Eeuwig leren en herinneren

Onze geschiedenis blijft bekend en getuigt van de genade van het Lam.

Eeuwig leren en herinneren

Onze geschiedenis blijft bekend en getuigt van de genade van het Lam.

Verheerlijkte mensen worden volmaakt, maar niet alwetend. Identiteit, herinnering, herkenning en gesprek blijven; voor Christus’ rechterstoel wordt de verantwoordelijke wandel van iedere gelovige vanaf zijn redding volledig openbaar. Zo wordt ieder verlost levensverhaal een eeuwig getuigenis van de genade van het Lam.

Kunnen wij in de eeuwigheid nog leren en ons aardse leven herinneren?

Zullen wij in de eeuwigheid nog kunnen leren? Weten verheerlijkte mensen dan niet onmiddellijk alles? Blijven wij ons aardse leven herinneren? Kunnen wij Abraham, Mozes, David, de profeten, de apostelen en ontelbaar veel onbekende gelovigen werkelijk herkennen en spreken? Zullen wij van elkaar kunnen horen hoe God in al die verschillende levens heeft gewerkt?


Dat zijn geen onbelangrijke vragen. Wanneer de eeuwigheid wordt voorgesteld als een tijdloze toestand waarin iedereen alles al weet, niets meer ontdekt en eindeloos hetzelfde doet, kan zelfs Gods volmaakte toekomst bijna leeg of eentonig lijken.


Maar dat beeld komt niet uit de Schrift.


De Bijbel beschrijft de eeuwige toestand als werkelijk leven. Gods dienstknechten zien Zijn aangezicht, dienen Hem en regeren in alle eeuwigheid. De volken wandelen. De boom des levens geeft van maand tot maand vrucht. Er blijven herkenbare personen, namen, plaatsen, beweging, gemeenschap, dienst en voortgaande duur bestaan.


De verlosten worden volmaakt, zondeloos en onsterfelijk. Maar zij worden niet God. Zij blijven eindige mensen die de oneindige God werkelijk kennen zonder Zijn kennis ooit uit te putten. Hun identiteit wordt niet uitgewist. Hun geschiedenis verdwijnt niet. Voor Christus’ rechterstoel wordt hun wandel zelfs in een volledigheid en waarheid openbaar die zij tijdens hun aardse leven nooit hebben bezeten.


Daarom wordt iedere verloste levensgeschiedenis uiteindelijk geen lofzang op de mens, maar een eeuwig getuigenis van de genade van het Lam.


De lichamelijke mogelijkheden van de verheerlijkte mens worden afzonderlijk getoetst in Hoe leven de verlosten op de nieuwe aarde?. De volledige inrichting van Gods eeuwige woonorde staat in De nieuwe hemel, de nieuwe aarde en het Nieuwe Jeruzalem.



Verheerlijkte mensen worden niet alwetend


Paulus schrijft over Christus:

“Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen.”
— Filippenzen 3:21

Ons lichaam wordt gelijkvormig aan Christus’ heerlijk lichaam. Het wordt niet meer beheerst door zwakheid, verderf en dood. Johannes schrijft eveneens:

“Wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.”
— 1 Johannes 3:2

Wij zullen Hem gelijk zijn, maar wij blijven degenen die Hem zien. Hij blijft de Zoon en de Heere; wij blijven Zijn verloste schepselen. Openbaring noemt ons in de eeuwige toestand nog steeds Zijn dienstknechten:

“En geen vervloeking zal er meer tegen iemand zijn; en de troon Gods en des Lams zal daarin zijn, en Zijn dienstknechten zullen Hem dienen. En zullen Zijn aangezicht zien, en Zijn Naam zal op hun voorhoofden zijn.”
— Openbaring 22:3–4

Alwetendheid behoort aan God:

“Onze Heere is groot en van veel kracht; Zijns verstands is geen getal.”
— Psalm 147:5


“God is meerder dan ons hart, en Hij kent alle dingen.”
— 1 Johannes 3:20

Gelijkvormigheid aan Christus’ heerlijk lichaam maakt ons niet almachtig, alomtegenwoordig, alwetend of Schepper. Wij worden Hem gelijk als verheerlijkte mensen; wij worden niet gelijk aan Hem in Zijn unieke Godheid.


Dat onderscheid is beslissend. Als verheerlijkte mensen niet alwetend worden, blijft er werkelijk iets te ontvangen, te verstaan en te ontdekken.



Volmaaktheid sluit leren niet uit


Kan een volmaakt en zondeloos mens nog leren? Over Jezus staat:

“En Jezus nam toe in wijsheid, en in grootte, en in genade bij God en de mensen.”
— Lukas 2:52

Dit vers beschrijft Christus tijdens Zijn menselijke leven vóór de opstanding. Het bewijst daarom niet rechtstreeks dat verheerlijkte mensen in de eeuwige toestand leren. Het bewijst wel een belangrijk beginsel.


