Eén Redding, Eén Schrift, Eén Christus
Hoe de Bijbel zichzelf verklaart: geloof als sleutel, letterlijk lezen, recht snijden, en Gods orde zonder ooit een andere weg tot zaligheid te leren
De Bijbel is geen gewoon boek. Zij is Gods Woord: volkomen betrouwbaar, samenhangend en waar. Dat betekent dat de Schrift niet onderworpen is aan onze meningen, tradities of systemen, maar dat wij ons laten corrigeren, vormen en overtuigen door wat God heeft gesproken. Wie de Bijbel wil verstaan, moet haar dus niet “gebruiken” om eigen ideeën te bewijzen, maar moet leren luisteren, geloven en recht snijden. Wanneer dat gebeurt, verdwijnt verwarring en wordt de Bijbel helder: één boodschap, één lijn, één Christus.
1) De aard van de Schrift: God spreekt
De Bijbel presenteert zichzelf als goddelijke openbaring, niet als religieuze literatuur.
“Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is.”
— 2 Timotheüs 3:16
Het woord ingegeven betekent: door God uitgeblazen. De oorsprong is dus goddelijk. Daarom zegt Petrus dat profetie nooit uit menselijke wil voortkomt:
“Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door den wil eens mensen; maar de heilige mensen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken.”
— 2 Petrus 1:21
De Bijbel is daarom niet een boek dat wij op afstand analyseren; het is een boek dat óns onderzoekt en ontmaskert. Wie eerlijk leest, merkt: Gods Woord heeft gezag, en het eist een reactie.
2) Geloof is de sleutel: begrip begint niet bij intellect maar bij geloof
De Bijbel leert dat geestelijk verstaan niet begint bij studie alleen, maar bij geloof. Zonder geloof blijft het Woord gesloten.
“Doch zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen; want die tot God komt, moet geloven dat Hij is, en een Beloner is dergenen die Hem zoeken.”
— Hebreeën 11:6
Paulus legt uit waarom de ongelovige het niet kan verstaan:
“Doch de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden.”
— 1 Korinthe 2:14
De natuurlijke mens kan de woorden lezen, grammatica begrijpen en historische feiten kennen, maar mist geestelijke onderscheiding. God hanteert daarom een vaste volgorde: horen → geloven → leven ontvangen → zien.
“Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.”
— Romeinen 10:17
“Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die Mijn woord hoort, en gelooft Dengene, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven.”
— Johannes 5:24
Hier is niets “procesmatig” aan: heeft (nu), komt niet (nooit), is overgegaan (voltooid). Daarom heeft het weinig zin om om bijbelinzicht te bidden terwijl men het evangelie verwerpt. David kon bidden om geopende ogen omdat hij al geloofde.
“Ontdek mijn ogen, opdat ik aanschouwe de wonderheden Uwer wet.”
— Psalm 119:18
En Paulus leert dat de Geest wordt ontvangen nadat iemand gelooft:
“In Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte.”
— Efeze 1:13
Wie gelooft, ervaart dat het Woord werkt:
“Hetwelk gij aangenomen hebt… als Gods Woord — hetwelk ook werkt in u, die gelooft.”
— 1 Thessalonicenzen 2:13
3) Letterlijk lezen: Gods eigen methode van openbaring
God spreekt niet om te verwarren, maar om te openbaren.
“Want God is geen God van verwarring, maar van vrede.”
— 1 Korinthe 14:33
Letterlijk lezen betekent: woorden nemen in hun gewone betekenis, grammatica respecteren, context laten spreken, Schrift met Schrift vergelijken. Symboliek mag alleen waar de tekst dat zelf aangeeft (bijv. “gelijkenis”, “teken”). Waar dat ontbreekt, hebben wij geen autoriteit om te vergeestelijken.
“Geen profetie der Schrift is van eigen uitlegging.”
— 2 Petrus 1:20
Wie willekeurig vergeestelijkt, maakt de betekenis afhankelijk van de uitlegger en ondermijnt zekerheid. Petrus waarschuwt dat verdraaiing van de Schrift tot verderf leidt.
“Die ook de andere Schriften verdraaien, tot hun eigen verderf.”
— 2 Petrus 3:16
Profetie dwingt een letterlijke lezing af door concrete tijden, plaatsen en gebeurtenissen. Daniël spreekt over “uw volk” en “uw heilige stad”, wat Israël en Jeruzalem zijn, niet de kerk.
“Zeventig weken zijn bestemd over uw volk en over uw heilige stad…”
— Daniël 9:24
“En hij zal velen het verbond versterken één week…”
— Daniël 9:27
Jezus bevestigt Daniël letterlijk, Hij herinterpreteert hem niet.
“Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël den profeet…”
— Mattheüs 24:15
Letterlijk lezen bewaart samenhang; vergeestelijken maakt Gods plan tijdloos en vaag.
4) Aan wie is het geschreven? Het adres bepaalt de toepassing
Een groot deel van verwarring ontstaat doordat mensen elk vers lezen alsof het rechtstreeks tot hén gericht is. De Schrift leert echter dat God tot onderscheiden groepen spreekt.
“Geeft geen aanstoot, noch den Joden, noch den Grieken, noch der gemeente Gods.”
— 1 Korinthe 10:32
Hier ziet men drie groepen:
- de Joden (Israël)
- de Grieken/heidenen (de wereld, ongelovigen)
- de gemeente Gods (gelovigen in Christus)
Wie deze groepen vermengt:
- legt Israëlische geboden op de kerk,
- past kerkelijke beloften op Israël toe,
- maakt waarschuwingen voor ongelovigen tot bedreigingen voor gelovigen,
- en verliest zekerheid van redding.
Israël: een apart gezet volk met verbonden en beloften
God koos Israël nationaal en historisch.
“Want gij zijt een heilig volk den HEERE uw God; u heeft de HEERE uw God verkoren, dat gij Hem tot een volk des eigendoms zoudt zijn.”
— Deuteronomium 7:6
Paulus bevestigt Israëls unieke plaats:
“Welke Israëlieten zijn, welker is de aanneming tot kinderen, en de heerlijkheid, en de verbonden, en de wetgeving, en de dienst Gods, en de beloften.”
— Romeinen 9:4
De wet werd aan Israël gegeven als nationaal verbond, niet aan de kerk.
“En Hij verkondigde ulieden Zijn verbond… de tien woorden; en Hij schreef ze op twee stenen tafelen.”
— Deuteronomium 4:13
Israëls toekomst is niet opgeheven:
“Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre! Want ik ben ook een Israëliet…”
— Romeinen 11:1
“Want de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk.”
— Romeinen 11:29
De gemeente: het lichaam van Christus, een verborgenheid
De gemeente is geen verlengd Israël, maar een nieuw lichaam, door God geopenbaard als verborgenheid.
“Dat de heidenen mede-erfgenamen zijn, en van hetzelfde lichaam… hetwelk in andere eeuwen den kinderen der mensen niet is bekend gemaakt.”
— Efeze 3:6–5
De gemeente staat onder genade:
“Want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.”
— Romeinen 6:14
En heeft een hemelse positie:
“En heeft ons mede opgewekt, en mede gezet in den hemel in Christus Jezus.”
— Efeze 2:6
De heidenen: buiten Christus, geroepen tot geloof
Wie buiten Christus is, is zonder hoop.
“Dat gij in dien tijd waart zonder Christus… geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld.”
— Efeze 2:12
Tot hen klinkt de oproep:
“God dan verkondigt nu den mensen, dat zij allen overal zich bekeren.”
— Handelingen 17:30
Een eenvoudige sleutelzin helpt: niet alles is aan ons geschreven, maar alles is voor ons geschreven.
“Al deze dingen zijn hun overkomen tot voorbeelden, en zijn beschreven tot waarschuwing van ons…”
— 1 Korinthe 10:11
5) Bedelingen: God verandert Zijn huishouding, maar nooit Zijn redding
Hier is een punt dat glashelder moet zijn:
bedelingen betekenen niet dat redding ooit anders was.
Bedelingen beschrijven hoe God door de tijden heen verschillende verantwoordelijkheden, verbonden en vormen van bediening geeft. Maar de manier waarop een zondaar gered wordt, is altijd dezelfde geweest:
door genade, door geloof, op grond van Christus.
Paulus spreekt over een bedeling:
“Indien gij maar gehoord hebt van de bedeling der genade Gods, die mij gegeven is aan u.”
— Efeze 3:2
God verandert niet:
“Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid.”
— Hebreeën 13:8
Wat verandert, is Gods “administratie” (huishouding), niet Zijn karakter en niet Zijn reddingsweg. Daarom is “recht snijden” noodzakelijk.
“Benaarstigt u… die het Woord der waarheid recht snijdt.”
— 2 Timotheüs 2:15
God handelde anders met Adam dan met Israël onder Mozes, en anders met de gemeente dan met Israël in de toekomst. Maar dit is geen bewijs van twee evangelieën. Het verklaart waarom:
- Israël wetten kreeg die de gemeente niet heeft,
- profetieën over Jeruzalem niet op de kerk geplakt mogen worden,
- en waarom sommige teksten het Koninkrijk behandelen en andere de gemeente.
6) Cruciaal: redding is altijd door geloof, niet door werken — óók in het Oude Testament
Omdat bedelingen vaak verkeerd begrepen worden, moet dit expliciet gezegd worden:
niemand is ooit door wetwerken gered. Niet vóór Mozes, niet onder Mozes, niet na Christus. De mens is altijd een zondaar geweest die Gods heerlijkheid mist.
“Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods.”
— Romeinen 3:23
De wet kan niet rechtvaardigen:
“Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem.”
— Romeinen 3:20
Abraham werd gerechtvaardigd door geloof, lang vóór de wet:
“En Abraham geloofde God, en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid.”
— Romeinen 4:3
Paulus maakt het nog scherper:
“Doch degene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.”
— Romeinen 4:5
David beschrijft dezelfde waarheid: zonde wordt niet toegerekend door genade, niet door verdienste.
“Welgelukzalig is de mens, wien de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent.”
— Psalm 32:2
Offers konden nooit zonden wegnemen; zij wezen vooruit naar Christus.
“Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneemt.”
— Hebreeën 10:4
Oudtestamentische gelovigen werden dus niet gered door dierenoffers, maar door geloof in Gods belofte en genade — en God redde hen op grond van het toekomstige werk van Christus. Wij kijken terug naar het kruis; zij keken vooruit. Maar het fundament is hetzelfde: Christus.
7) Paulus en het geheimenis: doctrine voor de gemeente
Paulus is door Christus apart gezet als apostel der heidenen en ontving openbaring over het geheimenis van de gemeente.
“Maar ik zeg u, heidenen: voor zoveel ik der heidenen apostel ben, maak ik mijn bediening heerlijk.”
— Romeinen 11:13
“Want ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie… door openbaring van Jezus Christus.”
— Galaten 1:11–12
De verborgenheid:
“Namelijk de verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen… maar nu geopenbaard is.”
— Kolossenzen 1:26
De gemeente als één lichaam:
“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt…”
— 1 Korinthe 12:13
Paulus’ brieven zijn gericht aan gelovigen:
“Aan allen die te Rome zijn, geliefden Gods, geroepen heiligen.”
— Romeinen 1:7
Daarom is het onderwijs in Paulus’ brieven bedoeld om behouden mensen te leren wandelen in genade, in vrijheid en in dienst, met het oog op loon.
8) Positie en praktijk: zekerheid in Christus, groei in wandel
Een gelovige is in Christus volmaakt in positie:
“En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht.”
— Kolossenzen 2:10
Maar in de praktijk is er groei en strijd:
“Want het goede, dat ik wil, doe ik niet; maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik.”
— Romeinen 7:19
Daarom is heiliging geen voorwaarde om behouden te blijven, maar vrucht en groei van iemand die behouden is. Waarschuwingen in de brieven gaan daarom vaak over wandel, tucht, schade of loon — niet over verlies van eeuwige redding.
9) Zekerheid van redding: Gods werk van begin tot einde
God wil dat gelovigen zekerheid hebben.
“Deze dingen heb ik u geschreven… opdat gij weet, dat gij het eeuwige leven hebt.”
— 1 Johannes 5:13
Jezus zegt:
“Die Mijn woord hoort, en gelooft… die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis.”
— Johannes 5:24
Paulus bevestigt:
“Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn.”
— Romeinen 8:1
En niemand kan Gods uitspraak omverwerpen:
“Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardigt.”
— Romeinen 8:33
10) Christus is het middelpunt van alle Schrift
De Bijbel draait om Christus.
“Onderzoekt de Schriften… en die zijn het, die van Mij getuigen.”
— Johannes 5:39
Hij is beloofd vanaf het begin:
“Datzelve zal u den kop vermorzelen.”
— Genesis 3:15
Hij is het Lam, het Pascha, de Rots, het Brood des levens.
Zijn kruis is de betaling, Zijn opstanding Gods bevestiging.
“Want ik heb u ten eerste overgegeven… dat Christus gestorven is voor onze zonden… en dat Hij is opgewekt.”
— 1 Korinthe 15:3–4
En het einddoel is dat Hij verheerlijkt wordt.
“Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen.”
— Romeinen 11:36
Slot: één redding, één genade, één geloof, één Christus
Bedelingen helpen ons Gods plan ordelijk te begrijpen, maar
zij leren nooit meerdere wegen tot redding.
De mens was altijd een zondaar. God redt altijd door genade. Het middel is altijd geloof. De grond is altijd Christus.
“Want uit genade zijt gij zalig geworden, door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme.”
— Efeze 2:8–9
“Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.”
— Psalm 119:105