Henoch wordt vaak gezien als de man die nooit stierf. Maar Schrift met Schrift laat zien dat zijn vlees net als alle vlees vergankelijk was. Ook „niet meer zijn”, „niet gevonden worden” en „de dood niet zien” maken hem niet tot een aparte categorie. De nadruk van Hebreeën 11 ligt op iets anders:
Henoch geloofde God, behaagde God en wandelde met God.
Wat was er werkelijk bijzonder aan Henoch?
Stierf Henoch werkelijk niet? Een Schrift-met-Schriftonderzoek naar zijn wegneming, „de dood niet zien” en waarom hij in Hebreeën 11 staat.
Waarom lijkt Henoch zo uitzonderlijk?
Genesis 5 heeft een opvallend ritme. We krijgen het geslachtsregister vanaf Adam. Van de ene na de andere man wordt verteld hoe lang hij leefde, dat hij zonen en dochters kreeg en vervolgens klinkt steeds weer hetzelfde einde: „...en hij stierf.”
Adam: „...en hij stierf.” Seth: „...en hij stierf.” Enos: „...en hij stierf.” Kenan: „...en hij stierf.” Mahalaleël: „...en hij stierf.” Jered: „...en hij stierf.”
Maar dan komt Henoch.
„En Henoch leefde vijf en zestig jaren, en hij gewon Methusalah.
En Henoch wandelde met God, nadat hij Methusalah gewonnen had, driehonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
Zo waren al de dagen van Henoch driehonderd vijf en zestig jaren.
En Henoch wandelde met God; en hij was niet meer; want God nam hem weg.”
— Genesis 5:21-24
Hebreeën 11 zegt later:
„Door het geloof is Henoch weggenomen geweest, opdat hij den dood niet zou zien; en hij werd niet gevonden, daarom dat God hem weggenomen had; want vóór zijn wegneming heeft hij getuigenis gehad, dat hij Gode behaagde.”
— Hebreeën 11:5
Het is begrijpelijk dat juist deze woorden Henoch een bijna mysterieuze status hebben gegeven. God nam hem weg. Hij was niet meer. Hij werd niet gevonden. Hij zag de dood niet.
Daaruit wordt gemakkelijk geconcludeerd: Henoch is nooit gestorven.
En zodra die gedachte vaststaat, volgen allerlei andere vragen. Waar is zijn lichaam dan? Heeft Henoch zijn oude lichaam nog? Moet hij nog eens terugkomen om alsnog te sterven? Is hij misschien daarom één van de twee getuigen uit Openbaring 11?
Maar al die vragen rusten op één belangrijke aanname: „Henoch zag de dood niet” betekent dat Henochs Adamitische vlees niet stierf.
Is dat werkelijk wat de Schrift leert? We hoeven daar niet over te speculeren. We gaan eenvoudig ieder onderdeel door de Schrift zelf laten verklaren.
1. Wat voor mens was Henoch?
Dit is de eerste vraag die beantwoord moet worden. Genesis 5 plaatst Henoch rechtstreeks in de geslachtslijn van Adam.
Henoch was geen andere soort mens. Hij stond niet buiten Adam. Hij had geen bijzondere natuurlijke geboorte waardoor hij geen deel zou hebben aan de gewone menselijke vleeslijke toestand.
Jezus geeft in Johannes 3 een eenvoudige regel:
„Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees; en hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest.”
— Johannes 3:6
Wat uit vlees wordt geboren, is vlees.
Henoch kwam door natuurlijke geboorte voort uit Adams mensengeslacht. Dus Henoch was naar zijn natuurlijke geboorte vlees.
Dat lijkt misschien een eenvoudige constatering. Maar juist dit wordt straks beslissend.
Tussenconclusie
Henoch was naar zijn natuurlijke afkomst geen uitzondering. Hij was uit Adam, uit vlees geboren, dus vlees.
De volgende vraag is daarom logisch: Wat zegt God over dat vlees?
2. God zegt wat er met alle vlees gebeurt
Jesaja 40 zegt:
„Een stem zegt: Roept! En hij zegt: Wat zal ik roepen? Alle vlees is gras, en al zijn goedertierenheid als een bloem des velds.
Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest des HEEREN daarin blaast; voorwaar, het volk is gras.
Het gras verdort, de bloem valt af; maar het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid.”
— Jesaja 40:6-8
Let vooral op twee woorden: ALLE VLEES.
Niet bijna alle vlees. Niet alle gewone mensen. Niet alle vlees behalve bijzondere geloofshelden. Niet alle vlees behalve Henoch.
God zegt: alle vlees is gras.
En wat gebeurt met het gras? Het verdort.
De tegenstelling in Jesaja is heel duidelijk. Het vlees is gras, vergankelijk, verdort en valt af. Gods Woord daarentegen „bestaat in der eeuwigheid”. Het ene gaat voorbij. Het andere blijft.
En Petrus bevestigt precies dezelfde waarheid:
„Want alle vlees is als gras, en alle heerlijkheid des mensen is als een bloem van het gras. Het gras is verdord, en zijn bloem is afgevallen;
Maar het Woord des Heeren blijft in der eeuwigheid.”
— 1 Petrus 1:24-25
Opnieuw: alle vlees. En opnieuw: het gras verdort.
Nu hoeven we alleen onze eerste stap erbij te leggen. Henoch was uit Adam, was uit vlees geboren en was dus vlees. God zegt: alle vlees is gras. God zegt: het gras verdort.
Daarom kan Henochs Adamitische vlees niet buiten deze uitspraak geplaatst worden.
Tweede tussenconclusie
Henochs vlees was vergankelijk en kwam, evenals alle vlees, tot zijn einde.
Dat betekent niet dat Henoch de gewone dood op precies dezelfde wijze moest ervaren als ieder ander. Dat gaan we nog onderzoeken. Maar één mogelijkheid is nu uitgesloten: Henoch kan geen uitzondering worden gemaakt op Gods uitspraak over alle vlees.
3. Maar Henoch behaagde God
En nu verschijnt er een schijnbaar probleem.
Paulus zegt:
„En die in het vlees zijn, kunnen Gode niet behagen.”
— Romeinen 8:8
Dat is helder: in het vlees kan een mens God niet behagen.
Maar over Henoch zegt Hebreeën:
„...want vóór zijn wegneming heeft hij getuigenis gehad, dat hij Gode behaagde.”
— Hebreeën 11:5
Dus: het vlees kan God niet behagen, maar Henoch behaagde God.
Hoe kan dat?
Het volgende vers geeft onmiddellijk het antwoord:
„Maar zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen...”
— Hebreeën 11:6
Henoch behaagde God door geloof.
En hier komen we bij één van de belangrijkste sleutels van het hele artikel: Henochs vlees en Henochs positie voor God zijn niet hetzelfde.
4. Vlees is één zaak — positie voor God een andere
Paulus legt dit in Romeinen 8 buitengewoon helder uit.
Eerst:
„die in het vlees zijn, kunnen Gode niet behagen.”
Maar direct daarna zegt hij tegen gelovigen:
„Doch gijlieden zijt niet in het vlees, maar in den Geest...”
— Romeinen 8:9
Dat is opvallend. Die mensen hadden lichamelijk nog gewoon vlees, bloed, een sterfelijk lichaam en natuurlijke afkomst uit Adam. En toch zegt Paulus: „gijlieden zijt niet in het vlees.”
Dat kan daar dus onmogelijk betekenen: jullie hebben letterlijk geen fysiek vlees meer.
Het gaat over positie.
Dit onderscheid tussen de positie van de gelovige en zijn praktische leven wordt uitgebreider uitgelegd bij Vlees en Geest.
Daarmee kunnen we ook Henoch eenvoudig begrijpen. Naar zijn natuurlijke geboorte was Henoch uit Adam, vlees en vergankelijk. Naar zijn positie voor God geloofde Henoch, behaagde hij God en wandelde hij met God.
Zijn vlees was niet de grond waarop Henoch voor God stond. Hij behaagde God door geloof.
Dat onderscheid moeten we vanaf dit moment overal vasthouden.
5. Hoe kon Henoch dan met God wandelen terwijl hij nog vlees had?
Genesis zegt:
„En Henoch wandelde met God...”
Dat gebeurde vóór zijn wegneming. Henoch had toen nog gewoon zijn aardse bestaan.
Dus zijn vlees hoefde niet eerst verdwenen te zijn voordat hij gemeenschap met God kon hebben. Waarom niet? Omdat zijn vlees niet zijn positie voor God was.
Henoch stond door geloof in verhouding tot God. Daarom kon hij met God wandelen.
Maar daarmee ontstaat meteen een volgende vraag: betekent „wandelde met God” dat Henoch driehonderd jaar lang vrijwel volmaakt leefde?
Ook dat hoeft helemaal niet.
6. Positie en wandel zijn namelijk óók niet hetzelfde
Galaten 5 maakt dit prachtig duidelijk.
Paulus zegt:
„Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheid des vleses niet.”
— Galaten 5:16
En later:
„Indien wij door den Geest leven, zo laat ons ook door den Geest wandelen.”
— Galaten 5:25
Hier staan twee zaken naast elkaar. Door den Geest leven is de geestelijke werkelijkheid van de gelovige. Door den Geest wandelen is de praktische wandel vanuit die positie.
Dus leven is niet hetzelfde als wandelen. De gelovige bezit geestelijk leven. Maar hij moet vervolgens wandelen overeenkomstig dat leven.
Waarom is die aansporing nodig? Omdat er nog strijd is.
7. De gelovige kent de strijd tussen vlees en Geest
Galaten 5:17:
„Want het vlees begeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander...”
Dat wordt tegen gelovigen gezegd.
De gelovige heeft dus een werkelijke geestelijke positie. Maar het vlees is nog aanwezig. En dat vlees begeert tegen den Geest.
Daarom betekent wandelen met God niet: geen vlees hebben, geen strijd kennen, praktisch zondeloos zijn of nooit falen.
Wandelen vindt juist plaats terwijl de tegenstelling tussen vlees en Geest bestaat.
8. Zelfs Paulus kende deze strijd zeer sterk
Paulus zegt:
„Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet.”
En:
„Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik.”
— Romeinen 7:18-19
Dat is Paulus. Een apostel. Een man die door God enorm gebruikt werd.
En toch wist hij: „in mijn vlees woont geen goed.”
Dus wanneer Genesis zegt: „Henoch wandelde met God”, hoeven we Henoch niet te veranderen in een onbereikbare superheilige die driehonderd jaar lang geen strijd met het vlees kende.
Dat zegt de Schrift helemaal niet.
9. Wat weten we dan werkelijk van Henochs wandel?
Genesis 5:22 zegt:
„En Henoch wandelde met God, nadat hij Methusalah gewonnen had, driehonderd jaren...”
Dat is een krachtige samenvatting van zijn leven. God karakteriseert die lange periode als wandelen met Hem.
Maar God vertelt ons niet hoe vaak Henoch struikelde, welke zonden hij in zijn leven bevocht, hoe sterk hij bepaalde dagen in het vlees reageerde, hoeveel innerlijke strijd hij kende, hoeveel correctie hij nodig had of hoe „goed” ieder afzonderlijk jaar was.
Dat heeft God niet geopenbaard.
Wat God wél heeft opgeschreven is:
Henoch wandelde met God.
En Hebreeën zegt:
door geloof.
Dat is genoeg.
10. Hebreeën 11 maakt van andere geloofshelden evenmin volmaakte mensen
Dit is belangrijk.
Van Abraham lezen we in Hebreeën: „Door het geloof Abraham...” Maar Genesis vertelt ook over momenten waarop Abraham verkeerd handelde.
Mozes wordt in Hebreeën 11 geroemd vanwege zijn geloof. Maar de rest van de Schrift vertelt ook over het falen van Mozes.
Hebreeën 11 is dus geen lijst van mensen die ieder moment praktisch volmaakt waren. Het is een getuigenis van geloof.
En precies in die rij staat Henoch.
Niet omdat hij nooit meer iets uit het vlees deed, maar door geloof.
11. Nu moeten we begrijpen wat de dood van het vlees betekent voor de gelovige
We zijn nu klaar voor Johannes 11.
Jezus zegt tegen Martha:
„Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven;
En een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid.”
— Johannes 11:25-26
Lees dat heel rustig.
Over dezelfde gelovige zegt Christus: hij kan gestorven zijn. Maar: hij leeft. En zelfs: hij zal niet sterven in der eeuwigheid.
Dat is geen tegenstrijdigheid.
Christus maakt duidelijk dat het sterven van de sterfelijke lichamelijke zijde niet het einde van de gelovige is.
Naar het vlees: sterven. Naar het leven uit God: leven.
Dat onderscheid is voor Henoch beslissend.
12. „Gestorven” en „niet sterven” kunnen dus tegelijk waar zijn
Dat is een buitengewoon belangrijk punt.
Jezus zegt niet dat degene die gelooft nooit in enige betekenis sterven zal. Hij zegt:
„al ware hij ook gestorven”
en onmiddellijk:
„zal niet sterven in der eeuwigheid.”
Dus de Schrift zelf gebruikt sterven en niet sterven over dezelfde gelovige.
Dat betekent: het einde van het vlees is niet het einde van de persoon die voor God leeft.
En daarmee hebben we nu alles wat nodig is om de bijzondere woorden over Henoch opnieuw te bekijken.
13. Nu pas keren we terug naar Hebreeën 11:5
Hebreeën zegt vier opvallende dingen over Henoch:
- God nam hem weg.
- Hij was niet meer.
- Hij werd niet gevonden.
- Hij zag de dood niet.
Deze vier uitspraken hebben Henoch tot een uitzonderlijke figuur gemaakt.
Maar zijn ze werkelijk uniek?
We gaan ze één voor één testen.
14. „God nam hem weg”
Genesis:
„...want God nam hem weg.”
Betekent dit automatisch: Henochs vlees stierf daarom niet?
Nee.
Psalm 104 zegt:
„Verbergt Gij Uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt Gij hun adem weg, zij sterven, en zij keren weder tot hun stof.”
— Psalm 104:29
Hier vinden we: God neemt weg; zij sterven.
Prediker zegt:
„En dat het stof wederom tot aarde keert, als het geweest is; en de geest weder tot God keert, Die hem gegeven heeft.”
— Prediker 12:7
En Stefanus bidt wanneer hij sterft:
„Heere Jezus, ontvang mijn geest.”
— Handelingen 7:59
Dus ook bij andere mensen geldt: hun leven ligt in Gods hand, het aardse bestaan eindigt en de geest keert tot God.
Daarom kan „God nam hem weg” niet gebruikt worden als bewijs dat Henochs Adamitische vlees niet stierf.
Het vertelt dat God Henoch uit zijn aardse bestaan wegnam.
Meer hoeven we daar niet aan toe te voegen.
15. „Hij was niet meer”
Genesis zegt:
„...en hij was niet meer...”
Is dat uniek voor Henoch?
Psalm 103 zegt:
„De dagen des mensen zijn als het gras; gelijk een bloem des velds, alzo bloeit hij.
Als de wind daarover gegaan is, zo is zij niet meer, en haar plaats kent haar niet meer.”
— Psalm 103:15-16
Let op.
De gewone mens is als gras. De wind gaat erover. En vervolgens: „zij is niet meer.”
Dat sluit precies aan bij wat we eerder uit Jesaja zagen. Vlees is gras, verdort en is niet meer.
Daarom bewijst „Henoch was niet meer” niet dat Henoch niet gestorven kan zijn.
De Schrift gebruikt dezelfde gedachte juist over de vergankelijke mens.
16. „Hij werd niet gevonden”
Nu wordt het nóg scherper.
Hebreeën zegt:
„...en hij werd niet gevonden...”
Misschien lijkt dat uiteindelijk toch een bewijs dat Henoch lichamelijk ergens anders levend moest zijn.
Maar Psalm 37 geeft een buitengewoon duidelijke controletekst.
David zegt:
„Ik heb gezien een gewelddrijvende goddeloze, zich uitbreidende als een groene inlandse boom.
Maar hij ging door, en ziet, hij was er niet meer; en ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden.”
— Psalm 37:35-36
Lees die woorden nog eens.
„hij was er niet meer”
en:
„ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden.”
Bijna precies de twee formuleringen waardoor Henoch zo uitzonderlijk lijkt.
Maar hier gaan ze over een goddeloze.
Niemand zal uit Psalm 37 concluderen dat deze goddeloze dus niet stierf of lichamelijk levend ergens anders heen werd gebracht.
Integendeel. De context zegt enkele verzen later:
„Maar de overtreders worden tezamen verdelgd; het einde der goddelozen wordt uitgeroeid.”
— Psalm 37:38
Daarmee is de taal zelf getest.
„Niet meer zijn” en „niet gevonden worden” betekenen niet: het vlees is niet gestorven.
Ze betekenen: de persoon is verdwenen uit zijn vroegere aardse aanwezigheid.
Dat kan volledig samengaan met lichamelijk sterven.
17. Psalm 37 maakt het argument buitengewoon eenvoudig
Vergelijk Henoch:
„hij was niet meer”
— Genesis 5:24
„hij werd niet gevonden”
— Hebreeën 11:5
Met de goddeloze uit Psalm 37:
„hij was er niet meer”
„ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden.”
Dat betekent dat we deze woorden niet tot een bijzondere technische term voor lichamelijk levend van de aarde verdwijnen mogen maken.
Dezelfde bewoording kan gewoon gebruikt worden voor iemand die verdwijnt doordat zijn aardse leven voorbijgaat.
Psalm 103 en Job bevestigen hetzelfde principe:
„haar plaats kent haar niet meer.”
en:
„zijn plaats zal hem niet meer kennen.”
Dus ook „hij werd niet gevonden” maakt Henoch niet tot een aparte menselijke categorie.
18. Dan blijft het sterkste argument over: „Henoch zag de dood niet”
Tot nu toe hebben we gezien dat „God nam hem weg” niet bewijst dat zijn vlees niet stierf. „Hij was niet meer” bewijst het niet. „Hij werd niet gevonden” bewijst het niet.
Maar Hebreeën zegt nog:
„opdat hij den dood niet zou zien.”
Dat klinkt veel sterker.
Als er één uitspraak werkelijk exclusief voor Henoch zou zijn, dan lijkt het deze.
Maar ook die moeten we Schrift met Schrift testen.
En dan zegt Christus iets opvallends.
19. Jezus zegt precies hetzelfde principe van de gelovige
Johannes 8:51:
„Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand Mijn woord zal bewaard hebben, die zal den dood niet zien in der eeuwigheid.”
Niet: Henoch alleen.
Maar: „zo iemand...” die Zijn woord bewaart.
Die zal den dood niet zien.
En dan reageren de Joden:
„Abraham is gestorven, en de profeten; en Gij zegt: Zo iemand Mijn woord zal bewaard hebben, die zal den dood niet smaken in der eeuwigheid.”
— Johannes 8:52
Hier staan twee waarheden rechtstreeks naast elkaar:
Abraham is gestorven.
En:
de gelovige zal de dood niet zien.
Dat betekent dat „de dood niet zien” niet gelijkgesteld kan worden aan „het vlees sterft niet.”
Anders zou Christus' uitspraak onmogelijk zijn voor Abraham en de profeten.
20. Dit is beslissend voor Hebreeën 11:5
Hebreeën zegt: Henoch zag de dood niet.
Johannes zegt: de gelovige ziet de dood niet.
Maar Johannes erkent tegelijkertijd: Abraham is gestorven.
Dus: sterven en de dood niet zien kunnen tegelijkertijd waar zijn.
En Johannes 11 had ons precies uitgelegd hoe:
„al ware hij ook gestorven, zal leven.”
En:
„zal niet sterven in der eeuwigheid.”
De Schrift verklaart de Schrift.
21. Wat betekent dit dan voor Henoch?
Nu kunnen we alles samenleggen.
Henoch was uit Adam. Daarom was hij vlees. God zegt: alle vlees is gras. En: het gras verdort. Dus Henochs Adamitische vlees kwam tot zijn einde.
Maar Henoch geloofde, behaagde God en wandelde met God. Zijn geestelijke positie voor God was dus niet zijn vlees.
Wanneer zijn vlees eindigde, hield Henoch zelf niet op voor God te leven.
Christus zegt immers:
„al ware hij ook gestorven, zal leven.”
Daarom kan Hebreeën zonder enige tegenstelling zeggen:
Henoch zag de dood niet.
Dat betekent niet: zijn vlees stierf niet.
Johannes 8 bewijst dat.
22. Wat bedoelen we dan wanneer we zeggen: „Henoch stierf”?
Dit moet heel duidelijk zijn.
We bedoelen niet dat Henoch zichtbaar ziek op bed lag, dat zijn geest zichtbaar een lichaam verliet, dat zijn familie hem begroef of dat Henoch precies dezelfde uiterlijke sterfgang meemaakte als ieder ander.
Dat zegt Genesis juist niet.
We bedoelen:
Henochs Adamitische, vleselijke bestaanswijze kwam tot haar einde.
Waarom?
Omdat Henoch vlees was, alle vlees gras is en het gras verdort.
Henoch zelf bleef leven voor God.
Daarom kunnen beide uitspraken tegelijk waar zijn:
Henoch stierf.
en:
Henoch zag de dood niet.
Dat is precies dezelfde fundamentele werkelijkheid die Christus in Johannes 11 van de gelovige beschrijft.
23. Nu kunnen we Henoch eindelijk naast iedere andere gelovige zetten
En hier wordt de ontdekking werkelijk zichtbaar.
| Bijbelse werkelijkheid | Henoch | Andere gelovige | Schrift met Schrift |
|---|---|---|---|
| Mens uit Adam | Ja | Ja | Gen. 5; Rom. 5 |
| Uit vlees geboren | Ja | Ja | Joh. 3:6 |
| Valt onder ‘alle vlees’ | Ja | Ja | Jes. 40:6 |
| Vlees is als gras | Ja | Ja | Jes. 40:6; 1 Petr. 1:24 |
| Het vlees verdort | Ja | Ja | Jes. 40:7-8; 1 Petr. 1:24 |
| Het vlees kan God niet behagen | Ja | Ja | Rom. 8:8 |
| Behaagt God door geloof | Ja | Ja | Hebr. 11:5-6 |
| Staat voor God niet vanuit het vlees | Ja | Ja | Rom. 8:8-9 |
| Kan praktisch met God wandelen | Ja | Ja | Gen. 5:24; Gen. 6:9; Gal. 5:16 |
| Wandelen betekent niet dat het vlees verdwenen is | Ja | Ja | Gal. 5:16-17,25 |
| Heeft strijd tussen vlees en Geest | dezelfde gelovige structuur | Ja | Gal. 5:17; Rom. 7:18-19 |
| Vleselijke/sterfelijke toestand gaat voorbij | Ja | Ja | Jes. 40; 1 Petr. 1 |
| Kan sterven en toch voor God leven | Ja | Ja | Joh. 11:25 |
| Sterft niet in eeuwige zin | Ja | Ja | Joh. 11:26 |
| God beschikt over het aardse leven | Ja | Ja | Gen. 5:24; Ps. 104:29 |
| Geest keert tot God | Ja | Ja | Pred. 12:7; Hand. 7:59 |
| Is niet meer op zijn vroegere aardse plaats | Ja | Ja | Gen. 5:24; Ps. 103:15-16; Ps. 37:36 |
| Wordt daar niet meer gevonden | Ja | Ja | Hebr. 11:5; Ps. 37:36; Job 7:10 |
| Ziet de dood niet | Ja | Ja | Hebr. 11:5; Joh. 8:51 |
| Kan gestorven zijn en toch de dood niet zien | Ja | Ja | Joh. 8:51-52; Joh. 11:25-26 |
Bekijk die tabel nog eens rustig.
Bij vrijwel ieder vermeend bijzonder kenmerk van Henoch staat: Henoch: ja. Andere gelovige: ja.
Zelfs „de dood niet zien”. Zelfs „niet meer zijn”. Zelfs „niet gevonden worden”.
En dan verandert de vraag volledig.
24. Wat is er dan eigenlijk nog bijzonder aan Henoch?
Dit is het moment waarop het hele onderwerp omdraait.
We begonnen met Henoch als één van de meest uitzonderlijke mensen uit de Bijbel. Hij werd weggenomen. Hij was niet meer. Hij werd niet gevonden. Hij zag de dood niet.
Maar wanneer ieder onderdeel Schrift met Schrift wordt getest, blijkt steeds dezelfde fundamentele werkelijkheid die ook andere gelovigen kennen.
Dus: waarom staat Henoch dan zo nadrukkelijk in Hebreeën 11?
Hij staat toch tussen de grote geloofsgetuigen?
Wat maakte Henoch dan werkelijk bijzonder?
Om dat te zien moeten we kijken naar de rest van het hoofdstuk.
25. Kijk naar Noach
Hebreeën zegt:
„Door het geloof heeft Noach, door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen die nog niet gezien werden, en bevreesd geworden zijnde, de ark toebereid tot behoudenis van zijn huis...”
— Hebreeën 11:7
Dat is een enorme geloofsdaad. Jarenlang bouwen. Vertrouwen op iets wat nog niet gezien werd. Een gigantische opdracht.
26. Kijk naar Abraham
Abraham gaat uit zonder te weten waar hij komen zal, woont als vreemdeling, wacht op Gods stad, gelooft Gods beloften en is bereid Izak te offeren.
Hebreeën geeft veel ruimte aan zijn geloofsleven.
27. Kijk naar Mozes
Van Mozes wordt verteld dat hij weigerde een zoon van Farao's dochter genoemd te worden, dat hij liever met Gods volk kwalijk behandeld werd, dat hij de smaad van Christus grotere rijkdom achtte dan de schatten van Egypte, dat hij Egypte verliet, het Pascha hield en door de Rode Zee ging.
Een enorme geschiedenis.
28. En later worden de geloofsdaden bijna overweldigend
Hebreeën noemt mensen:
„Welke door het geloof koninkrijken hebben overwonnen, gerechtigheid geoefend, de beloften verkregen, de muilen der leeuwen toegestopt;
De kracht des vuurs hebben uitgeblust, de scherpte des zwaards zijn ontvloden...”
— Hebreeën 11:33-34
Koninkrijken. Leeuwen. Vuur. Zwaarden. Overwinningen. Lijden. Marteling.
En dan denken we opnieuw aan Henoch.
Wat weten we eigenlijk over al zijn grote geloofsdaden?
29. Van Henoch weten we bijna niets
Geen ark. Geen uittocht. Geen koninkrijken. Geen leeuwen. Geen oorlogen. Geen lange geschiedenis van allerlei spectaculaire geloofsdaden.
Genesis vertelt over Henoch opvallend weinig.
Maar één zin komt zelfs tweemaal terug:
„Henoch wandelde met God.”
Dat is alles wat God blijkbaar noodzakelijk vond om ons over de hoofdrichting van zijn leven te vertellen.
En Hebreeën legt honderden jaren later uit:
„Door het geloof...”
En:
„...hij heeft getuigenis gehad, dat hij Gode behaagde.”
Daarna:
„Maar zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen.”
En ineens valt er een heel ander licht over Henoch.
30. Misschien hebben wij altijd naar het verkeerde bijzondere gekeken
Wij zagen „God nam hem weg” en wij maakten zijn vertrek het centrum.
God zegt:
„Door het geloof...”
Wij zagen „hij werd niet gevonden” en gingen nadenken over zijn lichaam.
God zegt:
„hij Gode behaagde.”
Wij zagen „hij zag den dood niet” en maakten van Henoch een bijzondere menselijke categorie.
God vertelt:
„Henoch wandelde met God.”
Misschien was het probleem niet dat de Schrift over Henoch onduidelijk was.
Misschien keken wij eenvoudig naar het verkeerde bijzondere.
31. Henoch staat in Hebreeën 11 vanwege geloof
Hebreeën 11 is geen verzameling merkwaardige biologische uitzonderingen.
Het hoofdstuk gaat over geloof.
Wat de Bijbel precies met geloven bedoelt, wordt uitgebreider behandeld in Wat is waar geloof volgens de Bijbel?
Het klinkt voortdurend:
„Door het geloof Abel...”
„Door het geloof Henoch...”
„Door het geloof Noach...”
„Door het geloof Abraham...”
„Door het geloof Sara...”
„Door het geloof Mozes...”
Henoch staat precies in diezelfde lijn.
Niet door zijn unieke lichaam. Niet door een mysterieuze toestand.
Maar:
„Door het geloof...”
En het bijzondere getuigenis over hem is:
hij behaagde God.
32. En „Henoch wandelde met God” is misschien juist heel eenvoudig
Zelfs hiervan kunnen we gemakkelijk iets maken wat God niet zegt.
We kunnen ons Henoch voorstellen als een man die driehonderd jaar lang vrijwel onafgebroken op het allerhoogste geestelijke niveau leefde.
Maar dat zegt Genesis niet.
Henoch was vlees uit Adam. Daarom gold dezelfde vlees/Geest-tegenstelling.
God vertelt ons niet hoeveel strijd Henoch had, hoeveel misstappen, hoeveel moeilijke dagen of hoeveel praktische nederlagen.
God vertelt wel:
zijn leven werd gekenmerkt door wandelen met Hem.
En Hebreeën vertelt waardoor:
door geloof.
Dat is prachtig eenvoudig.
33. En juist daarom wordt Henoch enorm bemoedigend
Een gelovige kan Hebreeën 11 lezen en denken: Ik ben geen Abraham. Ik heb geen ark gebouwd zoals Noach. Mijn leven lijkt totaal niet op Mozes. Ik heb geen koninkrijken overwonnen. Ik heb geen leeuwenmuilen gesloten.
Maar van Henoch geeft God geen imposante lijst.
God zegt:
Hij wandelde met Mij.
Dat was niet niets.
Dat was genoeg om zijn naam in Hebreeën 11 op te nemen.
Dat verandert Henoch van een bijna onbereikbare mysterieuze figuur in een buitengewoon bemoedigende geloofsgetuige.
34. De eenvoudige gelovige is voor God niet klein
Misschien kent niemand jouw naam. Misschien is je leven voor mensen niet bijzonder. Misschien verricht je geen opvallende dingen. Misschien kent je geloofsleven zelfs veel strijd tussen vlees en Geest.
Maar de vraag van Hebreeën 11 is niet: hoeveel spectaculaire dingen heb je gedaan?
De grote kwestie is:
geloof.
Henoch geloofde. Henoch behaagde God. Henoch wandelde met God.
En God vond dat blijkbaar belangrijk genoeg om het duizenden jaren later opnieuw te laten opschrijven.
35. Wat gebeurt er dan met Hebreeën 9:27?
Nu pas hoeven we terug te komen op een bekende leer rond Henoch.
Hebreeën 9:27:
„En gelijk het den mensen gezet is eenmaal te sterven, en daarna het oordeel...”
Soms wordt geredeneerd:
- Henoch is nooit gestorven.
- Het is ieder mens gezet eenmaal te sterven.
- Henoch moet dus nog terugkomen.
- Hij kan daarom één van de twee getuigen uit Openbaring 11 zijn.
Maar stap 1 is juist wat we onderzocht hebben.
Henoch was vlees uit Adam. God zegt: alle vlees is gras. En: het gras verdort.
Bovendien betekent „de dood niet zien” niet: het vlees sterft niet.
Johannes 8 bewijst dat.
Abraham is gestorven.
Maar Christus zegt tegelijk van de gelovige:
„zal den dood niet zien in der eeuwigheid.”
Daarom hoeft voor Henoch geen openstaande sterfbeurt te worden bedacht.
En daarmee levert Hebreeën 9:27 geen bewijs dat Henoch later naar aarde moet terugkeren.
36. Eén toegevoegd zinnetje kan een complete leer veranderen
Hier zit een bredere les in.
God zegt:
„Henoch zag den dood niet.”
Dat is Schrift.
Maar vervolgens kan de lezer denken:
„dus zijn vlees stierf niet.”
Dat tweede zinnetje heeft God niet gezegd.
En zodra dat eenmaal als waarheid aangenomen wordt, moet zijn lichaam nog ergens zijn, moet hij misschien nog sterven, moet hij misschien terugkomen en kan hij misschien één van de twee getuigen zijn.
Een heel bouwwerk kan zo voortkomen uit één gevolgtrekking die aan de tekst werd toegevoegd.
Daarom is Schrift met Schrift zo belangrijk.
Deze manier van lezen — context respecteren en Schrift met Schrift vergelijken — wordt uitgebreider uitgelegd in Hoe moet je de Bijbel lezen en begrijpen?
37. Henoch laat prachtig zien waarom Bijbelonderzoek nodig is
Petrus schrijft over zaken in de Schrift:
„...in welke sommige dingen zwaar zijn om te verstaan, die de ongeleerde en onvaste mensen verdraaien...”
— 2 Petrus 3:16
Dat betekent niet dat Gods Woord misleidend is.
Maar het betekent wel dat wij nauwkeurig moeten lezen, geen gevolgtrekking tot Schrift mogen maken en de ene Schriftplaats door de andere moeten laten uitleggen.
Henoch is daar een schitterend voorbeeld van.
38. Kijk hoe de moeilijkheid verdwijnt zodra Schrift de Schrift verklaart
Henoch was vlees
Johannes 3:
uit vlees geboren = vlees.
Wat gebeurt met vlees?
Jesaja 40:
alle vlees = gras;
gras verdort.
Maar Henoch behaagde God
Romeinen:
vlees kan God niet behagen.
Hebreeën:
Henoch behaagde God door geloof.
Dus: positie en vlees zijn onderscheiden.
Henoch wandelde met God
Galaten:
leven door Geest en wandelen door Geest zijn onderscheiden;
vlees en Geest strijden.
Dus: wandelen betekent geen zondeloze volmaaktheid.
God nam Henoch weg
Psalm 104:
God neemt adem weg en men sterft.
Prediker:
geest keert tot God.
Dus: „God nam hem weg” bewijst geen onsterfelijk vlees.
Henoch was niet meer
Psalm 103:
de vergankelijke mens is als gras;
hij is niet meer.
Henoch werd niet gevonden
Psalm 37:
„hij was er niet meer; en ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden.”
Dus: ook „niet meer” + „niet gevonden” bewijst geen niet-sterven.
Henoch zag de dood niet
Johannes 8:
de gelovige zal de dood niet zien.
Maar:
Abraham is gestorven.
Hoe kan dat?
Johannes 11:
„al ware hij ook gestorven, zal leven.”
En:
„zal niet sterven in der eeuwigheid.”
De hele constructie valt op zijn plaats.
De grote omkering
We begonnen met Henoch, de grote uitzondering.
Maar hoe meer de Schrift zichzelf uitlegt, hoe eenvoudiger Henoch wordt.
Hij was een mens uit Adam. Hij had vlees. Dat vlees was gras. Dat gras verdorde.
Maar Henoch geloofde God. Daardoor behaagde hij God. En zijn leven werd gekenmerkt door wandelen met God.
Toen zijn aardse vleeslijke bestaan eindigde, bleef Henoch voor God leven.
Hij zag de dood niet.
Zoals Christus zegt van de gelovige:
„die zal den dood niet zien in der eeuwigheid.”
Zelfs de opvallende woorden „hij was niet meer” en „hij werd niet gevonden” blijken Schrift met Schrift geen unieke Henoch-categorie te beschrijven.
En dan blijft uiteindelijk iets heel eenvoudigs over.
Conclusie — wat was er werkelijk bijzonder aan Henoch?
Niet zijn vlees. Dat was uit Adam.
Niet dat zijn vlees eeuwig bleef bestaan. Alle vlees verdort.
Niet dat hij nooit in enige betekenis stierf. Christus leert dat iemand kan gestorven zijn en toch leven.
Niet dat „de dood niet zien” alleen aan Henoch toebehoorde. Christus zegt hetzelfde van de gelovige.
Niet dat hij „niet meer” was. Psalm 103 gebruikt dezelfde gedachte over de vergankelijke mens.
Niet dat hij „niet gevonden” werd. Psalm 37 zegt van een goddeloze:
„hij was er niet meer; en ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden.”
Wat blijft dan over?
Henoch geloofde God.
Henoch behaagde God.
Henoch wandelde met God.
En misschien is juist dát het verbluffende aan zijn plaats in Hebreeën 11.
Van Noach lezen we over een ark. Van Abraham over enorme geloofsbeproevingen. Van Mozes over Egypte, het Pascha en de Rode Zee. Van anderen over koninkrijken, leeuwen, vuur en zwaarden.
Van Henoch?
Hij wandelde met God.
Dat is Gods getuigenis.
Geen lange lijst van prestaties. Geen mysterieuze supermens. Geen aparte menselijke categorie.
Een gelovige. Met vlees. Met de werkelijkheid van geloof.
En een leven dat God kon samenvatten met:
hij wandelde met Mij.
Dat is geen klein getuigenis.
Integendeel.
Misschien hebben wij daarom lang naar het verkeerde wonder gezocht.
Wij zochten het bijzondere aan Henoch in de manier waarop hij stierf.
De Schrift brengt onze aandacht terug naar de manier waarop hij leefde.
Henoch wandelde met God — door geloof.
Kort antwoord
Stierf Henoch?
Ja, wanneer we daarmee bedoelen dat zijn Adamitische, vleselijke bestaanswijze tot haar einde kwam. Henoch was uit Adam, dus vlees. God zegt dat alle vlees als gras is en verdort.
Waarom zegt Hebreeën dat hij „de dood niet zag”?
Omdat „de dood niet zien” niet betekent dat het vlees niet sterft. Christus zegt in Johannes 8:51 van de gelovige dat hij „den dood niet zien” zal, terwijl direct daarna wordt gezegd:
„Abraham is gestorven, en de profeten.”
Johannes 11 bevestigt hetzelfde onderscheid:
„al ware hij ook gestorven”
en toch:
„zal niet sterven in der eeuwigheid.”
Bewijst „hij was niet meer” en „hij werd niet gevonden” dat Henoch niet stierf?
Nee. Psalm 37:36 zegt over een goddeloze:
„hij was er niet meer; en ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden.”
De woorden betekenen dus niet dat iemands vlees noodzakelijk levend moet zijn gebleven.
Was Henoch een uitzonderlijk heilige man die driehonderd jaar vrijwel volmaakt leefde?
Dat zegt de Schrift niet. Genesis karakteriseert zijn leven als „wandelen met God”. Galaten 5 leert tegelijk dat wandelen door de Geest plaatsvindt terwijl vlees en Geest tegenover elkaar staan. Henochs wandel betekent dus geen afwezigheid van vlees of strijd.
Waarom staat Henoch in Hebreeën 11?
Omdat Hebreeën 11 over geloof gaat.
Henoch geloofde, behaagde God en wandelde met God.
Dat is het getuigenis waarop de Schrift de nadruk legt.
Lees verder over zekerheid en zonde na geloof
Moeilijke Bijbelteksten uitgelegd
Bekijk meer teksten die duidelijk worden wanneer context en Schrift met Schrift worden vergeleken.
Vlees en Geest
Lees meer over positie, praktische wandel en de strijd tussen vlees en Geest.
Wat is waar geloof volgens de Bijbel?
Wat betekent geloven werkelijk, en waarom ligt de kracht niet in de mens maar in hetgeen God heeft gezegd?