De eeuwige Zoon is naar Zijn Godheid alwetend. Tegelijk werd Hij werkelijk Mens en doorliep Hij zonder enige zonde een echte menselijke ontwikkeling. Naar Zijn waarachtige mensheid nam Hij toe in wijsheid. Leren is dus niet automatisch een gebrek, een gevolg van de zondeval of een bewijs van morele onvolmaaktheid. Het past bij eindige menselijkheid.


Ook heilige engelen weten niet alles. Christus zegt over de dag en de ure:

“Doch van dien dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen.”
— Mattheüs 24:36

Petrus schrijft over Gods verlossingswerk:

“In welke dingen de engelen begerig zijn in te zien.”
— 1 Petrus 1:12

En Paulus zegt:

“Opdat nu, door de Gemeente, bekendgemaakt worde aan de overheden en de machten in den hemel de veelvuldige wijsheid Gods.”
— Efeze 3:10

Heilige hemelwezens kunnen iets niet weten, ergens begerig inzien en door Gods handelen nieuwe kennis van Zijn wijsheid ontvangen. Zondeloosheid is niet hetzelfde als alwetendheid. Volmaaktheid sluit voortgaande kennis niet uit.



De opstanding wist het verleden niet uit


Christus wist na Zijn opstanding nog precies wat Hij vóór Zijn dood had gesproken. Hij zei tegen Zijn discipelen:

“Dit zijn de woorden, die Ik tot u sprak, als Ik nog met u was, namelijk dat het alles moest vervuld worden, wat van Mij geschreven is in de Wet van Mozes, en de Profeten, en Psalmen.”
— Lukas 24:44

Tegen Thomas zei Hij:

“Breng uw vinger hier, en zie Mijn handen, en breng uw hand, en steek ze in Mijn zijde; en zijt niet ongelovig, maar gelovig.”
— Johannes 20:27

De opgestane Christus kende Zijn eerdere woorden, Zijn kruisiging en de gebeurtenissen met Zijn discipelen. Later verklaart Hij:

“En Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid.”
— Openbaring 1:18

Zijn opstanding wiste Zijn voorgaande menselijke geschiedenis niet uit. Hij weet dat Hij dood is geweest en leeft nu in alle eeuwigheid.


Christus is echter God en Mens in één Persoon. Zijn volmaakte kennis na de opstanding bewijst daarom niet op zichzelf hoeveel ieder verheerlijkte mens weet. Zij bewijst wel dat verheerlijking geen noodzakelijke uitwissing van het voorgaande leven veroorzaakt.



Abraham en de rijke man spreken over hun aardse leven


Lukas 16 geeft een bijzonder heldere blik op identiteit, herinnering en gesprek na het aardse leven. De rijke man ziet Abraham en Lazarus. Hij herkent hen en spreekt Abraham aan. Abraham antwoordt:

“Kind, gedenk, dat gij uw goed ontvangen hebt in uw leven, en Lazarus desgelijks het kwade; en nu wordt hij vertroost, en gij lijdt smarten.”
— Lukas 16:25

Abraham verwijst rechtstreeks naar het vroegere leven van de rijke man en Lazarus. Hij weet wat zij op aarde hebben meegemaakt. De rijke man herinnert zich eveneens zijn familie:

“Ik bid u dan, vader, dat gij hem zendt tot mijns vaders huis; want ik heb vijf broeders; dat hij hun dit betuige, opdat ook zij niet komen in deze plaats der pijniging.”
— Lukas 16:27–28

Hij weet dat hij vijf broers heeft, dat zij nog op aarde leven en dat zij gevaar lopen. Abraham weet dat zij Mozes en de Profeten hebben.


Zelfs wanneer iemand Lukas 16 als een gelijkenis beschouwt, blijft het onderwezen beginsel staan. Christus bouwt Zijn ernstige waarschuwing niet op een voorstelling waarin persoonlijke identiteit, herinnering en bewust gesprek na de dood onmogelijk zijn. De geschiedenis toont mensen die elkaar herkennen en inhoudelijk spreken over hun vroegere leven en over mensen die nog op aarde zijn.


De dood maakt een mens niet tot een naamloze, geheugenloze ziel.



Mozes en Elia spreken over Gods verlossingswerk


Op de berg verschenen Mozes en Elia bij Christus:

“Dewelke, gezien zijnde in heerlijkheid, zeiden Zijn uitgang, dien Hij zou volbrengen te Jeruzalem.”
— Lukas 9:31

Mozes en Elia waren herkenbare personen. Zij konden spreken en verstonden wat Christus in Jeruzalem zou volbrengen. Hun identiteit en kennis waren niet verdwenen. Zij spraken samen over het middelpunt van Gods verlossingsplan.


Dit is nog niet de definitieve eeuwige toestand. Maar het bevestigt hetzelfde beginsel als Lukas 16: na het aardse leven blijven herkenning, kennis en inhoudelijk gesprek bestaan.



De martelaren herinneren zich hun getuigenis en dood


Openbaring 6 toont de zielen van hen die gedood waren om het Woord van God en om hun getuigenis. Zij roepen:

“Hoe lang, o heilige en waarachtige Heerser! oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen?”
— Openbaring 6:10

Zij weten dat zij zijn gedood, waarom zij zijn gedood, dat hun bloed op aarde is vergoten en dat de verantwoordelijken nog niet zijn geoordeeld. Zij kennen hun getuigenis en begrijpen dat God rechtvaardig zal oordelen.



De grote schare weet eveneens waaruit zij verlost is:

“Dezen zijn het, die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange klederen gewassen, en hebben hun lange klederen wit gemaakt in het bloed des Lams.”
— Openbaring 7:14

Zij roepen zelf:

“De zaligheid zij onzen God, Die op den troon zit, en het Lam.”
— Openbaring 7:10

Zij kennen hun Verlosser en weten aan Wie zij hun zaligheid te danken hebben. De daaropvolgende beloften verwijzen naar wat zij hebben meegemaakt:

“Zij zullen niet meer hongeren, en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet vallen, noch enige hitte.”
— Openbaring 7:16

Hun vroegere honger, dorst, hitte en verdrukking vormen de achtergrond van hun vertroosting. Hun geschiedenis is niet verdwenen; Gods redding heeft haar tot een getuigenis van Zijn genade gemaakt.


Openbaring 15 beschrijft bovendien degenen die de overwinning hebben over het beest, zijn beeld, zijn merkteken en het getal van zijn naam. Zij weten tegen welke macht zij hebben gestreden en zingen het lied van Mozes en van het Lam. Openbaring 20 bewaart diezelfde geschiedenis wanneer de martelaren worden opgewekt en met Christus regeren. Zij blijven herkenbaar als degenen die om Jezus’ getuigenis en Gods Woord zijn onthoofd en het beest hebben geweigerd.


Deze mensen kennen niet alleen hun naam en het feit dat zij gered zijn. Zij kennen hun strijd, hun keuzes, hun getuigenis, hun lijden en Gods verlossing.



Voor Christus wordt de volledige wandel vanaf de redding openbaar


De blijvende levenskennis van gelovigen rust niet alleen op de voorbeelden van martelaren. Iedere gelovige verschijnt persoonlijk voor Christus:

“Zo dan een iegelijk van ons zal voor zichzelven Gode rekenschap geven.”
— Romeinen 14:12

Paulus schrijft:

“Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage, hetgeen door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.”
— 2 Korinthe 5:10

Bijna ieder onderdeel van deze zin onderstreept de volledigheid.


“Wij allen” omvat iedere gelovige. “Een iegelijk” maakt de beoordeling persoonlijk. “Geopenbaard worden” betekent meer dan alleen voor Christus verschijnen: de mens en zijn wandel komen in Zijn volmaakte licht. “Hetgeen door het lichaam geschiedt” betreft het werkelijke aardse handelen. “Hetzij goed, hetzij kwaad” omvat de volledige geestelijke en morele beoordeling van die wandel.


De Schrift verdeelt onze levensgeschiedenis niet in losse seconden. Zij spreekt over onze wandel, werken, woorden, motieven en verantwoordelijkheid. Maar binnen die verantwoordelijke wandel bestaat geen verborgen derde gebied dat voor Christus zonder betekenis blijft. Alles wat vanaf de redding geestelijk en moreel relevant was, blijkt goed of kwaad, kostbaar of waardeloos, trouw of ontrouw te zijn.



Eerst Christus als fundament, daarna het bouwen


Waarom begint deze beoordeling van christelijke wandel en loon bij de redding? Omdat Christus eerst het fundament moet zijn:

“Want niemand kan een ander fondament leggen dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus.”
— 1 Korinthe 3:11

Pas daarna bouwt de gelovige op dit fundament met goud, zilver en kostelijke stenen, of met hout, hooi en stoppelen (1 Korinthe 3:12).



Efeze 2 bewaart dezelfde volgorde. De mens wordt niet door werken gered:

“Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme.”
— Efeze 2:8–9

Pas daarna volgt:

“Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen.”
— Efeze 2:10

Eerst wordt iemand uit genade gered en in Christus geplaatst. Daarna kan hij wandelen in de goede werken die God heeft voorbereid.


“Opdat wij […] zouden wandelen” beschrijft geen automatisme. Een gelovige kan door de Geest wandelen, maar hij kan ook aan het vlees toegeven. Goede werken bewijzen of bewerken zijn redding niet. Zij behoren tot de wandel waartoe God iemand na zijn redding roept.


Het leven vóór de redding blijft wel deel van iemands persoonlijke geschiedenis. Paulus wist dat hij vroeger een godslasteraar, vervolger en verdrukker was. Juist daardoor werd zijn verleden een getuigenis van Gods barmhartigheid. Maar dat vroegere leven vormt geen christelijk bouwwerk op het fundament Christus. De Schrift zegt niet dat ieder afzonderlijk voorval van vóór de redding bij de rechterstoel voor loon wordt beoordeeld.



Goed en kwaad: Geest en vlees


Wat maakt een werk werkelijk goed voor God? De diepste scheidslijn loopt tussen Geest en vlees. Paulus zegt:

“Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont.”
— Romeinen 7:18

En:

“Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheid des vleses niet.”
— Galaten 5:16

Wat uit het vlees voortkomt, kan God niet behagen en brengt geen blijvende geestelijke vrucht voort. Ook een uiterlijk goede daad kan voor Christus waardeloos blijken wanneer zij uit hoogmoed, eigenbelang of menselijke eerzucht werd gedaan. Wat door geloof, uit de werking van de Heilige Geest en tot Gods eer wordt verricht, is werkelijk goed en kan voor Christus standhouden.

De persoonlijke werkelijkheid van deze strijd tussen vlees en Geest wordt verder uitgewerkt in Vlees en Geest: waarom doe ik wat ik niet wil?.


Dat betekent niet dat alleen prediken, evangeliseren of Bijbellezen goede werken kunnen zijn. Paulus schrijft:

“Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter ere Gods.”
— 1 Korinthe 10:31

En:

“En al wat gij doet met woorden of met werken, doet het alles in den Naam van den Heere Jezus.”
— Kolossenzen 3:17

Eten, drinken, werken, rusten, een gezin verzorgen, iemand helpen of trouw een eenvoudige opdracht uitvoeren kan tot Gods eer gebeuren. De zichtbare grootte van een daad is niet beslissend. Christus kent haar bron, motief en werkelijke waarde.



Daarom schrijft Paulus:

“Zo dan oordeelt niets vóór den tijd, totdat de Heere zal gekomen zijn, Welke ook in het licht zal brengen, hetgeen in de duisternis verborgen is, en openbaren de raadslagen der harten; en alsdan zal een iegelijk lof hebben van God.”
— 1 Korinthe 4:5

Christus openbaart niet alleen de buitenkant. Ook de raadslagen van het hart komen aan het licht. Iets wat mensen bewonderden, kan uit het vlees zijn voortgekomen. Een onopgemerkte daad kan door de Geest, uit ware liefde en trouw zijn verricht.



Daden, woorden, motieven en bewuste nalatigheid


Paulus zegt:

“Eens iegelijks werk zal openbaar worden; want de dag zal het verklaren, dewijl het door vuur ontdekt wordt; en hoedanig eens iegelijks werk is, zal het vuur beproeven.”
— 1 Korinthe 3:13

De rechterstoel maakt niet alleen bekend hoeveel iemand heeft gedaan, maar “hoedanig” zijn werk werkelijk was.



Christus leert bovendien dat zelfs woorden voor God betekenis hebben:

“Maar Ik zeg u, dat van elk ijdel woord, hetwelk de mensen zullen gesproken hebben, zij van hetzelve zullen rekenschap geven in den dag des oordeels.”
— Mattheüs 12:36

Ook bewuste nalatigheid behoort tot verantwoordelijkheid:

“Wie dan weet goed te doen, en niet doet, dien is het zonde.”
— Jakobus 4:17

De som van deze teksten is indringend. Vanaf de redding komen voor Christus aan het licht:


  • onze werken;
  • onze woorden;
  • onze verborgen motieven;
  • ons bewust nagelaten goed;
  • onze omgang met tijd, mogelijkheden en verantwoordelijkheden;
  • wat uit het vlees voortkwam;
  • wat God door Zijn Geest in ons heeft gewerkt.


Niet slechts enkele zichtbare bedieningen worden onderzocht. De volledige verantwoordelijke levenswandel vanaf de redding wordt openbaar.



Het mechanisme is onbekend; de omvang niet


De Schrift zegt niet op welke wijze Christus deze volledige wandel bekendmaakt. Zij vertelt niet of gebeurtenissen achtereenvolgens worden getoond, of volledige kennis in één keer in het bewustzijn wordt gebracht, of dat Christus daarvoor een andere wijze gebruikt.


Die onbekendheid betreft uitsluitend het mechanisme. Zij maakt de omvang niet onzeker.


“Wij allen” worden geopenbaard. “Een iegelijk” ontvangt naar wat door het lichaam is gedaan. “Eens iegelijks werk” wordt openbaar. Verborgen dingen en hartsmotieven komen aan het licht. Ieder geeft voor zichzelf rekenschap.


Daarom staat cumulatief vast dat de volledige verantwoordelijke wandel vanaf de redding voor Christus wordt nagegaan. Niets wat voor Zijn beoordeling betekenis heeft, blijft verborgen.



Een enorme opfrissing van onze levenskennis


Ons huidige geheugen is gebrekkig. Wij vergeten gebeurtenissen, woorden, keuzes en gelegenheden. Wij begrijpen onze eigen motieven niet altijd. Wij kunnen iets goed noemen wat uit het vlees voortkwam, of klein achten wat Christus juist kostbaar vindt. Wij zien Gods verborgen leiding maar ten dele.


Voor Christus’ rechterstoel komt dat alles in Zijn volmaakte licht. Daardoor vindt meer plaats dan een gewone herinnering. Christus geeft de ware verklaring bij ons leven.


Wij zullen zien:


  • welke vergeten situaties werkelijk betekenis hadden;
  • waar wij ongehoorzaam waren zonder dat goed te beseffen;
  • welke werken uiterlijk goed leken maar uit een verkeerd motief kwamen;
  • welke eenvoudige daden door de Geest werden gewerkt;
  • welke mogelijkheden wij bewust ongebruikt lieten;
  • hoe vaak God ons beschermde, verdroeg en terechtbracht;
  • welke werken Hij voor ons had voorbereid;
  • hoe Hij ons gebruikte zonder dat wij Zijn hand volledig herkenden.


Dat betekent een geweldige opfrissing én correctie van onze levenskennis. De gelovige zal zijn wandel vanaf de redding veel vollediger en waarachtiger kennen dan hij die tijdens zijn aardse leven ooit heeft gekend.


Dat betekent niet dat ieder detail op ieder toekomstig ogenblik tegelijk zijn bewuste aandacht vult. Het betekent wel dat Christus de volledige wandel heeft bekendgemaakt en verklaard. Die door Hem ontsloten levensgeschiedenis wordt niet opnieuw tot een vage, betekenisloze herinnering teruggebracht, maar blijft deel van het persoonlijke getuigenis van Gods genade.



De rechterstoel beslist niet opnieuw over onze redding


De ernst van deze beoordeling mag nooit worden verward met een nieuw oordeel over de vraag of de gelovige eeuwig gered is. Wanneer een werk geen standhoudt, schrijft Paulus:

“Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur.”
— 1 Korinthe 3:15

Het werk kan verbranden. De gelovige kan loon verliezen. Maar hijzelf blijft behouden.


Christus brengt onze wandel niet aan het licht om de schuld opnieuw te laten betalen. Hij heeft de volledige straf voor al onze zonden gedragen: voor de zonden van vóór onze redding én voor de zonden die wij daarna nog hebben gedaan.


De rechterstoel is geen tweede kruis, geen heropening van onze rechtvaardiging en geen laatste proef om te bepalen of wij werkelijk genoeg hebben gepresteerd. Het is de waarheidsgetrouwe beoordeling van de wandel en werken van mensen die reeds uit genade gered zijn.


Het goede wordt beloond. Wat uit het vlees voortkwam kan verbranden en loon kosten. Maar geen zonde wordt opnieuw ter betaling voorgelegd. Christus heeft uitgeroepen: “Het is volbracht.”



Zelfs het goede getuigt van genade


Wanneer Christus goud, zilver en kostelijke stenen vindt, geeft dat de gelovige nog steeds geen reden om in zichzelf te roemen. Paulus schrijft:

“Doch door de genade Gods ben ik, dat ik ben; en Zijn genade, die aan mij bewezen is, is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen; doch niet ik, maar de genade Gods, Die met mij is.”
— 1 Korinthe 15:10

Paulus ontkent zijn arbeid niet. Hij heeft werkelijk gearbeid. Maar wanneer hij de diepste bron aanwijst, zegt hij:

“Doch niet ik, maar de genade Gods, Die met mij is.”

Bij het kwade zien wij hoe volledig het Lam onze schuld heeft gedragen. Bij het goede zien wij hoe Gods genade en Geest in ons hebben gewerkt. Zowel het verbrande werk als het blijvende werk sluiten menselijke roem uit.


Daarom wordt Christus’ rechterstoel uiteindelijk een geweldige openbaring van genade. Wij zullen weten hoeveel wij aan het Lam te danken hebben, hoeveel Hij heeft verdragen en hoeveel van het werkelijk goede door Zijn werking tot stand kwam.



Ook het leven vóór de redding getuigt van barmhartigheid


Paulus vergat zijn vroegere leven niet. Hij schreef:

“Die tevoren een godslasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid geschied.”
— 1 Timotheüs 1:13

En:

“Maar daarom is mij barmhartigheid geschied, opdat Jezus Christus in mij, die de voornaamste ben, al Zijn lankmoedigheid zou betonen.”
— 1 Timotheüs 1:16

Zijn verleden werd niet uitgewist. Het werd de donkere achtergrond waartegen Christus’ lankmoedigheid des te heerlijker zichtbaar werd.


Het leven vóór de redding vormt geen bouwwerk voor loon op het fundament Christus. Maar het blijft wel deel van de persoonlijke geschiedenis waaruit Gods reddende genade blijkt. De gelovige weet Wie hem heeft gevonden, waaruit hij is verlost en waarom alle eer aan Christus toekomt.


Zo wordt iedere verloste levensgeschiedenis persoonlijk en uniek, terwijl de roem altijd dezelfde richting uitgaat: naar God en het Lam.



God toont Zijn genade in de toekomstige eeuwen


Paulus beschrijft Gods doel met de verlosten:

“Opdat Hij zou betonen in de toekomende eeuwen den uitnemenden rijkdom Zijner genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus.”
— Efeze 2:7

God heeft Zijn genade niet alleen in het verleden getoond. Hij zal in de toekomstige eeuwen de alles overtreffende rijkdom van Zijn genade in Christus tentoonspreiden.



