Mijn getuigenis

Mijn persoonlijke getuigenis

Jaap van Beveren

Ik ben 37 jaar en ben van kinds af aan opgegroeid binnen de Gereformeerde Gemeente. Vanaf het moment dat ik mij iets kan herinneren, ben ik gevormd door een manier van geloven waarin alles vastlag. Niet zichtbaar misschien, maar wel onontkoombaar. Een systeem waarin God alles doet — en de mens niets kan.


Mij werd geleerd dat de zaligheid volledig en uitsluitend van God moest komen. Dat de mens geestelijk dood is. Dat hij niet kan geloven. Dat hij niet kan kiezen. Dat hij niet kan antwoorden. Dat geloof een eenzijdig werk van God is, waarin de mens volledig machteloos is.


Dat werd niet één keer gezegd.
Dat werd niet voorzichtig uitgelegd.
Dat werd ingeprent.


Jarenlang. Van kinds af aan.


Je kunt niet geloven.
Je kunt het niet.
Je kunt het niet.
Je kunt het niet.


En ik geloofde dat. Volledig.

Sterker nog: ik dacht oprecht dat dit de juiste leer was. Ik voelde mij zelfs bevoorrecht dat ik juist onder deze “diepe”, bevindelijke waarheid mocht zitten. Wij hadden de waarheid. Anderen niet. Wij zagen hoe ernstig het was. Wij begrepen hoe diep de mens gevallen was. Wij wisten dat de mens niets kon.


Maar al heel jong begon er iets te wringen — iets wat ik nooit goed onder woorden kon brengen. God riep mij tot bekering, maar tegelijkertijd werd mij geleerd dat ik mij niet kon bekeren. God riep mij tot geloof, maar ik kon niet geloven.


Dat was geen theoretisch probleem.
Dat was een existentieel probleem.


Ik werd daar soms boos van. Boos op God. Het voelde onrechtvaardig.
Hoe kan God iets van mij eisen wat ik niet kan?


Maar telkens weer kreeg ik hetzelfde antwoord:
God is onbegrijpelijk. Zijn wegen zijn hoger. En het is maar goed dat het enkel en alleen van God moet komen — want als het van de mens zou afhangen, dan was het voor iedereen voor eeuwig verloren.


Dat klonk logisch.
En ik slikte het.


Daarbij kwam dat ik gedoopt was. Dat gaf mij het gevoel dat ik toch iets vóór had. Ik hoorde bij het verbond. Ik was “op het erf”. Wat dat precies betekende wist ik niet, maar het gaf mij het idee dat ik dichterbij stond dan anderen. Dat ik bevoorrecht was.


Wat mij werd geleerd dat ik moest doen, was eenvoudig:
zoveel mogelijk onder het Woord komen.
naar de kerk blijven gaan.
mijn plaats niet leeg laten.


Want God werkt door Zijn Woord.


Een zin die ik vaak hoorde was:
“Als je nat wilt worden, moet je in de regen gaan staan. Als je bekeerd wilt worden, moet je naar de kerk komen.”


Dat klonk logisch. Maar diep vanbinnen knaagde het.
Want ik wist één ding zeker: als ik in de regen ga staan, word ik nat.


Maar ik stond al mijn hele leven “in de regen”.
En ik was nog steeds niet bekeerd.
Nog steeds niet levend.
Nog steeds wachtend.


Hoe ouder ik werd, hoe onverschilliger ik werd. Niet omdat ik God niet serieus nam — maar juist omdat mij was geleerd dat ik er niets aan kon doen. De gedachte dat God mij geloof moest geven, dat alles een eenzijdig Godswerk was, had zich zo diep in mijn denken vastgezet dat ik innerlijk verlamd raakte.


Ik deed geen onderzoek. Waarom zou ik?
Ik stelde geen vragen. Waarom zou ik?


Ik geloofde gewoon dat ik goed zat. Dat mijn kerk het bij het rechte eind had. Soms vond ik het onrechtvaardig, ja. Maar dat drukte ik weg. God is God. En als iemand iets anders zei over geloof — vooral als het klonk als een eenvoudig, direct geloof — dan werd ik fel. Daar moest je bij mij niet mee aankomen.


Dat leek mij een makkelijke route.
Een goedkope weg.


Nee, ik dacht: ik zit goed.


En zo leefde ik door.


