvatting
Wanneer alle gegevens samen worden genomen, ontstaat één consistent beeld:
- De Gemeente is op aarde in Openbaring 1–3
- Openbaring 4 markeert een overgang naar de hemel
- In de hemel zijn reeds verloste, gekroonde mensen
- Daarna begint Gods toorn op aarde
- De Gemeente is niet tot toorn gesteld
- De Gemeente wordt niet genoemd in Openbaring 6–19
- Bij de wederkomst komt Christus met heiligen uit de hemel
Definitieve conclusie
De opname van de Gemeente vindt plaats
vóór Openbaring 4.
Openbaring 4–5 toont de hemel
na de opname.
Openbaring 6–19 beschrijft Gods toorn op aarde
zonder de Gemeente.
Dit is geen theorie, maar het gevolg van:
- lezen wat er staat
- de volgorde respecteren
- Schrift met Schrift vergelijken
Vooruitblik
Als de Gemeente:
- opgenomen is
- in de hemel is
- vóór de wederkomst
dan moet de Schrift laten zien wat God met haar doet in die periode.
Dat volgt in: