Christus regeert duizend jaar zichtbaar en rechtvaardig over de aarde. Verheerlijkte heiligen dienen naast natuurlijke mensen die huizen bouwen, gezinnen vormen, werken, eten en Gods wegen leren. Het Koninkrijk kent vrede en overvloed, maar onder natuurlijke mensen bestaan nog mogelijke zonde, tucht en dood.
Hoe ziet het leven in het duizendjarig Koninkrijk eruit?
Kinderen spelen op de straten van Jeruzalem. Oude mensen zitten er met hun staf in de hand. Vanuit de volken trekken mensen naar Sion om door de Koning onderwezen te worden. Oorlogswapens zijn tot landbouwwerktuigen omgesmeed. Onder een wijnstok of vijgenboom hoeft niemand meer bang te zijn. De wolf verkeert met het lam, een klein kind bevindt zich zonder gevaar bij dieren die nu nog dodelijk zijn, en langs een door God levend gemaakte waterstroom spreiden vissers hun netten uit.
In het middelpunt staat geen menselijke regering, maar Jezus Christus. Hij is zichtbaar teruggekeerd. Hij regeert vanuit Sion. Zijn recht is niet langer een boodschap die door de machthebbers van deze wereld kan worden genegeerd; Zijn recht beheerst de aarde.
Dit is geen dichterlijke naam voor de tegenwoordige Gemeente en evenmin een beschrijving van een onstoffelijk leven in de hemel. Het is het werkelijke, komende, duizendjarige Koninkrijk van Christus op aarde.
Tegelijk is het nog niet de eeuwige toestand. In deze duizend jaren bestaan opstandingslichamen en natuurlijke lichamen naast elkaar. Er worden kinderen geboren. Mensen werken, planten, oogsten, eten en drinken. Zonde kan nog voorkomen en wordt door Christus rechtvaardig beteugeld. Zelfs de dood is voor natuurlijke mensen nog niet volledig verdwenen. Pas na de laatste opstand, de grote witte troon en het allesomvattende oordeel waardoor God hemel en aarde volkomen nieuwmaakt, zegt Hij zonder voorbehoud dat de dood niet meer zal zijn en dat er geen vervloeking meer zal zijn.
Juist dit onderscheid laat alle Schriftplaatsen samen spreken. Het bewaart ons zowel voor een vergeestelijkt Koninkrijk als voor de fout om de duizend jaren voortijdig gelijk te stellen aan de volkomen eeuwigheid.
De taferelen in dit artikel beschrijven vooral de gevestigde Koninkrijksorde. Zij betekenen niet dat onmiddellijk na Christus’ verschijning iedere stad, weg en voedselvoorziening reeds volledig hersteld is. Fiool 7 heeft de steden der volken doen vallen en de grootste aardbeving uit de menselijke geschiedenis gebracht. Daarna wordt het land gereinigd, wordt oorlogsmaterieel jarenlang verwerkt en worden verwoeste plaatsen opnieuw opgebouwd. De volledige overgang van wereldwijde instorting naar Koninkrijksbeschaving wordt behandeld in Hoe wordt de verwoeste wereld in het duizendjarig Koninkrijk herbouwd?.
De Koning regeert werkelijk duizend jaar
Openbaring 20 noemt de periode zesmaal “duizend jaren”. Satan wordt voor duizend jaar gebonden. De heiligen leven en regeren met Christus duizend jaar. Pas wanneer die duizend jaren geëindigd zijn, wordt Satan voor korte tijd losgelaten (Openbaring 20:1–7).
Deze opeenvolging is helder:
- Christus verschijnt en verslaat het beest en de valse profeet (Openbaring 19:11–21);
- Satan wordt gebonden (Openbaring 20:1–3);
- Christus en Zijn heiligen regeren duizend jaar (Openbaring 20:4–6);
- na die duizend jaar volgt de laatste opstand (Openbaring 20:7–10);
- daarna volgen de grote witte troon en de eeuwige toestand (Openbaring 20:11–21:1).
De profeten beschrijven dezelfde Koninkrijksorde vanuit verschillende gezichtspunten. De Messias regeert in gerechtigheid. Israël wordt hersteld. De volken komen naar Jeruzalem. De schepping kent een vrede en vruchtbaarheid die sinds de zondeval niet meer zijn gezien. Toch worden ongehoorzame volken nog gestraft en kan onder natuurlijke mensen nog dood voorkomen. Dat past nauwkeurig tussen Christus’ wederkomst en de toestand waarin alle dood en vloek voorgoed zijn verdwenen.
Het Koninkrijk is daarom niet slechts een innerlijke ervaring. De Koning bevindt Zich op aarde, er zijn volken en landen, Sion en Jeruzalem, huizen en akkers, reizen en feesten, bestuur en rechtspraak. Gods beloften worden niet kleiner gemaakt door ze letterlijk te geloven. Zij worden juist in hun volle rijkdom zichtbaar.
Twee lichamelijke orden leven naast elkaar
Een van de belangrijkste sleutels is dat niet alle Koninkrijksbewoners dezelfde lichamelijke toestand hebben.
Aan de ene kant zijn er de opgewekte en verheerlijkte heiligen. Openbaring 20:4–6 zegt dat zij leven en met Christus als koningen regeren. Zij behoren tot de eerste opstanding. Over hen heeft de tweede dood geen macht. Zij zijn onsterfelijk. Jezus leert bovendien dat degenen die de opstanding verkrijgen niet meer sterven en niet meer huwen (Lukas 20:35–36).