Totdat ons leven veranderde en wij als gezin twee kinderen kregen.
Toen kwam er een vraag die mij niet meer losliet:


Wat ga ik straks tegen mijn kinderen zeggen over geloof?


Moet ik hen hetzelfde vertellen als wat ik altijd heb gehoord?
Dat ze niets kunnen?
Dat ze moeten wachten?
Dat ze moeten hopen dat God misschien ooit iets in hen doet?


Die vraag bleef.
Ze ging niet meer weg.


En in die periode begon ik — los van mijn kerkelijke kader — opnieuw na te denken. Niet omdat ik dat van plan was, maar omdat ik er niet meer omheen kon. Ik kwam op een punt waarop ik besefte: wat als ik dingen altijd heb aangenomen, zonder ze werkelijk te toetsen aan de Schrift?


Vanaf dat moment begon ik de Bijbel zelf te lezen. Zonder filters. Zonder kerkbril. Zonder systeem. Schrift met Schrift vergelijken. Gewoon lezen wat er staat.


En toen ontdekte ik iets wat mij diep raakte — en tegelijk alles onder mij vandaan trok:


God is geen aannemer des persoons.


Niet een beetje.
Niet in theorie.
Maar werkelijk niet.


God trekt niemand voor.
God heeft geen voorkeursgroepen.
God maakt geen onderscheid op afkomst, positie, achtergrond of kerkelijke status.


En ineens viel alles om.


Want als God werkelijk onpartijdig is —
hoe kan het dan waar zijn dat sommigen al vóór de grondlegging der wereld onvoorwaardelijk zijn uitverkoren, en anderen niet?
Hoe kan God dan rechtvaardig zijn, terwijl Hij sommigen wél en anderen géén mogelijkheid geeft om te geloven?


Dat botste frontaal met alles wat ik geleerd had.


En toen kwam het besef dat mij misschien nog wel het meest schokte:
ik stond verder van redding af dan iemand die nog nooit een kerk van binnen had gezien.


Iemand zonder kerkelijke bagage kan het evangelie een keer horen — en het zomaar geloven.
Maar ik kon niet geloven. Althans, dat dacht ik.


En als je gelooft dat je niet kunt geloven,
dan ga je het ook zeker niet doen.


Ik was niet te zwak.
Ik was niet te onwetend.
Ik was geconditioneerd.


Mijn hele leven was mij ingeprent:
je kunt niet geloven.


En ineens zag ik het:
de Bijbel zegt iets totaal anders.


De Bijbel laat zien dat God roept.
Dat God trekt door Zijn Woord.
Dat de mens verantwoordelijk is om te geloven.
Dat ongeloof niet voortkomt uit onmacht — maar uit verwerping.


Ik was niet dood als een lijk.
Ik was lamgeslagen.
Verlamd.
Getraind om niets te doen.
Om te wachten.
Om stil te blijven.


Dat besef maakte mij woest.


Woest, omdat ik inzag hoe dit denken mij jarenlang had vastgezet. Hoe het mij passief had gemaakt. Onverschillig. Hoe ik nooit echt had gezocht, omdat mij was geleerd dat zoeken zinloos was.


Maar tegelijk was ik intens dankbaar.
Want ik zag ook: als ik zo was gestorven, dan was het voor eeuwig verloren geweest.


En toen begreep ik ook iets anders:
waarom ik vroeger geen enkele reden zag om te getuigen.
Waarom evangelisatie voor mij zinloos voelde.


Wie zit er op zulke “informatie” te wachten?
Wie zit er te wachten op
goed nieuws dat voelt als nachtmerrie nieuws?


Maar dat is veranderd.


Daarom bestaat deze website.


Vandaag geloof ik wat u hier leest. Niet omdat het comfortabel is. Niet omdat het populair is. Maar omdat het Bijbels is. Omdat het recht doet aan Gods karakter. Omdat het God rechtvaardig laat zijn — en de mens aanspreekt.


Het evangelie is geen mysterieus systeem waarin je moet wachten tot God misschien iets doet.
Het is Gods open oproep aan
ieder mens:


Geloof in Zijn Zoon, en u hebt het eeuwige leven.


Dat is geen makkelijke weg.
Dat is geen goedkope weg.



Dat is Gods weg.

“En gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken.”



— Johannes 8:32

Mijn getuigenis