Demas was gered en werd toch ontrouw

Zijn liefde voor de tegenwoordige wereld gaat over dienst en loon—niet over verloren redding of onecht geloof.

Demas was gered en werd toch ontrouw

Zijn liefde voor de tegenwoordige wereld gaat over dienst en loon—niet over verloren redding of onecht geloof.

Demas was Paulus’ geredde medearbeider, maar kreeg de tegenwoordige wereld lief en verliet zijn dienst. 2 Timotheüs 4 gaat daarom niet over verloren redding, maar over trouw, kroon en loon. Eeuwige zekerheid rust op Christus, niet op toekomstige volharding.

Was Demas nooit werkelijk gered?

Nee. Demas was Paulus’ medearbeider, maar liet de tegenwoordige wereld de overhand krijgen en verliet zijn plaats in de dienst.

Over Demas staan maar enkele zinnen in de Bijbel. Eerst bevindt hij zich bij Paulus en Lukas. Daarna noemt Paulus hem uitdrukkelijk „mijn medearbeider”. Ten slotte staat er dat hij Paulus verliet, omdat hij de tegenwoordige wereld had liefgekregen.


Veel uitleggers laten die laatste negatieve mededeling alles uitwissen wat daarvoor geschreven stond. Demas werd wel een medearbeider genoemd, maar zou het nooit werkelijk zijn geweest. Hij leek gered, maar zijn vertrek zou bewijzen dat hij nooit echt geloofde.


Dat is geen conclusie uit 2 Timotheüs 4. De context gaat niet over de vraag hoe een zondaar wordt gerechtvaardigd, of Demas wedergeboren was of waar hij de eeuwigheid zou doorbrengen. Zij gaat over de volbrachte loop, de toekomstige kroon, trouwe dienst, werken en loon.


Demas is daarom geen voorbeeld van verloren redding of onecht geloof. Hij is een geredde medearbeider die ontrouw werd.


Eeuwig leven is Gods vrije gave. Het wordt ontvangen door geloof in Jezus Christus, Die voor onze zonden stierf, begraven werd en opstond. Loon is geen vrije gave, maar een beloning voor de arbeid van iemand die reeds gered is. Wie redding en loon vermengt, kan Demas onmogelijk goed begrijpen.


Demas verloor niet het eeuwige leven. Hij liet de tegenwoordige wereld de overhand krijgen, verliet zijn plaats naast Paulus en bracht zijn dienst en loon ernstige schade toe.



Wat staat er werkelijk over Demas?


Demas wordt driemaal bij naam genoemd.


Paulus schrijft in Kolossenzen:

“U groet Lukas, de medicijnmeester, de geliefde, en Demas.”
— Kolossenzen 4:14

In Filemon wordt zijn plaats nauwkeuriger omschreven:

“Markus, Aristarchus, Demas, Lukas, mijn medearbeiders.”
— Filemon 24

Ten slotte schrijft Paulus:

“Want Demas heeft mij verlaten, hebbende de tegenwoordige wereld liefgekregen, en is naar Thessalonica gereisd.”
— 2 Timotheüs 4:10

De ontwikkeling is niet moeilijk:


  • Demas bevond zich bij Paulus;
  • Demas was Paulus’ medearbeider;
  • deze medearbeider verliet Paulus later.


Paulus noemt hem niet slechts een bezoeker, belangstellende, toehoorder of uiterlijke meeloper. Hij plaatst Demas onder „mijn medearbeiders”. Demas had werkelijk een plaats in de geestelijke arbeid.


Wanneer de Schrift iemand later als een bedrieger ontmaskert, zegt zij dat. Judas wordt een duivel en de zoon des verderfs genoemd. Over Demas staat nergens dat hij altijd een valse broeder was, nooit geestelijk leven bezat of alleen maar deed alsof hij diende.


De Schrift vertelt iets anders en veel ernstigers: een werkelijke medearbeider werd ontrouw.



Eén negatief zinnetje wist de eerdere waarheid niet uit


De natuurlijke leesrichting is:


Demas was een medearbeider en die medearbeider werd later ontrouw.


De veelgebruikte omkering luidt:


Omdat Demas later ontrouw werd, kan hij vroeger nooit werkelijk een medearbeider zijn geweest.


Daarmee wordt niet het latere vers door het eerdere verklaard. Het eerdere vers wordt achteraf van zijn gewone betekenis ontdaan vanwege een leerstelsel over noodzakelijke volharding.


Maar Demas’ latere ontrouw verandert niet met terugwerkende kracht wat Paulus eerder over hem schreef. „Mijn medearbeider” betekent niet: iemand die voorlopig medearbeider lijkt, maar pas na zijn dood werkelijk zo genoemd mag worden. Paulus beschrijft zijn werkelijke positie in de arbeid op dat moment.


Het negatieve zinnetje is bovendien geen uitspraak over Demas’ wedergeboorte. Er staat niet:


  • Demas heeft Christus verlaten;
  • Demas heeft het geloof in Christus herroepen;
  • Demas was nooit werkelijk een gelovige;
  • Demas is opnieuw een kind des toorns geworden;
  • Demas heeft het eeuwige leven verloren.


Er staat:

“Demas heeft mij verlaten.”
— 2 Timotheüs 4:10

Dat is ernstig. Het is alleen niet hetzelfde als Christus’ vrije gave verliezen.



De context gaat over strijd, loop, kroon en loon


De directe context bepaalt waar Paulus over spreekt.


Hij weet dat zijn aardse dienst het einde nadert:

“Want ik word nu tot een drankoffer geofferd, en de tijd mijner ontbinding is aanstaande.”
— 2 Timotheüs 4:6

Vervolgens kijkt hij terug op zijn arbeid:

“Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden.”
— 2 Timotheüs 4:7

Daarna ziet hij vooruit naar de beoordeling door Christus:

“Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in dien dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben.”
— 2 Timotheüs 4:8

Pas daarna schrijft hij dat Demas hem heeft verlaten.

Het onderwerp is dus niet verborgen:


  • Paulus heeft gestreden;
  • Paulus heeft zijn loop geëindigd;
  • Paulus verwacht de kroon;
  • de rechtvaardige Rechter zal die kroon geven;
  • Demas heeft de arbeid naast Paulus verlaten.


Later in hetzelfde hoofdstuk wordt Alexander naar zijn werken vergolden, verlaten anderen Paulus bij zijn verdediging en staat de Heere Zijn dienaar bij. Het hele gedeelte ademt verantwoording, dienst, werken en toekomstige beoordeling.


Nergens stelt Paulus de vraag of Demas ooit werkelijk gerechtvaardigd was. Die vraag wordt van buitenaf aan de tekst opgedrongen.


Tweede Timotheüs 4 gaat niet over hoe een goddeloze eeuwig leven ontvangt. Het gaat over wat geredde dienaren met hun loop en arbeid doen.



De beslissende sleutel: twee liefdes in één hoofdstuk


De beslissende sleutel staat in vers 8 en vers 10.


Over de getrouwen schrijft Paulus:

“…allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben.”
— 2 Timotheüs 4:8

Over Demas schrijft hij:

“…hebbende de tegenwoordige wereld liefgekregen.”
— 2 Timotheüs 4:10

In beide verzen gebruikt Paulus hetzelfde grondwoord voor liefhebben. Hij plaatst twee liefdes tegenover elkaar.

Vers 8 Vers 10
Christus’ verschijning liefhebben De tegenwoordige wereld liefkrijgen
De toekomstige dag voor ogen houden Het tegenwoordige laten overheersen
De loop voleindigen De medearbeid verlaten
Uitzien naar de kroon Schade veroorzaken aan dienst en loon

Paulus vergelijkt hier niet een geredde man met een ongeredde man. Hij toont twee richtingen waarin de liefde van een gered mens zich praktisch kan bewegen.


Paulus leefde met het oog op de verschijning van Christus. Daardoor bleef hij lopen toen de dienst hem gevangenschap, lijden en uiteindelijk zijn leven kostte. Demas liet de tegenwoordige wereld zwaarder wegen en verliet zijn plaats naast Paulus.


Als Demas nooit gered was, verliest deze tegenstelling haar eigenlijke kracht. Dan staat er slechts dat een gelovige een kroon ontvangt en een ongelovige de wereld liefheeft. Maar daarvoor hoeft Paulus Demas niet eerst zijn medearbeider te noemen.


Het ernstige is juist dat iemand werkelijk aan de geestelijke arbeid kan deelnemen en later toch de verkeerde liefde kan laten overheersen.


De kroon uit vers 8 is niet de hemel en ook niet het eeuwige leven. Zij is loon van de rechtvaardige Rechter. Alleen iemand die reeds gered is, kan met het oog op die kroon trouw of ontrouw dienen.



Een vrije gave is niet hetzelfde als loon


Hier wordt de hele zaak beslist.


Redding en loon zijn geen twee woorden voor dezelfde werkelijkheid. Zij worden op een volkomen verschillende grondslag ontvangen.


Paulus schrijft:

“Nu dengene, die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld. Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.”
— Romeinen 4:4–5

Eeuwige redding wordt ontvangen door degene die niet werkt, maar gelooft. Christus stierf voor onze zonden, werd begraven en stond op uit de doden. Wie Hem gelooft, ontvangt eeuwig leven als vrije gave. Lees hierover ook hoe word ik gered?

“Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onzen Heere.”
— Romeinen 6:23

Loon daarentegen wordt gegeven naar arbeid:

“En een iegelijk zal zijn loon ontvangen naar zijn arbeid.”
— 1 Korinthe 3:8

Het onderscheid is absoluut:

Eeuwige redding Loon
Gods vrije gave Beloning naar arbeid
Ontvangen door geloof Beoordeeld naar werken
Niet verdiend Verbonden aan trouwe dienst
Rust volledig op Christus Betreft het werk van de gelovige
Kan niet verloren gaan Kan verkregen of verloren worden
De gelovige zelf blijft behouden Het werk kan verbranden

Paulus schrijft over een gelovige wiens werk niet blijft bestaan:

“Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur.”
— 1 Korinthe 3:15

Schade aan het werk is niet hetzelfde als verloren gaan. De persoon blijft behouden terwijl zijn arbeid verlies lijdt.


Daarom kan Demas’ ontrouw niet worden gebruikt om zijn ontvangen eeuwige leven alsnog afhankelijk te maken van zijn latere wandel. Een vrije gave kan niet achteraf veranderen in loon voor bewezen volharding.


Wie zegt dat Demas’ uiteindelijke gedrag moest bewijzen of hij werkelijk gered was, maakt zijn redding alsnog afhankelijk van zijn werken. Dan geldt niet langer: „dengene, die niet werkt, maar gelooft.” Dan geldt feitelijk: degene die gelooft en daarna tot het einde voldoende volhardt, zal uiteindelijk blijken gerechtvaardigd te zijn.


Dat is niet het Evangelie van genade.



Hoe een volhardingssysteem Demas opnieuw definieert


Veel calvinistische uitleg begint met een reeds vaststaande leerregel:


  1. iedere ware gelovige zal noodzakelijk tot het einde volharden;
  2. Demas werd ontrouw en verdwijnt daarna uit het Bijbelse verslag;
  3. daarom kan Demas nooit werkelijk gered zijn geweest.


Maar de eerste stelling bepaalt dan vooraf wat Paulus met „mijn medearbeider” nog mag bedoelen. Zodra een gelovige ernstig valt, mag hij volgens het systeem geen werkelijke gelovige meer zijn. De uitkomst staat al vast voordat de tekst wordt gelezen.


Dat is een cirkelredenering:


  • ware gelovigen volharden altijd;
  • wie niet volhardt, was dus geen ware gelovige;
  • dat ware gelovigen altijd volharden, blijkt vervolgens uit het feit dat alle niet-volharders geen ware gelovigen worden genoemd.


Zo kan het systeem nooit door een Bijbels voorbeeld worden gecorrigeerd. Iedere geredde persoon die ernstig faalt, wordt eenvoudig achteraf uit de groep werkelijke gelovigen verwijderd.


Een consequente volhardingsleer heeft bij Demas uiteindelijk maar twee uitwegen:


  • Demas was nooit werkelijk gered;
  • of Demas moet later alsnog hersteld zijn, hoewel de Schrift daarover zwijgt.


Beide oplossingen worden niet door 2 Timotheüs 4 gegeven. Zij worden noodzakelijk omdat het systeem niet toestaat wat de tekst juist laat zien: een werkelijk geredde medearbeider kan ontrouw worden zonder het eeuwige leven te verliezen.


Deze uitleg verkleint de waarschuwing bovendien. Wanneer Demas slechts een nooit-geredde huichelaar was, hoeft een ware gelovige zichzelf niet werkelijk in hem te herkennen. Maar wanneer Demas een geredde medearbeider was die aan het vlees toegaf, komt de waarschuwing rechtstreeks op iedere gelovige af.


De bredere Schriftuurlijke toets van noodzakelijke volharding staat in moet een gelovige volharden om behouden te blijven? Daar wordt uitgelegd waarom volharding belangrijk is voor wandel, vrucht en loon, maar nooit de grond of het bewijs van eeuwige redding kan worden.



Wanneer volharding het bewijs is, weet niemand iets zeker


Het probleem gaat veel verder dan Demas.


Wanneer één latere daad van ontrouw alle eerdere positieve gegevens ongeldig kan maken, kan het ontbreken van zo’n vermelde daad nooit bewijzen dat iemand wél gered was.


Paulus schrijft:

“Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden.”
— 2 Timotheüs 4:7

Maar Paulus leefde nog toen hij dit schreef. Wanneer eeuwige redding pas door definitieve volharding wordt bewezen, zou zelfs deze uitspraak geen absolute zekerheid geven. Er konden theoretisch nog uren, dagen of weken volgen waarin Paulus alsnog faalde. De Bijbel beschrijft niet iedere seconde tot zijn laatste adem.


Binnen dat systeem zou men dus moeten zeggen:


Paulus leek werkelijk gered. Hij had uitzonderlijk veel vrucht en meende zijn loop geëindigd te hebben. Maar omdat wij zijn allerlaatste levensmomenten niet kennen, weten wij niet absoluut zeker of hij tot zijn laatste adem volhardde.


Dat klinkt absurd, maar het volgt onvermijdelijk wanneer toekomstige volharding het beslissende bewijs van vroegere redding moet leveren.


Dan wordt iedere positieve Schriftuitspraak voorlopig:


  • „medearbeider” is niet voldoende;
  • „broeder” is niet voldoende;
  • „heilige” is niet voldoende;
  • „gelovige” is niet voldoende;
  • geestelijke vrucht is niet voldoende;
  • jarenlang dienen is niet voldoende;
  • zelfs „ik heb den loop geëindigd” is niet voldoende zolang er theoretisch nog een later moment kan volgen.


Iedere uitspraak krijgt een ongeschreven voorwaarde:


Dit geldt alleen wanneer later blijkt dat hij tot zijn dood heeft volhard.


Maar die voorwaarde staat niet in de teksten. Zij wordt door het systeem toegevoegd.


Nog ernstiger: niemand kan binnen die redenering vandaag zeker weten dat hij gered is. Zijn toekomstige levensloop is immers nog niet voltooid. Hij kan hoogstens zeggen:


Op dit moment lijk ik kenmerken van een ware gelovige te bezitten. Wanneer ik uiteindelijk volhard, zal blijken dat mijn geloof echt was.



Johannes schrijft precies het tegenovergestelde:

“Deze dingen heb ik u geschreven, die gelooft in den Naam des Zoons van God; opdat gij weet, dat gij het eeuwige leven hebt.”
— 1 Johannes 5:13

En Christus zegt:

“Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven.”
— Johannes 5:24

De zekerheid ligt niet in een nog ongeschreven toekomstig levensverhaal. Zij ligt in Christus’ reeds volbrachte werk en Zijn uitgesproken belofte.


Het volhardingssysteem kijkt naar de toekomstige wandel van de mens. Bijbelse zekerheid kijkt naar de Zoon van God en gelooft wat Hij heeft beloofd.



Paulus’ eigen zekerheid rustte evenmin op vertrouwen in zijn vlees:

“Want ik weet, Wien ik geloofd heb, en ik ben verzekerd, dat Hij machtig is, mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot dien dag.”
— 2 Timotheüs 1:12

Niet: ik weet wat ik tot mijn laatste adem zal doen.


Wel: ik weet Wie ik geloofd heb.


Daarom kan een gelovige nu zeker zijn van het eeuwige leven en tegelijk ernstig gewaarschuwd worden voor ontrouw, kastijding en verlies van loon. Lees voor dit onderscheid verder in eeuwige zekerheid



Waarom wereldliefde bij een gered mens mogelijk is


Demas’ val wordt begrijpelijk wanneer wij het onderscheid tussen vlees en Geest erkennen.


Een natuurlijk mens heeft alleen het vlees. Over de toestand vóór de redding schrijft Paulus:

“In welke gij eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw dezer wereld, naar den overste van de macht der lucht, van den geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid; onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleses.”
— Efeze 2:2–3

Een ongelovige hoeft niet vanuit een geestelijke wandel terug te keren naar de wereld. Hij wandelt reeds naar de eeuw van deze wereld en in de begeerlijkheden van het vlees. Hij bezit geen nieuwe natuur waaruit hij God kan dienen.



Na geloof verandert dat. De gelovige ontvangt nieuw leven en de Heilige Geest, maar zijn vlees verdwijnt niet. Daardoor ontstaat een werkelijke strijd:

“Want het vlees begeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander.”
— Galaten 5:17

Demas had werkelijk in de geestelijke arbeid gestaan. Later gaf hij opnieuw ruimte aan hetgeen zijn nog aanwezige vlees begeerde. De tegenwoordige wereld kreeg praktisch de overhand.



Daarom wordt juist tot gelovigen gezegd:

“Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is.”
— 1 Johannes 2:15

Die waarschuwing is werkelijk omdat het gevaar werkelijk is. Een gered mens kan de wereld liefhebben. Hij kan geestelijk beginnen, werkelijk dienen en later toch aan het vlees toegeven.


Demas verloor niet de Geest en werd niet opnieuw een natuurlijk mens. Hij liet het vlees in zijn praktische keuze regeren. Dat is het Bijbelse onderwerp van vlees en Geest: de eeuwige positie rust op Christus, maar de dagelijkse wandel wordt bepaald door de bron waaraan de gelovige toegeeft.



Demas veranderde niet van eeuwige positie


De brede en smalle weg verklaren de positie van de mens.


Door zijn natuurlijke geboorte staat een mens in Adam op de weg die tot het verderf leidt. Door geloof in Christus wordt hij wedergeboren en komt hij positioneel op de weg die tot het leven leidt. Die tweede geboorte kan net zo min ongedaan worden gemaakt als de eerste geboorte.


Demas keerde daarom niet terug door de wijde poort. Hij werd niet opnieuw een kind des toorns. Hij bleef positioneel op de smalle weg, maar wandelde praktisch overeenkomstig het vlees en de beginselen van de wereld waaruit hij gered was.


Positie en wandel beantwoorden verschillende vragen:


  • Positie vraagt: waarin heeft God mij op grond van Christus geplaatst?
  • Wandel vraagt: uit welke natuur leef ik vandaag?
  • Redding vraagt: heb ik Christus geloofd?
  • Dienst vraagt: wat doe ik met het leven en de mogelijkheden die Hij mij gegeven heeft?


Demas’ positie rustte op Christus. Zijn wandel week af toen de tegenwoordige wereld zijn keuze ging beheersen. Zo sluit zijn geschiedenis ook aan bij de wijze en dwaze bouwer: een geredde discipel kan Christus’ woorden gehoorzamen en wijs bouwen, maar hij kan ze ook praktisch negeren en grote schade lijden.



Allen verlieten Paulus


Hetzelfde hoofdstuk bevat een belangrijke controletekst.


Over Demas staat:

“Demas heeft mij verlaten.”
— 2 Timotheüs 4:10

Enkele verzen later schrijft Paulus:

“In mijn eerste verantwoording is niemand bij mij geweest, maar zij hebben mij allen verlaten; het worde hun niet toegerekend.”
— 2 Timotheüs 4:16

Wanneer het verlaten van Paulus bewijst dat Demas nooit gered was, zou dezelfde conclusie over iedereen uit vers 16 moeten worden getrokken. Paulus doet dat niet. Hij verklaart hen niet tot schijngelovigen en zegt niet dat zij daardoor hun eeuwige leven verloren. Hij bidt dat hun daad hun niet wordt toegerekend.


Het verlaten van Paulus was dus een ernstige daad van ontrouw onder druk, niet automatisch een openbaring dat iemand nooit wedergeboren was.


Bij Demas noemt Paulus bovendien de liefde die zijn keuze beheerste: hij kreeg de tegenwoordige wereld lief. Daardoor verloor hij aantoonbaar:


  • zijn plaats naast Paulus;
  • zijn praktische gemeenschap in die arbeid;
  • zijn bruikbaarheid voor deze bediening;
  • zijn zichtbare trouw op dit beslissende moment.


Zijn eeuwige leven stond niet op het spel. Zijn dienst en loon wel. Waarom dienst na de redding werkelijk belangrijk blijft, wordt verder uitgelegd in waarom zou ik God nog dienen?



Misschien zou ik eerder zijn teruggekeerd


Het is gemakkelijk om eeuwen later op Demas neer te kijken.


Wij lezen dat hij Paulus verliet en denken misschien: wat een zwakke, wereldse gelovige. Maar Demas had eerst werkelijk naast Paulus gearbeid. Hij had zich verbonden aan een apostel die vervolgd, geslagen, gevangengezet en uiteindelijk gedood werd. Demas was begonnen aan arbeid waaraan veel gelovigen misschien nooit zouden durven beginnen.


Paulus schrijft vanuit gevangenschap. Zijn terechtstelling komt dichtbij. Bij hem blijven was niet gemakkelijk en kon iets kosten.


De Schrift zegt niet dat angst de concrete reden van Demas’ vertrek was. Zij vertelt evenmin wat hem precies in Thessalonica aantrok. Dat mogen wij niet invullen. God openbaart de diepste bron: Demas kreeg de tegenwoordige wereld lief.


Maar voordat wij hem veroordelen, moeten wij een eerlijker vraag stellen:


Zou ik onder dezelfde druk werkelijk trouw gebleven zijn?


Misschien zou ik eerder zijn teruggekeerd. Misschien zou ik uit angst voor lijden hebben gezwegen. Misschien zou ik mijzelf hebben overtuigd dat mijn veiligheid, gezin, werk of rust voorging. Misschien zou ik niet eens begonnen zijn aan de arbeid waarin Demas eerst wel heeft gestaan.


Dat maakt zijn keuze niet goed. Het breekt wel onze hoogmoed.


Dezelfde eerlijkheid is nodig wanneer wij weten dat wij van Christus behoren te spreken, maar uit angst, gemak of zelfbescherming zwijgen. Die praktische strijd wordt uitgewerkt in God geeft de wasdom — maar wie moet planten?


Petrus was er ook volledig van overtuigd dat hij stand zou houden:

“Al moest ik ook met U sterven, zo zal ik U geenszins verloochenen.”
— Mattheüs 26:35

Enkele uren later verloochende hij Christus driemaal. Petrus verloor zijn eeuwige leven niet. Onder druk bleek hoe zwak het vlees was. Daarna werd hij hersteld en opnieuw gebruikt.



Daarom zegt de Schrift:

“Zo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.”
— 1 Korinthe 10:12

En:

“…ziende op uzelven, opdat ook gij niet verzocht wordt.”
— Galaten 6:1

Demas is geen man die ons toestemming geeft om te zondigen. Hij is een man die ons verbiedt op onszelf te vertrouwen. Wie denkt dat hij nooit zo zou handelen, begrijpt nog onvoldoende waartoe zijn eigen vlees in staat blijft.


De diepste vraag is daarom niet:


Hoe kon Demas zo laag vallen?


De diepste vraag is:


Welke liefde krijgt vandaag in mijn eigen leven de overhand: de verschijning van Christus of de tegenwoordige wereld?



Oordeelt niets vóór den tijd


Wij mogen beslist zeggen wat de Schrift beslist zegt.


Demas was een medearbeider. Hij verliet Paulus. Hij kreeg de tegenwoordige wereld lief. Zijn keuze was vleselijk en ontrouw. Zulke ontrouw brengt geen loon voort.


Maar wij kennen niet zijn gehele levenswerk, iedere eerdere daad van trouw, de volledige druk waaronder hij stond of de raadslagen van zijn hart. Wij weten ook niet of hij later werd hersteld. Daarom bepalen wij niet hoeveel loon Demas uiteindelijk ontvangt of verliest.


Paulus schrijft:

“Zo dan oordeelt niets vóór den tijd, totdat de Heere zal gekomen zijn, Welke ook in het licht zal brengen hetgeen in de duisternis verborgen is, en openbaren de raadslagen der harten; en alsdan zal een iegelijk lof hebben van God.”
— 1 Korinthe 4:5

Deze tekst maakt Demas’ redding niet onzeker. Hij stelt de grens van ons oordeel over zijn volledige dienst vast.


Wij weten wat Demas deed. Christus alleen kent alles wat eraan voorafging, alles wat hem bewoog en alles wat erna nog gebeurde. De rechtvaardige Rechter zal zijn volledige levenswerk beoordelen.


Daarom schrijven wij niet dat Demas noodzakelijk ieder loon verloor. Wij schrijven wel zonder terughoudendheid dat zijn wereldliefde en het verlaten van zijn plaats geen loon voortbrengen en werkelijke schade veroorzaken. Het exacte oordeel behoort aan Christus toe.



De eindconclusie


Demas was geen ongelovige die door zijn vertrek bewees dat hij nooit werkelijk geloofd had. Hij was Paulus’ medearbeider en werd later ontrouw. Tweede Timotheüs 4 plaatst zijn keuze niet tegenover eeuwige redding, maar tegenover het voleindigen van de loop en het ontvangen van de kroon.


De sleutel staat in vers 8 en 10. Tegenover allen die Christus’ verschijning liefhebben en voor wie de kroon is weggelegd, staat Demas, die de tegenwoordige wereld liefkreeg en zijn plaats in de arbeid verliet. Paulus en Demas verschillen hier niet als een geredde en een verlorene. Zij verschillen als een trouwe en een ontrouwe dienaar.


Een calvinistisch volhardingssysteem laat het ene negatieve zinnetje over Demas zijn volledige voorgeschiedenis uitwissen. Maar wanneer latere ontrouw ieder eerder bewijs ongeldig kan maken, weet niemand vóór zijn dood of hij werkelijk gered is. Zelfs positieve woorden als „medearbeider”, „gelovige” en „ik heb den loop geëindigd” blijven dan voorlopig zolang de laatste adem niet beschreven is.


De Bijbel bouwt zekerheid niet op toekomstige volharding. Zij bouwt zekerheid op Christus’ volbrachte werk en betrouwbare belofte. Wie in Hem gelooft, heeft eeuwig leven, komt niet in de verdoemenis en is uit de dood overgegaan in het leven.


Demas veranderde daarom niet van eeuwige positie. Hij keerde niet terug door de wijde poort en werd niet opnieuw een natuurlijk mens. Hij bleef gered, maar wandelde praktisch naar het vlees. Daardoor verloor hij zijn plaats naast Paulus en beschadigde hij zijn dienst. Christus zal bepalen wat dit binnen zijn volledige levenswerk voor zijn loon betekent.


Een ander voorbeeld van een behouden man die ernstig naar het vlees wandelde, is Bileam in 2 Petrus 2. De studie onderscheidt zijn positie bovendien zorgvuldig van die van de ongeredde leraars.


Maar zijn naam is niet opgeschreven zodat wij ons boven hem verheffen. Demas had eerst werkelijk gearbeid. Misschien zouden wij onder dezelfde druk eerder zijn teruggekeerd. Zijn geschiedenis roept daarom niet in de eerste plaats om een oordeel over hem, maar om een onderzoek van onszelf:


Heb ik de verschijning van Christus lief, of krijgt de tegenwoordige wereld steeds meer bezit van mijn hart?


Eeuwige zekerheid maakt die vraag niet minder ernstig. Zij maakt haar zuiver. Wij dienen niet om eeuwig leven te verdienen, te bewijzen of te behouden. Wij dienen omdat Christus ons het eeuwige leven om niet heeft gegeven en omdat wij Hem eens als de rechtvaardige Rechter van ons werk zullen ontmoeten.


Demas bewijst niet dat eeuwig leven verloren kan gaan. Hij bewijst hoe ver een gered mens in zijn wandel en dienst kan terugvallen wanneer de tegenwoordige wereld de overhand krijgt. Wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle.