Wordt er werkelijk geen ster gemist?

Gods lichtende sterren, dwalende sterren en satans gevallen sterren in de Bijbel

Wordt er werkelijk geen ster gemist?

Gods lichtende sterren, dwalende sterren en satans gevallen sterren in de Bijbel

De Bijbel zegt dat God de sterren bij name roept en dat er niet één gemist wordt. Toch spreekt Openbaring over sterren die door de draak worden meegesleept, en Judas over dwalende sterren die eindigen in duisternis. Dit artikel laat zien dat de Schrift onderscheid maakt tussen Gods lichtende sterren, dwalende sterren en satans gevallen sterren. Gods sterren lichten en loven; satans sterren vallen en worden geoordeeld.


← Terug naar de serie: Het Bijbelse wereldbeeld

Wordt er werkelijk geen ster gemist?

Een Bijbels onderzoek naar Gods lichtende sterrenheir, dwalende sterren en de sterren die de draak meesleept.

De Bijbel zegt iets buitengewoon krachtigs over de sterren.

“Hij telt het getal der sterren; Hij noemt ze allen bij namen.”
— Psalm 147:4

En:

“Heft uw ogen omhoog, en ziet, Wie deze dingen geschapen heeft; Die in getal hun heir voortbrengt; Die ze alle bij name roept, vanwege de grootheid Zijner krachten, en omdat Hij sterk van vermogen is; er wordt er niet één gemist.”
— Jesaja 40:26

Dat is geen kleine uitspraak.


God telt de sterren.


God noemt ze allen bij name.


God roept hun heir in getal voort.


En er wordt er niet één gemist.


Niet één.


Maar dan komt de vraag.



Want Openbaring 12 zegt:

“En zijn staart trok het derde deel der sterren des hemels, en wierp die op de aarde…”
— Openbaring 12:4

Hoe kan dat?


Hoe kan God zeggen dat er van de sterren niet één gemist wordt, terwijl de draak een derde deel van de sterren des hemels meesleept en op de aarde werpt?


En hoe past Judas 13 daarbij, waar de Schrift spreekt over “dwalende sterren”, waarvoor de donkerheid der duisternis bewaard wordt?


Spreekt de Bijbel zichzelf tegen?


Nee.


De Bijbel spreekt zichzelf nooit tegen.


Maar de Bijbel dwingt ons wel om nauwkeurig te lezen.


Niet elke tekst over sterren staat in dezelfde context.


Niet elke stertekst spreekt over dezelfde groep.


Niet elke ster hoort bij hetzelfde heir.


De Schrift laat een duidelijk onderscheid zien tussen:


Gods lichtende sterren;


dwalende sterren;


en de sterren die in Openbaring 12 met de draak verbonden worden.


Gods sterren lichten en loven.


Dwalende sterren wijken af en eindigen in duisternis.


Satans sterren worden meegesleept en geworpen.


Dat verschil is niet bijzaak.


Dat verschil is de sleutel.


Want als je alle sterren in één hoop gooit, lijkt de Bijbel zichzelf tegen te spreken.


Maar zodra je de context laat spreken, wordt de lijn helder.


God mist geen enkele ster van Zijn lichtende, getelde en lovende heir.


De sterren die de draak meesleept, horen niet bij dat lichtende heir.


En de dwalende sterren van Judas horen al helemaal niet bij de lichtende sterren die de HEERE loven.



De vraag die alles op scherp zet


Jesaja 40 zegt:

“Er wordt er niet één gemist.”
— Jesaja 40:26

Openbaring 12 zegt:

“Zijn staart trok het derde deel der sterren des hemels…”
— Openbaring 12:4

Dat lijkt op het eerste gezicht spanning te geven.


Als God van het sterrenheir zegt dat er niet één gemist wordt, hoe kan satan dan een derde deel van de sterren meetrekken?


Als het over exact dezelfde groep sterren zou gaan, ontstaat er een probleem.


Dan zou je aan de ene kant hebben:


God zegt: er wordt er niet één gemist.


En aan de andere kant:


De draak sleept een derde deel mee.


Dat kan niet allebei over hetzelfde lichtende sterrenheir gaan.


Daarom moeten we niet haastig lezen.


We moeten niet één tekst laten overheersen over de andere.


We moeten Jesaja 40 laten staan.


En we moeten Openbaring 12 laten staan.


Jesaja 40 zegt werkelijk dat er van Gods getelde heir niet één gemist wordt.


Openbaring 12 zegt werkelijk dat de draak een derde deel van de sterren des hemels meesleept.


De vraag is dus niet:


Welke tekst moeten we minder serieus nemen?


De vraag is:


Over welk sterrenheir spreekt de context?


Dat is de sleutel.


Want de Bijbel gebruikt het woord “sterren” niet altijd in dezelfde context.


Soms spreekt de Schrift over lichtende sterren die de HEERE loven.


Soms spreekt de Schrift over dwalende sterren die met duisternis verbonden worden.


Soms spreekt de Schrift over sterren die door de draak worden meegesleept.


Daarom moet elke tekst in zijn eigen verband gelezen worden.



Jesaja 40 gaat over Gods getelde heir


Jesaja 40:26 begint met deze woorden:

“Heft uw ogen omhoog, en ziet…”

Dat is belangrijk.


God zegt niet: bouw een instrument om een verborgen werkelijkheid achter de sterren te onderzoeken.


God zegt niet: vertrouw op menselijke wetenschap om te bepalen wat sterren zijn.


God zegt:


Kijk omhoog.


Wat ziet de mens wanneer hij omhoog kijkt?


Hij ziet de lichtende sterrenhemel.



En over dat zichtbare sterrenheir zegt God:

“Die in getal hun heir voortbrengt; Die ze alle bij name roept… er wordt er niet één gemist.”
— Jesaja 40:26

Let op de woorden.


God brengt hun heir voort in getal.


God roept ze alle bij name.


Er wordt er niet één gemist.


Dit is geen taal van chaos.


Dit is geen taal van toevallige lichtpuntjes.


Dit is geen taal van sterren die zomaar verdwijnen.


Dit is taal van orde, bevel, telling, naamgeving en macht.


Een leger wordt geteld.


Een heir wordt geroepen.


Een bevelhebber kent zijn schare.


Niemand ontbreekt.


En de HEERE gebruikt dit als bewijs van Zijn macht.


De context maakt dit nog sterker.



Direct daarna staat:

“Waarom zegt gij dan, o Jakob! en spreekt, o Israël! Mijn weg is voor den HEERE verborgen, en mijn recht gaat van mijn God voorbij?”
— Jesaja 40:27

Israël denkt dat God hen vergeten is.


Zij denken dat hun weg voor de HEERE verborgen is.


Zij denken dat hun recht aan God voorbijgaat.


En dan wijst God hen naar de sterren.


Alsof Hij zegt:


Kijk omhoog.


Zie het sterrenheir.


Ik breng het in getal voort.


Ik roep ze alle bij name.


Er wordt er niet één gemist.


Zou Ik dan Mijn volk vergeten?


Daarom is Jesaja 40:26 geen losse sterrenkundige opmerking.


Het is een openbaring van Gods macht, trouw en regering.


God raakt Zijn heir niet kwijt.


God verliest er geen.


God mist er geen één.


Gods orde faalt niet.


En juist daarom is deze tekst zo krachtig.



“Er wordt er niet één gemist” is geen tijdelijke momentopname


Jesaja 40 zegt niet:


Op dit moment klopt de telling nog.


De tekst zegt niet:


Voorlopig wordt er geen ster gemist.


Nee.


De tekst verbindt het niet missen van de sterren met Gods kracht en vermogen:

“Vanwege de grootheid Zijner krachten, en omdat Hij sterk van vermogen is; er wordt er niet één gemist.”
— Jesaja 40:26

De reden dat er niet één gemist wordt, ligt dus niet in de sterren zelf.


De reden ligt in God.


Hij is groot van kracht.


Hij is sterk van vermogen.


Hij roept.


Hij telt.


Hij brengt voort.


Hij bewaart.


Daarom is “er wordt er niet één gemist” geen zwakke zin.


Het is een uitspraak over Gods blijvende regering over Zijn heir.


Dat betekent niet dat God nooit Zijn hemellichten kan verduisteren.


Dat betekent niet dat God nooit hun lichtfunctie kan inhouden.


Dat betekent niet dat God nooit oordeelstekenen in zon, maan en sterren kan geven.


Maar het betekent wel dit:


Geen ster raakt God kwijt.


Geen ster valt buiten Zijn bevel.


Geen ster ontbreekt uit Zijn regering.


Geen ster van Zijn lichtende heir wordt door satan uit Gods hand gerukt.


Dat is het uitgangspunt.



Psalm 148 geeft de sleutel: lichtende sterren


Nu moeten we naar Psalm 148.


Daar staat:

“Looft Hem, al Zijn engelen! Looft Hem, al Zijn heirscharen!
Looft Hem, zon en maan! Looft Hem, alle gij lichtende sterren!”
— Psalm 148:2-3

Dit is een sleuteltekst.


De Psalm noemt niet zomaar “sterren”.


De Psalm noemt:


“lichtende sterren”


Dat ene woord is zwaar.


De sterren in Psalm 148 worden beschreven naar hun lichtfunctie.


Zij zijn lichtend.


En zij worden opgeroepen om de HEERE te loven.


Ze staan in één verband met:


al Zijn engelen;


al Zijn heirscharen;


zon en maan;


de hemelen;


de wateren die boven de hemelen zijn.



De Psalm vervolgt:

“Dat zij den Naam des HEEREN loven; want als Hij het beval, zo werden zij geschapen.”
— Psalm 148:5

Dus deze sterren staan niet in opstand tegen God.


Zij staan niet in verband met de draak.


Zij staan niet in verband met misleiding.


Zij staan niet in verband met duisternis.


Zij staan in Gods loforde.


Zij zijn door Gods bevel geschapen.


Zij worden “lichtende sterren” genoemd.


Dat is een duidelijke categorie.


Gods sterren lichten.


Gods sterren loven.


Gods sterren horen bij Zijn hemelse orde.


Gods sterren worden bij name geroepen.


Gods sterren worden niet gemist.


Dat moet blijven staan.



Waarom “lichtende sterren” zo belangrijk is


De toevoeging “lichtende” is niet zomaar decoratie.


De Schrift gebruikt woorden niet slordig.


Als Psalm 148 spreekt over “lichtende sterren”, dan wordt hun karakter en functie aangeduid.


Zij geven licht.


Zij staan in Gods geschapen orde.


Zij zijn onderdeel van de lof aan de HEERE.


Dit sluit aan bij Genesis 1:

“En God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde.”
— Genesis 1:17

Sterren zijn in Genesis lichten in het uitspansel.


Psalm 148 noemt ze lichtende sterren.


Jesaja 40 zegt dat God hun heir in getal voortbrengt en ze bij name roept.


Psalm 147 zegt dat God het getal der sterren telt en ze allen bij namen noemt.


Dat is één sterke lijn.


Sterren zijn niet zomaar losse lichtpuntjes.


Zij horen bij Gods geordende hemelheir.


En wanneer de Schrift over Gods sterren spreekt, worden zij getekend met licht, lof, orde, naamgeving en bewaring.


Daarom is het belangrijk om de lichtende sterren van Psalm 148 niet zomaar gelijk te stellen aan de sterren die in Openbaring 12 met de draak verbonden worden.


De context is totaal anders.



Licht en duisternis zijn geen mengvorm


De Bijbel spreekt scherp over licht en duisternis.

“God is een Licht, en gans geen duisternis is in Hem.”
— 1 Johannes 1:5

Niet: een beetje duisternis.


Niet: half licht en half duisternis.


Maar:


“gans geen duisternis.”



De Heere Jezus zegt:

“Ik ben het Licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben.”
— Johannes 8:12

Paulus schrijft:

“Want gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij licht in den Heere; wandelt als kinderen des lichts.”
— Efeze 5:8

Ook daar is het onderscheid scherp.


Eertijds duisternis.


Nu licht in den Heere.


De Schrift maakt geen rustige middenweg tussen licht en duisternis.


Daarom moeten we ook bij dit onderwerp niet te snel een vage tussencategorie maken.


Psalm 148 spreekt over lichtende sterren die de HEERE loven.


Judas 13 spreekt over dwalende sterren waarvoor de donkerheid der duisternis bewaard wordt.


Openbaring 12 spreekt over sterren die door de draak meegesleept en op aarde geworpen worden.


Dat zijn verschillende contexten.


Gods sterren zijn lichtende sterren.


Dwalende sterren eindigen in duisternis.


Satans sterren worden nergens “lichtende sterren” genoemd.



Dwalende sterren zijn geen lichtende sterren


Judas spreekt over valse leraars met deze woorden:

“Wilde baren der zee, hun eigen schuimen opschuimende; dwalende sterren, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt.”
— Judas 13

Dit is een zware uitdrukking.


Dwalende sterren.


Een ster hoort licht te geven.


Een ster hoort orde te tonen.


Een ster hoort richting te geven.


Een ster hoort in Gods gestelde plaats te staan.


Maar Judas spreekt over dwalende sterren.


Niet lichtende sterren.


Niet lovende sterren.


Niet sterren die betrouwbaar in Gods orde staan.


Maar dwalende sterren.


En hun einde is niet licht.


Hun einde is:


“de donkerheid der duisternis”


Dat is het tegenovergestelde van Psalm 148.


Psalm 148 spreekt over lichtende sterren die de HEERE loven.


Judas 13 spreekt over dwalende sterren waarvoor de donkerheid der duisternis bewaard wordt.


Daarom moeten deze categorieën niet door elkaar gehaald worden.

Een lichtende ster staat in Gods orde en lof.


Een dwalende ster staat in de sfeer van afwijking, misleiding en duisternis.



Wat betekent “dwalend”?


Dwalend betekent niet simpelweg: bewegend.


Dat is belangrijk.


Iets kan bewegen zonder te dwalen.


Een dienaar kan gaan waar hij gezonden wordt zonder ongehoorzaam te zijn.


Een leger kan optrekken zonder zijn orde te verlaten.


Een ster kan een loopplaats hebben zonder een dwalende ster te zijn.


Dwalend heeft de gedachte van afwijken.


Niet blijven in de gestelde orde.


Niet betrouwbaar zijn.


Zwerven.


Misleiden.


Niet de rechte plaats bewaren.


Daarom gebruikt Judas dit woord ook voor valse leraars.


Hij spreekt niet over neutrale beweging.


Hij spreekt over geestelijke afwijking en oordeel.


Deze dwalende sterren lijken misschien richting te geven, maar zij leiden verkeerd.


Zij lijken misschien licht te geven, maar hun einde is duisternis.


Zij lijken misschien hemels, maar zij zijn verbonden met oordeel.