Aan de andere kant gaan levende gelovigen uit Israël en de volken in hun natuurlijke lichamen het Koninkrijk binnen. Christus noemt de rechtvaardige schapen “gezegenden Mijns Vaders” en geeft hun het Koninkrijk (Mattheüs 25:34, 46). Het gelouterde overblijfsel van Israël wordt tot Hem bekeerd, gereinigd en in het land verzameld. Deze mensen zijn werkelijk gered, maar hun lichaam is bij de ingang van het Koninkrijk nog niet verheerlijkt. Daarom kunnen zij trouwen, kinderen krijgen en oud worden. Hun lichaam blijft sterfelijk zolang God het niet verandert. Jesaja noemt uitdrukkelijk de honderdjarige zondaar die sterft en vervloekt wordt, maar de Schrift vertelt niet de volledige levensloop van iedere gelovige natuurlijke Koninkrijksbewoner. Vaststaat dat de dood pas na de duizend jaren universeel verdwenen is.
Dat beide groepen werkelijk samen kunnen leven, is niet vreemd aan de Schrift. De opgestane Christus verkeerde veertig dagen te midden van discipelen die nog natuurlijke lichamen hadden. Hij sprak met hen, liet Zich aanraken en at voor hun ogen. Zijn onsterfelijkheid maakte echte gemeenschap met sterfelijke mensen niet onmogelijk.
Zo zullen in het komende Koninkrijk verheerlijkte heiligen met Christus regeren, terwijl natuurlijke onderdanen de aarde bewonen, gezinnen vormen en nieuwe generaties voortbrengen. De eersten zijn geen goden en de laatsten zijn geen tweederangs gelovigen. Beiden leven uit de genade van dezelfde Verlosser, maar hun lichaam en Koninkrijksroeping verschillen.
Dat verschil betekent niet dat verheerlijkte heiligen als een afstandelijke bestuursklasse boven het dagelijkse leven zweven. Zij regeren werkelijk op de aarde (Openbaring 5:10), oordelen de wereld en ontvangen verantwoordelijkheid over concrete steden (1 Korinthe 6:2; Lukas 19:17–19). Hun regering omvat daarom werkelijke omgang, onderwijs, beoordeling en dienst te midden van natuurlijke mensen.
Bij Christus is regeren bovendien nooit het tegenovergestelde van dienen. Hij zei: “Ik ben in het midden van u, als een die dient” (Lukas 22:27), en beloofde dat Hij Zich zal omgorden en Zijn waakzame dienstknechten Zelf zal dienen (Lukas 12:37). Ook na Zijn opstanding verrichtte Hij gewone lichamelijke handelingen: Hij wandelde, sprak, at en gaf Zijn discipelen brood en vis (Johannes 21:9–13). Dat waren geen onstoffelijke verschijningen, maar handelingen van de werkelijk opgestane Mens.
Verheerlijking maakt menselijke activiteit dus niet onmogelijk. Zij bevrijdt haar van zonde, zwakheid en dood. De profeten wijzen het bouwen van huizen, planten van wijngaarden en voortbrengen van nieuwe generaties rechtstreeks aan de natuurlijke bevolking toe. Verheerlijkte heiligen kunnen tegelijk leidinggeven, onderwijzen, organiseren, rechtspreken en persoonlijk dienen. Dat zij ook praktisch bij bepaalde werkzaamheden betrokken kunnen zijn, sluit de Schrift beslist niet uit; alleen de exacte taakverdeling wordt niet geopenbaard.
Wie deze twee groepen nauwkeurig onderscheiden wil zien, vindt de volledige Schriftlijn in Wie gaat het duizendjarig Koninkrijk binnen — en waar komen de laatste opstandelingen vandaan?.
Vanuit Sion leert de Koning de volken
Het duizendjarig Koninkrijk is niet alleen een tijd van vrede. Het is een wereldwijde leerschool onder de volmaakte Leraar.
Jesaja zegt:
“En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot den berg des HEEREN, tot het huis van den God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en des HEEREN woord uit Jeruzalem.”
— Jesaja 2:3
Micha 4 geeft vrijwel dezelfde profetie. De volken worden niet door eigen wijsheid tot vrede gebracht. Zij zoeken onderwijs bij de HEERE. Zijn Woord gaat uit. Zijn wegen worden geleerd en vervolgens bewandeld.
Dat onderwijs draagt wereldwijde vrucht:
“Want de aarde zal vol van kennis des HEEREN zijn, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken.”
— Jesaja 11:9
Dit betekent niet dat ieder schepsel alwetend wordt. Alleen God kent alle dingen volkomen en uit Zichzelf. Het betekent dat de kennis van de HEERE de aarde doordringt en haar samenleving beheerst. Waar de huidige wereld God uit haar onderwijs, rechtspraak en openbare leven tracht te verwijderen, zal in het Koninkrijk alles juist vanuit Zijn waarheid worden geordend.
Volken trekken op. Zij luisteren. Zij leren. Zij keren terug om in de wegen van de Koning te wandelen. Ook verheerlijkte mensen worden niet tot alwetende goden. Zij dienen zonder zonde en met een volmaakt hart en kunnen gedurende duizend werkelijke jaren steeds nieuwe daden van God zien, nieuwe gesprekken voeren en nieuwe Koninkrijkservaringen ontvangen.
De eeuwigheid zal Gods verlosten niet in een leven zonder ontdekking brengen. Reeds het millennium bevat duizend jaar waarin Christus Zijn wijsheid, recht en genade in de geschiedenis zichtbaar ontvouwt.
Oorlog maakt plaats voor veiligheid en opbouw
De regering van Christus verandert het openbare leven ingrijpend. Jesaja beschrijft hoe Hij tussen de volken rechtspreekt:
“En zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden, en hun spiesen tot sikkelen; het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leren.”
— Jesaja 2:4
De mensheid heeft door de eeuwen heen buitengewone kennis opgebouwd om oorlog te voeren. In Christus’ Koninkrijk wordt juist oorlog als vak afgeschaft. Wat voor vernietiging werd gemaakt, wordt voor vruchtbare arbeid gebruikt.
Micha verbindt die vrede met een heel huiselijk beeld:
“Maar zij zullen zitten, een ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom, en er zal niemand zijn, die ze verschrikke; want de mond des HEEREN der heirscharen heeft het gesproken.”
— Micha 4:4
Dit is vrede die tot aan het persoonlijke erf reikt. Geen sirene, vijandelijk leger of plunderende macht maakt het dagelijks leven onzeker. Een mens kan onder zijn eigen wijnstok zitten zonder vrees, omdat de Koning recht doet en oorlog niet laat voortwoekeren.
Die veiligheid maakt werk niet overbodig. Zij maakt werk juist weer vruchtbaar en vreugdevol.
Huizen, wijngaarden, werk en gezinnen
Jesaja 65 beschrijft een samenleving waarin mensen niet meer bouwen voor een ander en niet meer planten voor een vreemde overheerser:
“En zij zullen huizen bouwen en bewonen, en zij zullen wijngaarden planten en derzelver vrucht eten.
Zij zullen niet bouwen, dat het een ander bewone; zij zullen niet planten, dat het een ander ete.”
— Jesaja 65:21–22
Arbeid verdwijnt dus niet. Uitbuiting, verwoesting en vruchteloosheid worden teruggedrongen. Mensen bouwen huizen en mogen die zelf bewonen; zij planten wijngaarden en mogen zelf van de vrucht genieten. Dat sluit vakverdeling, samenwerking of dienstverlening niet uit. Jesaja noemt elders immers herders, akkerlieden en wijngaardeniers (Jesaja 61:5). De belofte is dat oorlog, verdrijving en roof de arbeider niet langer van het resultaat van zijn werk beroven. De lange levensduur van de Koninkrijksbewoners maakt hun verbondenheid met het werk van hun handen veel groter dan in de huidige sterfelijke wereld.
Daarna zegt God:
“Zij zullen niet tevergeefs arbeiden, noch baren ter verstoring; want zij zijn het zaad der gezegenden des HEEREN, en hun nakomelingen met hen.”
— Jesaja 65:23
De natuurlijke Koninkrijksbewoners krijgen kinderen. Het gezin behoort werkelijk tot deze aardse orde. Zacharia ziet dezelfde werkelijkheid in het herstelde Jeruzalem:
“Er zullen nog oude mannen en oude vrouwen zitten op de straten van Jeruzalem... En de straten dier stad zullen vervuld worden met knechtjes en meisjes, spelende op haar straten.”
— Zacharia 8:4–5
Het zijn opmerkelijk gewone beelden, maar juist daarin schittert Gods herstel. Ouderen hoeven zich niet te verbergen uit angst voor geweld. Kinderen kunnen op straat spelen. Gezinnen leven onder rechtvaardig bestuur. De vreugde van het Koninkrijk bestaat niet alleen uit grootse plechtigheden bij de troon, maar ook uit een bewoond huis, een vruchtbare wijngaard, een veilige straat en generaties die voor Gods aangezicht leven.
Deze natuurlijke geboorte betekent echter niet dat ieder kind automatisch wedergeboren is. “Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees” (Johannes 3:6). Een volmaakt bestuur, gelovige ouders en een wereld vol kennis des HEEREN kunnen het persoonlijke geloof niet vervangen. Iedere natuurlijke nakomeling heeft zelf Christus nodig. Dat verklaart waarom na vele generaties aan het einde van het millennium nog mensen gevonden worden die, wanneer Satan wordt losgelaten, tegen God in opstand komen (Openbaring 20:7–9).
Een honderdjarige geldt nog als jong
Jesaja laat niet alleen zien dát natuurlijke mensen oud worden, maar ook hoe buitengewoon de levensduur in het Koninkrijk wordt:
“Van daar zal niet meer wezen een zuigeling van weinig dagen, noch een oud man, die zijn dagen niet zal vervullen; want een jongeling zal sterven, honderd jaren oud zijnde, maar een zondaar, honderd jaren oud zijnde, zal vervloekt worden.”
— Jesaja 65:20
Zuigelingen worden niet meer na enkele dagen weggenomen en oude mensen worden niet voortijdig van de vervulling van hun dagen afgesneden. Wie op honderdjarige leeftijd sterft, geldt nog als jong. Vervolgens vergelijkt God de dagen van Zijn volk met de dagen van een boom (Jesaja 65:22).
De Schrift geeft daarmee een buitengewoon lange levensduur, maar noemt geen exact maximum voor iedere Koninkrijksbewoner. Evenmin zegt zij dat ieder mens eerst honderd jaar ongestraft kan zondigen. De honderdjarige zondaar wordt juist als vervloekt genoemd; vroegtijdige dood op zo’n hoge leeftijd past bij gericht onder Christus’ rechtvaardige regering.
Het verschil met de eeuwige toestand blijft helder. In het millennium wordt het leven zeer sterk verlengd, maar dood is nog mogelijk. Na de duizend jaren zegt God zonder beperking: “en de dood zal niet meer zijn” (Openbaring 21:4).
Een buitengewone vrede in de dierenwereld
De vrede van Christus’ regering raakt ook de dierenwereld. Jesaja schrijft:
“En de wolf zal met het lam verkeren, en de luipaard bij den geitenbok nederliggen; en het kalf, en de jonge leeuw, en het mestvee te zamen, en een klein jongsken zal ze drijven.”
— Jesaja 11:6
De koe en de berin weiden samen. De leeuw eet stro als een rund. Een zuigeling speelt zonder gevaar bij het hol van een slang. Op Gods heilige berg doen zij geen kwaad en richten zij geen verderf aan (Jesaja 11:7–9). Jesaja 65:25 herhaalt dat de wolf en het lam tezamen zullen weiden en dat de leeuw stro zal eten als het rund.
Dit is geen kleine aanpassing. De huidige schepping zucht onder dood, angst en geweld. Onder de Messias wordt zichtbaar hoe diep Zijn vrede in de geschapen orde ingrijpt.
Toch zegt dezelfde profetie dat stof het voedsel van de slang blijft (Jesaja 65:25). Dat grijpt terug op het oordeel van Genesis 3:14. De vloek is dus sterk teruggedrongen, maar nog niet in ieder opzicht verdwenen. Pas van de eeuwige toestand staat zonder beperking:
“En geen vervloeking zal er meer tegen iemand zijn.”
— Openbaring 22:3
Ook de dieren in het millennium worden daarom niet als onsterfelijk voorgesteld. Ezechiël beschrijft in dezelfde toekomstige Koninkrijksorde offers waarbij dieren sterven, en langs de herstelde wateren vindt een overvloedige visvangst plaats. De Bijbel openbaart een diep herstelde schepping, niet dat reeds vóór de eeuwige toestand ieder spoor van dierlijke sterfelijkheid is afgeschaft.
Een rivier vol leven en vissers met volle netten
Ezechiël ziet water uit het heiligdom stromen. Waar die rivier komt, wordt brak en dood water gezond. Er ontstaat een geweldige overvloed aan leven:
“En het zal geschieden, dat alle levende ziel, die er wemelt, overal waarheen een der twee beken zal komen, leven zal, en daar zal zeer veel vis zijn; omdat deze wateren daarheen zullen gekomen zijn, en zij zullen gezond worden, en het zal leven, alles waarheen deze beek zal komen.”
— Ezechiël 47:9
Vervolgens ziet hij de mensen langs het water:
“Ook zal het geschieden, dat de vissers aan dezelve zullen staan, van Engedi af tot En-eglaïm toe; daar zullen plaatsen zijn tot uitspreiding der netten; haar vis zal naar zijn aard wezen, als de vis van de grote zee, zeer menigvuldig.”
— Ezechiël 47:10
Dit is geen beeld van een verlaten natuurgebied waarin niemand iets met de overvloed doet. Er staan vissers. Zij spreiden hun netten uit. De vis is zeer menigvuldig en onderscheiden naar zijn aard. De tekst beschrijft een echte visserij in een hersteld land.
In de gewone Bijbelse betekenis wordt vis gevangen als voedsel en levensonderhoud. De opgestane Christus Zelf at een stuk gebraden vis. De som van deze Schriftplaatsen laat daarom zien dat het Koninkrijk niet alleen wijnbouw en akkerbouw kent, maar ook visvangst en het eten van vis.
Gods overvloed maakt menselijke werkzaamheid niet zinloos. De rivier geeft leven; vissers werpen netten uit. Gods gave en menselijk werk komen zonder de huidige vloek van vergeefsheid samen.
Vis, vlees en gerijpte wijn
Soms wordt het komende Koninkrijk voorgesteld alsof iedere vorm van dierlijk voedsel noodzakelijk verdwenen moet zijn zodra de dierenwereld vrede kent. De Schrift zegt dat niet.
De overvloedige visvangst van Ezechiël 47 staat in de toekomstige Koninkrijksorde. Zacharia 14 beschrijft bovendien potten waarin degenen die offeren vlees koken. Ezechiëls tempelvisioen spreekt eveneens over offers en over priesters die van de heilige gaven eten (Ezechiël 42–46). Dierlijke dood en het eten van vlees zijn dus gedurende het millennium niet universeel verdwenen.
Die offers kunnen onmogelijk iets toevoegen aan het volbrachte offer van Christus. Hij heeft door één offerande in eeuwigheid volmaakt degenen die geheiligd worden (Hebreeën 10:10–14). Geen dierlijk bloed kan zonden voor God wegnemen. De precieze ceremoniële werking van alle offers in Ezechiëls tempelorde wordt niet overal uitgelegd, maar zij kunnen nooit een herhaling of aanvulling van Golgotha zijn.
Naast vis en vlees noemt de Schrift ook brood, vruchten en wijn. Amos beschrijft het herstelde Israël dat wijngaarden plant en de wijn daarvan drinkt (Amos 9:14). Jesaja ziet op de berg van de HEERE een feest voor de volken:
“En de HEERE der heirscharen zal op dezen berg allen volken een vetten maaltijd maken, een maaltijd van reinen wijn, van vet vol mergs, van reine wijnen, die gezuiverd zijn.”
— Jesaja 25:6
De Hebreeuwse omschrijving wijst op rijke wijn die op zijn droesem heeft gerust en daarna gezuiverd is: gerijpte wijn, niet slechts vers druivensap. Het Koninkrijk kent dus niet alleen noodzakelijke voedselvoorziening. God schildert overvloed, kwaliteit en feestelijke gemeenschap.
De Bijbel geeft ons geen volledig menu voor iedere dag van de duizend jaren. Dat hoeven wij ook niet te verzinnen. Maar wat zij wel noemt, mogen wij evenmin vergeestelijken: wijngaarden dragen vrucht, wijn wordt gedronken, vissers vangen zeer veel vis, vlees wordt bereid en op Gods berg wordt een rijke maaltijd aangericht.
Ook verheerlijkte mensen kunnen werkelijk eten
Natuurlijke mensen kunnen vanzelfsprekend eten en drinken. Maar geldt dat ook voor de verheerlijkte heiligen die met Christus regeren?
De opgestane Christus geeft daarop een helder antwoord. Toen Zijn discipelen nog meenden een geest te zien, liet Hij Zijn handen en voeten zien en zei Hij dat een geest geen vlees en benen heeft zoals Hij. Daarna vroegen zij Hem niet alleen aan te raken; Hij at ook voor hun ogen:
“En zij gaven Hem een stuk van een gebraden vis, en van honigraten.
En Hij nam het, en at het voor hun ogen.”
— Lukas 24:42–43
Petrus zegt later dat de uitgekozen getuigen met Hem gegeten en gedronken hebben nadat Hij uit de doden was opgestaan (Handelingen 10:40–41). Eten behoort dus niet uitsluitend tot een sterfelijk lichaam.
Ons verheerlijkte lichaam wordt gelijkvormig aan Christus’ heerlijk lichaam (Filippenzen 3:21). Dat maakt ons niet goddelijk en geeft ons niet ieder vermogen van de eeuwige Zoon. Maar waar de Schrift Christus’ werkelijke opstandingslichaam laat eten, bestaat er geen grond om te beweren dat verheerlijkte mensen lichamelijk niet aan maaltijden zouden kunnen deelnemen.
Onsterfelijke mensen zijn niet afhankelijk van voedsel om de dood tegen te houden. Toch kunnen zij werkelijk eten en echte tafelgemeenschap genieten. Zo kunnen verheerlijkte en natuurlijke verlosten samen aan een tafel zitten zonder dat hun lichamelijke toestand gelijk is.
Christus zal opnieuw met de Zijnen eten en drinken
Het hoogste van iedere Koninkrijksmaaltijd is niet het voedsel, maar de aanwezigheid van de Koning.
Tijdens het laatste pascha zei Jezus:
“Want Ik zeg u, dat Ik niet meer daarvan eten zal, totdat het vervuld zal zijn in het Koninkrijk Gods.”
— Lukas 22:16
En:
“Want Ik zeg u, dat Ik niet drinken zal van de vrucht des wijnstoks, totdat het Koninkrijk Gods zal gekomen zijn.”
— Lukas 22:18
Hij beloofde Zijn apostelen:
“Opdat gij eet en drinkt aan Mijn tafel in Mijn Koninkrijk, en zit op tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls.”
— Lukas 22:30
Mattheüs bewaart dezelfde belofte:
“Ik zeg u, dat Ik van nu aan niet zal drinken van deze vrucht des wijnstoks tot op dien dag, wanneer Ik met u dezelve nieuw zal drinken in het Koninkrijk Mijns Vaders.”
— Mattheüs 26:29
“Nieuw” beschrijft hier de nieuwe Koninkrijksvervulling en zegt niet dat de wijn ongerijpt moet zijn. Jesaja 25 spreekt juist over gezuiverde, gerijpte wijn op de berg waar de HEERE regeert.
Abraham, Izak en Jakob zitten in het Koninkrijk aan tafel, en velen komen uit oost en west om met hen aan te zitten (Mattheüs 8:11; Lukas 13:28–29). Het avondmaal van de bruiloft des Lams wordt in Openbaring 19 aangekondigd, en de andere Schriftlijnen plaatsen de ontvouwing van die tafelgemeenschap in Christus’ gekomen Koninkrijk.
Aan die tafel ontmoeten aanwezigen uit verschillende groepen verlosten elkaar: Christus en Zijn verheerlijkte heiligen, de herstelde gelovigen uit Israël en rechtvaardigen uit de volken. Niet ieder heeft dezelfde roeping of hetzelfde lichaam, maar allen danken hun plaats aan het bloed van het Lam. Koninkrijkstoegang en deelname aan deze ene historische maaltijd zijn echter niet identiek. Mattheüs 25:10 zegt uitdrukkelijk dat „die gereed waren” met de Bruidegom tot de bruiloft binnengingen; de dwaze maar behouden maagden hebben aan die ene maaltijd en haar vreugde geen deel.
