Moet ik wachten tot de Geest mij trekt?
God geeft de wasdom, maar de gelovige moet planten, spreken en gehoorzamen.
God alleen geeft de wasdom, maar de gelovige moet planten, spreken en gehoorzamen. Een duidelijke Bijbelse opdracht hoeft niet te wachten op een bijzonder gevoel. De Geest woont reeds in de gelovige en werkt met kracht terwijl hij in afhankelijkheid handelt.
God geeft de wasdom — maar wie moet planten?
Waarom vertrouwen op Gods werking nooit een excuus mag worden voor geestelijke passiviteit.
Ik kan uren bezig zijn met HemelZeker.nl. Ik kan schrijven over het eenvoudige Evangelie, moeilijke Bijbelteksten onderzoeken en proberen zo helder mogelijk uit te leggen dat eeuwig leven door geloof alleen in Jezus Christus wordt ontvangen.
Dat doe ik niet tegen mijn zin. Het is de lust van mijn hart.
Maar wanneer ik bij iemand in het dagelijkse leven over Christus wil beginnen, voel ik ineens een drempel. Bij mijn eigen familie kan die drempel nog hoger zijn. Ik denk aan hun reactie. Ik wil de verhouding niet ongemakkelijk maken. Ik ben niet bijzonder spraakzaam en kan allerlei redenen bedenken waarom dit misschien niet het geschikte ogenblik is.
En soms ontdek ik in mijn vlees zelfs deze kille gedachte:
Het boeit me niks.
Dat klinkt verschrikkelijk wanneer het over een kwestie van hemel of hel gaat. Toch wil ik het niet mooier maken dan het is. In mijn vlees woont niets dat God zoekt, Christus wil verheerlijken of werkelijk bewogen is over het eeuwige lot van een ander.
Tegelijk is dat niet het enige wat in mij aanwezig is. Nadat ik geloofde, heeft God mij nieuw leven en Zijn Geest gegeven. Daarom is er strijd. Mijn vlees wil zwijgen, uitstellen en mijzelf beschermen. De Geest begeert wat met Gods Woord overeenkomt.
Dan klinkt een vrome gedachte aantrekkelijk:
God moet het doen. Als de Geest mij werkelijk trekt om iets te zeggen, zal ik het wel merken.
Een deel daarvan is volkomen waar. God moet werken. God opent harten. God geeft kracht. God geeft de wasdom.
Maar dezelfde woorden kunnen een geestelijk klinkende schuilplaats voor mijn vlees worden. God heeft mij nergens beloofd dat Hij mijn gehoorzaamheid van mij zal overnemen. Hij heeft mij opgedragen te spreken, te planten en te begieten. De uitkomst behoort aan Hem; de gehoorzaamheid heeft Hij aan mij toevertrouwd.
God geeft de wasdom. Maar wie moet planten?
Eerst het Evangelie zelf
Voordat iemand het Evangelie kan doorgeven, moet hij weten wat het Evangelie is.
Paulus vat de boodschap samen:
“Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; en dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften.”
— 1 Korinthe 15:3–4
Wij zijn zondaren en kunnen onszelf niet door werken, godsdienst, kerkelijkheid of een veranderd leven redden. Jezus Christus heeft aan het kruis volledig voor onze zonden betaald. Hij werd begraven en stond lichamelijk op uit de doden.
Eeuwig leven wordt niet verdiend door evangelisatie of gehoorzaamheid. Het wordt als vrije gave ontvangen door geloof in Christus:
“Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.”
— Johannes 6:47
Wie nog niet gered is, moet daarom niet eerst anderen over Christus gaan vertellen om zelf Gods gunst te verdienen. Hij moet allereerst in Christus geloven en eeuwig leven ontvangen. Lees daarvoor hoe word ik gered?
Dit artikel gaat vervolgens over de verantwoordelijkheid van iemand die reeds gered is. Hij spreekt niet om Gods kind te worden of te blijven. Hij mag spreken omdat hij Gods kind geworden is en een boodschap heeft ontvangen die ieder mens moet horen.