Die toekomstige eeuwen houden niet op bij het duizendjarig Koninkrijk. In de uiteindelijke eeuwige toestand geeft de boom des levens:

“Van maand tot maand […] zijne vrucht.”
— Openbaring 22:2

De ene maand volgt werkelijk op de andere. Waar maanden zonder einde voortgaan, ontstaat vanzelf ook langere voortgaande duur: jaren en eeuwen. Openbaring zegt vervolgens over Gods dienstknechten:

“En zij zullen als koningen heersen in alle eeuwigheid.”
— Openbaring 22:5

De eeuwigheid is voor geschapen mensen geen bevroren tijdloos ogenblik. Zij is leven zonder einde. God blijft gedurende de toekomstige eeuwen de rijkdom van Zijn genade tonen. De verlosten blijven eeuwig levende bewijzen van wat Hij door Christus heeft gedaan.


“Betonen” betekent dat Gods wijsheid en goedertierenheid werkelijk zichtbaar en kenbaar worden. Zijn dienstknechten zien Zijn aangezicht, leven in Zijn licht en kennen hun door Hem verklaarde geschiedenis. Hun kennis is daarom niet bevroren. Zij kunnen eeuwig ontvangen en verstaan wat God van Zijn onuitputtelijke rijkdom laat zien.


Dat betekent niet noodzakelijk dat God iedere maand een geheel nieuwe heilsleer bekendmaakt. Het betekent wel dat Zijn genade nooit een uitgeput onderwerp wordt. De oneindige God kan door een eindig mens werkelijk worden gekend, maar nooit volledig worden doorgrond.



“Dan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben”


Een bekende tegenwerping komt uit 1 Korinthe 13:

“Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben.”
— 1 Korinthe 13:12

Betekent dit dat iedere verheerlijkte mens alles weet wat God weet?


Dat kan niet de betekenis zijn. Paulus zegt niet: “Dan zal ik alle dingen weten.” Hij zegt dat het huidige gedeeltelijke en verduisterde kennen plaatsmaakt voor rechtstreeks kennen. Het zien door een spiegel in een duistere rede maakt plaats voor “aangezicht tot aangezicht”.


Wanneer het eerdere “de kennis zal tenietgedaan worden” zou betekenen dat iedere vorm van kennis verdwijnt, zou Paulus niet onmiddellijk kunnen zeggen: “Dan zal ik kennen.” Wat verdwijnt is de huidige gedeeltelijke wijze van kennen en de tijdelijke gave die daarbij behoort, niet het werkelijke kennen zelf.


“Gelijk ook ik gekend ben” maakt een mens evenmin tot God. Anders zou deze ene zin alle Schriftplaatsen tegenspreken waarin God alleen alle dingen kent en de verlosten voor eeuwig Zijn dienstknechten blijven. Het gaat om helder, rechtstreeks en persoonlijk kennen, niet om het ontvangen van Gods oneindige alwetendheid.


Wij zullen zonder de huidige zondige verduistering kennen. Wij zullen niet alles weten wat de oneindige God weet.



“De vorige dingen zullen niet meer gedacht worden”


Jesaja schrijft:

“En de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden, en zullen in het hart niet opkomen.”
— Jesaja 65:17

Betekent dit een totale uitwissing van alle aardse herinneringen? De onmiddellijke context spreekt over de vroegere benauwdheden:

“Omdat de vorige benauwdheden zullen vergeten zijn, en omdat zij voor Mijn ogen verborgen zijn.”
— Jesaja 65:16

Een absolute vernietiging van alle historische kennis kan niet bedoeld zijn. In het Nieuwe Jeruzalem blijven de namen van Israëls stammen en Christus’ apostelen staan. Christus blijft voor eeuwig het Lam. Zijn kruisiging en verlossingswerk worden niet vergeten alsof zij nooit hebben plaatsgevonden.



De oude gevallen orde met haar benauwdheden beheerst het hart niet meer. Zonde, dood, schuld, verlies en verdriet zullen de verlosten niet eeuwig blijven kwellen. Openbaring zegt over de definitieve toestand:

“En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan.”
— Openbaring 21:4

De verlossingsgeschiedenis wordt niet uitgewist; haar pijnlijke macht is verdwenen. Wij kunnen Gods redding eeuwig kennen en prijzen zonder opnieuw door het vroegere lijden te worden verwond.



De tranenwissing volgt Gods opstandingsorde


De chronologie moet hier zorgvuldig worden bewaard. Openbaring beschrijft niet slechts één toepassing van Gods tranenwissing.


Tijdens de verdrukking bevinden gedode getuigen zich bij God, maar zij vragen nog: “Hoe lang?” Het onrecht is nog niet volledig rechtgezet. Zij wachten op Gods oordeel en op de voltooiing van het getal van hun mededienstknechten. Openbaring 7 grijpt vervolgens vooruit naar de voltooide grote schare uit de grote verdrukking en belooft reeds over haar:

“En God zal alle tranen van hun ogen afwissen.”
— Openbaring 7:17

Jesaja verbindt het afwissen van tranen rechtstreeks met het verslinden van de dood tot overwinning (Jesaja 25:8). Paulus past die doodsoverwinning toe op het moment waarop het sterfelijke onsterfelijkheid aandoet (1 Korinthe 15:54). Daarom gaan degenen die vóór het duizendjarig Koninkrijk een verheerlijkt lichaam ontvangen niet alleen onsterfelijk, maar ook bevrijd van de persoonlijke kwelling van hun vroegere smart het Koninkrijk binnen.


Tijdens dat Koninkrijk leven daarnaast geredde mensen in natuurlijke lichamen. Onder hun bevolking bestaan nog geboorte, zonde, tucht en de mogelijkheid van dood. Christus brengt werkelijk troost, vrede en vreugde, maar de gehele scheppingsorde is nog niet van iedere oorzaak van rouw bevrijd. Aan het einde wordt Satan losgelaten en volgt de laatste opstand.


Pas nadat die opstand is geoordeeld, de grote witte troon heeft plaatsgevonden en hemel en aarde volkomen vernieuwd zijn, geldt Openbaring 21:4 zonder enige resterende uitzondering voor de volledige verloste mensheid: nergens bestaan nog dood, rouw, gekrijt, moeite of tranen.


In beide toepassingen blijft de verlossingsgeschiedenis bekend terwijl haar pijnlijke macht verdwijnt. Verheerlijkte heiligen kunnen tijdens het millennium natuurlijke mensen begrijpen en dienen zonder zelf opnieuw door smart te worden gekweld. De opgestane Christus is daarvan het volmaakte voorbeeld: Hij wordt nergens meer wenend beschreven, maar ziet Maria’s tranen, onderwijst de bedroefde Emmaüsgangers en heeft als verhoogde Hogepriester medelijden met onze zwakheden.


De volledige chronologische bewijsvoering staat in Wanneer wist God alle tranen af?.



Zullen wij elkaars levensverhalen horen?


De Schrift zegt niet letterlijk dat iedere verloste zijn volledige levensverhaal aan alle andere verlosten zal vertellen. Zij zegt evenmin dat ieder mens persoonlijk met iedere andere verloste zal spreken.

Zulke details mogen wij niet tot een afzonderlijke leerstelling maken.


Maar de geopenbaarde feiten wijzen wel in een heldere richting.


Abraham en de rijke man herkennen elkaar en spreken over het vroegere leven. Mozes en Elia spreken met Christus over Gods verlossingswerk. De martelaren spreken over hun vergoten bloed. De grote schare bezingt haar zaligheid. De overwinnaars zingen over Gods werken nadat zij het beest hebben weerstaan. Persoonlijke identiteit, herinnering, herkenning en inhoudelijk gesprek blijven werkelijk bestaan.


In de eeuwige toestand bevinden zich ontelbaar veel verlosten uit verschillende tijden, volken, talen en levensomstandigheden. Zij worden niet alwetend en verliezen hun vermogen tot gemeenschap niet. Zij wandelen, dienen en regeren samen onder God en het Lam.


Dat er onder de verlosten werkelijke herkenning, gemeenschap en gesprek zal zijn, staat daarom cumulatief zeer sterk. De opstanding maakt mensen niet minder persoonlijk en de eeuwige toestand wist hun identiteit of geschiedenis niet uit. Alleen de precieze inhoud, volgorde en omvang van al die gesprekken zijn niet geopenbaard.


Wij mogen dus werkelijk denken aan de mogelijkheid Abraham te horen spreken over Gods beloften, Jozef over Gods leiding door lijden heen, Mozes over de uittocht, David over Gods bewaring, de profeten over hun bediening, de apostelen over hun omgang met Christus en onbekende gelovigen uit alle eeuwen over Gods trouw in hun leven.


De Schrift belooft niet dat al deze afzonderlijke gesprekken precies zo worden gevoerd. Maar zij toont geen zwijgende mensen zonder verleden. Zij toont herkenbare personen die weten wat God heeft gedaan en daarover spreken en zingen.


Iedere verloste draagt een werkelijke geschiedenis van genade. Zelfs wat voor andere mensen onopgemerkt bleef, is door God gezien en voor Christus openbaar geworden. Zo bestaat er een onvoorstelbare rijkdom aan kennis, getuigenis en gesprekstof—niet om de mens eeuwig centraal te stellen, maar om in ontelbaar veel levens de wijsheid, lankmoedigheid, trouw en genade van het Lam te aanschouwen.



De eeuwigheid zal onmogelijk saai zijn


David schrijft:

“Verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht; liefelijkheden zijn in Uw rechterhand, eeuwiglijk.”
— Psalm 16:11

Openbaring beschrijft geen eindeloze passiviteit. Gods dienstknechten:


  • dienen Hem;
  • zien Zijn aangezicht;
  • dragen Zijn Naam;
  • wandelen in een werkelijke nieuwe schepping;
  • eten van de boom des levens;
  • regeren in alle eeuwigheid.


Er blijven plaatsen, beweging, gemeenschap, dienst, verantwoordelijkheid en opeenvolgende maanden bestaan. Er zijn ontelbaar veel herkenbare mensen met werkelijk gekende levensgeschiedenissen. Bovenal blijft God oneindig. Zijn wijsheid is ondoorgrondelijk en de rijkdom van Zijn genade is uitnemend. Een eindig schepsel raakt daarom nooit op Hem uitgekeken of uitgeleerd.



Eeuwig leven is niet alleen leven dat nooit ophoudt. Christus zegt:

“En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt.”
— Johannes 17:3

De eeuwigheid is leven in volmaakte gemeenschap met God en het Lam. Iedere dienst is vrij van zonde, vermoeidheid en mislukking. Iedere ontmoeting is vrij van hoogmoed, achterdocht, leugen en verwijdering. Iedere levensgeschiedenis zal uiteindelijk spreken van Zijn genade.


De eeuwigheid kan niet saai zijn, omdat God niet eindig, eentonig of uitputbaar is.



Alleen door het Lam wordt onze geschiedenis heerlijk


Voor een mens die buiten Christus sterft, is blijvende herinnering geen troost. De rijke man herinnerde zich zijn leven en zijn broers, maar zijn aardse gelegenheid om te geloven was voorbij. Zijn geschiedenis getuigde tegen hem.


Geen mens verkrijgt eeuwig leven door een goed leven, godsdienstige inspanning of voldoende werken. Wij hebben allen gezondigd. Ook onze beste werken kunnen onze schuld niet betalen.


Daarom kwam Jezus Christus. Hij stierf voor onze zonden, werd begraven en stond lichamelijk op uit de dood. Eeuwig leven wordt niet verdiend, maar als gave ontvangen door geloof:

“Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme.”
— Efeze 2:8–9

Wie op Christus gelooft, heeft eeuwig leven. Zijn volledige zondeschuld is door het Lam gedragen. Zijn wandel en werken als gelovige zullen later voor Christus worden beoordeeld, maar zijn eeuwige redding rust nooit op die werken. Zelfs wanneer onwaardig werk verbrandt, blijft hijzelf behouden.


Alleen door het bloed van Christus kan onze geschiedenis van een aanklacht veranderen in een eeuwig getuigenis van genade.



Een eeuwigheid vol verhalen over de genade van het Lam


Verheerlijkte mensen worden niet alwetend. Zij worden volmaakte, onsterfelijke mensen en blijven voor eeuwig Gods dienstknechten. Hun persoonlijke identiteit en levensgeschiedenis worden niet uitgewist.


Christus kende na Zijn opstanding Zijn woorden, Zijn kruisiging en Zijn weg met de discipelen. Abraham en de rijke man spraken over hun vroegere levens. Mozes en Elia spraken over Gods verlossingswerk. De martelaren herinnerden zich hun vergoten bloed. De grote schare wist uit welke verdrukking zij kwam. De overwinnaars kenden het beest dat zij hadden weerstaan.


Voor Christus’ rechterstoel wordt bovendien de volledige verantwoordelijke wandel van iedere gelovige vanaf zijn redding in Gods volmaakte licht geplaatst. Werken, woorden, verborgen motieven en bewuste nalatigheid worden openbaar. Wat uit het vlees voortkwam kan verbranden. Wat door geloof, uit de werking van de Geest en tot Gods eer werd gedaan, kan standhouden.


Hoe Christus deze volledige wandel toont, is niet geopenbaard. Dat Hij hem volledig toont, staat vast. Daardoor ontvangt de gelovige een enorme opfrissing en correctie van zijn levenskennis. Hij zal zijn geschiedenis kennen zoals hij haar tijdens zijn aardse leven nooit heeft gekend—niet om opnieuw veroordeeld te worden, maar om Christus’ rechtvaardige beoordeling en Gods onmetelijke genade te verstaan.


Bij het kwade schittert het bloed van het Lam, Dat alle schuld heeft gedragen. Bij het goede klinkt Paulus’ belijdenis: “Doch niet ik, maar de genade Gods, Die met mij is.” Niemand zal in zichzelf kunnen roemen.


In de eeuwige toestand blijven de maanden voortgaan. God blijft in de toekomstige eeuwen de uitnemende rijkdom van Zijn genade tonen. Ontelbaar veel herkenbare verlosten zullen samen dienen en leven, ieder met een werkelijk gekende geschiedenis waarin God op een eigen wijze Zijn trouw heeft bewezen.


De Bijbel vertelt niet hoe ieder toekomstig gesprek zal verlopen. Maar zij laat geen ruimte voor het beeld van een lege, zwijgende of eentonige eeuwigheid. Er zal onvoorstelbaar veel te kennen, te delen en te bespreken zijn. En boven al die geschiedenissen blijft eeuwig hetzelfde heerlijke middelpunt staan:


God en het Lam, Wiens genade nooit raakt uitgeput.