Daarom is Judas 13 geen onschuldige astronomische opmerking.


Het is oordeelstaal.



En wat dan met planeten?


Bij Judas 13 komt automatisch een vraag op.


Judas spreekt over:

“dwalende sterren”
— Judas 13

De uitdrukking “dwalende sterren” raakt aan de oude betekenis van wat later “planeten” genoemd werd.


Een planeet werd gezien als een dwaalster: een licht dat niet hetzelfde vaste patroon volgt als de gewone sterrenhemel.


Dat betekent niet dat wij op basis van één woord haastig moeten zeggen dat elke planeet technisch één gevallen engel is.


Maar het betekent wel dat de Bijbel de taal van “dwalende sterren” niet neutraal gebruikt.


Judas gebruikt deze uitdrukking als oordeelstaal.


Hij spreekt over valse leraars, misleiding en eeuwige duisternis.


Daarom moeten dwalende sterren niet zomaar in dezelfde categorie worden gezet als de lichtende sterren van Psalm 148.


Psalm 148 spreekt over lichtende sterren die de HEERE loven.


Judas spreekt over dwalende sterren waarvoor de donkerheid der duisternis bewaard wordt.


Dat is een groot verschil.


Als de moderne mens bepaalde hemellichten “planeten” noemt, moeten wij niet automatisch het moderne neutrale begrip teruglezen in de Bijbel.


De Schrift geeft haar eigen categorieën.


Lichtende sterren staan in Gods loforde.


Dwalende sterren worden verbonden met afwijking en duisternis.


Dat is precies waarom het moderne woord “planeet” niet zomaar rustig over de Bijbel heen gelegd mag worden.


Want de oudere gedachte achter dat woord is niet: een onschuldige bol in een eindeloos heelal.


De oudere gedachte is: een dwalende ster.


En Judas gebruikt “dwalende sterren” niet als neutrale beschrijving, maar als geestelijke oordeelstaal.


Dat moet wegen.



Geven dwalende sterren licht?


Dan komt de volgende vraag.


Als dwalende sterren niet bij de lichtende sterren van Psalm 148 horen, geven zij dan wel licht?


De Bijbel noemt hen in Judas 13 niet “lichtende sterren”.


De Bijbel noemt hen “dwalende sterren”.


En de tekst verbindt hen direct met:


“de donkerheid der duisternis”


Dat is zeer sterk.


Dat betekent minimaal dit:


Dwalende sterren zijn geen betrouwbare lichtdragers.


Zij horen niet bij de lichtende sterren die de HEERE loven.


Als zij licht lijken te geven, is dat geen zuiver Goddelijk licht.


Dat past bij wat Paulus zegt over satan:

“En het is geen wonder; want de satan zelf verandert zich in een engel des lichts.”
— 2 Korinthe 11:14

Satan is geen waarachtige engel des lichts.


Hij verandert zich in een engel des lichts.


Dat is vermomming.


Dat is schijn.


Dat is misleiding.


Daarom moeten we voorzichtig zijn met schijnlicht.


De lichtende sterren die God ons laat zien aan de hemel, horen bij Zijn loforde. Psalm 148 noemt hen “lichtende sterren”, en Jesaja 40 zegt dat God hun heir in getal voortbrengt, hen bij name roept, en dat er niet één gemist wordt.


Maar dwalende sterren horen niet bij die categorie.


Judas noemt hen niet “lichtende sterren”, maar “dwalende sterren”, en verbindt hen met de donkerheid der duisternis.


Satan kan zich voordoen als een engel des lichts, maar dat maakt hem geen waarachtige lichtdrager van Gods heir.


Schijnlicht is geen Goddelijk licht.


Dwaallicht is geen lichtende ster van Psalm 148.


De zichtbare lichtende sterren van Gods hemelheir lichten en loven. Dwalende sterren misleiden en eindigen in duisternis.



Loopplaatsen zijn geen dwaalwegen


Richteren 5 zegt:

“Van den hemel streden zij; de sterren uit haar loopplaatsen streden tegen Sisera.”
— Richteren 5:20

Deze tekst is zeer belangrijk.


De sterren streden.


Maar zij streden:


“uit haar loopplaatsen”


Dat betekent niet dat zij chaotisch door de hemel gingen zwerven.


Dat betekent niet dat zij de sterrenhemel ontregelden.


Dat betekent niet dat zij hun orde verlieten.


Juist niet.


Zij streden uit hun loopplaatsen.


Een loopplaats is geen dwaalweg.


Een loopplaats is een door God bepaalde plaats, baan, stand of ordening van waaruit Zijn hemelse heir handelt.


Hier zie je dus het verschil tussen bewegen en dwalen.


De sterren in Richteren 5 handelen vanuit hun door God gestelde plaats.


De dwalende sterren in Judas 13 worden verbonden met afwijking en duisternis.


Dat is niet hetzelfde.


Gods sterren kunnen strijden uit hun loopplaatsen zonder hun orde te verlaten.


Dwalende sterren zijn juist getekend door afwijking van orde.



