De Gemeente bij Christus

Rechterstoel, ouderlingen, bruiloft en voorbereiding op Christus’ terugkeer.

De Gemeente bij Christus

Rechterstoel, ouderlingen, bruiloft en voorbereiding op Christus’ terugkeer.

Na de opname is de volledige Gemeente bij Christus. Voor Zijn rechterstoel wordt haar wandel beoordeeld, niet haar eeuwige redding; de 24 ouderlingen vertegenwoordigen haar gekroonde, koninklijk-priesterlijke orde. Na het oordeel over Babylon is de vrouw gereed en keert zij met Christus terug, waarna het bruiloftsmaal in het Koninkrijk wordt gevierd.

Wat gebeurt er met de gemeente na de opname?

De opname wordt vaak vooral besproken als het moment waarop de gemeente van de aarde wordt weggenomen. De doden in Christus staan op, de levende gelovigen worden veranderd en samen worden zij de Heere tegemoet opgenomen in de lucht. Maar wat gebeurt er daarna? Waar is de gemeente terwijl Daniëls zeventigste week op aarde wordt voltrokken? Wanneer vindt de rechterstoel van Christus plaats? Wie zijn de vierentwintig ouderlingen rondom Gods troon? En hoe verhouden de rechterstoel, de bruiloft des Lams en Christus’ zichtbare wederkomst zich tot elkaar?


De Schrift geeft geen dagboek waarin iedere hemelse gebeurtenis over precies zeven jaren wordt verdeeld. Zij geeft wel een vaste en samenhangende volgorde.


Christus neemt Zijn gemeente tot Zich. Vanaf dat ogenblik is zij altijd bij Hem. Alle gelovigen verschijnen voor Zijn rechterstoel, niet om opnieuw over hun eeuwige redding te beslissen, maar om hun werk te laten beoordelen. Openbaring toont vervolgens gekroonde, in wit geklede en op tronen zittende verlosten rondom Gods troon. Zij vormen de koninklijk-priesterlijke vertegenwoordiging van het gehele opgenomen lichaam van Christus. Vóór de zichtbare wederkomst is de vrouw des Lams gereed en is de bruiloft gekomen. Daarna verschijnt Christus uit de hemel en worden de Zijnen met Hem geopenbaard in heerlijkheid.


Om deze volgorde te begrijpen, moeten we beginnen bij de bestemming die Christus Zelf aan Zijn gemeente heeft beloofd.



Christus neemt de gemeente werkelijk tot Zich


Paulus beschrijft de opname:

“Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan;
Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen.”
— 1 Thessalonicenzen 4:16–17

De opname eindigt niet bij een korte ontmoeting in de lucht. Paulus geeft onmiddellijk de blijvende uitkomst:

“En alzo zullen wij altijd met den Heere wezen.”

Paulus noemt bij Christus’ nederdalen drie nauw verbonden onderdelen: een geroep, de stem des archangels en de bazuin Gods. Zij vormen samen één machtige hemelse oproep waardoor Christus de Zijnen bijeenvergadert. De tekst zegt echter niet dat het geroep, de stem en de bazuin exact hetzelfde geluid zijn. Ook bij Sinaï onderscheidt de Schrift het geklank der bazuin van de stem der woorden (Exodus 19:16,19; Hebreeën 12:19). Wij mogen deze onderdelen daarom niet willekeurig scheiden, maar evenmin zonder tekstbewijs met elkaar vereenzelvigen.



Dat sluit precies aan bij wat Jezus vóór Zijn kruisiging beloofde:

“In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden.
En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben.”
— Johannes 14:2–3

De beweging is helder:


  • Christus gaat heen naar het huis van de Vader;
  • Hij bereidt plaats;
  • Hij komt terug voor de Zijnen;
  • Hij neemt hen tot Zich;
  • zij zullen zijn waar Hij is.


De gemeente ontmoet Christus dus niet om Hem onmiddellijk terug naar de oordelende aarde te begeleiden. Hij neemt haar eerst tot Zich. Later wordt zij met Hem geopenbaard wanneer Hij zichtbaar verschijnt.



De gemeente is gedurende Daniëls volledige zeventigste week bij Christus


De eerder vastgestelde Schriftlijnen plaatsen de opname vóór Daniëls volledige zeventigste week. Die week is bepaald over Daniëls volk en heilige stad: Israël en Jeruzalem. De gemeente behoort bij de huidige verborgenheidsorde waarin gelovige Joden en heidenen één lichaam in Christus vormen. Zij is niet gesteld tot de komende toorn en Christus belooft haar te bewaren uit de wereldwijde ure der verzoeking.


Hoe Mattheüs 13 Israël als de verborgen schat en de Gemeente als de ene kostbare parel onderscheidt, wordt afzonderlijk uitgewerkt in De verborgen schat en de kostbare parel uitgelegd


Wanneer dat lichaam wordt opgenomen, geldt vanaf dat ogenblik:

“Alzo zullen wij altijd met den Heere wezen.”

Christus bevindt Zich vóór Zijn openbare wederkomst in de hemelse heerlijkheid. Petrus zegt dat de hemel Hem moet ontvangen “tot de tijden der wederoprichting aller dingen” (Handelingen 3:21). In Openbaring 19 wordt de hemel geopend en komt Hij als Koning der koningen naar buiten om de volken te oordelen.


Daarom staat de plaats van de gemeente gedurende Daniëls week vast: zij is bij Christus. Omdat de Schrift niet zegt hoeveel tijd er precies tussen de opname en het verbond van Daniël 9:27 ligt, mogen wij niet beweren dat haar totale verblijf vóór de wederkomst exact zeven jaar duurt. De opname kan enige tijd vóór het begin van de week plaatsvinden. Maar gedurende de volledige zeven jaren op aarde bevindt het lichaam van Christus zich bij de Heere.


Wat gebeurt daar met de gemeente? De eerste rechtstreeks geopenbaarde gebeurtenis is haar verschijning voor Christus.



Alle gelovigen verschijnen voor de rechterstoel van Christus


Paulus schrijft:

“Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage, hetgeen door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.”
— 2 Korinthe 5:10

Romeinen 14 bevestigt dezelfde persoonlijke rekenschap:

“Want wij zullen allen voor den rechterstoel van Christus gesteld worden.”
— Romeinen 14:10

Niemand uit de gemeente wordt daarvan uitgezonderd. Niet alleen voorgangers, evangelisten of opvallend actieve gelovigen verschijnen voor Christus. Paulus zegt:


  • wij allen;
  • een iegelijk;
  • een iegelijk van ons zal voor zichzelf Gode rekenschap geven.


De rechterstoel is persoonlijk. Christus kent niet alleen de zichtbare hoeveelheid werk. Hij kent ook de kwaliteit, de trouw, de motieven en de verborgen raadslagen van het hart.



Paulus waarschuwt daarom niet vooruit te lopen op Christus’ oordeel:

“Zo dan oordeelt niets vóór den tijd, totdat de Heere zal gekomen zijn, Welke ook in het licht zal brengen, hetgeen in de duisternis verborgen is, en openbaren de raadslagen der harten; en alsdan zal een iegelijk lof hebben van God.”
— 1 Korinthe 4:5

Menselijke waardering kan zich vergissen. Een groot werk kan uit een verkeerd motief zijn gedaan; een nauwelijks opgemerkte daad kan in oprechte trouw zijn verricht. Christus alleen oordeelt volmaakt.



De rechterstoel beslist niet opnieuw over eeuwige redding


De rechterstoel van Christus mag nooit worden verward met de grote witte troon. Voor de rechterstoel verschijnen de reeds opgenomen en verheerlijkte leden van de Gemeente; hun wandel, dienst en loon worden beoordeeld, niet hun eeuwige redding. Voor de grote witte troon staan na de duizend jaren de dan nog op te wekken doden. Daar worden de werken beoordeeld en wordt het boek des levens geopend; alleen wie daarin niet geschreven gevonden wordt, ondergaat de tweede dood. De volledige ordening van deze en de andere oordeelsscènes staat in Welke oordelen noemt de Bijbel?


Jezus zegt over de gelovige:

“Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven.”
— Johannes 5:24

Wie gelooft:


  • heeft eeuwig leven;
  • komt niet in de verdoemenis;
  • is reeds uit de dood overgegaan in het leven.


Paulus zegt eveneens:

“Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn.”
— Romeinen 8:1

Christus heeft de zondeschuld van de gelovige volledig gedragen. De rechterstoel onderzoekt daarom niet of Zijn kruiswerk achteraf toch onvoldoende was. Het verschil tussen redding en loon wordt bijzonder helder in 1 Korinthe 3.



Christus is het enige fundament. Op dat fundament kan een gelovige bouwen met materiaal dat het vuur doorstaat, of met werk dat verbrandt. Paulus schrijft:

“Eens iegelijks werk zal openbaar worden; want de dag zal het verklaren, dewijl het door vuur ontdekt wordt; en hoedanig eens iegelijks werk is, zal het vuur beproeven.”
— 1 Korinthe 3:13

Wanneer het werk blijft, ontvangt de gelovige loon. Wanneer het verbrandt:

“Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur.”
— 1 Korinthe 3:15

Dit vers bewaart beide waarheden tegelijk:


  • een gelovige kan werkelijk schade en verlies lijden;
  • de gelovige zelf blijft werkelijk behouden.


Loon verliezen is nooit redding verliezen. Het scherpste voorbeeld van een behouden gelovige die door ontrouw werk, loon en verantwoordelijkheid verliest, staat in De onnutte dienstknecht van Mattheüs 25.

Eeuwig leven is Gods gave door geloof alleen; loon betreft de beoordeling van het leven nadat iemand op Christus als fundament staat.



Kronen, loon en toekomstige verantwoordelijkheid


De Schrift spreekt op verschillende plaatsen over kronen. Paulus vergelijkt de tijdelijke kroon van een aardse wedstrijd met een onverderfelijke kroon (1 Korinthe 9:25). Hij noemt gelovigen die door zijn bediening zijn bereikt zijn blijdschap en kroon bij Christus’ komst (1 Thessalonicenzen 2:19). Hij verwacht de kroon der rechtvaardigheid “in dien dag” (2 Timotheüs 4:8). Petrus spreekt over de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid (1 Petrus 5:4).


Christus zegt tegen Filadelfia:

“Zie, Ik kom haastelijk; houd dat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme.”
— Openbaring 3:11

Een kroon kan dus verloren gaan zonder dat eeuwig leven verloren gaat. De rechterstoel is geen schijnvertoning. Trouw heeft eeuwige betekenis en ontrouw kan werkelijk verlies veroorzaken.


Waarom dienst, gehoorzaamheid en goede werken na de redding werkelijk eeuwigheidswaarde hebben, wordt verder uitgelegd in Waarom zou ik God nog dienen, als ik toch naar de hemel ga?.


Toch moeten wij ook hier binnen de tekst blijven. De Bijbel geeft geen volledige hemelse loonlijst en zegt niet dat iedere genoemde kroon noodzakelijk een totaal afzonderlijk soort kroon vormt. Wel staat vast dat Christus trouw beloont en dat toekomstige verantwoordelijkheid met die beoordeling samenhangt.


De heiligen zullen de wereld oordelen (1 Korinthe 6:2). Christus belooft de overwinnaar macht over de heidenen en een plaats met Hem in Zijn heerschappij (Openbaring 2:26–27; 3:21). Alle verlosten delen in de koninklijk-priesterlijke orde, maar dat betekent niet dat ieder exact dezelfde taak, plaats of beloning ontvangt.



Openbaring 3 bereidt de overgang naar de hemel voor


Openbaring 2 en 3 bevatten Christus’ boodschappen aan zeven werkelijke gemeenten in Asia. Iedere brief had een rechtstreekse betekenis voor de genoemde plaatselijke gemeente. Tegelijk eindigt iedere brief met de oproep te horen wat de Geest “tot de gemeenten” zegt. De boodschappen reiken daarom verder dan één plaats en één generatie.


Wij hoeven niet eerst te bewijzen dat de zeven gemeenten exact zeven opeenvolgende tijdperken van de kerkgeschiedenis voorstellen. De tekst zelf geeft al een duidelijke beweging van de gemeenten op aarde naar de hemelse troonzaal.



Bewaring uit de wereldwijde ure


Aan Filadelfia belooft Christus:

“Omdat gij het woord Mijner lijdzaamheid bewaard hebt, zo zal Ik ook u bewaren uit de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken, die op de aarde wonen.”
— Openbaring 3:10

Het gaat om:


  • een bepaalde toekomstige ure;
  • een periode die over de gehele wereld komt;
  • “die op de aarde wonen” als haar doelwit.


Die laatste uitdrukking keert terug in het oordeelgedeelte van Openbaring. De aardbewoners worden door de weeën getroffen, verheugen zich over de dood van de twee getuigen en aanbidden het beest. Christus belooft niet alleen bescherming tegen één afzonderlijke plaag. Hij belooft bewaring uit de wereldwijde ure zelf.



De opname is geen beloning voor alleen een uitzonderlijk trouwe deelgemeente. Paulus zegt niet dat slechts enkele gelovigen worden veranderd, maar:

“Wij zullen allen veranderd worden.”
— 1 Korinthe 15:51

In 1 Thessalonicenzen 4 is de beslissende positie “in Christus”. Eén lichaam wordt niet gedeeltelijk opgenomen terwijl een ander deel als hetzelfde lichaam op aarde achterblijft. Openbaring 3:10 sluit daarom aan bij de bestemming van de volledige gemeente: zij wordt vóór de wereldwijde ure tot Christus genomen.



Niet iedere deur in Openbaring betekent de opname


Christus zegt in Openbaring 3:8 dat Hij voor Filadelfia een geopende deur heeft gegeven. Die deur wijst in haar eigen context op een door Christus geopende toegang of gelegenheid. Zij wordt niet de hemelpoort van de opname genoemd.



In Openbaring 3:20 staat Christus aan de deur en klopt Hij. Daar spreekt Hij tot de lauwe gemeente van Laodicea en roept Hij op tot bekering en herstelde gemeenschap:

“Indien iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij.”

Ook dit is geen rechtstreekse beschrijving van de opname of het bruiloftsmaal. De context moet steeds bepalen welke deur en welk komen bedoeld worden.


Maar aan het einde van de gemeentebrieven stapelen de toekomstige beloften zich wel op:


  • witte klederen;
  • een kroon;
  • een vaste plaats in Gods tempel;
  • de Naam van het Nieuwe Jeruzalem;
  • zitten met Christus op Zijn troon.


Onmiddellijk daarna ziet Johannes in de hemel gekroonde ouderlingen in witte klederen op tronen. De beloften aan de gemeenten worden in het hemelse gezicht zichtbaar.



Beeldt “Kom hier op” in Openbaring 4:1 de opname uit?


De indeling die Christus aan Johannes gaf, is hier beslissend:

“Schrijf, hetgeen gij gezien hebt, en hetgeen is, en hetgeen geschieden zal na dezen.”
— Openbaring 1:19

Na het gezicht van Christus schrijft Johannes in Openbaring 2 en 3 aan de zeven gemeenten. Deze zeven werkelijke gemeenten vormen gezamenlijk de volledige voorstelling van het gemeentegetuigenis op aarde. Zodra de zevende brief is afgesloten, begint het volgende deel met dezelfde woorden als Openbaring 1:19:



Openbaring 4 begint:

“Na dezen zag ik, en ziet, een deur was geopend in den hemel; en de eerste stem, die ik gehoord had, als van een bazuin, met mij sprekende, zeide: Kom hier op, en Ik zal u tonen, hetgeen na dezen geschieden moet.”
— Openbaring 4:1

De oproep wordt rechtstreeks tot Johannes gericht. Hij zegt vervolgens:

“En terstond werd ik in den geest.”
— Openbaring 4:2

Johannes beschrijft hier niet met zoveel woorden de lichamelijke opstanding en verandering van de gemeente. De volledige leerstellige uitleg daarvan staat in 1 Thessalonicenzen 4 en 1 Korinthe 15. Johannes wordt persoonlijk in den Geest naar het hemelse troongebied gebracht om het volgende deel van de profetie te zien.


Dat Johannes “in den geest” opgaat, beperkt de handeling tot het profetische gezicht, maar ontneemt haar niet haar profetische betekenis. Heel Openbaring wordt Johannes in gezichten getoond, en die gezichten openbaren werkelijke toekomstige gebeurtenissen. Hij ziet later in den Geest de grote hoer in de woestijn en het Nieuwe Jeruzalem op de hoge berg. Beide visioenen openbaren werkelijke profetische werkelijkheden.


Ook de dubbele tijdsaanduiding is belangrijk. Openbaring 4:1 begint met “Na dezen” en eindigt met “hetgeen na dezen geschieden moet”. De eerste uitdrukking sluit aan op de afgesloten boodschappen aan de zeven gemeenten. De tweede grijpt terug op de indeling van Openbaring 1:19. Het boek gaat van “hetgeen is” — de Gemeente op aarde — naar hetgeen daarna moet gebeuren. De opgang van Johannes staat precies op dat chronologische scharnier.


Ook de opeenstapeling in Openbaring 4:1 is opvallend:


  • de boodschappen aan de gemeenten zijn afgesloten;
  • er staat een deur geopend in de hemel;
  • Christus’ stem klinkt als een bazuin;
  • de stem roept: “Kom hier op”;
  • Johannes bevindt zich onmiddellijk in de hemelse troonzaal;
  • daar zitten gekroonde en in wit geklede verlosten;
  • pas daarna neemt het Lam het boek en wordt het oordeelspanorama over de aarde geopend.


Vergelijk dit met 1 Thessalonicenzen 4. Daar komt de Heere met een geroep, de stem des archangels en de bazuin Gods. Dit zijn onderscheiden maar verenigde onderdelen van dezelfde hemelse oproep. De doden in Christus staan op en de gehele levende gemeente gaat Hem tegemoet. Openbaring 4 zegt niet dat de bazuin Gods eenvoudig hetzelfde is als Christus’ stem; Johannes zegt dat de stem klonk “als van een bazuin”. Het gaat om de machtige, doordringende aard van de oproep.



Openbaring gebruikt de hemelse oproep bovendien later bij een werkelijke lichamelijke hemelvaart. De twee opgewekte getuigen horen:

“Komt herwaarts op.”

Daarna:

“En zij voeren op naar den hemel in de wolk.”
— Openbaring 11:12

Openbaring 4:1 is dus niet de volledige leerstellige beschrijving van de opname, maar het beeldt binnen de profetische opbouw wel degelijk de opnameovergang uit. De woorden worden rechtstreeks tot Johannes gesproken; zijn opgang in het gezicht stelt de opgang van de volledige Gemeente voor. Wat direct daarna wordt getoond, bevestigt die uitleg: de opgenomen, beoordeelde en gekroonde Gemeente bevindt zich reeds rondom Gods troon, voordat het Lam de zegels opent.


Daarom is “Kom hier op” geen los typebeeld waarop de leer van de opname zelfstandig wordt gebouwd. Het is het chronologische scharnier dat de reeds elders geopenbaarde opname op haar plaats zet: ná de aardse gemeentevoorstelling en vóór het oordeelcomplex dat vervolgens wordt ontvouwd.



Wie zijn de vierentwintig ouderlingen?


Johannes ziet:

“En rondom den troon waren vier en twintig tronen; en op de tronen zag ik de vier en twintig ouderlingen zittende, bekleed met witte klederen, en zij hadden gouden kronen op hun hoofden.”
— Openbaring 4:4

Zij zijn:


  • in de hemel;
  • rondom Gods troon;
  • op vierentwintig tronen;
  • in witte klederen;
  • met gouden kronen;
  • aanbiddend voor God en het Lam;
  • met harpen en gouden fiolen vol reukwerk;
  • verbonden met verlossing door Christus’ bloed;
  • koningen en priesters;
  • bestemd om op aarde te regeren.


Zij zijn aanwezig voordat het Lam het boek neemt en de zegels opent.



De ouderlingen zijn geen engelen


Openbaring onderscheidt hen nadrukkelijk van de engelen:

“En ik zag, en ik hoorde een stem veler engelen rondom den troon, en van de dieren, en van de ouderlingen.”
— Openbaring 5:11

Ook in Openbaring 7:11 worden de engelen, de ouderlingen en de vier dieren afzonderlijk genoemd. De ouderlingen vormen dus geen engelenorde.



Hun lied heeft het profiel van verloste mensen:

“Gij zijt geslacht, en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie;
En Gij hebt ons onzen God gemaakt tot koningen en priesters; en wij zullen als koningen heersen op de aarde.”
— Openbaring 5:9–10

Engelen zijn niet door Christus’ bloed gekocht. Het zijn mensen die door het Lam zijn verlost.



Zijn het twaalf patriarchen en twaalf apostelen?


Die gedachte klinkt mooi omdat het Nieuwe Jeruzalem twaalf stammenpoorten en twaalf apostolische fundamenten heeft. Maar Openbaring legt die verbinding zelf nergens.


In Openbaring 21 zegt God uitdrukkelijk:


  • op de poorten staan de namen van de twaalf stammen Israëls;
  • op de fundamenten staan de namen van de twaalf apostelen des Lams.


Wanneer God beide twaalftallen bedoelt, noemt Hij ze. In Openbaring 4 noemt Hij uitsluitend “de vier en twintig ouderlingen”. Hij noemt hen niet twaalf patriarchen en twaalf apostelen.



De chronologie maakt die theorie bovendien onwaarschijnlijk. De overleden apostelen behoren tot de doden in Christus die bij de opname worden opgewekt. Daniël krijgt daarentegen te horen:

“Gij zult rusten, en zult opstaan in uw lot, in het einde der dagen.”
— Daniël 12:13

Daniël en de oudtestamentische gelovigen ontvangen hun lichamelijke opstanding bij de overgang van de laatste benauwdheid naar de Koninkrijksorde. Zij zijn vóór die tijd bewust bij God, maar nog niet in dezelfde lichamelijke verheerlijkingsfase als de opgenomen gemeente.


De vierentwintig ouderlingen worden zonder enig onderscheid als één uniforme groep voorgesteld. Zij hebben dezelfde tronen, klederen, kronen en koninklijk-priesterlijke functie. Dat past niet natuurlijk bij een groep die voor de helft uit reeds opgewekte gemeenteleden en voor de helft uit nog niet lichamelijk opgewekte oudtestamentische gelovigen bestaat.


Ook hun lied wijst een andere richting. Twaalf apostelen en twaalf patriarchen komen persoonlijk allemaal uit dezelfde Israëlische heilshistorische lijn. De ouderlingen spreken daarentegen namens degenen die gekocht zijn “uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie”. Dat past rechtstreeks bij het ene lichaam waarin Christus gelovigen uit de volken heeft samengebracht.



Exact vierentwintig — en toch de gehele gemeente


Johannes ziet werkelijk een afgebakende raad van vierentwintig ouderlingen. Meer dan eens spreekt “een uit de ouderlingen” tot hem. Het gaat dus niet om een onbepaald woord voor een grote menigte.


Maar deze vierentwintig zijn evenmin de totale opgenomen gemeente in numerieke zin. Paulus zegt:

“Wij zullen allen veranderd worden.”

De doden in Christus en de levende gelovigen worden gezamenlijk opgenomen. Dat lichaam omvat vanzelfsprekend veel meer dan vierentwintig mensen.



De eigen woorden van de ouderlingen tonen eveneens dat zij voor een groter geheel spreken. Als alleen deze vierentwintig koningen en priesters waren en alleen zij op aarde zouden regeren, zou Openbaring 5 de rest van de gemeente uitsluiten. Maar Openbaring heeft reeds over de gemeenten gezegd dat Christus:

“ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed,
En Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters Gode en Zijn Vader.”
— Openbaring 1:5–6

Petrus noemt de gelovigen een heilig en koninklijk priesterdom (1 Petrus 2:5,9). Paulus zegt dat de heiligen de wereld zullen oordelen (1 Korinthe 6:2). Aan het einde van Openbaring zullen Gods dienstknechten als koningen heersen in alle eeuwigheid (Openbaring 22:5).


De vierentwintig spreken daarom corporatief namens het volledige koninklijk-priesterlijke lichaam.


Openbaring 19 maakt zichtbaar dat zij zich binnen een veel grotere hemelse gemeenschap bevinden. Johannes hoort eerst “een grote stem ener grote schare in den hemel”. Daarna worden de vierentwintig ouderlingen afzonderlijk genoemd, en vervolgens klinkt opnieuw de stem van een grote schare (Openbaring 19:1,4,6).


Er is dus:


  • een grote hemelse schare;
  • daarbinnen een vaste raad van vierentwintig ouderlingen.


Zij zijn niet iedereen persoonlijk. Zij vertegenwoordigen iedereen corporatief.



Waarom juist vierentwintig?


Openbaring zegt niet in één verklarende zin waarom God dit aantal heeft gekozen. De eerdere tempeldienst geeft echter een bijzonder passend patroon.


In 1 Kronieken 24 verdeelde David de priesters in vierentwintig orden. Israël had veel meer dan vierentwintig priesters. De vierentwintig afdelingen vormden samen de volledige, georganiseerde priesterdienst.


In 1 Kronieken 25 werd ook de zang- en muziekdienst in vierentwintig afdelingen georganiseerd. Daarbij werden harpen, luiten, cimbalen en profetische lofzang genoemd. Volgens vers 7 waren er 288 onderwezen zangers; zij werden in vierentwintig groepen verdeeld. Iedere genoemde orde vertegenwoordigde dus meer dienaren dan haar ene hoofd.


Vergelijk dat met de vierentwintig ouderlingen:


  • zij bevinden zich in Gods hemelse heiligdom;
  • zij vervullen een priesterlijke aanbiddingsfunctie;
  • zij hebben harpen;
  • zij hebben gouden fiolen met reukwerk, de gebeden der heiligen;
  • zij zingen een nieuw lied;
  • zij vertegenwoordigen een veel groter koninklijk priesterdom.


Het getal vierentwintig is geen geheime code die overal automatisch “de gemeente” betekent. Binnen deze concrete context sluit het echter nauwkeurig aan op de vierentwintig priester- en zangorden die samen de volledige tempeldienst vertegenwoordigden.


De sterkste verklaring is daarom:


De vierentwintig ouderlingen zijn werkelijke hemelse ouderlingen uit de opgenomen en verheerlijkte gemeente. Als vaste koninklijk-priesterlijke raad vertegenwoordigen zij het volledige lichaam van Christus rondom Gods troon.


Hun persoonlijke namen zijn niet geopenbaard. Of bepaalde apostelen onder hen zijn, weten wij niet. Dat is ook niet de boodschap van het gezicht. Het belangrijke punt is wie zij gezamenlijk vertegenwoordigen.



Niemand uit Christus’ lichaam blijft achter


De vierentwintig ouderlingen stellen geen kleine geestelijke elite voor die de opname heeft verdiend. De gemeente wordt opgenomen op grond van haar positie in Christus, niet op grond van een voldoende hoge levensprestatie.


Paulus zegt:

“Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt.”
— 1 Korinthe 12:13

En:

“Wij zullen allen veranderd worden.”
— 1 Korinthe 15:51

De eenheid van het lichaam verhindert een gedeeltelijke opname. Christus neemt niet alleen de meest trouwe leden en laat de rest van Zijn lichaam als gemeente op aarde achter.



Dat betekent niet dat alle gelovigen hetzelfde loon ontvangen. De rechterstoel maakt werkelijk onderscheid. De één bouwde met goud, zilver en kostelijke stenen; het werk van een ander verbrandt. Maar zelfs over die laatste zegt God:

“Zelf zal hij behouden worden.”

Alle gemeenteleden worden opgenomen. Allen verschijnen voor Christus. Allen behoren tot Zijn lichaam. Allen delen in de koninklijk-priesterlijke identiteit. Hun persoonlijke loon en verantwoordelijkheid kunnen verschillen, maar niemand die werkelijk in Christus is, wordt uit Zijn lichaam verwijderd.



Wat doet de gemeente tijdens Daniëls week?


De Schrift geeft geen volledig dagelijks programma. Zij toont wel een actieve hemelse gemeente.


De ouderlingen:


  • aanbidden God als Schepper — Openbaring 4;
  • vallen voor het Lam neer — Openbaring 5;
  • bezingen Zijn verlossingswerk;
  • werpen hun kronen voor Gods troon;
  • bevinden zich bij de gebeden der heiligen;
  • aanbidden bij de zevende bazuin — Openbaring 11;
  • aanbidden wanneer Babylon geoordeeld is — Openbaring 19.


De gemeente is dus niet in een toestand van lege passiviteit. Zij is bij Christus, ontvangt Zijn beoordeling, aanbidt God en het Lam en wordt als Zijn vrouw gereedgemaakt voor de komende openbare heerlijkheid.


De kronen worden voor Gods troon geworpen. Daarmee erkennen de verlosten dat iedere mogelijkheid tot trouw, ieder goed werk en iedere beloning uiteindelijk uit Gods genade voortkomt. Het loon verheerlijkt niet de zelfstandige mens, maar de God Die in en door Zijn kinderen heeft gewerkt.



De vrouw des Lams wordt gereedgemaakt


Paulus verbindt de gemeente rechtstreeks met Christus als haar Man:

“Deze verborgenheid is groot; doch ik zeg dit, ziende op Christus en op de Gemeente.”
— Efeze 5:32

Christus heeft de gemeente liefgehad en Zichzelf voor haar overgegeven. Hij heiligt en reinigt haar door het bad des waters door het Woord, opdat Hij haar aan Zichzelf zou voorstellen als een heerlijke gemeente, zonder vlek of rimpel (Efeze 5:25–27).



Paulus schrijft eveneens:

“Want ik ben ijverig over u met een ijver Gods; want ik heb ulieden toebereid, om u als een reine maagd aan een Man voor te stellen, namelijk aan Christus.”
— 2 Korinthe 11:2

De voorbereiding van de vrouw begint dus reeds tijdens het aardse gemeenteleven. Christus reinigt haar door Zijn Woord. God heeft goede werken voorbereid, “opdat wij in dezelve zouden wandelen” (Efeze 2:10). Die wandel is niet automatisch. Iedere gelovige blijft verantwoordelijk om door de Geest te wandelen en kan ook vleselijk leven, ongehoorzaam zijn of Gods voorbereide werken nalaten (Galaten 5:16; 1 Korinthe 3:1–3). Na de opname onderzoekt Christus voor Zijn rechterstoel wat iedere gelovige werkelijk heeft gebouwd.



In Openbaring 19 is de voorbereiding voltooid:

“Laat ons blijde zijn, en vreugde bedrijven, en Hem de heerlijkheid geven; want de bruiloft des Lams is gekomen, en Zijn vrouw heeft zichzelve bereid.”
— Openbaring 19:7

Daarna staat:

“En haar is gegeven, dat zij bekleed worde met rein en blinkend fijn lijnwaad; want dit fijn lijnwaad zijn de rechtvaardigmakingen der heiligen.”
— Openbaring 19:8

Beide kanten blijven staan:


  • zij heeft zich bereid;
  • het is haar gegeven zich te bekleden.


Haar werken hebben werkelijke betekenis, maar haar heerlijkheid blijft gave. Het lijnwaad verdient haar redding niet. De vrouw bestaat uit mensen die reeds door het bloed van het Lam zijn gekocht. Haar rechtvaardige werken behoren tot het leven dat Christus beoordeelt en beloont.


Daarom past deze volgorde bijzonder nauwkeurig:


opname → rechterstoel → voltooide voorbereiding → bruiloft.


De Schrift zegt niet hoeveel hemelse tijd iedere fase precies inneemt. Zij laat wel zien dat de vrouw gereed en bekleed is voordat Christus zichtbaar naar de aarde komt.



De bruiloft vindt vóór de zichtbare wederkomst plaats


De volgorde binnen Openbaring 19 is beslissend.


Eerst wordt het oordeel over Babylon bezongen. Daarna klinkt in de hemel dat de bruiloft des Lams is gekomen en Zijn vrouw zich heeft bereid. Vervolgens wordt gesproken over het avondmaal van de bruiloft des Lams. Pas daarna ziet Johannes:

“En ik zag den hemel geopend; en ziet, een wit paard, en Die op hetzelve zat, was genaamd Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert krijg in gerechtigheid.”
— Openbaring 19:11

De bruiloft is dus gekomen vóór Christus’ openbare verschijning als Koning der koningen. De gemeente bevindt zich niet nog als lichaam op aarde wanneer Hij voor de oorlog neerdaalt. Zij is reeds bij Hem en als Zijn vrouw gereedgemaakt.



Paulus bevestigt dat de gelovigen bij Zijn verschijning niet voor het eerst naar Hem toegaan, maar met Hem worden geopenbaard:

“Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.”
— Kolossenzen 3:4

Openbaring 19 toont hemelse legers die Christus volgen in wit en rein fijn lijnwaad. Engelen vergezellen Hem eveneens, maar het eerder genoemde lijnwaad verbindt ook de gereedgemaakte heiligen met deze hemelse komst. De gemeente die Hij eerst tot Zich nam, verschijnt nu met Hem in heerlijkheid.



Duurt de bruiloft precies zeven jaar?


De gemeente is gedurende Daniëls volledige zeventigste week bij Christus. Daaruit volgt echter niet dat de bruiloft zelf exact zeven jaar duurt.


Genesis 29 en Richteren 14 laten zien dat een bruiloftsfeest zeven dagen kon duren. Maar de Schrift geeft geen regel waardoor iedere bruiloftsdag automatisch één profetisch jaar voorstelt. Daniëls week duurt zeven jaren omdat de context van Daniël die tijdrekening vastlegt. Openbaring zegt nergens:


de bruiloft des Lams duurt zeven jaren.


Openbaring 19 kondigt de bruiloft juist aan in de eindfase, nadat Babylon is geoordeeld en kort voordat de hemel voor Christus’ zichtbare komst wordt geopend.


Daarom kunnen wij krachtig zeggen:


  • de gemeente is tijdens de volledige week bij Christus;
  • de rechterstoel vindt tussen opname en openbare wederkomst plaats;
  • de vrouw is vóór de wederkomst gereed;
  • de bruiloft is vóór de wederkomst gekomen.


Maar de exacte duur van de rechterstoel en de bruiloft heeft God niet bekendgemaakt.



Waar vindt het bruiloftsmaal plaats?


Openbaring zegt:

“Zalig zijn zij, die geroepen zijn tot het avondmaal van de bruiloft des Lams.”
— Openbaring 19:9

De werkelijkheid van het bruiloftsmaal staat vast. Openbaring 19:9 spreekt de genodigden zalig, maar zegt niet dat het volledige maal reeds vóór vers 11 in de hemel wordt gehouden. Johannes ziet direct daarna de hemel geopend en Christus met Zijn heirlegers verschijnen.



Andere Schriftplaatsen leggen de plaats van het maal cumulatief vast in de komende Koninkrijksorde. Christus zegt dat Hij het pascha niet meer zal eten totdat het vervuld is in het Koninkrijk Gods en dat Hij niet meer van de vrucht des wijnstoks zal drinken totdat het Koninkrijk gekomen is. Vervolgens belooft Hij de apostelen:

“Opdat gij eet en drinkt aan Mijn tafel in Mijn Koninkrijk, en zit op tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls.”
— Lukas 22:30

Jezus zegt eveneens dat velen uit oost en west met Abraham, Izak en Jakob zullen aanzitten in het Koninkrijk der hemelen (Mattheüs 8:11). Lukas spreekt over mensen die uit oost, west, noord en zuid komen en aanzitten in het Koninkrijk Gods (Lukas 13:29). Jesaja ziet op de berg des HEEREN een maaltijd voor alle volken (Jesaja 25:6).


De som van deze teksten is sterk: de vrouw is vóór de wederkomst in de hemel gereed en de bruiloft is gekomen; daarna keert Christus met Zijn vrouw terug en ontvouwt het aangekondigde bruiloftsmaal zich in Zijn aardse Koninkrijk. Het gelouterde overblijfsel van Israël en de rechtvaardige schapen uit de volken gaan als levende, geredde mensen het Koninkrijk binnen. Mattheüs 25:1–13 laat echter zien dat Koninkrijkstoegang niet automatisch hetzelfde is als deelname aan die ene historische feestmaaltijd: „die gereed waren” gingen met de Bruidegom tot de bruiloft binnen. De dwaze maar behouden maagden hebben aan die ene maaltijd en haar vreugde geen deel. De exacte aanvangsdag, duur en inrichting van het maal heeft God niet bekendgemaakt.


Deze conclusie wordt volledig uitgewerkt in het zelfstandige artikel De bruiloft des Lams en het bruiloftsmaal — wie zijn de vrouw en de genodigden?.



De volledige volgorde


Wanneer alle Schriftlijnen worden samengebracht, ontstaat deze heldere beweging:


1. Christus neemt Zijn gemeente op

De doden in Christus staan op. De levende gelovigen worden veranderd. Het gehele lichaam gaat de Heere tegemoet.


2. De gemeente wordt tot Christus genomen

Zij komt waar Hij is en zal vanaf dat ogenblik altijd bij Hem zijn. Openbaring beeldt deze overgang na de zeven gemeenten uit met de hemelse oproep: “Kom hier op.”


3. Daniëls zeventigste week wordt op aarde voltrokken

De gemeente bevindt zich gedurende de gehele wereldwijde ure bij Christus. Op aarde hervat God Zijn vastgestelde programma over Israël en Jeruzalem.


4. Alle gelovigen verschijnen voor Christus’ rechterstoel

Hun eeuwige redding staat vast. Hun werk wordt geopenbaard, beproefd en beloond. Waardeloos werk verbrandt; de gelovige zelf blijft behouden.


5. Openbaring toont de gekroonde gemeente rondom Gods troon

De vierentwintig ouderlingen vormen de vaste koninklijk-priesterlijke vertegenwoordiging van het volledige opgenomen lichaam.


6. De gemeente aanbidt God en het Lam

Zij erkent God als Schepper, het Lam als Verlosser en Gods oordelen als rechtvaardig.


7. De vrouw wordt gereedgemaakt

Zij ontvangt het reine lijnwaad dat met de rechtvaardige werken der heiligen wordt verbonden.


8. De bruiloft des Lams komt

Deze wordt in de hemel aangekondigd vóór Christus’ openbare verschijning.


9. Christus verschijnt met de Zijnen

De hemel wordt geopend. Christus komt als Koning der koningen en de gemeente wordt met Hem geopenbaard in heerlijkheid.


10. De Koninkrijksorde en het bruiloftsmaal

Christus zuivert Israël en de volken voordat de natuurlijke Koninkrijksbevolking binnengaat. Het gelouterde overblijfsel van Israël en de rechtvaardige schapen uit de volken gaan als levende, geredde mensen het Koninkrijk binnen. Binnen de kring van gelovige discipelen worden de gereed bevondenen tot de bijzondere bruiloftsvreugde toegelaten; de dwaze maar behouden maagden missen die ene maaltijd. De Gemeente keert als Christus’ vrouw met Hem terug. Getrouwe heiligen regeren met Hem, en het in Openbaring 19 aangekondigde bruiloftsmaal ontvouwt zich in Zijn aardse Koninkrijksorde.



De rechterstoel maakt het Evangelie niet onzeker


Voor iemand die nog niet op Christus vertrouwt, is de eerste vraag niet hoeveel loon hij bij de rechterstoel zal ontvangen. De eerste vraag is of hij eeuwig leven heeft.


Geen mens wordt lid van de gemeente door goede werken, kerkbezoek, volharding, doop of een verbeterd leven. Allen hebben gezondigd. Geen hoeveelheid menselijke trouw kan de schuld tegenover een heilig God uitwissen.


Jezus Christus, de eeuwige Zoon van God, werd werkelijk Mens. Hij stierf voor onze zonden, werd begraven en stond ten derden dage op. Hij heeft de volledige prijs betaald. Daarom wordt eeuwig leven niet verdiend, maar om niet ontvangen door geloof in Hem.

“Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden.”
— Handelingen 16:31

Wie in Christus gelooft, heeft eeuwig leven. Hij wordt door de Heilige Geest in het ene lichaam gedoopt en behoort vanaf dat ogenblik tot Christus. Zijn zekerheid rust niet op de hoeveelheid goud, zilver of kostelijke stenen die later in zijn werk gevonden wordt. Zijn zekerheid rust op het volbrachte werk van de Zaligmaker.


Juist omdat de gelovige voor eeuwig behouden is, kan Christus zijn werk eerlijk beoordelen zonder dat de uitkomst telkens terugvalt op de vraag of hij alsnog verloren gaat. De rechterstoel neemt de genade niet weg; zij geeft ernst aan het leven van iemand die reeds door genade is gered.



Conclusie


Na de opname verdwijnt de gemeente niet in een onbestemde, lege hemelperiode. Christus neemt haar werkelijk tot Zich. Gedurende Daniëls volledige zeventigste week is zij bij de Heere, buiten de wereldwijde ure die over de aardbewoners komt.


Alle gelovigen verschijnen voor de rechterstoel van Christus. Daar wordt hun redding niet opnieuw ter discussie gesteld. Wie in Christus gelooft, heeft eeuwig leven en komt niet in de verdoemenis. Wel worden zijn werk, trouw en motieven volmaakt beoordeeld. Er kan loon worden ontvangen en loon worden verloren, maar de gelovige zelf blijft behouden.


Openbaring 3 bereidt deze hemelse overgang voor. Christus belooft bewaring uit de ure en spreekt over witte klederen, kronen en zitten met Hem. Daarna begint Openbaring 4 tweemaal met de chronologische markering “na dezen”: de hemel staat open, Christus’ stem klinkt als een bazuin en Johannes hoort: “Kom hier op.” De woorden zijn rechtstreeks tot Johannes gericht, maar zijn opgang beeldt binnen het profetische gezicht de opname van de volledige Gemeente uit. Het volgende profetische deel begint ná die overgang.


De werkelijkheid daarna is onmiskenbaar. Rondom Gods troon zitten vierentwintig gekroonde ouderlingen in witte klederen, nog voordat het Lam de zegels opent. Zij zijn geen engelen en evenmin aantoonbaar twaalf patriarchen plus twaalf apostelen. Zij zijn verloste koningen en priesters die spreken namens mensen uit alle geslachten, talen, volken en naties.


Zoals de vierentwintig priester- en zangorden de volledige georganiseerde tempeldienst vertegenwoordigden, zo vormen de vierentwintig ouderlingen de vaste koninklijk-priesterlijke vertegenwoordiging van de volledige opgenomen gemeente. Johannes ziet exact vierentwintig ouderlingen, maar achter hen staat het gehele lichaam van Christus. Niemand die werkelijk in Christus is, blijft achter.


Na het oordeel over Babylon heeft Christus’ vrouw zich bereid en is de bruiloft des Lams gekomen. Daarna gaat de hemel open. Dezelfde gemeente die Christus eerst tot Zich nam, wordt nu met Hem geopenbaard in heerlijkheid.


Op aarde worden Israël en de volken gezuiverd. Het gelovige overblijfsel van Israël en de rechtvaardige schapen uit de volken gaan als levende, natuurlijke mensen de Koninkrijksorde binnen. Daar ontvouwt zich het aangekondigde avondmaal van de bruiloft des Lams. De Gemeente is de met Christus terugkerende vrouw. Uit de levende gelovigen komen de genodigden tot de maaltijd, maar Mattheüs 25 verbindt daadwerkelijke deelname aan gereedheid: de wijze maagden gaan binnen; de dwaze maar behouden maagden treffen de gesloten feestdeur.


De Schrift geeft niet de exacte duur van de rechterstoel of de bruiloft en deelt het bruiloftsmaal niet volledig in op onze kalender. Zij geeft iets beters: een vaste bestemming en een onbreekbare belofte.

“En alzo zullen wij altijd met den Heere wezen.”