Opgenomen vóór de week

De Gemeente is bij Christus voordat Daniëls laatste zeven jaren beginnen.

Opgenomen vóór de week

De Gemeente is bij Christus voordat Daniëls laatste zeven jaren beginnen.

Daniëls laatste week is bepaald over Israël en Jeruzalem; de Gemeente is niet gesteld tot de komende toorn. Na de zeven gemeenten klinkt in Openbaring 4:1: “Kom hier op”, waarna Johannes ziet wat “na dezen” geschieden moet en de gekroonde Gemeente reeds bij Gods troon staat. De Schriftlijn is daarom: eerst de opname, daarna Daniëls zeventigste week.

Wordt de gemeente vóór Daniëls zeventigste week opgenomen?

Over het tijdstip van de opname bestaan verschillende opvattingen. Volgens de ene uitleg wordt de gemeente vóór Daniëls laatste week opgenomen. Andere uitleggingen plaatsen de opname in de eerste helft, rond het midden, vlak vóór Gods laatste toorn of pas bij Christus’ zichtbare wederkomst.


De vraag mag niet worden beslist door een schema, een kerkelijke traditie of één aantrekkelijk typebeeld. We moeten alle relevante Schriftplaatsen naast elkaar leggen en zorgvuldig onderscheiden tussen wat rechtstreeks geschreven staat en wat uit hun gezamenlijke samenhang volgt.


De uitkomst is duidelijk: het lichaam van Christus wordt vóór Daniëls volledige zeventigste week tot de Heere opgenomen. De gemeente gaat niet door de eerste helft en evenmin door de grote verdrukking van de tweede helft.


Openbaring 4:1 vormt daarin een bijzonder krachtig chronologisch scharnier. Na de volledige voorstelling van de Gemeente op aarde gaat de hemel open, klinkt de stem als een bazuin en hoort Johannes: „Kom hier op.” Daarna zal hij zien wat „na dezen” geschieden moet. De oproep wordt rechtstreeks tot Johannes gesproken, maar zijn opgang beeldt binnen het profetische gezicht de opname van de Gemeente uit. De daaropvolgende troonzaal bevestigt de betekenis: de volledige, gekroonde en door Christus’ bloed gekochte Gemeente bevindt zich reeds in de hemel voordat het Lam de zegels opent.


Deze conclusie staat niet op één beeld alleen. Zij wordt gedragen door Daniël, Paulus, Christus’ belofte van bewaring uit de ure, de wederhouder en de verdere opbouw van Openbaring. Zij vereist niet dat „de afval” in 2 Thessalonicenzen 2:3 als opname wordt vertaald of dat de eerste bazuin exact op de eerste dag van Daniëls week klinkt. Juist de som van alle Schriftlijnen maakt de volgorde zo sterk.



Eerst het onderscheid: de hele week en de grote verdrukking


Daniëls zeventigste week duurt zeven jaar. Daniël 9:27 verdeelt haar in twee gelijke helften. De laatste helft wordt elders beschreven als 1260 dagen, 42 maanden en „een tijd, en tijden, en een halve tijd”.


Jezus plaatst de grote verdrukking ná de gruwel der verwoesting in de heilige plaats (Mattheüs 24:15-21). Omdat Daniël die tempelbreuk in het midden van de week plaatst, is de grote verdrukking strikt genomen de tweede helft van drieënhalf jaar.


Daarom is „vóór de grote verdrukking” nog niet nauwkeurig genoeg. Een opname halverwege zou wel vóór de grote verdrukking zijn, maar niet vóór Daniëls gehele week. De werkelijke vraag luidt:


Wordt de gemeente vóór het begin van de volledige zeven jaren opgenomen?



De opname staat rechtstreeks in de Schrift


Dat de opname werkelijk gebeurt, is geen reconstructie. Paulus schrijft:

„Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan;


Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen tezamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen.”

— 1 Thessalonicenzen 4:16-17

De volgorde is concreet:


  • de Heere daalt uit de hemel;
  • de gestorvenen in Christus staan lichamelijk op;
  • de levende gelovigen worden samen met hen opgenomen;
  • zij ontmoeten de Heere in de lucht;
  • vanaf dat moment zijn zij altijd met Hem.


In 1 Korinthe 15:51-52 noemt Paulus dit een verborgenheid. Niet alle gelovigen zullen sterven, maar zij zullen wel allemaal veranderd worden. Dat gebeurt „in een punt des tijds, in een ogenblik”. De doden worden onverderfelijk opgewekt en de levende gelovigen ontvangen eveneens een onvergankelijk lichaam.


De opname is dus niet slechts geestelijke bescherming, een innerlijke ervaring of een beeld van bekering. Christus neemt Zijn lichaam werkelijk tot Zich.


De vraag is niet óf dit gebeurt, maar wanneer ten opzichte van Daniëls laatste week.



Daniëls weken zijn bepaald over Israël en Jeruzalem


Het fundament staat in Daniël 9:24:

„Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad ...”

Gabriël spreekt tot Daniël. „Uw volk” is Israël en „uw heilige stad” is Jeruzalem. De profetie behandelt vervolgens de herbouw van Jeruzalem, de Messias, stad en heiligdom, slachtoffer en spijsoffer en de verwoestende gruwel.


Niets in Daniël 9 verandert het onderwerp tussen vers 24 en vers 27. Ook de laatste week blijft bepaald over Israël en Jeruzalem.


Dat bewijst op zichzelf nog niet dat de gemeente afwezig moet zijn. Tijdens Daniëls week zijn immers ook heidense volken op aarde. Maar het legt wel een onmisbare grens vast: de zeventigste week behoort niet tot het eigen profetische programma van het lichaam van Christus. Zij is het slot van Gods vastgestelde weg met Daniëls volk en stad.



De gemeente behoort bij de tussenperiode na week 69


Daniël verdeelt de zeventig weken in zeven, tweeënzestig en één. Na zeven plus tweeënzestig weken wordt de Messias uitgeroeid. Daarna worden stad en heiligdom verwoest. Vervolgens beschrijft vers 27 de ene resterende week.


De tekst laat dus zelf ruimte tussen week 69 en week 70. In die niet-meegerekende tussenperiode openbaart het Nieuwe Testament een werk dat in vroegere eeuwen verborgen was.


Paulus noemt in Efeze 3:3-6 „de verborgenheid van Christus”: gelovige heidenen zijn samen met gelovige Joden mede-erfgenamen en leden van hetzelfde lichaam. Volgens 1 Korinthe 12:13 worden zij allen door één Geest tot één lichaam gedoopt.


De gemeente is daarom niet eenvoudig een nieuwe naam voor het nationale Israël van Daniël 9. Zij is het lichaam van Christus, waarin Jood en heiden geestelijk één zijn.


Romeinen 11 laat vervolgens zien dat Israëls huidige toestand tijdelijk is:

„... dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn.”
— Romeinen 11:25

De woorden „voor een deel” en „totdat” zijn beslissend. God heeft Israël niet voorgoed verstoten. De huidige gedeeltelijke verharding kent een grens; daarna gaat Gods aangekondigde weg met Israël verder en zal de Verlosser uit Sion komen (Romeinen 11:26-27).


Handelingen 15 geeft dezelfde beweging. God bezoekt eerst de heidenen om uit hen een volk voor Zijn Naam aan te nemen. Daarna spreekt de profetie over het wederopbouwen van Davids vervallen tabernakel (Handelingen 15:14-17).


De Schrift laat daardoor een herkenbare volgorde zien:


  1. Israëls negenenzestig weken zijn doorlopen;
  2. de Messias wordt uitgeroeid;
  3. het verborgen lichaam van Christus wordt uit Jood en heiden gevormd;
  4. de volheid van deze huidige roeping wordt bereikt;
  5. God hervat Zijn laatste bepaalde week over Israël en Jeruzalem.


Hoe eindigt de huidige gemeenteperiode? Paulus openbaart daarvoor niet een nationale bekering of een aardse machtswisseling, maar de opstanding, verandering en opname van degenen die in Christus zijn.



Paulus plaatst de opname vóór de Dag des Heeren


De hoofdstukgrens tussen 1 Thessalonicenzen 4 en 5 mag de doorgaande gedachtegang niet verbergen.


Hoofdstuk 4 eindigt met de opname en de woorden:

„Zo dan, vertroost elkander met deze woorden.”

Paulus vervolgt onmiddellijk:

„Maar van de tijden en de gelegenheden, broeders! hebt gij niet van node, dat men u schrijve. Want gij weet zelven zeer wel, dat de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een dief in den nacht.”
— 1 Thessalonicenzen 5:1-2

Daarna volgt een scherpe tegenstelling:

„Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een haastig verderf hun overkomen ... en zij zullen het geenszins ontvlieden.”
— 1 Thessalonicenzen 5:3

Paulus spreekt eerst over wij die tot Christus worden opgenomen en daarna over zij die door het plotselinge verderf worden overvallen. Vervolgens zegt hij tegen de gelovigen:

„Want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid, door onzen Heere Jezus Christus.”
— 1 Thessalonicenzen 5:9

Dit gaat in de context niet uitsluitend over bevrijding van de eeuwige hel. Paulus behandelt de komende Dag des Heeren, het plotselinge verderf en Gods toorn over de aarde. De gemeente is niet voor die bestemming aangewezen.



Dat sluit aan op de verwachting waarmee de brief begon. De Thessalonicenzen hadden zich tot God bekeerd:

„... en Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten ... namelijk Jezus, Die ons verlost van den toekomenden toorn.”
— 1 Thessalonicenzen 1:10

De gemeente wacht dus niet op de Antichrist om te weten dat haar verlossing nabij is. Zij wacht op Gods Zoon, Die haar uit de komende toorn redt.


Eén vers zegt hier niet letterlijk: „de opname vindt vóór het verbond van Daniël 9:27 plaats.” Maar de doorgaande volgorde is helder: opname tot Christus, daarna de Dag des Heeren en het plotselinge verderf dat „zij” niet ontvlieden, terwijl „wij” niet tot die toorn zijn gesteld.



Ook de eerste helft bevat werkelijke Goddelijke oordelen


Soms wordt de opname wel vóór de grote verdrukking, maar pas rond het midden van Daniëls week geplaatst. Daarvoor wordt gezegd dat Gods werkelijke toorn pas in de tweede helft begint.


Openbaring laat echter al vóór die laatste 42 maanden oordelen zien die rechtstreeks vanuit Gods hemelse regering komen. In Openbaring 8 wordt vuur van het hemelse altaar op de aarde geworpen. Daarna bazuinen Gods engelen:


  • de aarde en het plantengebied worden getroffen;
  • de zee wordt getroffen;
  • rivieren en waterbronnen worden getroffen;
  • zon, maan en sterren worden getroffen;
  • bij het eerste wee worden mensen vijf maanden bovennatuurlijk gepijnigd;
  • bij de zesde bazuin wordt een derde van de mensen gedood.


Deze oordelen zijn nog begrensd. Herhaaldelijk wordt slechts „het derde deel” getroffen. Later worden Gods fiolen vol en ongemengd uitgegoten en wordt Zijn toorn voleindigd. Maar begrensde toorn is nog steeds Goddelijke toorn.


Daarom kan de volledige eerste helft niet als een neutrale, oordeelvrije periode worden behandeld waar de gemeente rustig doorheen gaat. Een opname pas bij het midden botst met Paulus’ uitspraak dat God ons niet tot de komende toorn heeft gesteld.


Hier moet wel een belangrijke grens worden bewaard. De Schrift zegt niet rechtstreeks dat de eerste bazuin op exact hetzelfde ogenblik klinkt waarop het verbond van Daniël 9:27 wordt versterkt. De pre-tribconclusie hoeft daar ook niet van af te hangen. De bazuinen bewijzen dat Gods oordeel reeds vóór de grote verdrukking werkzaam is; andere Schriftlijnen bepalen dat het lichaam van Christus vóór het gehele hervatte Israëlprogramma wordt weggenomen.



Christus belooft bewaring uit de wereldwijde ure


Openbaring 3:10 gaat verder dan de belofte dat gelovigen bij bepaalde plagen veilig zullen blijven:

„Omdat gij het woord Mijner lijdzaamheid bewaard hebt, zo zal Ik ook u bewaren uit de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken, die op de aarde wonen.”

Christus spreekt over:


  • een bepaalde ure;
  • die over de hele wereld komt;
  • met „die op de aarde wonen” als haar doelgroep.


Die laatste uitdrukking keert in Openbaring terug. De aardbewoners worden door de weeën getroffen, verheugen zich over de dood van Gods getuigen en aanbidden het beest (Openbaring 8:13; 11:10; 13:8, 14). Openbaring 3:10 kijkt dus vooruit naar precies het wereldwijde oordeelcomplex dat het vervolg van het boek beschrijft.


De belofte luidt niet alleen: „Ik zal u voor een bepaalde plaag bewaren”, maar: „Ik zal u bewaren uit de ure.” Het voorwerp van de bewaring is de tijdsperiode zelf.



Maar gebruikt Johannes 17:15 niet soortgelijke woorden?


Jezus bidt daar:

„Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van den boze.”

Deze tekst is een noodzakelijke tegenproef. Hij laat zien dat „bewaren uit/van” niet als losse woordcombinatie automatisch lichamelijke verwijdering betekent. In Johannes 17 blijven de discipelen in de wereld en worden zij tegen de boze bewaard.


Het verschil zit in het voorwerp. In Johannes 17 worden zij bewaard van de boze terwijl zij in de wereld dienen. In Openbaring 3 worden zij bewaard uit de ure die over de gehele wereld komt. Een gelovige kan midden in een tijdperk tegen een vijand worden beschermd; bewaring uit de tijdsperiode zelf wijst op niet deelnemen aan die ure.


Openbaring maakt het verschil bovendien zichtbaar. De 144.000 worden op aarde verzegeld en vervolgens binnen het oordeel beschermd. Bij bazuin 5 mogen zij niet worden getroffen. Dat is bescherming tijdens de ure. Aan de gemeente belooft Christus echter bewaring uit de ure.


Johannes 17 ontkracht Openbaring 3:10 daarom niet. Het voorkomt alleen dat wij onze conclusie uit twee woorden los van hun voorwerp en context afleiden. De wereldwijde tijdsaanduiding, de aardbewoners, het contrast met de 144.000 en de rest van Openbaring leggen gezamenlijk uitsluiting uit die ure vast.



Geldt de belofte alleen voor Filadelfia?


De brief is rechtstreeks aan de gemeente te Filadelfia geschreven. Dat moet worden erkend. Tegelijk eindigt iedere gemeentebrief met de oproep te horen wat de Geest „tot de gemeenten” zegt. De boodschap reikt dus verder dan één plaatselijke samenkomst.


De opname zelf is bovendien geen beloning voor een geestelijke elite. In 1 Korinthe 15 zegt Paulus niet dat alleen de waakzaamste gelovigen veranderd worden, maar: „wij zullen allen veranderd worden.” In 1 Thessalonicenzen 4 is de bepalende positie „in Christus”. De eenheid van Zijn lichaam verhindert dat een deel van dat lichaam in de hemel wordt opgenomen terwijl een ander deel als lichaam op aarde achterblijft.


Openbaring 3:10 staat daarom niet op zichzelf, maar bevestigt voor de gemeenten wat Paulus over de bestemming van het gehele lichaam leert.



Openbaring 4:1 plaatst de opname vóór de zegels


Christus gaf Johannes reeds aan het begin van Openbaring de indeling van het boek:

„Schrijf, hetgeen gij gezien hebt, en hetgeen is, en hetgeen geschieden zal na dezen.”
— Openbaring 1:19

Johannes had Christus in Zijn heerlijkheid gezien. Daarna schrijft hij „hetgeen is”: de boodschappen aan de zeven gemeenten. Die zeven waren werkelijke plaatselijke gemeenten, maar zij vormen binnen Openbaring tegelijk de volledige voorstelling van het gemeentegetuigenis op aarde. Na de zevende brief begint een nieuw deel:

„Na dezen zag ik, en ziet, een deur was geopend in den hemel; en de eerste stem, die ik gehoord had, als van een bazuin met mij sprekende, zeide: Kom hier op, en Ik zal u tonen, hetgeen na dezen geschieden moet.”
— Openbaring 4:1

„Na dezen” staat tweemaal in één vers. De eerste keer markeert het de overgang ná de zeven gemeenten. De tweede keer grijpt terug op de indeling van Openbaring 1:19: Johannes zal nu zien wat na „hetgeen is” geschieden moet. Dit is daarom niet slechts een verandering van decor zonder chronologische betekenis.