De volledige bewijsvoering rond de Bruid en de genodigden staat in De bruiloft des Lams en het bruiloftsmaal.
Waarom niet iedere behouden natuurlijke Koninkrijksbewoner automatisch aan die ene maaltijd deelneemt, wordt uitgelegd in De wijze en dwaze maagden van Mattheüs 25.
Het gewone leven wordt heilig aan de HEERE
Onder Christus bestaat geen scheiding meer tussen een klein “geestelijk” gebied en een groot dagelijks gebied dat buiten Zijn heerschappij zou vallen.
Zacharia zegt:
“Te dien dage zal op de bellen der paarden staan: DE HEILIGHEID DES HEEREN; en de potten in het huis des HEEREN zullen zijn als de sprengbekkens voor het altaar.”
— Zacharia 14:20
Zelfs op de bellen van paarden staat wat onder het Oude Verbond op de gouden plaat van de hogepriester stond: heiligheid aan de HEERE. Vervolgens zegt de profeet dat alle potten in Jeruzalem en Juda de HEERE heilig zullen zijn (Zacharia 14:21).
De boodschap is prachtig. Heiligheid behoort niet alleen bij een plechtige handeling in het heiligdom. Zij raakt vervoer, landbouw, keuken, maaltijd en huiselijk leven. Werk is niet minder heilig omdat het met grond, gereedschap, dieren, voedsel of een kookpot te maken heeft. Onder de zichtbare Koning wordt het hele leven in Zijn orde geplaatst.
Dat geeft ook een Schriftuurlijk antwoord op de vraag of er in het Koninkrijk nog allerlei werk kan bestaan. Zeker. De Bijbel noemt regeren, rechtspreken, onderwijzen, reizen, bouwen, planten, oogsten, dieren verzorgen, vissen, voedsel bereiden, dienen en aanbidden. Werk zonder zonde en vergeefsheid is geen last die Gods goede toekomst ontsiert. Het is zinvolle dienst waarin Zijn wijsheid zichtbaar wordt.
Ook rust, spel en persoonlijke bezigheden behoren tot het leven
Het Koninkrijk is geen reusachtige werkplaats waarin iedere minuut uitsluitend aan noodzakelijke productie wordt besteed.
Zacharia ziet kinderen spelen op de straten van Jeruzalem en oude mannen en vrouwen daar rustig zitten (Zacharia 8:4–5). Micha ziet ieder zonder vrees onder zijn wijnstok en vijgenboom zitten (Micha 4:4). Spelen heeft geen direct economisch doel. Het is vreugde, beweging, ontdekking en gemeenschap. Zitten onder de wijnstok toont rust en veilig genieten.
Daarom passen ook gesprekken, leren, muziek, creatieve arbeid, reizen, tuinieren, dieren verzorgen, persoonlijke projecten en andere vreugdevolle bezigheden uitstekend binnen deze menselijke orde. De Schrift noemt niet ieder afzonderlijk tijdverdrijf en maakt er daarom geen inventarislijst van. Maar zij leert beslist niet dat werkelijk menselijk leven alleen uit regeren, noodzakelijke arbeid en formele eredienst bestaat.
Onder Christus worden werk en rust beide van angst en vergeefsheid bevrijd. Een mens kan vruchtbaar dienen, werkelijk genieten en samen met anderen steeds meer van Gods wijsheid leren kennen.
Volmaakte regering betekent nog niet dat ieder natuurlijk mens volmaakt is
Christus’ bestuur is volmaakt. Zijn natuurlijke onderdanen zijn dat niet automatisch.
De mensen die bij Zijn wederkomst als rechtvaardigen het Koninkrijk binnengaan, zijn werkelijk behouden. Hun toelating is een definitieve scheiding van de bokken die in de eeuwige straf gaan (Mattheüs 25:31–46). Maar een definitieve redding is niet hetzelfde als onmiddellijke lichamelijke verheerlijking of praktische zondeloosheid.
Dat onderscheid kennen gelovigen nu reeds. Wie in Christus gelooft, heeft eeuwig leven en komt niet in de verdoemenis (Johannes 5:24). Toch kan een kind van God in zijn wandel ongehoorzaam zijn en door de Heere worden getuchtigd. Paulus zegt dat wij door de Heere geoordeeld worden “opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden” (1 Korinthe 11:32). Vaderlijke tucht heropent het oordeel over de eeuwige bestemming niet.
Zo kan Christus in Zijn Koninkrijk concrete ongehoorzaamheid onmiddellijk behandelen zonder een eerder geredde onderdaan alsnog onder dezelfde verdoemenis als de bokken te plaatsen. Hij regeert met een ijzeren roede (Psalm 2:9; Openbaring 19:15). Zacharia zegt dat een volk dat niet naar Jeruzalem optrekt om de Koning te aanbidden geen regen ontvangt, en noemt een plaag over volken die ongehoorzaam zijn (Zacharia 14:16–19). Jesaja 65:20 spreekt over de honderdjarige zondaar die vervloekt wordt.
De kwade dienstknecht van Mattheüs 24 vormt hiervan een concrete toepassing aan de Koninkrijksgrens: hij is gered, gaat in een natuurlijk lichaam het Koninkrijk binnen, maar ontvangt wegens zijn ontrouw werkelijke kastijding en verliest tafelvreugde en regeringsvoorrecht.
