Is geloof een gave van God?
Kort antwoord: Efeze 2:8 noemt niet het geloof, maar de zaligheid uit genade als Gods gave. Romeinen 5 verbindt die gave met rechtvaardigmaking, gerechtigheid en eeuwig leven. God maakt Zijn reddende getuigenis bekend; de mens hoort of leest het en gelooft het of verwerpt het. Geloven is volgens Romeinen 4:5 geen werk: het neemt Gods getuigenis over Jezus Christus aan, Die het volledige reddende werk heeft volbracht.
Wat geeft God — en wie gelooft?
Efeze 2:8 leert niet dat geloof als een bijzonder vermogen in de mens wordt ingeplant. God geeft de zaligheid en het eeuwige leven; de mens gelooft Zijn getuigenis over Jezus Christus.
Veel mensen hebben geleerd dat een mens het Evangelie niet kan geloven, tenzij God hem eerst een bijzondere gave van geloof schenkt.
Volgens die leer heeft ieder mens wel oren om de woorden van het Evangelie te horen, maar niet het vermogen om die woorden te geloven. God zou dat vermogen alleen aan bepaalde mensen geven. Zij ontvangen eerst een ingeplant of onweerstaanbaar geloof, waarna zij onvermijdelijk in Christus geloven.
Als bewijs wordt meestal Efeze 2:8 aangehaald:
“Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave.”
— Efeze 2:8
Maar wat is volgens deze tekst Gods gave?
Is dat het menselijke geloofsvermogen?
Of is het de zaligheid uit genade?
De Schrift geeft een helder antwoord. God geeft de Zaligmaker, de volbrachte betaling, de rechtvaardigheid en het eeuwige leven. De mens ontvangt Gods gave door Zijn getuigenis over Jezus Christus te geloven.
God geeft de redding. De mens gelooft de Redder.
Het korte Bijbelse antwoord
Efeze 2:8-9 leert niet dat God alleen aan bepaalde mensen een bijzondere geloofsfunctie geeft, waardoor zij het Evangelie kunnen geloven.
De tekst leert:
- de zaligheid komt volledig uit Gods genade;
- zij wordt door geloof ontvangen;
- zij komt niet uit de mens;
- zij is Gods gave;
- zij wordt niet door werken verdiend.
“Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave;
Niet uit de werken, opdat niemand roeme.”
— Efeze 2:8-9
Paulus zegt niet:
Uw geloof is Gods gave.
Hij zegt:
Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave.
De zaligheid uit genade is Gods gave. Geloof is de wijze waarop die gave wordt ontvangen.
Dat maakt geloven niet tot een menselijke verdienste. De Schrift plaatst geloven juist rechtstreeks tegenover werken:
“Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.”
— Romeinen 4:5
Volgens God is degene die gelooft iemand:
“Die niet werkt.”
Een mens redt zichzelf dus niet door te geloven. Hij vertrouwt op Degene Die de goddeloze rechtvaardigt.
Wat is in Efeze 2:8 Gods gave?
Lees niet alleen de woorden “Gods gave”, maar volg de volledige gedachte van Paulus:
“Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave;
Niet uit de werken, opdat niemand roeme.”
— Efeze 2:8-9
Wat komt niet uit onszelf?
Wat staat tegenover werken?
Waarover kan niemand roemen?
Niet slechts de menselijke daad van geloven, maar de gehele zaligheid uit genade.
De mens:
- heeft de Zaligmaker niet gezonden;
- heeft het kruis niet bedacht;
- heeft zijn eigen zondeschuld niet betaald;
- heeft Christus niet uit de doden opgewekt;
- kan zichzelf niet rechtvaardigen;
- kan zichzelf geen eeuwig leven geven.
God heeft alles volbracht wat nodig was om de zondaar te redden.
Daarom is de zaligheid Zijn gave.
Ook de grammaticale vorm ondersteunt dit. Het Griekse woord voor geloof is vrouwelijk, terwijl het woord dat met “dat” wordt vertaald onzijdig is. “Dat” hoeft daarom niet rechtstreeks naar het zelfstandige woord geloof terug te wijzen, maar kan de volledige voorafgaande gedachte samenvatten:
Uit genade gered zijn door geloof.
