Openbaring onthult allereerst Jezus Christus. De Gemeente gaat Daniëls zeventigste week niet door, maar ontvangt dit boek tot bemoediging, waakzaamheid en getuigenis. Voor ongelovigen klinkt tegelijk een ernstige oproep: geloof nu in Christus, voordat de komende oordelen beginnen.
Waarom zouden wij Openbaring onderzoeken?
Waarom zouden wij de zegels, bazuinen, fiolen, het beest, Babylon en Armageddon uitvoerig onderzoeken wanneer de Gemeente vóór Daniëls zeventigste week wordt opgenomen?
Het eenvoudige antwoord is: omdat Jezus Christus deze profetie juist aan Zijn dienstknechten en aan de Gemeenten heeft gegeven.
Openbaring is geen verboden terrein en ook geen boek dat God uitsluitend voor de mensen tijdens de verdrukking heeft bestemd. Het begint met een belofte van zegen voor wie zijn woorden leest, hoort en bewaart. Het eindigt met Christus’ eigen verklaring dat Hij deze dingen in de Gemeenten laat getuigen.
De Gemeente onderzoekt deze komende periode niet omdat zij moet leren hoe zij haar kan overleven. Zij onderzoekt haar omdat zij haar Heere wil kennen, Zijn Woord wil bewaren, door Zijn beloften vertroost wil worden en de wereld tijdig wil waarschuwen.
Deze serie heeft daarom een dubbele bedoeling:
- bemoediging en onderwijs voor degenen die reeds in Christus geloven;
- een ernstige roepstem voor degenen die nog niet in Hem geloven.
Voor de gelovige laat Openbaring zien dat geen enkele wereldmacht, oorlog of demonische aanval buiten Christus’ gezag valt. Voor de ongelovige laat hetzelfde boek zien dat Gods geduld niet betekent dat Zijn oordeel nooit zal komen. Boven beide boodschappen staat het Lam: Jezus Christus, Die voor zondaren gestorven is, uit de dood is opgestaan en spoedig zal wederkomen.
Openbaring gaat allereerst over Jezus Christus
Het eerste vers bepaalt het onderwerp van het gehele boek:
„De openbaring van Jezus Christus, die God Hem gegeven heeft, om Zijn dienstknechten te tonen de dingen, die haast geschieden moeten.”
— Openbaring 1:1
Het boek heet niet de openbaring van de Antichrist, van het beest of van de komende rampen. Het is de openbaring van Jezus Christus.
Wij zien Hem als de verheerlijkte Zoon des mensen te midden van de kandelaars. Wij zien Hem als het geslachte Lam Dat waardig is Gods verzegelde boek te nemen. Hij opent de zegels. Hij bewaart Zijn dienstknechten. Hij overwint het beest en de valse profeet. Hij keert zichtbaar terug als Koning der koningen en Heere der heren. Hij bindt Satan, vestigt Zijn Koninkrijk, oordeelt de doden en maakt uiteindelijk alle dingen nieuw.
Zelfs wanneer Openbaring de duisternis op haar diepst beschrijft, is de duisternis nooit het middelpunt. De overwinning van Christus staat vast.
Johannes wil zich in Openbaring 19 voor de engel neerwerpen, maar de engel wijst iedere verkeerde aandacht af en zegt:
„Aanbid God. Want de getuigenis van Jezus is de geest der profetie.”
— Openbaring 19:10
Ware profetie voedt daarom geen bewondering voor het beest en geen eindeloze nieuwsgierigheid naar sensationele details. Zij getuigt van Jezus. Wie Openbaring goed leest, eindigt niet in angstige fascinatie voor Satan, maar in aanbidding van God en verwachting van Christus.
Christus heeft dit boek uitdrukkelijk aan de Gemeenten gegeven
Openbaring is gericht „aan de zeven Gemeenten, die in Azië zijn” (Openbaring 1:4). Johannes moet wat hij ziet in een boek schrijven en het aan die zeven Gemeenten zenden (Openbaring 1:11).
Aan het einde van het boek zegt Christus opnieuw:
„Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om ulieden deze dingen te getuigen in de Gemeenten. Ik ben de Wortel en het Geslacht Davids, de blinkende Morgenster.”
— Openbaring 22:16
„Deze dingen” omvatten niet alleen de zeven brieven uit Openbaring 2 en 3. Christus spreekt hier aan het einde van het volledige boek. Ook de zegels, bazuinen, getuigen, 144.000, beesten, fiolen, wederkomst, duizend jaren en nieuwe schepping moeten in de Gemeenten worden getuigd.
Dat beantwoordt de hoofdvraag. De Gemeente gaat Daniëls zeventigste week niet door, maar de Heere van de Gemeente wil wel dat zij weet wat Hij daarna zal doen.
God heeft in de hele Schrift mensen onderwijs gegeven over gebeurtenissen die zij zelf niet allemaal zouden meemaken. De profeten onderzochten nauwkeurig de dingen die zij verkondigden, hoewel hun werd geopenbaard dat zij daarin niet zichzelf maar latere gelovigen dienden (1 Petrus 1:10–12). Kennis van profetie is dus niet alleen nodig voor de generatie die de vervulling lichamelijk doormaakt. Zij openbaart in iedere generatie Gods raad, Gods karakter en de heerlijkheid van Christus.
De bijzondere zegening van Openbaring 1:3
Direct aan het begin staat een opmerkelijke zaligspreking:
„Zalig is hij, die leest, en zijn zij, die horen de woorden dezer profetie, en die bewaren, hetgeen in dezelve geschreven is; want de tijd is nabij.”
— Openbaring 1:3
De formulering is zorgvuldig. „Hij, die leest” staat enkelvoudig; „zij, die horen” staat meervoudig. Wij zien als het ware één persoon die de profetie voorleest en een verzamelde Gemeente die luistert. Maar zowel de lezer als de hoorders moeten bewaren wat geschreven staat.
Het boek is dus niet alleen gegeven om in een kast te liggen of om incidenteel enkele indrukwekkende beelden uit aan te halen. God wil dat Zijn woorden:
- worden gelezen;
- worden gehoord;
- worden vastgehouden;
- ernstig worden genomen;
- het denken en leven van de hoorder vormen.
Aan het einde herhaalt Christus dezelfde belofte:
„Zalig is hij, die de woorden der profetie dezes boeks bewaart.”
— Openbaring 22:7
Dit is een werkelijke, door God beloofde zegen. Wij hoeven die belofte niet af te zwakken. Wie deze profetie eerbiedig leest, hoort en bewaart, wordt gezegend doordat hij Christus’ overwinning leert kennen, Gods komende oordelen ernstig neemt, de huidige wereld in haar juiste verhouding ziet en met hoop naar de toekomst kijkt.
„Zalig” betekent hier niet: door het lezen eeuwig gered
De Statenvertaling gebruikt het woord „zalig” ook in teksten die over eeuwige redding spreken. Toch bepaalt steeds de context wat de zaligspreking inhoudt. Openbaring 1:3 zegt niet: „Wie dit boek leest, heeft daardoor eeuwig leven.” Het spreekt een zegen uit over het lezen, horen en bewaren van de profetie.
Eeuwige redding wordt nergens verdiend door Bijbelstudie, profetische kennis of gehoorzaamheid. De Schrift zegt:
„Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme.”
— Efeze 2:8–9
Wie nog niet gered is, ontvangt het eeuwige leven uitsluitend door te geloven in Jezus Christus. Wie reeds gered is, kan door het lezen en bewaren van Openbaring werkelijk worden onderwezen, vertroost, gewaarschuwd en gezegend.
Deze onderscheiding bewaart beide waarheden. Wij maken de zaligspreking niet kleiner dan God haar heeft gemaakt, maar wij veranderen haar evenmin in een voorwaarde voor eeuwige redding.
De Gemeente gaat Daniëls zeventigste week niet door
Deze serie is gebouwd op de gezamenlijke Schriftlijn dat Christus Zijn Gemeente vóór Daniëls volledige zeventigste week tot Zich neemt.
Daniëls laatste week is bepaald over Daniëls volk en heilige stad: Israël en Jeruzalem (Daniël 9:24). De Gemeente is het in vroegere eeuwen verborgen lichaam van Christus, waarin gelovige Joden en heidenen door één Geest tot één lichaam zijn gedoopt (Efeze 3:3–6; 1 Korinthe 12:13).