De woorden „Kom hier op” worden rechtstreeks tot Johannes gesproken. Hij zegt in het volgende vers dat hij terstond „in den geest” was. Johannes ondergaat hier niet lichamelijk de toekomstige opname van alle gelovigen. Dat neemt de profetische betekenis van zijn opgang echter niet weg. Heel Openbaring wordt hem in gezichten getoond, en de handelingen in die gezichten beelden werkelijke toekomstige gebeurtenissen uit. Johannes ziet in den geest ook de grote hoer, de oordelen, Christus’ wederkomst en het Nieuwe Jeruzalem. Geen van die werkelijkheden wordt denkbeeldig doordat hij ze in den geest ziet.


Binnen dit profetische gezicht beeldt Johannes’ opgang de opnameovergang uit. De onderdelen staan niet los naast elkaar:


  • de volledige voorstelling van de Gemeente op aarde is afgesloten;
  • een deur staat geopend in de hemel;
  • Christus’ stem klinkt als een bazuin;
  • de hemelse oproep luidt: „Kom hier op”;
  • Johannes bevindt zich onmiddellijk in Gods troonzaal;
  • daar wordt de volledige Gemeente gekroond en in witte klederen voorgesteld;
  • pas daarna neemt het Lam het boek en opent Hij de zegels.


De volledige leerstellige beschrijving van de lichamelijke opname staat in 1 Thessalonicenzen 4:16–17 en 1 Korinthe 15:51–52. Daar staan de doden in Christus op, worden de levende gelovigen veranderd en wordt het gehele lichaam tot de Heere opgenomen. Openbaring 4 herhaalt niet ieder onderdeel van die uitleg, maar toont dezelfde overgang profetisch: van de Gemeente op aarde naar de Gemeente in de hemel, vóórdat het aardse oordeelspanorama wordt geopend.



Openbaring gebruikt een overeenkomstige hemelse oproep later bij de twee getuigen:

„Komt herwaarts op.”

Vervolgens:

„En zij voeren op naar den hemel in de wolk.”
— Openbaring 11:12

De woorden „Kom hier op” passen dus bij een werkelijke beweging van de aarde naar de hemel. In Openbaring 4 wordt die beweging aan Johannes in het gezicht voltrokken; in de opbouw van het boek beeldt zij de opname van de Gemeente uit.



De 24 ouderlingen bevestigen wie na de opname in de hemel is


Openbaring 4 en 5 voegen een bijzonder sterke lijn toe. Johannes ziet rondom Gods troon 24 ouderlingen:


  • zij zitten op tronen;
  • zij dragen witte klederen;
  • zij hebben gouden kronen;
  • zij aanbidden God en het Lam.


Deze kenmerken sluiten rechtstreeks aan op de beloften die Christus zojuist aan de gemeenten heeft gegeven:

Belofte aan de gemeenten Werkelijkheid bij de ouderlingen
witte klederen — Openbaring 3:5 gekleed met witte klederen — Openbaring 4:4
een kroon — Openbaring 2:10; 3:11 gouden kronen — Openbaring 4:4
met Christus op Zijn troon zitten — Openbaring 3:21 rondom Gods troon gezeten — Openbaring 4:4
gemaakt tot koningen en priesters — Openbaring 1:6 koningen en priesters — Openbaring 5:10

Hun lied maakt duidelijk dat het niet slechts om engelen gaat:

„... Gij zijt geslacht, en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie; en Gij hebt ons onzen God gemaakt tot koningen en priesters ...”
— Openbaring 5:9-10

Zij spreken als door Christus’ bloed gekochte mensen uit de volken. Zij worden bovendien afzonderlijk genoemd naast de engelen in Openbaring 5:11. Later vraagt één van de ouderlingen aan Johannes wie de grote schare uit de grote verdrukking is (Openbaring 7:13-14). De ouderlingen zijn dus al aanwezig en onderscheiden van deze later getoonde verdrukkingheiligen.


De 24 ouderlingen vormen daarmee een hemelse, vertegenwoordigende groep van gekroonde en verheerlijkte verlosten. Hun profiel komt uitzonderlijk nauw overeen met de positie en beloften van de gemeente.


En wanneer bevinden zij zich daar? Voordat het Lam de zegels van het boek opent en het komende oordeelspanorama ontvouwt.


De opgang van Johannes en de aanwezigheid van de ouderlingen verklaren elkaar. „Kom hier op” toont de profetische opnameovergang; de troonzaal toont vervolgens wie door die overgang in de hemel aanwezig is. De met bloed gekochte, gekroonde en op tronen gezeten Gemeente bevindt zich reeds bij God vóór de opening van het oordeelcomplex. Daarmee plaatst Openbaring de opname niet midden in of na de zegels, maar ervóór.



Christus neemt de Zijnen eerst tot Zich


In Johannes 14 zegt Jezus:

„In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen ... Ik ga heen om u plaats te bereiden.”

En vervolgens:

„... zo kome Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt waar Ik ben.”
— Johannes 14:2-3

De beweging is duidelijk:


  • Christus gaat naar het huis van de Vader;
  • Hij bereidt daar plaats;
  • Hij komt voor de Zijnen;
  • Hij neemt hen tot Zich;
  • zij zullen zijn waar Hij is.


Dat sluit nauw aan op 1 Thessalonicenzen 4: opgenomen worden, de Heere tegemoetgaan en altijd met Hem zijn.


Bij Zijn zichtbare wederkomst zien we vervolgens een andere beweging. In Openbaring 19 wordt de hemel geopend en komt Christus als Koning der koningen om de volken te oordelen. Hemelse legers volgen Hem, gekleed met wit en rein fijn lijnwaad. Eerder in hetzelfde hoofdstuk wordt het fijne lijnwaad verbonden met de rechtvaardigmakingen der heiligen.


Ook de volgorde binnen Openbaring 19 is veelzeggend. Vóór de hemel opengaat voor Christus’ zichtbare komst, is de bruiloft des Lams gekomen en heeft Zijn vrouw zich bereid; haar wordt gegeven bekleed te worden met rein fijn lijnwaad (Openbaring 19:7-8). Daarna verschijnt Christus uit de hemel en volgen de hemelse legers Hem in datzelfde witte en reine lijnwaad. De bruid bevindt zich dus niet nog als gemeente op aarde terwijl Hij voor de oorlog neerdaalt; zij is vóór die openbare komst reeds in de hemelse heerlijkheid bij Hem.



Kolossenzen 3:4 zegt eveneens:

„Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.”

Eerst neemt Christus de Zijnen tot Zich. Later worden zij bij Zijn openbare verschijning met Hem geopenbaard. Dat is veel meer dan een denkbeeldige beweging waarbij gelovigen Hem aan het einde enkele ogenblikken in de lucht ontmoeten en onmiddellijk omkeren. Johannes 14 geeft hun een werkelijke bestemming bij Christus in het huis van de Vader; Openbaring toont verheerlijkte verlosten daar vóór het oordeel en de hemelse heiligen bij Hem wanneer Hij zichtbaar verschijnt.



Zodra het eindtijdprogramma wordt ontvouwd, staat Israël centraal


De overgang in Openbaring past precies bij Daniël 9 en Romeinen 11.


Openbaring 2 en 3 spreken herhaaldelijk tot de gemeenten. Daarna toont Openbaring het hemelse troongebied en de gekroonde verlosten. Wanneer het aardse oordeelprogramma wordt ontvouwd, verschijnen onder meer:


  • 144.000 verzegelde dienstknechten uit de stammen van Israël;
  • de tempel en het altaar;
  • de heilige stad;
  • Jeruzalem, waar de Heere gekruisigd werd;
  • twee bijzondere profetische getuigen;
  • de vrouw Israël;
  • Judea, vlucht en grote verdrukking in Jezus’ parallelle profetie.


De afwezigheid van het woord „gemeente” na Openbaring 3 bewijst op zichzelf geen opname. Een conclusie uit stilzwijgen is daarvoor te zwak. Maar het veranderde programma is wel betekenisvol nadat de positieve opname- en bewaringsteksten zijn vastgesteld.


Het lichaam van Christus wordt nergens als lichaam op aarde binnen Daniëls zeven jaren geplaatst. In plaats daarvan zien we precies de personen, plaatsen en instellingen die bij Daniëls volk en heilige stad horen.


De aarde blijft na de opname ook niet zonder getuigenis. God verzegelt 144.000 Israëlische dienstknechten, geeft Zijn twee getuigen macht en laat later zelfs een engel het eeuwige Evangelie verkondigen. Dat er tijdens Daniëls week mensen tot geloof komen, betekent dus niet dat de vóór die week gevormde gemeente nog op aarde aanwezig is.



De gemeente wordt geleerd Christus te verwachten


De nieuwtestamentische verwachting is steeds op Christus Zelf gericht:


  • de Thessalonicenzen verwachten Gods Zoon uit de hemelen — 1 Thessalonicenzen 1:10;
  • wij verwachten de Zaligmaker uit de hemel — Filippenzen 3:20;
  • wij verwachten de zalige hoop en verschijning van Christus’ heerlijkheid — Titus 2:13;
  • de Korinthiërs verwachten de openbaring van Jezus Christus — 1 Korinthe 1:7;
  • „de toekomst des Heeren genaakt” — Jakobus 5:8;
  • Christus zegt: „Ja, Ik kom haastelijk” — Openbaring 22:20.


Geen van deze teksten zegt op zichzelf: „er kan absoluut niets meer vóór de opname gebeuren.” Wij hoeven van de verwachting van Christus geen losstaand technisch bewijs te maken.


Maar de gezamenlijke toon is wel belangrijk. De gemeente wordt niet geleerd eerst het zevenjarige verbond, de gruwel, het merkteken of de zesde bazuin af te wachten. Haar hoop is een Persoon: de Heere Die haar tot Zich neemt.


Dat past bij een opname vóór Daniëls week. Wie de opname pas na herkenbare gebeurtenissen binnen die week plaatst, maakt in de praktijk die gebeurtenissen tot de eerstvolgende noodzakelijke verwachting van de gemeente.



Belangrijke tegenwerpingen getoetst


Een cumulatieve conclusie moet ook de moeilijkste tegenlezingen kunnen dragen.



Worden de uitverkorenen volgens Mattheüs 24 niet pas na de verdrukking verzameld?


Mattheüs 24:29-31 staat uitdrukkelijk na de grote verdrukking. Maar de context is niet die van 1 Thessalonicenzen 4. Jezus spreekt over Daniël, de gruwel in de heilige plaats, Judea, vlucht naar de bergen en de sabbat. Daarna verschijnt Hij zichtbaar en verzamelen engelen Zijn uitverkorenen uit de vier windstreken.


Het Oude Testament gebruikt diezelfde taal voor Israëls eindtijdse herverzameling. Deuteronomium 30:3-4 spreekt over het verzamelen van Gods verstrooide volk tot aan het uiterste des hemels. Jesaja 11:12 spreekt over Israëls verdrevenen uit de vier einden der aarde. Jesaja 27:13 verbindt een grote bazuin met de terugkeer van verstrooiden om de HEERE te Jeruzalem te aanbidden.


Mattheüs 24 noemt bovendien niet de doden in Christus die opstaan, de levende gelovigen die veranderd worden of een ontmoeting met de Heere in de lucht. Het beschrijft de zichtbare komst en Israëls profetische herverzameling, niet de opname van het lichaam van Christus.



Is de „laatste bazuin” van 1 Korinthe 15 niet de zevende bazuin?


De Schrift maakt die identificatie nergens.


Bij de bazuin in 1 Korinthe 15 worden doden onverderfelijk opgewekt en levende gelovigen veranderd. Bij de zevende engelenbazuin in Openbaring 11 wordt het koningschap uitgeroepen, zijn de volken toornig, wordt Gods toorn aangekondigd en volgt het verdere oordeelcomplex. Openbaring zegt daar niet dat het lichaam van Christus van de aarde wordt opgenomen.


Ook de aanduidingen verschillen. 1 Thessalonicenzen 4 spreekt over „de bazuin Gods”; Openbaring spreekt over de zevende engel die bazuint. Het woord „laatste” betekent niet automatisch: de laatste bazuin die in iedere latere profetie ooit genoemd zal worden.



Leert 2 Thessalonicenzen 2 dat de gemeente eerst de mens der zonde moet zien?


Paulus schrijft over „de toekomst van onzen Heere Jezus Christus, en onze toevergadering tot Hem” en waarschuwt vervolgens tegen de gedachte dat de Dag van Christus reeds aanwezig was. Hij noemt de afval, de openbaring van de mens der zonde en diens godslasterlijke tempeldaad.


Het onderwerp van de waarschuwing is de vermeende aanwezigheid van die Dag. De genoemde kenmerken bewijzen dat de aangekondigde eindtijdsfase niet reeds ongemerkt was aangebroken. Paulus zegt niet: „het lichaam van Christus moet eerst de mens der zonde in de tempel zien en wordt pas daarna opgenomen.”


De passage zegt ook dat de ongerechtige pas wordt geopenbaard nadat de huidige wederhouding uit het midden is weggedaan. Paulus noemt de wederhouder niet in één verklarende bijzin, maar de som van de Schrift identificeert hem krachtig als de Heilige Geest in Zijn bijzondere bediening in en door de gemeente. De Geest heeft de gemeente tot één lichaam gevormd en woont in haar als Gods tempel (1 Korinthe 3:16; 12:13; Efeze 2:22). Wanneer dat lichaam vóór de komende toorn wordt opgenomen, verdwijnt de door de Geest bewoonde gemeente als aardse wederhoudende aanwezigheid. De Heilige Geest houdt daarbij niet op God of alomtegenwoordig te zijn; Zijn bijzondere inwonende en wederhoudende gemeente-bediening op aarde eindigt.


„De afval” hoeft daarbij niet als lichamelijk vertrek of als een tweede benaming voor de opname te worden vertaald. De opname is al uitdrukkelijk genoemd als „onze toevergadering tot Hem” in vers 1. De rest van het hoofdstuk vult de afval in met ongerechtigheid, verwerping van de liefde der waarheid, satanische leugen en een kracht der dwaling (2 Thessalonicenzen 2:7-12).


De onmiddellijke en profetische context wijst daarom het sterkst op de grote eindtijdige afval die na de opname en het verdwijnen van de wederhouding openlijk doorbreekt. Zij ontwikkelt zich gedurende de eerste helft samen met de politieke opkomst van de kleine hoorn en loopt vanaf het midden uit op de volledige aanvaarding en aanbidding van de geopenbaarde mens der zonde als het beest (Daniël 7:8,24; Mattheüs 24:9-15; Openbaring 13:3-17).


Dit betekent niet dat de gemeente op aarde moet blijven om die afval of de tempeldaad mee te maken. Paulus noemt deze gebeurtenissen als kenmerken die bewezen dat de aangekondigde Dag niet reeds ongemerkt aanwezig was. De opname vóór de week wordt door de overige Schriftlijnen zelfstandig vastgelegd; zij hangt niet af van de betekenis van één woord.


Hoe deze openbaring van de mens der zonde zich verhoudt tot zijn eerdere politieke opkomst en zijn laatste 42 maanden, wordt verder uitgewerkt in: Wanneer wordt de Antichrist geopenbaard?



Geeft 2 Thessalonicenzen 1 de gelovigen pas rust bij de zichtbare komst?


Paulus bemoedigt vervolgde gelovigen dat God hun verdrukkers rechtvaardig zal vergelden en hun rust zal geven wanneer Jezus zichtbaar uit de hemel wordt geopenbaard (2 Thessalonicenzen 1:6-10).


Dat gedeelte beschrijft de openbare omkering: Christus wordt verheerlijkt in Zijn heiligen en de vervolgers ontvangen vergelding. Het zegt niet dat de heiligen pas op dat ogenblik voor het eerst bij Christus komen of dat hun lichamen dan pas veranderd worden. De opname kan eerder hebben plaatsgevonden, terwijl hun rust en recht bij de zichtbare verschijning voor de hele wereld openbaar worden.


De tekst bepaalt het moment van de publieke vergelding, niet zelfstandig het tijdstip van de opname.



Is de grote schare uit Openbaring 7 dan niet de opgenomen gemeente?


Openbaring 7 toont een ontelbare schare uit alle volken die uit de grote verdrukking komt. Dat bewijst dat tijdens die periode een geweldige menigte wordt gered. Het bewijst niet dat het vóór de week bestaande lichaam van Christus op aarde is gebleven.


De schare wordt niet beschreven met de kenmerken van 1 Thessalonicenzen 4: geen opstanding van de doden in Christus, geen verandering van levende gelovigen en geen gezamenlijke opname in de lucht. Eén van de 24 ouderlingen vraagt bovendien wie deze mensen zijn. De gekroonde ouderlingen waren dus al aanwezig en worden van deze schare onderscheiden.


Openbaring 7 laat verdrukkingheiligen zien die door Christus’ bloed gereinigd zijn. Redding blijft ook tijdens Daniëls week uitsluitend mogelijk door het Lam. Hun aanwezigheid maakt hen echter niet automatisch tot de gemeente die vóór de wereldwijde ure werd weggenomen.



Noemt Openbaring 20 dit niet de „eerste opstanding”?


Openbaring 20 toont martelaren uit de beestperiode die levend worden en met Christus regeren. Dit wordt de eerste opstanding genoemd.


„Eerste opstanding” kan niet betekenen dat dit de allereerste lichamelijke opstanding op één kalenderdag is. Christus is immers al opgestaan als Eersteling. Ook zegt 1 Korinthe 15:23: „een iegelijk in zijn orde.”


De Schrift onderscheidt twee opstandingsorden:


  • de opstanding des levens;
  • de opstanding der verdoemenis.


De rechtvaardige doden uit de voorafgaande tijden worden vóór het duizendjarig Koninkrijk ten leven opgewekt. De overige doden die bij het begin van die duizend jaren reeds gestorven zijn, blijven nog duizend jaar dood en verschijnen daarna voor de grote witte troon. Deze formulering zegt nog niets over mensen die pas tijdens het millennium worden geboren en later sterven. Binnen de opstanding ten leven bestaan verschillende fasen: Christus als Eersteling, de doden in Christus bij de opname en later de rechtvaardigen en martelaren die bij het Koninkrijksprogramma horen.


Openbaring 20 weerspreekt een eerdere opstanding van de gemeente daarom niet.



Wat we niet nodig hebben om pre-trib te bewijzen


Een sterke Schriftzaak wordt zuiverder wanneer zwakke argumenten niet dragend worden gemaakt. Daarom hoeft dit artikel niet te beweren:


  • dat het ontbreken van het woord „gemeente” na Openbaring 3 zelfstandig alles bewijst;
  • dat Henoch een sluitend chronologisch type van de gemeente is;
  • dat 2 Thessalonicenzen 2 in één afzonderlijke zin expliciet zegt: „de wederhouder is de Heilige Geest in de gemeente” — die identificatie ligt cumulatief in de som van de Schrift vast;
  • dat apostasia noodzakelijk „de opname” betekent;
  • dat de eerste witte ruiter bewezen de Antichrist is;
  • dat de twee getuigen bewezen op de eerste dag van de week beginnen;
  • dat bazuin 1 aantoonbaar op exact hetzelfde moment als het verbond van Daniël 9:27 klinkt.


Geen van deze punten is nodig voor de hoofdconclusie.



Wat staat vast en wat blijft open?


De Schrift legt rechtstreeks vast:


  • Christus zal de doden in Hem opwekken en de levende gelovigen veranderen en opnemen;
  • de bestemming van de gemeente is bij Christus;
  • zij is niet gesteld tot de komende toorn;
  • Christus verlost haar van die toorn;
  • Hij belooft bewaring uit de wereldwijde ure die over de aardbewoners komt;
  • Daniëls weken zijn bepaald over Israël en Jeruzalem.


De gezamenlijke Schriftlijnen leggen vervolgens stevig vast:


  • de huidige gemeenteperiode behoort bij de onderbreking na week 69;
  • de opname voltooit de aardse aanwezigheid van het lichaam van Christus in deze bedeling;
  • Johannes’ opgang in Openbaring 4:1 beeldt na de zeven gemeenten de opnameovergang uit;
  • het tweemaal herhaalde „na dezen” plaatst het volgende profetische deel ná die overgang;
  • daarna wordt Gods laatste bepaalde programma over Israël en Jeruzalem hervat;
  • de gekroonde en met bloed gekochte verlosten bevinden zich vóór het oordeelspanorama in de hemel;
  • de gemeente wordt daarom vóór Daniëls volledige zeventigste week opgenomen;
  • bij Christus’ zichtbare komst zijn de heiligen reeds bij Hem en worden zij met Hem geopenbaard.


Wat de Schrift niet zegt, is hoeveel uren, dagen, weken of langer er tussen de opname en het versterken van het verbond in Daniël 9:27 liggen. „Vóór de week” betekent daarom niet dat wij een exact aftelmoment kunnen berekenen. De volgorde is geopenbaard; de tussenruimte niet.



De tijdlijn in één overzicht

Fase Wat gebeurt er? Schriftlijnen
Huidige gemeenteperiode Jood en heiden worden in Christus tot één lichaam gevormd Efeze 3:3-6; 1 Korinthe 12:13
Opname Doden in Christus staan op; levende gelovigen worden veranderd; allen gaan de Heere tegemoet 1 Thessalonicenzen 4:16-17; 1 Korinthe 15:51-52
Hemelse overgang en positie Na de zeven gemeenten klinkt „Kom hier op”; Christus neemt de Zijnen tot Zich en de gekroonde Gemeente is rond Gods troon Johannes 14:2-3; Openbaring 4:1–5:10
Daniëls zeventigste week Gods laatste zevenjarige programma over Israël en Jeruzalem begint Daniël 9:24; 27
Midden van de week Offers stoppen; gruwel in de heilige plaats; grote verdrukking begint Daniël 9:27; Mattheüs 24:15-21
Einde van de week Christus verschijnt zichtbaar; heiligen worden met Hem geopenbaard; het beest wordt vernietigd Kolossenzen 3:4; 2 Thessalonicenzen 2:8; Openbaring 19:11-21


Wat betekent dit voor gelovigen?


Wie in Jezus Christus gelooft, hoeft niet te leven in angst voor het merkteken, de Antichrist, de bazuinen of de fiolen. De gelovige behoort tot Christus’ lichaam en zijn verwachting is Christus Zelf.


Dat is geen reden voor onverschilligheid. De hoop op Zijn komst roept op tot waakzaamheid, heiliging, trouw en evangelisatie. Wie weet dat Christus kan komen en dat Gods oordeel werkelijk volgt, heeft alle reden om de beschikbare tijd te gebruiken.


De opname is bovendien geen beloning voor gelovigen die profetie beter begrijpen dan anderen. De grond is niet onze kennis, waakzaamheid of waardigheid, maar onze positie „in Christus”. Zijn lichaam wordt niet door menselijke verdienste gered, maar door Zijn genade.



Wat betekent dit als u Christus nog niet kent?


Dan is deze profetie geen onderwerp om alleen nieuwsgierig te bestuderen. Zij is een waarschuwing.


Gods komende oordeel is geen willekeurige uitbarsting. De wereld heeft haar Schepper verworpen en ieder mens heeft tegen God gezondigd. Niemand kan zichzelf door goede werken, kerkbezoek, volharding of kennis van de eindtijd rechtvaardig maken.


Maar God heeft een volkomen Redder gegeven. Jezus Christus stierf voor onze zonden, werd begraven en stond op de derde dag uit de doden (1 Korinthe 15:3-4). Hij droeg het oordeel en heeft door Zijn opstanding de dood overwonnen.


De Bijbelse oproep is niet: bereid u voor om Daniëls week te overleven. Zij luidt:

„Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden.”
— Handelingen 16:31

Eeuwig leven is Gods gave. Vertrouw niet op uzelf, maar op Christus alleen. Wie in Hem gelooft, wordt een lid van Zijn lichaam en mag de Zaligmaker uit de hemel verwachten.



Conclusie


De Bijbel geeft geen los vers met de woorden: „de gemeente wordt vóór het zevenjarige verbond opgenomen.” God heeft de waarheid over verschillende Schriftgedeelten verdeeld. Wanneer die zonder kunstmatige gelijkstellingen worden samengebracht, ontstaat echter één duidelijke volgorde.


Daniëls zeventigste week is Gods laatste bepaalde programma over Israël en Jeruzalem. De gemeente behoort bij de huidige verborgenheidsperiode tussen week 69 en week 70. Voor dat lichaam heeft Christus een eigen toekomst geopenbaard: de doden in Hem staan op, de levenden worden veranderd en samen worden zij tot Hem opgenomen.


Paulus plaatst daarna de Dag des Heeren, het plotselinge verderf en de komende toorn waartoe de gemeente niet is gesteld. Christus belooft haar bewaring uit de wereldwijde ure zelf. Openbaring sluit daar chronologisch op aan. Na de zeven gemeenten gaat de hemel open, klinkt Christus’ stem als een bazuin en hoort Johannes: „Kom hier op.” Hij zal zien wat „na dezen” geschieden moet. Zijn opgang beeldt de opnameovergang uit; onmiddellijk daarna staat de met Christus’ bloed gekochte en gekroonde Gemeente rondom Gods troon. Pas vervolgens neemt het Lam het boek en opent Hij de zegels. Daarna staan Israël, Jeruzalem, de tempel en Gods bijzondere eindtijdgetuigen centraal. Bij Christus’ openbare komst bevinden de heiligen zich al bij Hem en worden zij met Hem geopenbaard.


Daarom luidt de cumulatief vaststaande conclusie:


Het lichaam van Christus wordt vóór het begin van Daniëls volledige zeventigste week opgenomen. De gemeente gaat niet door de eerste helft en niet door de grote verdrukking.


Hoeveel tijd precies tussen de opname en het verbond van Daniël 9:27 ligt, heeft God niet geopenbaard. Dat hoeven wij niet te weten. Voor de gemeente is niet de datum gegeven, maar de Persoon op Wie zij wacht:

„Ja, Ik kom haastelijk. Amen. Ja, kom, Heere Jezus!”
— Openbaring 22:20