De grammatica alleen beslist niet alles. De context wel.
Vers 9 zegt:
“Niet uit de werken, opdat niemand roeme.”
Paulus stelt niet twee soorten geloof tegenover elkaar:
- geloof dat uit de mens komt;
- geloof dat door God wordt ingeplant.
Hij stelt twee totaal verschillende gronden tegenover elkaar:
- zaligheid als verdiend loon;
- zaligheid als onverdiende gave.
Wat noemt de Schrift Gods gave?
De beste manier om te bepalen wat God geeft, is niet door één zinsdeel los te maken. Laat de Schrift zelf verklaren wat Gods gave is.
“Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onzen Heere.”
— Romeinen 6:23
Wat noemt Paulus Gods genadegift?
Niet het vermogen om eeuwig leven te geloven.
Het eeuwige leven zelf.
Romeinen 5 ontvouwt wat de gave inhoudt
Romeinen 5 gebruikt het woord gave meerdere keren en laat in dezelfde passage zien wat God door Jezus Christus schenkt en waartoe die gave leidt:
| Tekst | De gave |
|---|---|
| Romeinen 5:15 | De genadegave door Jezus Christus |
| Romeinen 5:16 | Rechtvaardigmaking |
| Romeinen 5:17 | De gave der gerechtigheid |
| Romeinen 5:18 | Rechtvaardigmaking des levens |
| Romeinen 5:21 | Eeuwig leven |
De lijn is volkomen helder. Paulus verbindt Gods gave met genade door Jezus Christus, rechtvaardigmaking, gerechtigheid en eeuwig leven. Nergens wordt het menselijke geloofsvermogen als de reddende gave aangewezen.
God geeft de rechtvaardigheid en het eeuwige leven. De mens ontvangt die gave door in Jezus Christus te geloven.
“Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.”
— Johannes 6:47
God geeft het leven.
De mens gelooft de Zoon.
Wanneer die twee worden verwisseld, wordt het geloof zelf bijna tot de reddende kracht gemaakt. Maar het geloof heeft niet voor onze zonden betaald. Jezus Christus heeft dat gedaan.
Wie eerst helder wil vaststellen wat geloven volgens de Bijbel werkelijk betekent, vindt daar de fundamentele uitleg van geloof en reddend geloof.
Hoe ontstaat geloof volgens de Bijbel?
Geloof kan niet bestaan zonder inhoud.
Een mens kan niet geloven dat een uitspraak waar is, wanneer die uitspraak nooit aan hem bekend is gemaakt. Eerst moet een boodschap, belofte of getuigenis zijn verstand bereiken. Daarna kan hij haar geloven of verwerpen.
Paulus schrijft:
“Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.”
— Romeinen 10:17
“Gehoor” betekent niet uitsluitend dat geluidsgolven lichamelijke oren bereiken. Een dove kan Gods Woord lezen, via gebarentaal ontvangen en geloven.
Het gaat om het ontvangen en begrijpen van de boodschap.
Johannes schreef daarom:
“Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zone Gods; en opdat gij, gelovende, het leven hebt in Zijn Naam.”
— Johannes 20:31
Johannes sprak niet persoonlijk tot iedere toekomstige lezer. Hij schreef zijn getuigenis op.
Waarom?
“Opdat gij gelooft.”
De geschreven boodschap bereikt het verstand van de lezer. De lezer kan haar vervolgens geloven.
Ook Jezus verbond geloof met geschreven woorden:
“Maar indien gij zijn Schriften niet gelooft, hoe zult gij Mijn woorden geloven?”
— Johannes 5:47
Men kon de Schriften van Mozes geloven of niet geloven. Dat is dezelfde normale betekenis van geloof: geschreven informatie voor waar aannemen of verwerpen.
Het misschien wel duidelijkste voorbeeld
Handelingen 28 beschrijft hoe Paulus aan een groep mensen uit de Schriften getuigde van Jezus Christus:
“En sommigen geloofden wel hetgeen gezegd werd, maar sommigen geloofden niet.”
— Handelingen 28:24
Let op hoe eenvoudig en krachtig dit vers is.
Dezelfde prediker.
Dezelfde dag.
Dezelfde Schriften.
Dezelfde uitleg.
Dezelfde boodschap over Christus.
Toch waren er twee reacties:
Sommigen geloofden hetgeen gezegd werd.
En:
Sommigen geloofden niet.
De tekst zegt niet dat de ene groep een andere menselijke geloofsfunctie bezat dan de andere groep. Zij werden geconfronteerd met hetzelfde getuigenis en reageerden verschillend op hetgeen gezegd werd.
Dat is precies wat geloof en ongeloof zijn:
- geloof neemt het getuigenis als waar aan;
- ongeloof neemt het getuigenis niet als waar aan.
Het verschil lag niet in twee verschillende Evangelies. Het lag in de reactie van de toehoorders op dezelfde boodschap.
De Bijbel gebruikt geloof overal op dezelfde normale manier
Paulus schreef aan de Korinthiërs:
“Want eerstelijk, als gij samenkomt in de gemeente, zo hoor ik, dat er scheuringen onder u zijn; en ik geloof het ten dele.”
— 1 Korinthe 11:18
Paulus ontving informatie over scheuringen. Hij hield dat bericht gedeeltelijk voor waar.
Daarvoor hoefde geen bijzondere geloofsgave in hem te worden ingeplant.
Zacharias hoorde de boodschap van Gabriël, maar geloofde haar niet:
“Omdat gij mijn woorden niet geloofd hebt, welke vervuld zullen worden op hun tijd.”
— Lukas 1:20
Gabriël beschuldigde Zacharias niet van onvoldoende werken. Zacharias had zijn woorden niet voor waar aangenomen.
De discipelen hoorden Christus zeggen dat zij naar de andere zijde van het meer zouden varen. Toen de storm kwam, vertrouwden zij meer op hetgeen hun ogen zagen dan op hetgeen Christus had gezegd.
Daarom vroeg Jezus:
“Waar is uw geloof?”
— Lukas 8:25
Steeds is het patroon hetzelfde:
- er wordt iets bekendgemaakt;
- de mens begrijpt wat wordt beweerd;
- hij gelooft het of gelooft het niet.
Werkt reddend geloof dan precies hetzelfde?
Wat de betekenis van het woord geloven betreft: ja.
Reddend geloof is geen tweede, geheimzinnige menselijke functie. Geloven blijft het aannemen van een getuigenis als waar.
Wat reddend geloof bijzonder maakt, is niet de psychologische kwaliteit van het geloof.
Het bijzondere ligt in:
- Wie het getuigenis geeft;
- over Wie het getuigenis gaat;
- wat er wordt beloofd;
- Wie werkelijk kan redden.
Een mens kan oprecht een leugen geloven. Zijn oprechtheid maakt die leugen niet waar en kan hem niet redden.
Een mens kan ook bevend Gods waarheid geloven. Zijn geloof kan zwak aanvoelen, maar het rust op een volmaakte Redder.
Reddend geloof neemt Gods getuigenis over Jezus Christus aan:
- Hij is de Christus, de Zoon van God;
- Hij stierf voor onze zonden;
- Hij werd begraven;
- Hij stond lichamelijk op uit de doden;
- Zijn betaling is volledig;
- Hij geeft eeuwig leven aan ieder die in Hem gelooft.
“Dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften;
En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften.”
— 1 Korinthe 15:3-4
Het bijzondere van reddend geloof ligt niet in een bijzondere soort geloof, maar in Jezus Christus, het Voorwerp van dat geloof.
Het Evangelie brengt de reddende boodschap tot de mens. Het zegt nergens dat eerst een afzonderlijke geloofsfunctie in hem moet worden ingeplant voordat hij Gods getuigenis kan verstaan en geloven.
Wie gelooft er volgens de Schrift?
De Schrift is ook in haar formulering opvallend consequent.
Tegen de stokbewaarder werd gezegd:
“Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden…”
— Handelingen 16:31
Martha zei:
“Ja, Heere, ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, de Zone Gods, Die in de wereld komen zou.”
— Johannes 11:27
Petrus zei:
“En wij hebben geloofd en bekend, dat Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.”
— Johannes 6:69
Johannes schreef:
“Deze zijn geschreven, opdat gij gelooft…”
— Johannes 20:31
De Schrift zegt:
- geloof gij;
- ik heb geloofd;
- wij hebben geloofd;
- opdat gij gelooft;
- die in Hem gelooft;
- gij gelooft niet.
De mens wordt steeds aangesproken als degene die gelooft of niet gelooft.
Dit grammaticale patroon bewijst op zichzelf niet dat God de mens niet overtuigt, trekt, onderwijst of door Zijn Woord aanspreekt. Dat doet God wel degelijk.
Maar het laat wel duidelijk zien dat de menselijke persoon werkelijk de gelovende persoon is.
God gelooft niet in de plaats van de mens.
God geeft het getuigenis.
De mens gelooft dat getuigenis.
God doet alles wat nodig is om te redden
Dat de mens zelf gelooft, betekent niet dat hij zichzelf redt.
God neemt het volledige initiatief.
God:
- heeft de wereld liefgehad;
- heeft Zijn eniggeboren Zoon gegeven;
- heeft Christus voor onze zonden laten sterven;
- heeft Hem uit de doden opgewekt;
- heeft Zijn getuigenis laten opschrijven;
- laat het Evangelie verkondigen;
- overtuigt de wereld door den Heiligen Geest;
- belooft eeuwig leven.
“Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft…”
— Johannes 3:16
“En Die gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid, en van oordeel.”
— Johannes 16:8
De mens kan:
- zijn zondeschuld niet betalen;
- Gods wet niet volmaakt vervullen;
- zijn eigen rechtvaardigheid niet voortbrengen;
- zichzelf geen eeuwig leven geven;
- zichzelf niet bewaren.
Christus heeft het reddende werk volledig volbracht.
Geloven voegt daar geen verdienste aan toe. Geloven neemt Gods getuigenis over dat volbrachte werk aan.
Christus verricht het reddende werk. De mens gelooft het reddende bericht.
De menselijke wil wordt werkelijk aangesproken
Jezus zei:
“Zo iemand wil Deszelfs wil doen, die zal van deze leer bekennen, of zij uit God is, dan of Ik van Mijzelven spreek.”
— Johannes 7:17
Dit vers is geen technische definitie van reddend geloof. Het zegt niet dat willen en geloven precies hetzelfde zijn.
Maar het vernietigt wel het beeld van de mens als een wezen zonder werkelijke houding of wil tegenover Gods waarheid.
Jezus zegt:
“Zo iemand wil…”
De bereidheid van de mens tegenover Gods wil heeft invloed op zijn erkenning van Christus’ leer.
Wat is Gods wil met betrekking tot eeuwig leven?
“En dit is de wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft, dat een iegelijk, die den Zoon aanschouwt, en in Hem gelooft, het eeuwige leven hebbe; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.”
— Johannes 6:40
God wil dat een iegelijk die den Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, eeuwig leven heeft.
Johannes 5 toont de andere zijde:
“En gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben.”
— Johannes 5:40
Jezus zegt niet:
Gij wilt wel komen, maar Mijn Vader heeft u het geloofsvermogen niet gegeven.
Hij zegt:
“Gij wilt
[…] niet komen.”
Het probleem wordt beschreven als onwil, niet als een door God veroorzaakte afwezigheid van geloofsvermogen.
Waarom geloven mensen dan niet?
De Schrift verklaart ongeloof niet door te zeggen dat God de noodzakelijke geloofsfunctie heeft achtergehouden.
Zij wijst op de reactie en gesteldheid van de mens tegenover het licht.
“En dit is het oordeel, dat het Licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het Licht; want hun werken waren boos.”
— Johannes 3:19
Zij konden met het Licht worden geconfronteerd, maar hadden de duisternis liever.
Jezus zei ook:
“Hoe kunt gij geloven, gij, die eer van elkander neemt, en de eer, die van God alleen is, niet zoekt?”
— Johannes 5:44
Hun ongeloof hing samen met hetgeen zij liefhadden en zochten. Menselijke eer hield hen bij de waarheid vandaan.
Ongeloof wordt daarom niet slechts voorgesteld als een verstandelijk defect. Het kan verbonden zijn met:
- liefde tot de duisternis;
- menselijke eer;
- trots;
- eigen gerechtigheid;
- onwil om tot Christus te komen;
- weerstand tegen Gods getuigenis.
De afzonderlijke vraag of de mens werkelijk een eigen wil heeft wordt elders uitgebreider vanuit de Schrift onderzocht.
Ongeloof wordt de mens zelf aangerekend
Johannes schrijft:
“Die in den Zoon van God gelooft, heeft de getuigenis in zichzelven; die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, dewijl hij niet geloofd heeft de getuigenis, die God getuigd heeft van Zijn Zoon.”
— 1 Johannes 5:10
God heeft Zijn getuigenis gegeven.
Wie dat getuigenis gelooft, neemt God als waarachtig aan.
Wie het niet gelooft:
“Heeft Hem tot een leugenaar gemaakt.”
Johannes legt de verantwoordelijkheid niet bij God, alsof God de mens eerst het noodzakelijke geloof had onthouden. Hij legt haar bij degene die Gods getuigenis niet geloofde.
Ook Jezus verwonderde Zich over ongeloof:
“En Hij verwonderde Zich over hun ongeloof.”
— Markus 6:6
Na Zijn opstanding zei Hij:
“O onverstandigen en tragen van hart om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben!”
— Lukas 24:25
Let opnieuw op wat er geloofd moest worden:
“Al hetgeen de profeten gesproken hebben.”
De waarheid was bekendgemaakt. Hun hart was traag om haar te geloven.
De Schrift verklaart ongeloof voortdurend als het niet geloven, verwerpen of tegenstaan van Gods bekendgemaakte waarheid.
Is geloven dan toch een werk?
Dit is de voornaamste tegenwerping:
Wanneer de mens zelf gelooft, heeft hij dan niet iets aan zijn redding bijgedragen?
God beantwoordt deze vraag rechtstreeks:
“Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.”
— Romeinen 4:5
Paulus zegt niet:
Degene die een klein en eenvoudig werk verricht door te geloven.
Hij zegt:
“Die niet werkt, maar gelooft.”
Geloof en werken worden van elkaar onderscheiden.
Geloof:
- betaalt de zondeschuld niet;
- vervult Gods wet niet;
- verdient geen genade;
- brengt geen rechtvaardigheid voort;
- voegt niets aan het kruis toe;
- geeft geen grond tot roemen.
“Waar is dan de roem? Hij is uitgesloten. Door wat wet? der werken? Neen, maar door de wet des geloofs.”
— Romeinen 3:27
Werken wijzen naar de mens:
Zie wat ik heb gedaan.
Geloof wijst naar Christus:
Zie wat Hij heeft gedaan.
Daarom kan redding volledig door geloof alleen zijn en tegelijk volledig uit Gods genade blijven.
Maar Johannes 6:29 noemt geloven toch “het werk Gods”?
De Joden vroegen Jezus:
“Wat zullen wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken?”
— Johannes 6:28
Hun vraag begon bij menselijke prestatie:
Wat zullen
wij doen?
Jezus had echter vlak daarvoor al gezegd dat de Zoon des mensen de spijs die tot het eeuwige leven blijft, aan hen geven zou:
“Welke de Zoon des mensen ulieden geven zal…”
— Johannes 6:27
Het eeuwige leven wordt dus gegeven, niet door menselijke arbeid verdiend.
Daarna antwoordde Jezus:
“Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, Dien Hij gezonden heeft.”
— Johannes 6:29
Let nauwkeurig op Zijn woorden.
De mensen vroegen naar hun werken, in het meervoud. Jezus wees hen op het werk Gods, in het enkelvoud.
Hij zei niet:
Geloven is het ene menselijke werk dat u moet verrichten om het eeuwige leven te verdienen.
Dat kan de betekenis niet zijn, want Romeinen 4:5 maakt het onderscheid tussen werken en geloven volkomen helder:
“Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft…”
Volgens de Schrift behoort geloven dus niet tot de werken van de mens.
Christus bracht hen weg van de vraag:
Wat moeten wij doen?
En richtte hen op:
Hem Dien God gezonden heeft.
God heeft Zijn Zoon gezonden. God heeft de redding tot stand gebracht. God geeft het eeuwige leven. De mens wordt geroepen Zijn getuigenis over de Zoon te geloven.
De woorden “dat gij gelooft” maken duidelijk dat de mens werkelijk degene is die gelooft. Maar zijn geloof wordt daardoor geen werk waarmee hij iets verdient.
Geloven is juist het tegenovergestelde van werken voor de redding:
De mens houdt op op zichzelf te vertrouwen en gelooft in Hem Die God gezonden heeft.
Johannes 6:29 maakt geloof daarom niet tot een menselijk werk. Het vernietigt juist het menselijke werkdenken en richt de zondaar volledig op Jezus Christus.
Maar Filippenzen 1:29 zegt toch dat geloven gegeven is?
Paulus schrijft:
“Want u is uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden.”
— Filippenzen 1:29
Dit vers gaat niet over ongelovigen die eerst een bijzonder geloofsvermogen moeten ontvangen voordat zij het Evangelie kunnen geloven.
Paulus schrijft uitdrukkelijk aan mensen die reeds gered waren:
“Al den heiligen in Christus Jezus…”
— Filippenzen 1:1
Zij waren al:
- in Christus;
- deelgenoten van het Evangelie;
- gelovigen in wie God Zijn goede werk begonnen was;
- mensen die samen moesten strijden door het geloof des Evangelies.
De directe context gaat over hun wandel als gelovigen:
“Alleenlijk wandelt waardiglijk het Evangelie van Christus…”
— Filippenzen 1:27
Zij moesten in één geest vaststaan, samen strijden voor het geloof van het Evangelie en zich niet laten verschrikken door hun tegenstanders.
Daarna zegt Paulus:
“Want u is uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden.”
Dit gaat dus over het voorrecht en de roeping van reeds geredde mensen om in Christus te blijven geloven, door geloof te leven en voor Hem te lijden.
Paulus beschrijft hier niet hoe een ongelovige tot reddend geloof komt. Hij beschrijft het leven en de strijd van mensen die al in Christus zijn.
De volgorde is belangrijk:
- zij hadden het Evangelie geloofd;
- zij waren heiligen in Christus Jezus;
- zij moesten nu waardiglijk het Evangelie wandelen;
- zij mochten in Hem geloven en voor Hem lijden.
Zonder eerst door geloof in Christus gered te zijn, kan iemand niet als gelovige uit geloof leven, voor het Evangelie strijden of voor Christus lijden.
Filippenzen 1:29 bewijst daarom niet dat reddend geloof vóór de redding als een bijzondere, onweerstaanbare gave in een ongelovige wordt ingeplant.
Het vers spreekt tot gelovigen over hun verdere leven in de zaak van Christus.
Maar 2 Petrus 1:1 spreekt over verkregen geloof
Petrus schrijft aan degenen die:
“Even dierbaar geloof met ons verkregen hebben.”
Het vers beschrijft het kostbare geloof of de geloofspositie die zij met de apostelen deelden door de rechtvaardigheid van Jezus Christus.
Maar Petrus legt hier niet uit:
- hoe een ongelovige voor het eerst de Evangelieboodschap hoort;
- of hij die boodschap kan begrijpen;
- of een afzonderlijk geloofsvermogen moet worden ingeplant;
- of deze gave slechts aan enkele mensen wordt geschonken.
Het vers is gericht aan mensen die reeds geloven. Het kan daarom niet zonder verdere bewijsvoering worden gebruikt als volledige leer over het ontstaan van reddend geloof in een ongelovige.
Bestaat er dan nergens een gave van geloof?
Jawel.
“En een ander het geloof, door denzelfden Geest…”
— 1 Korinthe 12:9
Maar Paulus schrijft hier niet over het reddende geloof van een ongelovige. Hij schrijft aan geheiligden in Christus Jezus over geestelijke gaven binnen de gemeente.
Iedere gelovige wordt geroepen om door geloof en door den Geest te wandelen. De “gave des geloofs” in 1 Korinthe 12 is echter een bijzondere geestelijke bekwaamheid voor dienst.
De context maakt dit helder. Paulus zegt:
“Dezen…”
“Een ander…”
“En een ander…”
En hij verklaart:
“Doch deze dingen alle werkt één en dezelfde Geest, delende aan een iegelijk in het bijzonder, gelijkerwijs Hij wil.”
— 1 Korinthe 12:11
Niet iedere gelovige heeft dezelfde gave of dezelfde werking binnen het lichaam. Dat is geen aanneming des persoons, maar Gods wijze ordening van verschillende leden voor verschillende bedieningen.
Geestelijke gaven zijn bovendien geen loon dat een gelovige door een betere wandel verdient. Zij worden uit genade gegeven om te dienen. Loon ontvangt de gelovige later voor de trouw waarmee hij heeft geleefd en gediend.
De gave des geloofs uit 1 Korinthe 12:9 bewijst daarom niet dat God vóór de redding aan sommige ongelovigen een bijzonder geloofsvermogen moet geven. Zij behoort tot de bediening van mensen die reeds in Christus zijn.
Maar de mens is toch dood in zonden?
Efeze 2 zegt dat de mens dood is door misdaden en zonden.
Daaruit wordt soms geredeneerd:
Een lichamelijk dode kan niets doen. Daarom kan een geestelijk dode ook niet horen, begrijpen of geloven.
Maar Paulus legt zelf uit wat deze geestelijk dode mensen deden:
“En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden;
In welke gij eertijds gewandeld hebt…”
— Efeze 2:1-2
Deze dode mensen:
- wandelden;
- volgden de loop van deze wereld;
- leefden in begeerten;
- deden de wil van het vlees en van de gedachten.
Zij waren niet levenloos of verstandeloos. Zij waren van Gods leven gescheiden en stonden onder de macht en veroordeling van de zonde.
Geestelijke dood betekent niet dat de mens geen informatie kan ontvangen of overtuigingen kan hebben. Een geestelijk dood mens kan allerlei leugens geloven. De vraag is dan waarom hij principieel geen waarheid zou kunnen geloven wanneer die duidelijk aan hem wordt bekendgemaakt.
Hij kan zichzelf niet levend maken.
Maar hij kan geloven in Degene Die het leven geeft.
Meer hierover staat in wat “dood in zonden” volgens de Bijbel betekent en in de uitgebreidere studie kan een mens Gods Woord zelf geloven?.
De volgorde in Efeze 1:13 is glashelder
Paulus schrijft:
“In Welken ook gij zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid, gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte.”
— Efeze 1:13
De volgorde kan nauwelijks duidelijker worden opgeschreven:
- zij hoorden het Woord der waarheid;
- zij geloofden het Evangelie;
- zij werden verzegeld met den Heiligen Geest.
Eerst kwam de boodschap.
Daarna geloofden zij.
Nadat zij geloofd hadden, werden zij verzegeld.
Paulus zegt niet dat zij eerst met den Heiligen Geest werden verzegeld, zodat zij vervolgens het vermogen kregen om te geloven. Hij zegt precies het tegenovergestelde:
“Nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden.”
De mens ontvangt eerst het Evangelie als begrijpelijke boodschap. Hij gelooft het Woord der waarheid. Vervolgens verzegelt God de gelovige met den Heiligen Geest der belofte.
Het geloof komt dus niet voort uit de verzegeling. De verzegeling volgt op het geloof.
Ook vers 14 laat zien wat deze verzegeling betekent:
“Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verkregen verlossing, tot prijs Zijner heerlijkheid.”
— Efeze 1:14
De Heilige Geest wordt aan de gelovige gegeven als onderpand van zijn toekomstige erfenis. Dit is Gods antwoord op het geloof in het Evangelie, niet een voorafgaande verborgen handeling waardoor de ongelovige pas in staat wordt gesteld om te geloven.
De Bijbelse lijn is daarom helder:
Het Evangelie wordt gehoord.
De mens gelooft.
God verzegelt de gelovige.
Wie vóór het geloof eerst een geheime wedergeboorte of ingeplant geloofsvermogen in deze tekst wil plaatsen, voegt een volgorde toe die Paulus zelf niet noemt.
Efeze 1:13 ondersteunt daarom rechtstreeks wat de Schrift overal laat zien:
God geeft het Woord der waarheid. De mens gelooft dat Woord. Daarna ontvangt de gelovige den Heiligen Geest als zegel en onderpand.
Wat doet de leer van een ingeplante geloofsgave met de zekerheid?
Wanneer geloof alleen mogelijk is nadat God een bijzondere en onweerstaanbare gave heeft ingeplant, ontstaat een nieuw probleem.
De zondaar wordt dan niet eenvoudig gericht op Christus’ belofte. Hij moet ook gaan onderzoeken of zijn geloof van de juiste oorsprong en kwaliteit was.
Vragen ontstaan zoals:
- Heb ik werkelijk geschonken geloof?
- Was mijn geloof door God gewerkt?
- Was het meer dan historisch geloof?
- Heb ik voldoende kenmerken?
- Bewijst mijn leven dat God mij echt geloof heeft gegeven?
- Behoor ik tot degenen die konden geloven?
Wie daardoor voortdurend aan zichzelf twijfelt, vindt een afzonderlijke uitwerking bij is mijn geloof wel echt?
De aandacht verschuift ongemerkt:
van Christus naar de mens;
van de belofte naar de ervaring;
van Gods getuigenis naar de kwaliteit van het geloof.
Maar de Bijbel zegt niet:
Onderzoek eerst of u een bijzondere geloofsgave bezit.
Zij zegt:
“Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden.”
— Handelingen 16:31
De zekerheid ligt niet in de bijzondere oorsprong, kracht of ervaring van het geloof.
De zekerheid ligt in de betrouwbaarheid van Christus.
De Bijbelse lijn
De volledige Bijbelse lijn is eenvoudig:
- God heeft de wereld lief.
- God heeft Zijn Zoon gegeven.
- Christus is voor onze zonden gestorven.
- Christus is lichamelijk uit de doden opgestaan.
- God heeft dit getuigenis bekendgemaakt.
- De mens hoort of leest het Evangelie.
- Hij gelooft Gods getuigenis of verwerpt het.
- Wie in Christus gelooft, ontvangt eeuwig leven.
God levert niet slechts een bijdrage aan de redding.
Hij heeft het reddende werk volledig volbracht.
De mens vult het kruis niet aan door te geloven. Hij houdt op in zichzelf te vertrouwen en neemt Gods getuigenis over Christus aan.
Is geloof een gave van God?
De Bijbel leert niet dat Efeze 2:8 een afzonderlijke, onweerstaanbare geloofsfunctie bedoelt die alleen aan bepaalde ongelovigen wordt gegeven.
De Bijbel leert:
- God geeft Zijn Zoon;
- God geeft Zijn Woord;
- God geeft de rechtvaardigheid;
- God geeft de zaligheid;
- God geeft het eeuwige leven;
- de mens gelooft Gods getuigenis.
De zaligheid is Gods gave. Zij wordt door geloof ontvangen.
God gelooft niet in de plaats van de mens.
God spreekt.
De mens hoort.
De mens gelooft of gelooft niet.
Wie gelooft, kan daar niet over roemen. Zijn geloof heeft geen druppel bloed gestort en geen enkele zonde betaald.
Jezus Christus heeft alles volbracht.
“Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.”
— Johannes 6:47
Niet:
Wie eerst een bijzondere geloofsgave in zichzelf ontdekt.
Maar:
“Die in Mij gelooft.”
De beslissende vraag is daarom niet:
Heeft God mij een bijzonder soort geloof gegeven?
De beslissende vraag is:
Geloof ik wat God over Zijn Zoon heeft getuigd?
Wie die boodschap nog niet helder kent, kan verder lezen bij hoe word ik gered volgens de Bijbel?