Wanneer dit lichaam voltooid is, zal Christus de doden in Hem opwekken en de levende gelovigen veranderen. Samen worden zij opgenomen, de Heere tegemoet in de lucht, om vanaf dat ogenblik altijd met Hem te zijn (1 Thessalonicenzen 4:16–17; 1 Korinthe 15:51–52).
Paulus zegt vervolgens uitdrukkelijk:
„Want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid, door onzen Heere Jezus Christus.”
— 1 Thessalonicenzen 5:9
Christus verlost Zijn Gemeente van de toekomende toorn en belooft haar te bewaren uit de ure der verzoeking die over de gehele wereld komt (1 Thessalonicenzen 1:10; Openbaring 3:10).
Openbaring laat dezelfde overgang zien. Eerst staat Christus te midden van de zeven kandelaars en spreekt Hij het volledige gemeentegetuigenis aan. Daarna gaat in Openbaring 4:1 een deur in de hemel open, klinkt de stem als een bazuin en hoort Johannes: „Kom hier op.” Hij zal zien wat „na dezen” geschieden moet. Vervolgens bevindt de gekroonde, in wit geklede, door Christus’ bloed gekochte Gemeente zich in de hemel voordat het Lam enig zegel opent.
De volledige bewijsvoering staat in Wordt de Gemeente vóór Daniëls zeventigste week opgenomen?. Voor het doel van deze inleiding staat de uitkomst vast: de Gemeente wacht niet op de Antichrist, het merkteken of de fiolen, maar op haar Heere.
Dat betekent echter niet dat alles wat na haar opname gebeurt haar niets aangaat. Juist Christus, Die haar wegneemt vóór het oordeel, heeft haar verteld wat dat oordeel inhoudt.
Waarom gelovigen deze periode toch moeten onderzoeken
Openbaring geeft bemoediging
De opname is geen dreiging voor de gelovige, maar een verwachting van vereniging met Christus. Nadat Paulus heeft beschreven hoe de doden in Christus opstaan en de levende gelovigen worden opgenomen, zegt hij:
„Zo dan, vertroost elkander met deze woorden.”
— 1 Thessalonicenzen 4:18
Profetie is bedoeld om gelovigen te vertroosten. Zij verzekert ons dat dood, vervolging en wereldmacht niet het laatste woord hebben. De graven van de gelovigen zullen opengaan. Onze vernederde lichamen zullen veranderd worden. Wij zullen Christus zien en altijd met Hem zijn.
Openbaring breidt die vertroosting uit tot de volledige afloop van Gods plan. Het Lam overwint. De martelaren worden opgewekt. Israël wordt gered. Christus regeert. Satan wordt definitief geoordeeld. De dood verdwijnt. God woont bij de mensen en maakt alle dingen nieuw.
Wie alleen naar de toestand van de huidige wereld kijkt, kan moedeloos worden. Wie het einde kent dat God heeft geopenbaard, weet dat geen enkele belofte zal falen.
Openbaring maakt waakzaam en nuchter
Paulus zegt over de dag des Heeren:
„Maar gij, broeders, gij zijt niet in duisternis, dat u die dag als een dief zou bevangen.”
— 1 Thessalonicenzen 5:4
De gelovigen zijn kinderen des lichts en kinderen des dags. Daarom volgt de oproep om niet te slapen zoals de anderen, maar te waken en nuchter te zijn (1 Thessalonicenzen 5:5–6).
Waakzaamheid betekent niet dat wij de opname aan een datum koppelen. De Schrift geeft daarvoor geen rekensom. Het betekent dat wij geestelijk wakker leven, de tijd verstaan, de tijdelijke wereld niet voor onze blijvende woning houden en bereid zijn Christus te ontmoeten.
Openbaring ontmaskert bovendien waar menselijke macht uiteindelijk naartoe gaat wanneer zij zich volledig van God losmaakt. Politiek, economie, godsdienst en aanbidding komen onder de laatste wereldorde samen in openlijke opstand tegen het Lam. Wie dat einde kent, leert nu al geen aardse macht als verlosser te behandelen.
De profetische hoop beïnvloedt onze wandel
Johannes schrijft over de verschijning van Christus en onze toekomstige gelijkvormigheid aan Hem:
„En een iegelijk, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelven, gelijk Hij rein is.”
— 1 Johannes 3:3
Die reiniging is niet de voorwaarde waardoor een gelovige zijn eeuwige leven behoudt. Het eeuwige leven rust op Christus en Zijn volbrachte werk. Maar de zekere hoop dat wij Hem zullen zien, behoort wel onze dagelijkse wandel te vormen.
Ook Petrus verbindt de toekomstige ontbinding van de huidige wereldorde met de vraag „hoedanigen behoort gij te zijn in heiligen wandel en godzaligheid” (2 Petrus 3:11). Wie weet dat menselijke werken en heerlijkheid niet eeuwig blijven, leert zijn leven te investeren in wat voor Christus waarde heeft.
Profetie is daarom niet alleen kennis over later. Zij onderzoekt onze liefde, prioriteiten, trouw en verwachting vandaag.
Openbaring dringt tot Evangelieverkondiging
Wanneer wij werkelijk geloven wat Openbaring over de komende wereld zegt, kunnen wij de ongelovige niet onverschillig aanzien.
Gods oordeel is geen beeldspraak waarmee alleen wordt bedoeld dat slechte keuzes onaangename gevolgen hebben. Het Lam opent de zegels. Bazuinen treffen aarde, zee, wateren en mensen. Het beest ontvangt wereldwijde macht. Wie zijn merkteken aanneemt en zijn beeld aanbidt, plaatst zich openlijk onder een macht die door Christus zal worden vernietigd. De fiolen voleindigen Gods toorn. De koningen der aarde worden voor Armageddon verzameld en Christus keert zichtbaar terug om te oordelen.
Wie deze dingen kent, heeft reden om nu helder over het Evangelie te spreken. Niet om mensen met menselijke sensatie te manipuleren, maar omdat Gods waarschuwingen waar zijn en Zijn genade vandaag vrij wordt aangeboden.
Een ernstige roepstem voor wie nog niet gelooft
De Gemeente gaat Daniëls zeventigste week niet door. Maar wie bij de opname niet in Christus is, wordt niet met haar tot de Heere opgenomen.
De Schrift zegt niet hoeveel tijd er precies ligt tussen de opname en het versterken van het verbond waarmee Daniëls laatste week begint. Wij mogen geen onbekende tussentijd invullen. De volgorde staat echter vast: eerst wordt de Gemeente weggenomen; daarna hervat God Zijn laatste zevenjarige programma over Israël en Jeruzalem.
Wanneer dit in onze generatie gebeurt, blijven de mensen die niet in Christus zijn op aarde achter. Wie dan nog leeft wanneer Daniëls week begint, komt terecht in een wereld die snel verandert in de zwaarste oordeelperiode van de menselijke geschiedenis.
De eerste helft brengt reeds verovering, oorlog, honger, dood en de eerste zes bazuinoordelen. De mens der zonde komt op en de wereld wordt voorbereid op zijn volledige beestmacht. In het midden zet hij zich in de tempel, verheft zich als God en ontvangt gedurende 42 maanden wereldwijde macht. Israël wordt vervolgd, de heiligen worden gedood, het merkteken beheerst kopen en verkopen en de laatste fiolen brengen Gods toorn tot haar voleinding.
Deze serie beschrijft dat alles niet om de lezer een menselijk overlevingsplan te geven. De wezenlijke vraag is niet waar iemand voedsel moet opslaan of welke moderne techniek achter een profetisch beeld zou kunnen zitten. De wezenlijke vraag is:
Bent u in Jezus Christus?
Wie niet gelooft, hoeft niet eerst op Daniëls zeventigste week te wachten om onder het oordeel te staan. Jezus zegt:
„Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam des eniggeboren Zoons van God.”
— Johannes 3:18
De toekomstige oordelen maken zichtbaar wat nu reeds waar is: buiten Christus heeft de mens geen leven en geen schuilplaats voor Gods rechtvaardige oordeel.
Ook tijdens de verdrukking blijft Gods genade zichtbaar
De komende periode is verschrikkelijk, maar God laat de wereld ook dan niet zonder getuigenis.
Hij verzegelt 144.000 Israëlitische dienstknechten die het Lam volgen en als evangelisten en waarheidsgetuigen optreden. Twee getuigen profeteren 1260 dagen in Jeruzalem. Zelfs wanneer de beestmacht haar hoogtepunt bereikt, ziet Johannes een engel in het midden des hemels met het eeuwige Evangelie om te verkondigen aan degenen die op de aarde wonen, aan alle natie, geslacht, taal en volk (Openbaring 14:6).
Openbaring 7 toont het resultaat van Gods wereldwijde getuigenis:
„Dezen zijn het, die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange klederen gewassen, en hebben hun lange klederen wit gemaakt in het bloed des Lams.”
— Openbaring 7:14
Een grote schare die niemand tellen kan, uit alle natie, geslachten, volken en talen, wordt door het bloed van het Lam gereinigd. Ook in die periode bestaat er geen andere Zaligmaker en geen ander fundament. Niemand wordt gered door het merkteken te vermijden, door lichamelijk te overleven of door voldoende goede werken te verrichten. Redding blijft uitsluitend mogelijk door Gods genade en het bloed van Jezus Christus.
Maar dit is geen reden om het geloof uit te stellen. Dezelfde periode kent een uitzonderlijke kracht der dwaling, verharding, vervolging en dood. Openbaring beschrijft mensen die zelfs onder zware oordelen hun werken niet bekeren (Openbaring 9:20–21; 16:9–11). De mens heeft bovendien geen belofte dat hij morgen nog leeft of dat zijn hart na herhaalde afwijzing zachter zal zijn.
De Bijbel zegt daarom niet: wacht totdat de profetieën zichtbaar beginnen. Hij zegt:
„Ziet, nu is het de welaangename tijd, ziet, nu is het de dag der zaligheid!”
— 2 Korinthe 6:2
Het Evangelie: geloof nu in Jezus Christus
Het Evangelie is niet dat wij door eindtijdkennis, een verbeterd leven of volharding in toekomstige oordelen onszelf kunnen redden.
Paulus vat het Evangelie samen:
„Dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften;
En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften.”
— 1 Korinthe 15:3–4
Jezus Christus, de eeuwige Zoon van God, droeg aan het kruis de volledige straf voor onze zonden. Hij werd begraven en stond lichamelijk uit de dood op. Zijn werk is voltooid. De zondaar hoeft daar niets aan toe te voegen.
Op de vraag „Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?” luidt het antwoord:
„Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden.”
— Handelingen 16:30–31
Geloven betekent dat u uw vertrouwen voor het eeuwige leven volledig op Jezus Christus en Zijn volbrachte werk stelt. Niet op uw kerk, doop, goede werken, berouwvolle gevoelens, volharding of kennis. Redding is Gods vrije gave.
Wie gelooft, komt niet in de verdoemenis maar is uit de dood overgegaan in het leven (Johannes 5:24). Hij ontvangt geen tijdelijke proefperiode, maar eeuwig leven. Vanaf dat moment behoort hij tot Christus.
Wacht daarom niet op de eerste zichtbare vervulling van een profetisch teken. Wacht niet op de opname, het verbond, de tempel of het beest. Geloof vandaag in Jezus Christus.
Hoe deze serie gelezen moet worden
Deze eindtijdserie wil de woorden van Openbaring lezen, horen en bewaren zoals God ze heeft gegeven. Daarvoor volgen wij enkele eenvoudige beginselen.
De som van Gods Woord is de waarheid
„De som Uws woords is de waarheid, en in der eeuwigheid is al het recht Uwer gerechtigheid.”
— Psalm 119:160
Een conclusie mag niet op één losgemaakt woord rusten wanneer Daniël, de profeten, de Evangeliën, de brieven en Openbaring gezamenlijk meer licht geven. Schrift wordt met Schrift vergeleken. Latere openbaring kan eerdere profetie aanvullen en de door God gegeven verbanden zichtbaar maken.
De context bepaalt de betekenis en tijdspositie
Openbaring bevat een werkelijke chronologie, maar de vertelvolgorde is niet altijd de gebeurtenisvolgorde. Het boek gebruikt panorama’s, terugblikken, vooruitblikken en verklarende tussengezichten. Daarom worden tijdsaanduidingen, genummerde reeksen en inhoudelijke verbindingen zorgvuldig naast elkaar gelegd.
De volledige leeskaart staat in Openbaring chronologisch — de complete hoofdstukkaart.
Wij spreken krachtig waar de Schrift vaststaat
God heeft werkelijke perioden genoemd: zeven jaren, twee helften, 1260 dagen, 42 maanden, vijf maanden, drieënhalve dag en duizend jaren. Waar meerdere onafhankelijke Schriftlijnen één conclusie stevig vastleggen, hoeft die conclusie niet onzeker te klinken.
Tegelijk vullen wij niet in wat God niet heeft geopenbaard. Openbaring is geen uitnodiging om iedere nieuwe uitvinding, politieke leider of krantenkop onmiddellijk met een vers te verbinden. De geopenbaarde architectuur mag krachtig worden verkondigd; menselijke details moeten als menselijke mogelijkheden herkenbaar blijven.
Israël, de Gemeente en de volken blijven onderscheiden
Daniëls zeventig weken zijn bepaald over Israël en Jeruzalem. De Gemeente is het ene lichaam van Christus dat in de huidige tussenperiode uit gelovige Joden en heidenen wordt gevormd. Tijdens Daniëls laatste week handelt God opnieuw zichtbaar met Israël, Jeruzalem en de volken.
Deze groepen hebben niet verschillende wegen tot eeuwige redding. In iedere tijd wordt ieder mens uitsluitend op grond van Christus’ bloed en door geloof gered. Het onderscheid betreft Gods roeping en profetische programma, niet een ander Evangelie.
Christus blijft het middelpunt
Wij onderzoeken de Antichrist omdat Christus hem zal vernietigen. Wij onderzoeken Babylon omdat God haar zal oordelen. Wij onderzoeken de bazuinen en fiolen omdat zij onder Gods gezag worden voltrokken. Wij onderzoeken Israël omdat Christus Zijn verbondsbeloften zal vervullen. Wij onderzoeken het Koninkrijk omdat Jezus op aarde zal regeren. Wij onderzoeken de eeuwige toestand omdat God en het Lam daar voor altijd bij de verlosten wonen.
Wanneer een uitleg vooral het beest groot maakt en Christus naar de achtergrond dringt, heeft zij het doel van Openbaring gemist.
Bemoediging voor de gelovige, waarschuwing voor de ongelovige
Voor de gelovige is Openbaring geen aankondiging dat hij zich door zeven jaren van Gods toorn heen moet redden. Het is de verzekering dat zijn Heere de volledige toekomst beheerst. Christus komt eerst voor Zijn Gemeente. Daarna volvoert Hij Gods raad over Israël, Jeruzalem en de wereld. Uiteindelijk keert Hij zichtbaar terug, vestigt Zijn Koninkrijk en maakt alle dingen nieuw.
Daarom mag de gelovige deze profetie met ernst én met vreugde onderzoeken. Er is zegen verbonden aan lezen, horen en bewaren. Er is vertroosting in de opname, zekerheid in Christus’ overwinning en een krachtige aansporing om vandaag als kind des lichts te wandelen.
Voor de ongelovige is dezelfde profetie een ernstige waarschuwing. De komende zevenjarige periode valt niet mee. Zij is geen boeiend toekomstscenario om op veilige afstand te bekijken, maar Gods werkelijke antwoord op een wereld die Zijn Zoon verwerpt. Toch klinkt vóór het oordeel nog steeds het Evangelie.
Christus heeft alles betaald. Hij is gestorven. Hij is begraven. Hij is opgestaan. Eeuwig leven wordt vrij aangeboden aan ieder die in Hem gelooft.
De juiste reactie op deze serie is daarom niet alleen: „Nu begrijp ik de tijdlijn.” De juiste reactie is:
- voor de gelovige: „Kom, Heere Jezus.”
- voor de ongelovige: „Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden.”
Wie de profetische basis eerst wil leggen, kan verdergaan met Wat is Daniëls zeventigste week?. Daarna volgt de volledige bewijsvoering voor de opname van de Gemeente vóór die week.