De vrede van het Koninkrijk berust dus niet op de veronderstelling dat ieder natuurlijk mens vanaf zijn ingang onmogelijk nog kan zondigen. Zij berust op de werkelijke aanwezigheid van de rechtvaardige Koning. Geen corrupt hof, traag rechtssysteem of verborgen machtsblok kan Zijn uitspraak verhinderen. Christus kent hart en daad en doet onmiddellijk recht.
Ook de kinderen die gedurende de duizend jaren geboren worden, moeten persoonlijk geloven. De zichtbare heerlijkheid van Christus maakt ongeloof volkomen onverontschuldigbaar, maar zij vervangt de nieuwe geboorte niet. Wanneer Satan aan het einde wordt losgelaten, blijkt hoeveel natuurlijke mensen Christus uiterlijk hebben gehoorzaamd zonder Hem werkelijk lief te hebben.
Het millennium is heerlijk, maar nog niet de laatste toestand
Veel profetieën over het Koninkrijk zijn zo rijk dat men gemakkelijk vergeet dat er daarna nog een verdere voleinding komt. Toch bewaart de Schrift een helder onderscheid.
Tijdens de duizend jaren:
- regeert Christus zichtbaar op aarde;
- is Satan gebonden;
- regeren verheerlijkte heiligen met Hem;
- leven daarnaast natuurlijke mensen;
- worden kinderen geboren;
- kunnen natuurlijke mensen nog zondigen;
- worden ongehoorzame volken gestraft;
- kan nog dood voorkomen;
- bestaat een sterk herstelde, maar nog niet in ieder opzicht van de vloek bevrijde schepping.
Na de duizend jaren:
- wordt Satan korte tijd losgelaten;
- ontstaat de laatste opstand en worden de ongelovige opstandelingen door vuur gedood;
- wordt Satan voor eeuwig in de poel des vuurs geworpen;
- staan de dan nog op te wekken doden voor de grote witte troon, onder wie ook gelovigen die tijdens het millennium in natuurlijke lichamen stierven;
- worden de gestorven gelovigen in het boek des levens gevonden, terwijl wie daarin niet staat de tweede dood ondergaat;
- ontvangen de nog levende natuurlijke gelovigen onsterfelijkheid, al noemt de Schrift niet het exacte moment van hun verandering;
- gaat de eerste, gevallen gestalte van hemel en aarde in Gods allesomvattende oordeel voorbij;
- maakt God alle dingen volkomen nieuw;
- is de zee niet meer;
- is er geen dood, rouw, gekrijt, moeite of vervloeking meer (Openbaring 20:7–21:5; 22:3).
De volledige plaats van deze groepen binnen alle Bijbelse oordeelsscènes staat in Welke oordelen noemt de Bijbel?
Paulus geeft de beslissende grens: Christus moet als Koning heersen totdat al Zijn vijanden onder Zijn voeten zijn gelegd; de laatste vijand die wordt tenietgedaan, is de dood (1 Korinthe 15:24–26). Het millennium is dus de heerlijke periode waarin de Koning iedere vijand zichtbaar onderwerpt. De eeuwige toestand begint nadat ook de laatste vijand volledig verdwenen is.
Daarom mogen wederopbouw en nieuwmaking niet worden vereenzelvigd. Bij het begin van het millennium herstellen levende mensen onder Christus een door de verdrukking verwoeste wereld. Na de laatste opstand volgt echter Gods allesomvattende vuuroordeel over de aarde en haar werken. Daarna ruimen natuurlijke overlevenden niet opnieuw de puinhopen; God Zelf zegt: “Ziet, Ik maak alle dingen nieuw” (Openbaring 21:5).
Ook andere verschillen blijven wezenlijk. Tijdens het millennium bestaan nog zeeën, visvangst, een aardse tempelorde, geboorte, mogelijke ongehoorzaamheid en lichamelijke dood onder natuurlijke mensen. In de eeuwige toestand daalt het Nieuwe Jeruzalem neer, is geen afzonderlijke tempel meer nodig, bestaat geen sterfelijke bevolkingsorde meer en zijn dood en vervloeking voorgoed verdwenen.
Het duizendjarig Koninkrijk toont wat de aarde wordt wanneer de rechtmatige Zoon van David zichtbaar regeert. De eeuwige toestand toont Gods schepping nadat iedere vijand voor eeuwig is weggedaan. De volledige Schriftvergelijking staat in Wat is het verschil tussen het duizendjarig Koninkrijk en de eeuwige toestand?.
Wie deze uiteindelijke orde verder wil onderzoeken, kan doorgaan naar Hoe leven de verlosten op de nieuwe aarde?.
Duizend jaar nieuwe herinneringen en gesprekstof
Het Koninkrijk duurt werkelijk duizend jaren. Dat betekent duizend jaar van daden, ontmoetingen, onderwijs, dienst, arbeid, maaltijden en aanbidding.
De verheerlijkte heiligen verliezen hun persoonlijke identiteit of hun geschiedenis niet. Mozes en Elia wisten bij de verheerlijking op de berg wie zij waren en spraken met Christus over Zijn uitgang die Hij te Jeruzalem zou volbrengen (Lukas 9:30–31). De opgestane Christus herinnerde Zich Zijn discipelen, Zijn woorden en wat vóór Zijn kruisiging was gebeurd. Opstandingsheerlijkheid vernietigt herinnering niet.
Evenmin maakt verheerlijking een mens alwetend. Gods kinderen zullen Hem altijd als de oneindige God aanbidden en altijd schepselen blijven. Paulus zegt dat God in de komende eeuwen de uitnemende rijkdom van Zijn genade in goedertierenheid over ons in Christus Jezus zal tonen (Efeze 2:7). Gods genade is niet een klein onderwerp dat na één uitleg uitgeput is.
Daarom hoeven wij ons het millennium niet voor te stellen als duizend jaar herhaling of verveling. De volken leren Christus’ wegen. Heiligen regeren en dienen. Nieuwe generaties worden geboren. De geschiedenis van Zijn volmaakte regering ontvouwt zich. Verlost leven bevat werkelijke gesprekken, gedeelde herinneringen en steeds nieuwe redenen om de wijsheid en genade van het Lam te prijzen.
De Schrift noemt niet ieder beroep, iedere kunstvorm of afzonderlijke techniek. Daarom mogen wij moderne details niet als rechtstreeks geopenbaarde feiten verkondigen. Wel mogen wij vanuit de beschreven steden, schepen, wegen, arbeid, wereldregering en internationale reizen redelijke mogelijkheden herkennen. Menselijke kennis verdwijnt niet; zij krijgt onder Christus een nieuwe bestemming. Een omvangrijk stelsel van bouw, productie, vervoer, communicatie en logistiek volgt uit het totale wereldbeeld, terwijl de precieze machines openblijven.
Gods toekomst is niet minder menselijk dan het leven nu. Zij is menselijk leven hersteld onder de Zoon des mensen, zonder de heerschappij van Satan en zonder de systemen van geweld en leugen die de huidige eeuw tekenen.
Alleen door het Lam krijgt een mens deel aan dit Koninkrijk
De vrede van het komende Koninkrijk mag ons niet laten vergeten waarom deze Koning eerst gekruisigd moest worden.
De diepste vijand van de mens is niet een verkeerd politiek systeem, oorlog, armoede of de vloek op de schepping. Het is de zonde die hem schuldig voor God stelt. Een mens kan zelfs in een wereld vol zichtbare heerlijkheid onbekeerd blijven. De laatste opstand na duizend jaar volmaakt bestuur bewijst dat geen ideale omgeving het menselijk hart kan wederbaren.
Daarom kwam Jezus Christus eerst niet om Zijn troon in Jeruzalem in te nemen, maar om Zijn leven te geven. Hij stierf voor onze zonden, werd begraven en stond op de derde dag uit de doden (1 Korinthe 15:3–4). Zijn bloed reinigt van alle zonde. Zijn opstanding verzekert dat de dood overwonnen is en dat Hij werkelijk als Koning zal regeren.
Eeuwig leven wordt niet verdiend door goede werken, Koninkrijkskennis of gehoorzaamheid aan Gods wet. Het is Gods gave aan wie in Zijn Zoon gelooft:
“Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.”
— Johannes 6:47
En:
“Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden.”
— Handelingen 16:31
Wie Christus bezit, heeft nu reeds eeuwig leven en mag uitzien naar Zijn komst. Wie Hem verwerpt, zal niet worden gered doordat hij later meer van Gods macht ziet. Vandaag is de tijd om het volbrachte werk van het Lam te geloven.
Een werkelijke aarde vol van de kennis des HEEREN
Het duizendjarig Koninkrijk is geen vage tussenperiode die alleen nodig is om een profetisch schema compleet te maken. Het is de openbare rechtvaardiging van Gods Zoon op de aarde die Hem verwierp.
Waar Hij een doornenkroon droeg, zal Hij als Koning regeren. Waar Zijn Woord werd tegengesproken, zullen de volken naar Zijn onderwijs verlangen. Waar oorlog, roof en angst heersten, zullen mensen veilig wonen en van hun eigen arbeid genieten. Waar de schepping zuchtte, zullen wolf en lam tezamen verkeren en zullen wateren overvloeien van leven. Waar Zijn discipelen voor het laatst met Hem aan tafel zaten vóór Zijn lijden, zal Hij opnieuw met de Zijnen eten en drinken in Zijn Koninkrijk.
De Schrift laat ons geen kleurloze toekomst zien. Zij toont Jeruzalem vol spelende kinderen; ouderen die hun dagen vervullen; huizen die niet door indringers worden afgenomen; wijngaarden waarvan de planter zelf eet; volken die de weg naar Sion zoeken; vissers die langs gezonde wateren hun netten uitspreiden; een tafel met overvloed en gerijpte wijn; paarden en kookpotten die heilig zijn aan de HEERE.
En in het midden van dit alles staat Jezus Christus.
Daarom is de grootste heerlijkheid van de duizend jaren niet alleen dat oorlog ophoudt, arbeid vrucht draagt of de schepping tot rust komt. De grootste heerlijkheid is dat de aarde haar rechtmatige Koning ziet, Zijn stem hoort en onder Zijn volmaakte regering leert hoe goed al Zijn wegen zijn.
Verder lezen in de serie Openbaring en de eindtijd
Vorige artikel:
Wie gaat het duizendjarig Koninkrijk binnen?
Volgende artikel:
Hoe wordt de verwoeste wereld in het duizendjarig Koninkrijk herbouwd?
Serieoverzicht: