Wat is waar geloof volgens de Bijbel?
Geloven betekent dat u Gods getuigenis voor waar aanneemt. Waar, reddend geloof is geloven dat Jezus Christus door Zijn dood en opstanding volledig voor uw zonden heeft betaald en u eeuwig leven geeft.
Wat betekent geloven werkelijk?
Geloven is niet uzelf onderzoeken, maar Gods getuigenis over Jezus Christus voor waar aannemen.
Veel mensen geloven dat Jezus Christus voor hun zonden gestorven is. Toch stellen zij daarna een tweede rechter aan: zichzelf.
Heb ik wel echt geloofd?
Was mijn geloof diep genoeg?
Heb ik met mijn hart geloofd?
Bewijst mijn leven dat mijn geloof echt was?
Houd ik Christus wel goed genoeg vast?
Het kruis wordt nog wel genoemd, maar de zekerheid wordt gezocht in de spiegel.
De Bijbel wijst echter niet naar de kracht van uw geloof, maar naar de betrouwbaarheid van Jezus Christus.
Geloven betekent dat u Gods getuigenis voor waar aanneemt. Waar, reddend geloof is geloven dat Jezus Christus door Zijn dood en opstanding volledig voor uw zonden heeft betaald en u eeuwig leven geeft.
Niet de kracht van uw geloof redt u.
Niet de vrucht van uw geloof redt u.
Niet uw gehoorzaamheid redt u.
Jezus Christus redt ieder die in Hem gelooft.
“Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.”
— Johannes 6:47
Wat betekent geloven?
Geloven betekent dat u een uitspraak, boodschap of getuigenis als waar aanneemt.
Wanneer iemand tegen u zegt: “Ik geloof u”, bedoelt hij niet:
Ik beloof u voortaan volledig te gehoorzamen.
Hij bedoelt:
Ik neem aan dat hetgeen u zegt waar is.
Geloof heeft daarom altijd een inhoud. Alleen zeggen: “Ik geloof”, is onvolledig. De beslissende vraag is:
Wat gelooft u?
Iemand kan zeer oprecht iets geloven wat niet waar is. De kracht van zijn overtuiging maakt een leugen niet tot waarheid.
Daarom wordt de waarde van geloof niet bepaald door:
- de hoeveelheid gevoel;
- de kracht van de overtuiging;
- de diepte van de ervaring;
- de latere levenswandel.
De waarde van geloof wordt bepaald door de waarheid en betrouwbaarheid van hetgeen geloofd wordt.
Hebreeën 11 zegt:
“Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet.”
— Hebreeën 11:1
Geloof geeft vaste grond omdat het rust op hetgeen als waar wordt aangenomen. Bij Bijbels geloof ligt die vaste grond niet in de mens, maar in hetgeen God heeft gezegd.
Zacharias geloofde Gabriëls woorden niet
De engel Gabriël vertelde Zacharias dat zijn vrouw Elizabet een zoon zou krijgen:
“Maar de engel zeide tot hem: Vrees niet, Zacharias! want uw gebed is verhoord, en uw vrouw Elizabet zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam heten Johannes.”
— Lukas 1:13
Zacharias hoorde de boodschap, maar keek naar zijn hoge leeftijd en die van zijn vrouw. Hij vroeg hoe hij kon weten dat Gabriëls woorden werkelijk zouden gebeuren.
Gabriël antwoordde:
“En zie, gij zult zwijgen, en niet kunnen spreken, tot op den dag, dat deze dingen geschied zullen zijn; omdat gij mijn woorden niet geloofd hebt, welke vervuld zullen worden op hun tijd.”
— Lukas 1:20
Wat had Zacharias niet gedaan?
Hij had niet nagelaten voldoende goede werken te verrichten. Hij had zich niet te weinig overgegeven. Hij had Gabriëls woorden eenvoudig niet als waar aangenomen.
Gabriël sprak.
Zacharias hoorde.
Zacharias geloofde niet.
Zo eenvoudig gebruikt de Bijbel het woord geloven.
De golven en het woord van Christus
Jezus zei tegen Zijn discipelen:
“Laat ons overvaren aan de andere zijde van het meer.”
— Lukas 8:22
Tijdens de overtocht ontstond een hevige storm. Het schip liep vol water en de discipelen riepen:
“Meester, Meester, wij vergaan!”
— Lukas 8:24
Christus stilde de wind en het water. Daarna vroeg Hij:
“Waar is uw geloof?”
— Lukas 8:25
De golven leken te zeggen:
U zult verdrinken.
Christus had gezegd:
Wij varen over naar de andere zijde.
De vraag was niet welke stem het hardst klonk. De vraag was welk woord betrouwbaar was.
De discipelen zagen de golven en vergaten wat Christus had gezegd. Hun probleem was geen gebrek aan godsdienstige werken. Zij vertrouwden op dat moment niet op Zijn woord.
Geloof neemt Christus op Zijn Woord, ook wanneer de omstandigheden iets anders lijken te roepen.
Geloven blijft geloven
Paulus schreef aan de Korinthiërs:
“Want eerstelijk, als gij samenkomt in de gemeente, zo hoor ik, dat er scheuringen onder u zijn; en ik geloof het ten dele.”
— 1 Korinthe 11:18
Paulus ontving geen eeuwig leven doordat hij een bericht over scheuringen geloofde. Hij bedoelde eenvoudig dat hij de ontvangen informatie gedeeltelijk voor waar hield.
Het woord geloven krijgt dus niet plotseling een geheimzinnige betekenis wanneer het over redding gaat.
Geloven blijft:
Een boodschap of getuigenis als waar aannemen.
Wat verandert, is de inhoud:
- Zacharias kon Gabriëls boodschap geloven.
- De discipelen konden Christus’ woord geloven.
- Paulus kon een bericht over scheuringen geloven.
- Een zondaar kan Gods getuigenis over Zijn Zoon geloven.
Alleen dat laatste geeft eeuwig leven, omdat alleen Jezus Christus kan redden.
Uw geloof is niet uw Redder
Dit onderscheid is van levensbelang:
Het geloof zelf is niet de Redder.
Uw geloof:
- heeft niet voor uw zonden geleden;
- heeft geen bloed gestort;
- is niet begraven;
- is niet uit de doden opgestaan;
- kan u geen eeuwig leven geven.
Jezus Christus heeft voor uw zonden betaald.
“Dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften;
En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften.”
— 1 Korinthe 15:3-4
Geloof is niet de betaling. Geloof neemt Gods getuigenis over Christus’ betaling aan.
De gelovige wijst daarom niet naar zichzelf en zegt:
Zie hoe goed ik heb geloofd.
Hij wijst naar Christus en zegt:
Zie wat Hij voor mij heeft volbracht.
Het voorwerp van geloof maakt het verschil
Een mens kan zeer sterk vertrouwen op iets wat hem niet kan redden.
Hij kan vertrouwen op:
- zijn kerklidmaatschap;
- zijn doop;
- zijn gebeden;
- zijn levensverbetering;
- zijn bekering;
- zijn oprechtheid;
- zijn volharding;
- een bijzondere ervaring.
Maar geen van deze dingen heeft zijn zonden gedragen.
Een sterke overtuiging in een verkeerde grond blijft een verkeerd vertrouwen. Een bevend geloof in een volmaakte Redder rust daarentegen op een volmaakte grond.
De belangrijkste vraag is daarom niet:
Hoe sterk is mijn geloof?
Maar:
Waarop rust mijn geloof?
Wat moet u over Jezus Christus geloven?
In Jezus geloven betekent meer dan aannemen dat Hij heeft bestaan.
Iemand kan geloven dat Jezus:
- een historische Persoon was;
- een groot Leraar was;
- wonderen deed;
- aan het kruis stierf;
- de beloofde Messias is.
Toch kan hij voor zijn aanvaarding bij God nog steeds vertrouwen op zijn eigen werken.
Reddend geloof neemt Gods getuigenis over Jezus Christus aan:
- Hij is de Christus, de Zoon van God;
- Hij stierf voor onze zonden;
- Hij werd begraven;
- Hij stond lichamelijk op uit de doden;
- Zijn betaling is volledig;
- Hij geeft eeuwig leven aan ieder die in Hem gelooft.
Johannes verklaart waarom hij zijn Evangelie schreef:
“Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zone Gods; en opdat gij, gelovende, het leven hebt in Zijn Naam.”
— Johannes 20:31
Johannes schreef feiten over Christus op:
“Opdat gij gelooft.”
En hij noemt het gevolg:
“Opdat gij, gelovende, het leven hebt in Zijn Naam.”
Op de pagina over hoe een mens volgens de Bijbel gered wordt wordt deze evangelieboodschap volledig uitgelegd.
“Gelooft gij dat?”
Toen Lazarus gestorven was, zei Jezus tegen Martha:
“Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven;
En een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. Gelooft gij dat?”
— Johannes 11:25-26
Let op wat Christus niet vroeg:
- Hebt u zich volledig overgegeven?
- Hebt u voldoende vruchten voortgebracht?
- Kunt u uw geloof met werken bewijzen?
- Zult u levenslang gehoorzaam blijven?
Hij deed een uitspraak over Zichzelf en vroeg:
“Gelooft gij dat?”
Martha antwoordde:
“Ja, Heere, ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, de Zone Gods, Die in de wereld komen zou.”
— Johannes 11:27
Christus sprak.
Martha nam Zijn getuigenis aan.
Dat is geloof.
Gelooft u Christus’ belofte?
Veel mensen geloven dat Jezus stierf en opstond, maar voegen voor hun persoonlijke redding iets aan Zijn werk toe.
Zij denken:
Christus stierf voor mij, maar mijn verdere leven moet bewijzen dat Zijn betaling werkelijk voor mij geldt.
Of:
Christus geeft eeuwig leven, maar ik moet het door mijn volharding behouden.
Dan rust de zekerheid niet volledig op Christus. Men kijkt met één oog naar het kruis en met het andere naar zichzelf.
Maar Jezus zegt:
“Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven.”
— Johannes 5:24
De gelovige:
- heeft het eeuwige leven;
- komt niet in de verdoemenis;
- is overgegaan uit den dood in het leven.
Christus geeft geen tijdelijke kans op eeuwig leven. Eeuwig leven dat later weer verloren kan gaan, was nooit eeuwig.
Daarom is redding alleen door geloof in Jezus Christus, zonder verborgen voorwaarden die achteraf alsnog aan het Evangelie worden toegevoegd.
Christus houdt de gelovige vast
Sommige mensen stellen redding voor alsof u Christus moet blijven vasthouden. Zolang uw greep sterk genoeg blijft, bent u veilig. Laat u los, dan gaat u alsnog verloren.
Maar Jezus stelt het precies andersom voor:
“En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken.
Mijn Vader, Die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders.”
— Johannes 10:28-29
Christus zegt niet dat de gelovige Hem stevig genoeg moet vasthouden. Hij zegt dat de gelovige zich in Zijn hand bevindt.
Denk aan een klein kind dat slapend in de armen van zijn vader wordt gedragen. Het kind houdt zichzelf niet vast. Het rust terwijl een ander het draagt.
Een aardse vader kan struikelen. Christus niet.
De gelovige kan bang worden, twijfelen of geestelijk verzwakken. Maar Christus’ belofte verandert niet met de toestand van de gelovige:
“Zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid.”
Geloof is niet dat u Christus onafgebroken sterk vasthoudt. Geloof is dat u Hem gelooft wanneer Hij zegt dat Hij u eeuwig leven geeft.
U houdt het eeuwige leven niet in stand. Christus houdt u vast.
Lees verder over eeuwige zekerheid en waarom een gelovige niet meer verloren kan gaan.
De mens gelooft zelf
De Bijbel stelt geloven niet voor als iets wat God in plaats van de mens doet.
God spreekt.
De mens ontvangt de boodschap.
De mens gelooft of verwerpt.
“Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven.”
— Johannes 1:12
Wie geloven?
De mensen die Zijn getuigenis aannemen.
Tegen de stokbewaarder werd gezegd:
“Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden…”
— Handelingen 16:31
Niet:
Wacht totdat God misschien geloof voor u inplant.
Maar:
Geloof in den Heere Jezus Christus.
Paulus legt uit hoe geloof ontstaat:
“Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.”
— Romeinen 10:17
“Gehoor” betekent hier niet uitsluitend geluid dat via lichamelijke oren binnenkomt. De boodschap moet de mens bereiken en door hem worden begrepen. Dat kan door horen, lezen of een andere begrijpelijke bekendmaking.
Johannes schreef immers:
“Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft…”
— Johannes 20:31
De lezer hoorde Johannes niet letterlijk spreken. Hij ontving zijn geschreven getuigenis en kon dit geloven.
Dit is de normale werking van geloof:
- een boodschap wordt bekendgemaakt;
- de mens begrijpt wat wordt beweerd;
- hij neemt het aan als waar of verwerpt het.
Het Evangelie geeft de mens niet eerst een nieuw soort vermogen om iets te geloven. Het geeft hem de reddende waarheid die hij moet geloven.
Jezus zei tegen mensen die Hem afwezen:
“En gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben.”
— Johannes 5:40
Christus wees hun eigen weigering aan:
“Gij wilt
[…] niet komen.”
De bekende tegenwerping uit Efeze 2:8 wordt volledig behandeld in Is geloof een gave van God?. Een aanvullende studie laat zien dat de mens Gods getuigenis zelf kan geloven.
Is geloven dan een werk?
Wanneer de mens zelf gelooft, zeggen sommigen dat hij daarmee toch een werk voor zijn redding verricht.
Romeinen 4:5 sluit die gedachte volledig uit:
“Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.”
God plaatst degene die gelooft uitdrukkelijk in de categorie:
“Die niet werkt.”
Daarmee is de vraag beantwoord.
Geloven:
- betaalt geen schuld;
- vervult geen wet;
- verwijdert geen zonde;
- maakt de mens niet verdienstelijk;
- voegt niets toe aan het kruis.
Geloof ontvangt wat Christus heeft volbracht.
“Waar is dan de roem? Hij is uitgesloten. Door wat wet? der werken? Neen, maar door de wet des geloofs.”
— Romeinen 3:27
Werken zeggen:
Kijk wat ik heb gedaan.
Geloof zegt:
Kijk wat Christus heeft gedaan.
Geloof is niet hetzelfde als gehoorzaamheid
Geloof kan tot gehoorzaamheid leiden, maar geloof en gehoorzaamheid zijn niet hetzelfde.
Noach werd gewaarschuwd voor dingen die nog niet gezien werden:
“Door het geloof heeft Noach, door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen, die nog niet gezien werden, en bevreesd geworden zijnde, de ark toebereid…”
— Hebreeën 11:7
De volgorde is helder:
- God sprak.
- Noach geloofde Gods waarschuwing.
- Noach bouwde de ark.
De bouw van de ark was zijn gehoorzaamheid. Het aannemen van Gods waarschuwing als waar was zijn geloof.
Wanneer gehoorzaamheid in de definitie van geloof wordt gestopt, klinkt “geloof alleen” nog steeds Bijbels, maar heeft men stilletjes werken aan het geloof toegevoegd.
Dan betekent geloof feitelijk:
Geloof plus overgave, gehoorzaamheid, volharding en voldoende zichtbare levensverandering.
Dat is niet langer geloof alleen.
De moeilijke uitspraak “geloof zonder werken is dood” leert niet dat werken het geloof reddend maken. Jakobus behandelt de werkzaamheid en nuttigheid van geloof in het leven van gelovigen, niet een aanvulling op Christus’ betaling.
Goede werken hebben hun eigen plaats
De Bijbel maakt goede werken niet onbelangrijk. Een gelovige behoort God te dienen, in liefde te wandelen en zonde te vermijden.
Maar de plaats van werken is
na de redding, niet in de voorwaarde ervoor.
“Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave;
Niet uit de werken, opdat niemand roeme.
Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken…”
— Efeze 2:8-10
De volgorde is volmaakt:
- gered uit genade;
- door geloof;
- niet uit werken;
- daarna geschapen tot goede werken.
Een kind wordt niet geboren doordat het begint te lopen. Het leert lopen omdat het leeft.
Zo wordt een mens niet gered doordat hij christelijk leeft. Hij behoort christelijk te leven omdat hij door geloof in Christus het leven heeft ontvangen.
De tegenwerping “maar je moet toch wel iets doen om gered te worden?” wordt daarom afzonderlijk uitvoerig beantwoord.
Mattheüs 7: “Hebben wij niet?”
In Mattheüs 7 staan mensen voor Christus met een indrukwekkend godsdienstig verslag:
“Heere, Heere! hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam duivelen uitgeworpen, en in Uw Naam vele krachten gedaan?”
— Mattheüs 7:22
Hun pleidooi is:
“Hebben wij niet…?”
Zij wijzen naar hetgeen zij hebben gedaan.
Hun handen zijn vol werken, maar hun vertrouwen rust niet op Christus alleen.
Jezus antwoordt:
“Ik heb u nooit gekend…”
— Mattheüs 7:23
Niet:
Ik heb u vroeger gekend, maar later waren uw werken onvoldoende.
Hij zegt:
“Nooit.”
Deze mensen zijn niet verloren omdat zij te weinig godsdienstige werken hadden. Zij kwamen juist met vele werken. Hun fout was dat zij hun werken als pleitgrond meenamen.
Geloof staat met lege handen voor God.
Niet omdat goede werken onbelangrijk zijn, maar omdat alleen Christus’ werk de zondaar kan rechtvaardigen.
Uw gevoel is geen tweede evangelie
Misschien begrijpt u de boodschap, maar zegt u:
Ik voel niets.
Uw gevoel bepaalt niet of Christus de waarheid spreekt.
Een mens kan zich zeker voelen terwijl hij op iets onwaars vertrouwt. Een ander kan beven terwijl hij op een volmaakt betrouwbare Redder rust.
Geloof zegt niet:
Ik voel dat ik eeuwig leven heb.
Geloof zegt:
Christus heeft gezegd dat degene die in Hem gelooft eeuwig leven heeft.
De zekerheid van de gelovige rust niet in de spiegel, maar in het woord van Christus.
Wie voortdurend in zichzelf zoekt naar voldoende geloof, kijkt in de verkeerde richting. Voor wie daarmee worstelt, behandelt Is mijn geloof wel echt? precies deze onzekerheid.
Heb ik wel genoeg geloof?
Jezus heeft nergens een minimale hoeveelheid geloof vastgesteld die u moet verzamelen voordat Hij u redt.
Hij zegt niet:
Wie krachtig genoeg in Mij gelooft, heeft eeuwig leven.
Hij zegt:
“Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.”
— Johannes 6:47
De kracht ligt niet in de hoeveelheid geloof, maar in de betrouwbaarheid van Christus.
De vraag is daarom niet:
Heb ik hard genoeg geloofd?
Maar:
Spreekt Christus de waarheid wanneer Hij eeuwig leven belooft?
God kan niet liegen:
“In de hoop des eeuwigen levens, welke God, Die niet liegen kan, beloofd heeft vóór de tijden der eeuwen.”
— Titus 1:2
Wanneer Christus zegt dat de gelovige eeuwig leven heeft, blijven uiteindelijk maar twee mogelijkheden over:
- Christus spreekt de waarheid.
- Christus liegt.
Er bestaat geen derde mogelijkheid waarin Christus de waarheid spreekt, maar de gelovige toch verloren gaat omdat zijn geloof niet indrukwekkend genoeg was.
Christus kan niet liegen.
Daarom mag de gelovige rusten.
Wat is waar geloof?
Waar geloof is geen mysterieuze kracht, bijzondere emotie of verborgen kwaliteit die later door uw werken moet worden bewezen.
Geloven betekent dat u een getuigenis als waar aanneemt.
Waar, reddend geloof is dat u Gods getuigenis over Zijn Zoon aanneemt:
- Jezus Christus is de Zoon van God;
- Hij stierf voor al uw zonden;
- Hij stond op uit de doden;
- Zijn betaling is volledig;
- Hij geeft u eeuwig leven wanneer u in Hem gelooft.
Niet uw gevoel redt u.
Niet uw overgave redt u.
Niet uw gehoorzaamheid redt u.
Niet de kracht van uw geloof redt u.
Christus redt degene die in Hem gelooft.
En nadat u geloofd hebt, rust uw zekerheid niet op uw vermogen om Hem vast te houden.
U rust in Zijn hand.
“Deze dingen heb ik u geschreven, die gelooft in den Naam des Zoons van God; opdat gij weet, dat gij het eeuwige leven hebt…”
— 1 Johannes 5:13
De laatste vraag is daarom niet:
Heb ik iets indrukwekkends in mijzelf gevonden?
De laatste vraag is:
Geloof ik het getuigenis van de Zoon van God?