Soms denkt mijn vlees: het boeit me niks
Er zijn ogenblikken waarop ik werkelijk verlang dat iemand het Evangelie hoort. Ik kan diep geraakt worden door de gedachte dat mensen verloren gaan terwijl Christus volledig voor hun zonden heeft betaald en eeuwig leven om niet aanbiedt.
Maar er is ook iets anders in mij.
Soms denkt mijn vlees eenvoudig:
Het boeit me niks.
Het wil geen moeilijk gesprek. Het wil geen afwijzing. Het wil niet dat iemand mij overdreven, lastig of vreemd vindt. Het wil rust, gemak en menselijke goedkeuring. Wat er met de ander gebeurt, weegt op zo’n moment voor mijn vlees minder zwaar dan de vraag of ik mijzelf ongemakkelijk zal voelen.
Paulus schrijft:
“Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont.”
— Romeinen 7:18
Dat is geen nette theorie over een denkbeeldige oude natuur. Dat vlees draag ik werkelijk met mij mee. De kilte, angst en zelfbescherming zijn werkelijk in mij aanwezig.
Maar na mijn redding is het vlees niet meer de enige bron in mij. De Geest van God woont in de gelovige. Daarom kan ik tegelijk onverschilligheid in mijn vlees ontdekken en vanuit het nieuwe leven verlangen dat iemand in Christus gelooft en eeuwig leven ontvangt.
De strijd betekent niet dat ik moet wachten totdat het vlees eindelijk enthousiast wordt. Het vlees zal het werk van God nooit liefkrijgen. De vraag is welke bron ik gehoorzaam.
Het bredere onderscheid wordt uitgelegd in Vlees en Geest en in waarom doe ik dit eigenlijk?
„God moet het doen” — waar en toch gevaarlijk
De uitspraak „God moet het doen” kan een zuivere belijdenis zijn.
Wij kunnen niemand wedergeboren maken. Wij kunnen geen hart openen, niemand dwingen te geloven en geen geestelijke vrucht in een ander voortbrengen. Wanneer iemand door het Woord overtuigd wordt, zelf in Christus gelooft en vervolgens geestelijk groeit, komt alle eer aan God toe.
Maar dezelfde uitspraak kan iets anders gaan betekenen:
Omdat God het moet doen, hoef ik nog niets te doen.
Dan wordt Gods kracht niet beleden, maar gebruikt om menselijke passiviteit te rechtvaardigen.
Dat is niet hoe de Schrift Gods werking en onze verantwoordelijkheid met elkaar verbindt. God werkt niet om onze gehoorzaamheid overbodig te maken. Hij werkt zodat wij kunnen doen wat Hij heeft opgedragen.
„God moet het doen” is waar wanneer het over kracht, vrucht en wasdom gaat. Het wordt een leugen wanneer ik ermee bedoel dat God ook mijn gehoorzaamheid van mij moet overnemen.
Paulus plantte, Apollos maakte nat
De beslissende sleutel staat in 1 Korinthe 3:
“Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt; maar God heeft den wasdom gegeven.”
— 1 Korinthe 3:6
Ieder werkwoord heeft zijn eigen onderwerp:
- Paulus plantte;
- Apollos maakte nat;
- God gaf de wasdom.
God plantte niet in plaats van Paulus. God maakte niet nat in plaats van Apollos. Paulus en Apollos konden de wasdom niet voortbrengen, maar hun onvermogen om de wasdom te geven maakte hun arbeid niet overbodig.
Enkele verzen later noemt Paulus hen Gods medearbeiders:
“Want wij zijn Gods medearbeiders; Gods akkerwerk, Gods gebouw zijt gij.”
— 1 Korinthe 3:9
Dit is de Bijbelse samenwerking zonder verwarring:
De gelovige arbeidt. God werkt door die arbeid en geeft wat de arbeider zelf nooit kan voortbrengen.
Wanneer ik zwijg, kan ik niet zeggen dat ik geplant heb en dat God vervolgens geen wasdom gaf. Dan heb ik niet geplant.
Hoe zullen zij horen zonder iemand die predikt?
God kan ieder mens bereiken op de wijze die Hij wil. Hij is niet afhankelijk van mij. Mijn zwijgen maakt God niet machteloos en laat Zijn raad niet mislukken.
Maar God heeft wel middelen aangewezen. Het Evangelie moet worden gehoord:
“Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in Welken zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in Hem geloven, van Welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt?”
— Romeinen 10:14
Daarna schrijft Paulus:
“Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.”
— Romeinen 10:17
God gebruikt Zijn Woord en mensen die dat Woord bekendmaken. Dat kan door een gesprek, een preek, een traktaat, een website, een persoonlijk bericht of een andere werkelijke overdracht van het Evangelie.
HemelZeker.nl kan dus werkelijk een middel zijn waardoor iemand het Evangelie hoort. Schrijven is geen minderwaardige vorm van dienst. Maar mijn werk aan een website geeft mij geen vrijstelling van iedere persoonlijke gelegenheid die God daarnaast geeft.
God kan een ander gebruiken wanneer ik zwijg. Maar dat verandert mijn stilzwijgen niet in gehoorzaamheid. Mijn gelegenheid blijft dan door mij ongebruikt.
Gods bevel is reeds voldoende leiding
Sommige gelovigen zeggen dat zij pas willen spreken wanneer zij duidelijk voelen dat de Heilige Geest hen ertoe trekt.
God kan de aandacht van een gelovige in het bijzonder op een bepaalde persoon of gelegenheid richten. Hij kan een deur openen, een gedachte krachtig op het hart leggen of omstandigheden zo leiden dat een gesprek ontstaat. Dat hoeven wij niet te ontkennen.
Maar een duidelijke opdracht uit Gods Woord hoeft niet te wachten op een tweede, gevoelsmatige opdracht.
Christus heeft reeds gezegd:
“Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle kreaturen.”
— Markus 16:15
Paulus schrijft aan Timotheüs:
“Predik het Woord; houd aan tijdelijk, ontijdelijk.”
— 2 Timotheüs 4:2
„Tijdelijk, ontijdelijk” laat weinig ruimte voor gehoorzaamheid die pas begint wanneer het moment geschikt voelt. Timotheüs moest aanhouden wanneer het gelegen was én wanneer het ongelegen was.
De gelovige hoeft daarom niet voortdurend te vragen:
Heeft de Geest mij nu wel sterk genoeg getrokken?
Hij mag eerst vragen:
Heeft God in Zijn Woord reeds duidelijk gemaakt wat goed is?
Wanneer God gesproken heeft, is Zijn geschreven bevel voldoende leiding. Gevoel kan de gehoorzaamheid begeleiden, maar het is niet de grond ervan.
Niet iedere gelovige heeft dezelfde gave of wordt tot dezelfde openbare bediening geroepen. Maar geen gelovige ontvangt daarmee toestemming om Christus altijd uit angst verborgen te houden. De vorm kan verschillen; de verantwoordelijkheid om bereid te zijn van Hem te getuigen blijft.
De Geest woont reeds in de gelovige
De Heilige Geest komt niet slechts af en toe langs wanneer een gelovige een bijzondere aandrang ervaart. Wie Christus gelooft, heeft de Geest ontvangen. Hij woont blijvend in de gelovige.
Daarom zegt Paulus niet:
Wacht totdat de Geest u onweerstaanbaar tot gehoorzaamheid brengt.
Hij zegt:
“En ik zeg: Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheid des vleses niet.”
— Galaten 5:16
Direct daarna verklaart hij waarom dit een dagelijkse strijd is:
“Want het vlees begeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander, alzo dat gij niet doet hetgeen gij wildet.”
— Galaten 5:17
De Geest wil voortdurend wat overeenkomt met God en Zijn Woord. Het vlees begeert daartegen. De aanwezigheid van strijd is daarom geen bewijs dat de Geest afwezig is. Zij laat juist zien dat er twee tegengestelde verlangens werkzaam zijn.
„De Geest trekt mij niet voldoende” kan dan een gevaarlijke uitspraak worden. De werkelijke situatie kan zijn:
De Geest woont in mij en Gods wil staat voor mij, maar mijn vlees krijgt praktisch het laatste woord.
Wie herhaaldelijk aan het vlees toegeeft, maakt de Geest niet zwakker. De gelovige kan daardoor wel steeds minder ontvankelijk worden voor hetgeen de Geest door het Woord duidelijk maakt.
Daarom zegt de Schrift:
“Blust den Geest niet uit.”
— 1 Thessalonicenzen 5:19
En:
“En bedroeft den Heiligen Geest Gods niet, door Welken gij verzegeld zijt tot den dag der verlossing.”
— Efeze 4:30
De oplossing is niet wachten op een steeds sterker gevoel. De oplossing is gehoor geven aan het licht dat God reeds heeft gegeven.
Wanneer wachten een vrome naam voor angst wordt
Niet ieder uitstel is ongehoorzaamheid. Er bestaan werkelijk ongeschikte momenten. Liefde dringt zich niet botweg op, dwingt geen gesprek af en neemt ook de tijd om te luisteren. Onze woorden behoren met genade en wijsheid gesproken te worden.
Maar mijn vlees kan van iedere gelegenheid een ongeschikt moment maken.
- Nu is het te druk.
- Die persoon zit waarschijnlijk niet op zo’n gesprek te wachten.
- Ik weet niet precies hoe ik moet beginnen.
- Misschien krijg ik later een natuurlijker opening.
- Mijn leven moet eerst maar voor zichzelf spreken.
- Als God werkelijk wil dat ik iets zeg, zal Hij mij wel duidelijker trekken.
Iedere afzonderlijke gedachte kan verstandig klinken. Wanneer zij samen echter jarenlang hetzelfde resultaat produceren—ik zwijg altijd—moet ik eerlijk worden over de bron.
Misschien wacht ik niet op Gods tijd.
Misschien wacht ik totdat mijn vlees geen bezwaar meer maakt.
Maar dat moment hoeft nooit te komen.
Hoeveel ongehoorzaamheid heb ik „wachten op Gods tijd” genoemd? Hoeveel angst heb ik verborgen achter de woorden „de Geest moet mij leiden”?
Juist bij mijn eigen familie
Het moeilijkst vind ik het misschien nog bij mijn eigen familie.
Ik kan artikelen schrijven die door onbekende mensen worden gelezen. Maar bij mensen die dicht bij mij staan, durf ik er vaak niet eens over te beginnen. Daar speelt meer mee dan één gesprek: onze bestaande verhouding, de vraag hoe zij naar mij zullen kijken en de spanning die daarna kan blijven hangen.
Juist daar ervaar ik soms de houdgreep van mijn vlees.
Ik weet dat het uiteindelijk over hemel of hel gaat. Ik weet dat goede werken, een kerkelijke achtergrond of godsdienstige ernst niemand kunnen redden. Ik weet dat Christus volledig betaald heeft en dat eeuwig leven door geloof wordt ontvangen.
En toch zwijg ik.
Die tegenstelling doet pijn:
Ik kan voor onbekende lezers uitgebreid over hemel en hel schrijven, terwijl ik één ongemakkelijk gesprek met iemand die mij dierbaar is uit de weg ga.
Ik schrijf dit niet als iemand die deze strijd achter zich heeft. Ik schrijf als iemand die weet waar hij te vaak aan zijn vlees heeft toegegeven.
Ik heb het enkele keren wel gedaan. En iedere keer werd ik geholpen.
Dat maakt een volgende smoes niet sterker, maar zwakker. God heeft mij eerder geholpen toen ik mijn mond opende. Toch doet mijn vlees vóór een volgende gelegenheid alsof ik er opnieuw alleen voor sta.
Mijn familie hoeft niet te wachten totdat mijn vlees het Evangelie belangrijk begint te vinden. Het vlees zal dat nooit doen.
Tegelijk ben ik niet verantwoordelijk om mijn familie tot geloof te brengen. Ik kan niemands hart openen. Ik kan slechts in liefde en waarheid vertellen wat Christus heeft gedaan en waarom ieder mens Hem nodig heeft.
Ik ben niet verantwoordelijk om mijn familie te laten geloven. Ik ben wel verantwoordelijk om het Evangelie niet uit angst voor hen verborgen te houden.
Belijdenis mag gehoorzaamheid niet vervangen
Wanneer ik opnieuw gezwegen heb, kan ik dat tegenover God belijden. Dat is goed en noodzakelijk. Maar zelfs belijdenis kan verkeerd gebruikt worden.
Ik kan mijn nalatigheid benoemen, vergeving ontvangen, mijn geweten tijdelijk tot rust laten komen en vervolgens bij de volgende gelegenheid exact hetzelfde doen.
Dan wordt belijdenis praktisch een vervanging voor verandering.
Jakobus schrijft:
“Wie dan weet goed te doen, en niet doet, dien is het zonde.”
— Jakobus 4:17
Er staat niet: wie onvoldoende voelde dat hij goed moest doen. Er staat: wie het weet en niet doet.
Belijdenis ziet eerlijk terug. Gehoorzaamheid zet daarna een stap vooruit. Ik hoef niet eerst te bewijzen dat ik voortaan nooit meer bang zal zijn. Ik moet bij de volgende werkelijke gelegenheid niet opnieuw automatisch hetzelfde vlees gehoorzamen.
Berouw dat nooit tot een volgende stap leidt, kan ongemerkt een manier worden om met dezelfde ongehoorzaamheid te leren leven.
God werkt niet in plaats van ons, maar in en met ons
De andere fout is dat wij vervolgens alles in menselijke kracht proberen te doen. Alsof wij door overtuigingskracht, perfecte formuleringen of emotionele druk iemand kunnen redden.
Dat kan evenmin.
Paulus bewaart beide kanten:
“Doch door de genade Gods ben ik, dat ik ben; en Zijn genade, die aan mij bewezen is, is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen; doch niet ik, maar de genade Gods die met mij is.”
— 1 Korinthe 15:10
Gods genade maakte Paulus niet passief. Die genade bracht overvloedige arbeid voort.
Ook schrijft hij:
“Waartoe ik ook arbeide, strijdende naar Zijn werking, die in mij werkt met kracht.”
— Kolossenzen 1:29
Paulus arbeidt. Paulus strijdt. Tegelijk werkt God krachtig in hem.
Geen van beide waarheden mag worden verwijderd:
- zonder Gods werking kan onze arbeid geen geestelijke wasdom voortbrengen;
- Gods werking maakt onze arbeid niet overbodig.
Filippenzen 2 zegt daarom niet dat gelovigen passief moeten wachten omdat God werkt. Het geeft Gods werking juist als grond om te handelen:
“Werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven; want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen.”
— Filippenzen 2:12–13
Paulus schrijft hier aan mensen die reeds heiligen in Christus zijn. Zij werken niet om eeuwig leven te verdienen, maar moeten in hun praktische leven uitwerken wat God in hen werkt. God werkt in de gelovige. Daarom moet de gelovige handelen.
God belooft hulp, niet de afwezigheid van spanning
Ik denk gemakkelijk dat vrijmoedige mensen geen spanning voelen. De Bijbel zegt iets anders.
Paulus schrijft over zijn komst in Korinthe:
“En ik was bij ulieden in zwakheid, en in vreze, en in veel beving.”
— 1 Korinthe 2:3
Hij wachtte niet totdat alle vrees en beving verdwenen waren. Hij kwam in zwakheid en sprak toch over Christus.
Zelfs Paulus vroeg andere gelovigen om te bidden voor vrijmoedigheid:
“En voor mij, opdat mij het Woord gegeven worde in de opening mijns monds met vrijmoedigheid, om de verborgenheid van het Evangelie bekend te maken.”
— Efeze 6:19
Timotheüs had eveneens aansporing nodig:
“Want God heeft ons niet gegeven een geest der vreesachtigheid, maar der kracht, en der liefde, en der gematigdheid.”
— 2 Timotheüs 1:7
Direct daarna volgt:
“Schaam u dan niet der getuigenis onzes Heeren.”
— 2 Timotheüs 1:8
Timotheüs moest niet wachten totdat hij vanzelf onbevreesd werd. Hij moest zich niet door vreesachtigheid laten regeren.
Ook Mozes wees op zijn moeite met spreken:
“Och Heere! ik ben geen man wel ter tale… want ik ben zwaar van mond en zwaar van tong.”
— Exodus 4:10
God antwoordde:
“En nu, ga heen, en Ik zal met uw mond zijn, en zal u leren, wat gij spreken zult.”
— Exodus 4:12
Niet:
Wacht totdat spreken natuurlijk voor u voelt.
Maar:
Ga heen, en Ik zal met uw mond zijn.
Dat is precies wat ik enkele keren heb ervaren. Toen ik begon, werd ik geholpen. Gods hulp kwam niet altijd als een voorafgaand gevoel dat iedere drempel verwijderde. Zij bleek terwijl ik gehoorzaamde.
Moed is niet dat ik niets meer voel. Moed is dat ik ondanks mijn spanning gehoorzaam en op Gods hulp vertrouw.
Ik ben verantwoordelijk voor het spreken, niet voor de uitkomst
Deze waarheid bevrijdt van een verkeerde last.
Ik hoef niemand te bekeren. Ik hoef niet ieder bezwaar te kunnen beantwoorden. Ik hoef geen emotionele reactie op te wekken en geen beslissing af te dwingen.
Ik moet het Evangelie waarheidsgetrouw en liefdevol bekendmaken. De hoorder is verantwoordelijk voor zijn reactie. God geeft de wasdom.
Dat betekent ook dat een gesprek zonder zichtbare vrucht niet mislukt hoeft te zijn. Gehoorzaamheid wordt niet pas gehoorzaamheid wanneer de ander positief reageert.
Maar het omgekeerde geldt eveneens:
Een mogelijke negatieve reactie maakt mijn zwijgen niet automatisch wijsheid.
Niet ieder gesprek moet geforceerd worden. Niet ieder familielid moet bij iedere ontmoeting opnieuw onder druk worden gezet. Onze woorden behoren met genade gesproken te worden en liefde kan ook luisteren. Maar liefde die altijd zwijgt uit zelfbescherming is niet automatisch zachtmoedigheid.
De juiste houding is:
Ik spreek wanneer ik een werkelijke gelegenheid heb, ik spreek helder en met genade, en ik laat de uitkomst aan God over.
De gelovige zal rekenschap geven
Eeuwige redding is zeker voor ieder die Christus gelooft. Een gelovige komt niet meer in de verdoemenis:
“Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven.”
— Johannes 5:24
Maar dezelfde gelovige zal wel rekenschap geven van zijn wandel en dienst:
“Zo dan een iegelijk van ons zal voor zichzelven Gode rekenschap geven.”
— Romeinen 14:12
En:
“Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage hetgeen door het lichaam geschied is, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.”
— 2 Korinthe 5:10
Bij die rechterstoel wordt niet opnieuw beslist of Christus voldoende betaald heeft. De redding van de gelovige rust volledig op Hem. Maar Christus beoordeelt wel wat de gelovige met zijn ontvangen leven, gaven, woorden en gelegenheden heeft gedaan.
Dat moet mij niet terugwerpen in angst voor de hel. Het moet mij wakker maken voor de waarde van mijn leven.
Waarom die toekomstige verantwoordelijkheid niets afdoet aan de zekerheid van eeuwig leven, wordt breder uitgelegd in Waarom zou ik God nog dienen, als ik toch naar de hemel ga?
Ik zal niet veroordeeld worden omdat Christus onvoldoende heeft gedaan. Maar ik zal wel rekenschap geven van ogenblikken waarop menselijke vrees zwaarder woog dan een duidelijke gelegenheid om van Hem te spreken.
Ook daarin helpt het voorbeeld van Demas en de tegenwoordige wereld: redding en loon mogen niet worden vermengd, maar dienst en loon mogen evenmin onbelangrijk worden gemaakt.
Hoe zet ik de eerste stap?
De eerste stap hoeft geen volledige preek te zijn.
1. Neem één persoon voor ogen
Niet mijn gehele familie tegelijk. Niet iedereen die ik morgen ontmoet. Eén mens voor wie ik werkelijk kan bidden en met wie een gesprek mogelijk is.
2. Bid niet alleen om een gelegenheid, maar ook om vrijmoedigheid
Paulus vroeg om een geopende mond. De eerste blokkade kan juist daar liggen.
3. Bereid één eerlijke openingszin voor
Bijvoorbeeld:
„Ik vind het best moeilijk om hierover te beginnen, juist omdat je veel voor mij betekent. Maar ik wil mijzelf niet later hoeven verwijten dat ik je nooit eerlijk heb verteld waarom het Evangelie voor mij zo belangrijk is geworden. Mag ik het kort uitleggen?”
Of:
„Je bent me te dierbaar om hierover altijd te blijven zwijgen. Mag ik je vertellen waarom ik nu zeker weet dat eeuwig leven een vrije gave is?”
Ik hoef mijn spanning niet te verbergen. Juist die eerlijkheid kan duidelijk maken dat ik niet spreek om een discussie te winnen.
4. Houd het Evangelie eenvoudig
- Wij zijn zondaren en kunnen onszelf niet redden.
- Jezus Christus betaalde door Zijn dood volledig voor onze zonden.
- Hij werd begraven en stond op uit de doden.
- Eeuwig leven is Gods gave.
- Wie Christus gelooft, heeft eeuwig leven.
5. Geef ruimte voor een reactie
Ik hoef ieder stil moment niet vol te praten. Ik mag vragen wat de ander gelooft, luisteren en vervolgens antwoorden vanuit Gods Woord.
6. Gebruik schrijven als hulp, niet als schuilplaats
Een persoonlijk bericht of een link naar een duidelijke uitleg kan zeer waardevol zijn. Zeker wanneer spreken moeilijk is. Maar het wordt sterker wanneer ik erbij schrijf waarom ik juist deze persoon iets stuur.
Niet slechts:
Hier is een link.
Maar:
Ik stuur dit omdat je veel voor me betekent en omdat ik niet wil blijven zwijgen over het Evangelie, dat voor mij het allerbelangrijkst is.
7. Laat de uitkomst werkelijk aan God over
Na een helder en liefdevol getuigenis hoef ik niet te manipuleren. Ik mag blijven bidden, beschikbaar zijn en vertrouwen dat Gods Woord niet afhankelijk is van mijn welsprekendheid.
De eindconclusie
God geeft de wasdom. Die waarheid bevrijdt mij van de onmogelijke taak om iemand anders te laten geloven, wedergeboorte in hem te bewerken of geestelijke vrucht in zijn leven voort te brengen.
Maar God heeft mij niet gevraagd de wasdom te geven. Hij heeft mij gevraagd te planten.
Hij heeft mij niet gevraagd iemand te redden. Hij heeft mij het Evangelie toevertrouwd.
Hij heeft mij niet beloofd dat mijn vlees het ooit prettig zal vinden om afgewezen te kunnen worden. Hij heeft mij Zijn Geest gegeven en opgedragen door den Geest te wandelen.
Daarom mag „God moet het doen” nooit betekenen dat ik niets hoef te doen. De Bijbel zegt:
Paulus plantte. Apollos maakte nat. God gaf de wasdom.
Mijn werk aan HemelZeker.nl is een werkelijke manier om te planten. Maar het mag geen veilige muur worden waarachter ik mij verberg voor ieder persoonlijk gesprek. Vooral niet bij de mensen die mij het meest dierbaar zijn.
Soms denkt mijn vlees: het boeit me niks.
Dat vlees wil ik niet vroom leren verwoorden. Ik wil het niet „wachten op Gods tijd” noemen wanneer ik eigenlijk bang ben. Ik wil erkennen wat het is en vervolgens door den Geest wandelen.
Misschien trilt mijn stem. Misschien formuleer ik niet alles volmaakt. Misschien reageert de ander afwijzend. Maar geen van die mogelijkheden verandert Gods opdracht of de waarde van het Evangelie.
Een ogenblik van ongemak weegt weinig tegenover de eeuwigheid.
Ik weet niet hoeveel gelegenheden ik nog krijg. Ik weet wel wat God vandaag reeds heeft gezegd.
Misschien hoef ik niet opnieuw te vragen of God mij duidelijk wil maken dát ik van Christus moet spreken. Misschien moet ik bidden om vrijmoedigheid, mijn angst erkennen, mijn mond openen en vertrouwen dat Hij ook deze keer met mij zal zijn.
De Geest hoeft niet eerst sterker te trekken. Mijn vlees moet ophouden het laatste woord te krijgen.
God geeft de wasdom. Maar het planten mag ik niet blijven uitstellen.