De sterrenhemel wordt niet chaotisch


Als Richteren 5 spreekt over sterren die uit hun loopplaatsen strijden, betekent dat niet dat de hele sterrenhemel van vorm verandert.


Het betekent niet dat de sterren hun vaste orde verlaten.


Het betekent niet dat de hemel ineens chaotisch wordt.


De sterren strijden vanuit hun loopplaatsen.


Dat past bij een geordend hemels heir.


Een leger kan vanuit zijn stellingen strijden zonder zijn ordening te verliezen.


Zo wordt het beeld duidelijk.


Gods sterren zijn niet dwalend.


Zij zijn niet zwervend.


Zij zijn niet onbetrouwbaar.


Zij staan in hun door God bepaalde plaatsen.


En vanuit die plaatsen kunnen zij handelen onder Gods bevel.


Dat past bij Jesaja 40.


God roept hun heir in getal voort.


Hij roept ze bij name.


Er wordt er niet één gemist.


Dat is orde.


Dat is regering.


Dat is macht.



Job 38 spreekt over hemelse ordinantiën


Job 38 sluit hier sterk bij aan.


God vraagt aan Job:

“Kunt gij de liefelijkheden van het Zevengesternte binden, of de strengen des Orions losmaken?”
— Job 38:31

En:

“Kunt gij de Mazzaroth voortbrengen op hun tijd? En den Wagen met zijn kinderen leiden?”
— Job 38:32

En:

“Weet gij de ordinantiën des hemels? Kunt gij derzelver heerschappij op aarde bestellen?”
— Job 38:33

Hier zie je opnieuw hemelse orde.


Er zijn bindingen.


Er zijn tijden.


Er is leiding.


Er zijn ordinantiën des hemels.


Er is heerschappij op aarde.


Dat is geen dwaling.


Dat is geen chaos.


Dat is geen willekeur.


Dat is Gods bestuur over het hemelse heir.


Daarom moet Judas 13 scherp onderscheiden worden van Richteren 5 en Job 38.


Gods sterren hebben loopplaatsen en ordinantiën.


Dwalende sterren zijn juist verbonden met afwijking en duisternis.



Ezechiël 1: beweging zonder dwaling


Ezechiël 1 helpt om dit nog dieper te begrijpen.


Niet omdat Ezechiël 1 letterlijk zegt: dit zijn sterren.


Dat zegt de tekst niet.


Maar Ezechiël 1 laat wel zien dat levende hemelse wezens kunnen bewegen met vuur, glans en kracht, zonder te dwalen.


Dat is precies het punt.


Beweging is niet hetzelfde als dwaling.


Ezechiël ziet levende hemelse wezens, later verklaard als cherubs.

“En uit het midden daarvan kwam de gelijkenis van vier dieren; en dit was hun gedaante: zij hadden de gelijkenis eens mensen.”
— Ezechiël 1:5

Later zegt Ezechiël:

“Dit is het dier, dat ik zag onder den God Israëls bij de rivier Chebar; en ik bekende, dat het cherubs waren.”
— Ezechiël 10:20

Deze levende wezens bewegen.


Maar zij dwalen niet.



Ezechiël zegt:

“Zij gingen altemaal rechtuit; zij gingen waarheen de geest was om te gaan, en zij keerden zich niet om als zij gingen.”
— Ezechiël 1:12

En:

“Als zij gingen, zo gingen zij op hun vier zijden; zij keerden zich niet om als zij gingen.”
— Ezechiël 1:17

Dat is beweging binnen volmaakte orde.


Zij gaan waarheen de geest is om te gaan.


Zij keren zich niet om.


Zij zwerven niet.


Zij wijken niet af.


Zij dwalen niet.



Daarbij worden deze levende wezens verbonden met vuur, glans en bliksem:

“En de gelijkenis der dieren, hun gedaante, was als brandende kolen vuurs, als de gedaante der fakkelen; dat vuur ging tussen de dieren heen en weder; en het vuur had een glans, en uit het vuur kwam bliksem voort.”
— Ezechiël 1:13

Dat is taal van levende hemelse heerlijkheid.


Vuur.


Fakkelen.


Glans.


Bliksem.


Beweging.


Maar geen wanorde.


Geen dwaling.


Geen afwijking.


Dit helpt Richteren 5:20 begrijpen.


Bij Gods hemelse heir is beweging geen dwaling.


De cherubs bewegen onder de Geest.


De sterren strijden uit hun loopplaatsen.


Dwaling hoort bij de gevallen categorie van Judas 13, niet bij het lichtende heir van Psalm 148.



De sterren van de draak


Nu moeten we Openbaring 12 nauwkeurig lezen.


Eerst staat er:

“En er werd een ander teken gezien in den hemel; en ziet, er was een grote rode draak…”
— Openbaring 12:3

Daarna:

“En zijn staart trok het derde deel der sterren des hemels, en wierp die op de aarde…”
— Openbaring 12:4

Maar later in hetzelfde hoofdstuk wordt de draak verklaard:

“En de grote draak is geworpen, namelijk de oude slang, welke genaamd wordt duivel en satanas, die de gehele wereld verleidt…”
— Openbaring 12:9

En dan komt de sleutel:

“Hij is geworpen op de aarde; en zijn engelen zijn met hem geworpen.”
— Openbaring 12:9

Let op de samenhang.


Vers 4 spreekt over sterren die door de draak op aarde geworpen worden.


Vers 9 spreekt over satan en zijn engelen die op aarde geworpen worden.


Dat is geen toevallige overeenkomst.


De context zelf verbindt de sterren van de draak met zijn engelen.


Daarom is het zeer sterk om te zeggen:


De sterren van Openbaring 12 zijn niet de lichtende sterren van Psalm 148.


Zij staan in een andere context.


Niet lof, maar oorlog.


Niet licht, maar draak.


Niet gehoorzaamheid, maar val.


Niet Gods engelen en Gods heirscharen, maar “zijn engelen” — de engelen van satan.



De draak heeft zijn eigen gevolg


Openbaring 12 zegt:

“En er werd krijg in den hemel: Michaël en zijn engelen krijgden tegen den draak, en de draak krijgde ook en zijn engelen.”
— Openbaring 12:7

Hier staan twee partijen tegenover elkaar.


Michaël en zijn engelen.


De draak en zijn engelen.


Dat is geen neutrale hemelruimte.


Dat is hemelse strijd.


Daarom is het logisch dat de sterren die de draak meesleept niet gelezen moeten worden alsof satan een derde deel van Gods lichtende, lovende sterrenheir uit Gods hand rukt.


Openbaring 12 geeft zelf de context:


de draak;


zijn staart;


oorlog in de hemel;


satan;


zijn engelen;


geworpen op de aarde.


Dat is satans verband.


Dat is zijn gevolg.


Dat is zijn gevallen heir.


Satan trekt niet Gods lichtende sterren uit Gods hand.


De draak sleept zijn sterren mee.


En de context zegt:


“zijn engelen”


Daar ligt de sleutel.



Gods sterren en satans sterren


Hier wordt het onderscheid helder.


Psalm 148:

“Looft Hem, al Zijn engelen! Looft Hem, al Zijn heirscharen!
Looft Hem, zon en maan! Looft Hem, alle gij lichtende sterren!”
— Psalm 148:2-3

Openbaring 12:

“De draak krijgde ook en zijn engelen.”
— Openbaring 12:7

En:

“Zijn engelen zijn met hem geworpen.”
— Openbaring 12:9

Dus de Schrift laat twee verbanden zien.


Aan de ene kant:


Gods engelen.


Gods heirscharen.


Lichtende sterren.


Lof aan de HEERE.


Aan de andere kant:


De draak.


Zijn engelen.


Sterren die meegesleept worden.


Geworpen op de aarde.


Dat is geen tegenspraak.


Dat is onderscheid.


Gods lichtende sterrenheir wordt niet gemist.


Satans gevallen sterren worden geworpen.



Welke sterren vallen?


De Bijbel spreekt inderdaad over sterren die vallen.


De Heere Jezus zegt:

“En terstond na de verdrukking dier dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van den hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen bewogen worden.”
— Mattheüs 24:29

Openbaring zegt:

“En de sterren des hemels vielen op de aarde, gelijk een vijgeboom zijn onrijpe vijgen afwerpt, als hij van een groten wind geschud wordt.”
— Openbaring 6:13

Maar Openbaring 12 geeft een zeer belangrijke sleutel:

“En zijn staart trok het derde deel der sterren des hemels, en wierp die op de aarde…”
— Openbaring 12:4

En even later:

“Hij is geworpen op de aarde; en zijn engelen zijn met hem geworpen.”
— Openbaring 12:9

Daarom moeten wij niet haastig zeggen dat Gods lichtende sterrenheir valt alsof God Zijn sterren kwijt raakt.


Openbaring 12 plaatst de vallende sterren in het verband van de draak en zijn engelen.


Dat zijn niet de lichtende sterren van Psalm 148 die de HEERE loven.


Dat zijn sterren in satans verband.


Hun val is geen verlies voor God.


Hun val is oordeel.


Gods lichtende sterren worden niet gemist.


Satans sterren worden geworpen.



Wanneer het licht wordt ingehouden


Nu moeten we nog een ander onderscheid maken.


De Bijbel spreekt niet alleen over sterren die vallen, maar ook over sterren die hun licht niet laten lichten.


Jesaja zegt:

“Want de sterren des hemels en zijn gesternten zullen hun licht niet laten lichten…”
— Jesaja 13:10

Joël zegt:

“De zon en de maan zijn zwart geworden, en de sterren hebben haar glans ingetrokken.”
— Joël 2:10

Dit moet nauwkeurig gelezen worden.


Hier staat niet dat Gods lichtende sterren gevallen engelen worden.


Hier staat ook niet dat zij uit Gods heir verdwijnen.


Er staat dat hun licht niet schijnt en dat hun glans wordt ingetrokken.


Dat is iets anders.


God kan de lichtfunctie van Zijn eigen hemellichten inhouden als teken van oordeel op aarde, zonder dat die lichtende sterren zelf bij satans gevallen heir gaan horen.


Zij blijven onder Gods bevel.


Zij blijven onder Gods regering.


Zij worden niet gemist.


Hun licht kan worden ingehouden, maar zij raken niet buiten Gods macht.


Daarom moeten wij onderscheid maken tussen sterren die hun licht niet laten lichten en sterren die met de draak worden geworpen.


Het eerste kan gaan over Gods lichtende sterren waarvan de lichtfunctie op Gods bevel wordt ingehouden als oordeelsteken.


Het tweede gaat in Openbaring 12 over de draak en zijn engelen.


Dat zijn twee verschillende contexten.



Het heir teert uit


Jesaja 34:4 zegt:

“En al het heir der hemelen zal uitteren, en de hemelen zullen toegerold worden als een boek; en al hun heir zal afvallen, gelijk een blad van den wijnstok afvalt, en gelijk een vijg afvalt van den vijgeboom.”

Dat is diepe taal.


Maar ook hier moeten we niet slordig worden.


Wanneer het hemelse heir uitteert, betekent dat niet automatisch dat Gods lichtende sterren rebellen worden.


Het betekent ook niet dat God Zijn sterren kwijt raakt.


Uitteren wijst op het wegvallen van glans, werking, zichtbaarheid, functie of ordening onder Gods oordeel.


Bij Gods lichtende sterren kan dat betekenen dat hun lichtfunctie wordt ingehouden.


Bij gevallen sterren kan het betekenen dat hun positie, heerlijkheid en plaats onder oordeel wordt weggenomen.


Maar in geen enkel geval betekent het dat God Zijn regering verliest.


God oordeelt.


God verduistert.


God houdt licht in.


God werpt neer.


God rolt de hemelen toe als een boek.


Maar God mist er geen één uit Zijn getelde heir.


Dat is het verschil.



Gevallen engelen houden niet op te bestaan


Wanneer Openbaring 12 spreekt over de draak en zijn engelen die geworpen worden, betekent dat niet dat zij ophouden te bestaan.


De Schrift laat zien dat gevallen engelen blijven bestaan onder oordeel.


Petrus zegt:

“Want indien God de engelen, die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar, die in de hel geworpen hebbende, overgegeven heeft aan de ketenen der duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden…”
— 2 Petrus 2:4

Judas zegt:

“En de engelen, die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel des groten dags met eeuwige banden onder de duisternis bewaard.”
— Judas 1:6

Zij houden dus niet op te bestaan.


Maar hun plaats, vrijheid, heerlijkheid en functie zijn weggenomen.


Dat past bij het beeld van gevallen sterren in satans verband.


Zij worden geworpen.


Zij verliezen hun plaats.


Zij komen onder oordeel.


Maar dit moet niet verward worden met Gods lichtende sterren van Psalm 148.


Die worden niet als rebellen geoordeeld.


Zij blijven Gods heir.


Hun licht kan op Gods bevel worden ingehouden als teken, maar zij worden niet ineens satans sterren.



Wordt er dan ooit één van Gods sterren gemist?


Nee.


Niet in de zin van Jesaja 40.


God raakt er geen kwijt.


God verliest er geen.


God mist er geen.


Gods getelde, bij name geroepen, lichtende heir staat onder Zijn macht.


Jesaja 40:26 zegt niet:


Voorlopig wordt er geen één gemist.


Het zegt:

“Vanwege de grootheid Zijner krachten, en omdat Hij sterk van vermogen is; er wordt er niet één gemist.”

De grond is Gods kracht.


De grond is Gods vermogen.


De grond is Gods regering.


Daarom is het geen tijdelijke statusmelding.


Het is een openbaring van Gods blijvende macht over Zijn heir.


Als God het licht van sterren inhoudt, is dat niet omdat Hij ze kwijt is.


Als God sterren laat vallen in oordeel, is dat niet omdat Hij machteloos is.


Als de draak zijn sterren meesleept, is dat niet omdat satan Gods lichtende heir rooft.


God regeert.


God roept.


God telt.


God oordeelt.


God mist er geen één.



De Bijbel spreekt zichzelf niet tegen


De tegenstelling verdwijnt wanneer de context mag spreken.


Jesaja 40 spreekt over Gods getelde heir.


Psalm 148 spreekt over Gods lichtende sterren die de HEERE loven.


Richteren 5 spreekt over sterren die uit hun loopplaatsen strijden.


Job 38 spreekt over ordinantiën des hemels.


Ezechiël 1 laat zien dat levende hemelse wezens kunnen bewegen onder de Geest zonder te dwalen.


Judas 13 spreekt over dwalende sterren die eindigen in de donkerheid der duisternis.


Openbaring 12 spreekt over de draak, zijn sterren en zijn engelen die geworpen worden.


Dat zijn niet dezelfde lijnen.


De ene lijn is:


schepping;

licht;

lof;

loopplaatsen;

ordinantiën;

orde;

naamgeving;

telling;

Gods kracht;

niet één gemist.


De andere lijn is:


dwaling;

duisternis;

draak;

oorlog;

misleiding;

val;

geworpen worden;

zijn engelen;

oordeel.


Daarom is de conclusie helder.


Gods sterren lichten en loven.


Gods sterren staan in hun loopplaatsen.


Gods sterren worden bij name geroepen.


Dwalende sterren wijken af en eindigen in duisternis.


Satans sterren vallen en worden geworpen.


Van Gods lichtende sterrenheir wordt er niet één gemist.



Geen moderne categorie boven de Schrift


Dit onderwerp laat opnieuw zien hoe gevaarlijk het is om de Bijbel door moderne categorieën te lezen.


Als iemand bij het woord “ster” direct denkt aan een verre zon in een eindeloos heelal, dan worden teksten over sterren die vallen, strijden, zingen, sleutels ontvangen of met engelen verbonden zijn, bijna onmogelijk.


Dan moet men de tekst wegverklaren.


Maar wanneer de Schrift zelf mag spreken, ontstaat een andere lijn.


Sterren zijn lichten in het uitspansel.


Sterren behoren tot het heir des hemels.


Sterren worden bij name geroepen.


Sterren staan in loopplaatsen.


Sterren kunnen zingen, strijden, vallen en handelen.


Sterren kunnen verbonden zijn met engelen.


Psalm 148 noemt Gods sterren specifiek:


“lichtende sterren”


Judas noemt een andere categorie:


“dwalende sterren”


Openbaring 12 spreekt over de sterren van de draak en verbindt dat met:


“zijn engelen”


Daarom moet de Schrift zelf bepalen wat een ster is.


Niet het moderne ruimtebeeld.


Niet NASA.


Niet schoolboektaal.


Niet menselijke filosofie.


De Schrift.



Waarom dit belangrijk is


Dit onderwerp gaat niet alleen over sterren.


Het gaat over Schriftgezag.


Wie de moderne kosmologie als uitgangspunt neemt, moet allerlei Bijbelteksten aanpassen.


Sterren die vallen, kunnen dan geen sterren zijn.


Sterren die strijden, moeten dan alleen poëzie zijn.


Sterren die bij name geroepen worden, worden dan koude objecten op enorme afstand.


Sterren die met engelen verbonden worden, worden dan symboliek.


Dwalende sterren worden dan neutraal gemaakt tot “planeten”.


Maar waarom zouden we zo beginnen?


Waarom zou het moderne wereldbeeld de rechter zijn over Gods Woord?


De Schrift moet zichzelf verklaren.


Genesis geeft de basis: sterren zijn lichten in het uitspansel.


Psalm 147 zegt: God telt ze en noemt ze bij name.


Jesaja 40 zegt: God roept hun heir in getal voort en er wordt er niet één gemist.


Psalm 148 zegt: het zijn lichtende sterren die de HEERE loven.


Richteren 5 zegt: sterren strijden uit hun loopplaatsen.


Judas 13 zegt: er zijn dwalende sterren die eindigen in duisternis.


Openbaring 12 zegt: de draak sleept sterren mee, en dezelfde context spreekt over zijn engelen die geworpen worden.


Dat is Schrift met Schrift.


En dan wordt de lijn helder.


Niet elke stertekst hoort in dezelfde categorie.


Gods lichtende sterrenheir wordt niet gemist.


Dwalende en gevallen sterren worden geoordeeld.



Slot


Er wordt van Gods sterrenheir niet één gemist.


Dat is de kracht van Jesaja 40.


God roept ze bij name.


God brengt hun heir in getal voort.


Gods kracht faalt niet.


Psalm 148 laat zien dat Gods sterren lichtende sterren zijn, staande in de loforde van Zijn engelen en heirscharen.


Richteren 5 laat zien dat Gods sterren uit hun loopplaatsen strijden.

Job 38 laat zien dat er ordinantiën des hemels zijn.


Ezechiël 1 laat zien dat hemelse beweging onder Gods Geest geen dwaling is.


Judas 13 laat zien dat dwalende sterren niet bij die lichtende loforde horen, maar eindigen in de donkerheid der duisternis.


Openbaring 12 laat zien dat de draak ook sterren meesleept, maar dezelfde context verklaart dat als het verband van satan en zijn engelen.


Daarom is er geen tegenspraak.


Er zijn lichtende sterren die de HEERE loven.


Er zijn dwalende sterren die eindigen in duisternis.


En er zijn gevallen sterren die met de draak worden geworpen.


Gods sterren lichten.


Dwalende sterren dwalen.


Satans sterren vallen.


Gods sterren loven.


Dwalende sterren misleiden.


Satans sterren worden geoordeeld.


Gods sterren worden bij name geroepen.


Satans sterren worden meegesleept.


Van Gods lichtende heir wordt er niet één gemist.


Dat is geen kleine gedachte.


Dat is een diepe openbaring van Gods macht, Gods orde en Gods trouw.


Want als God zelfs het sterrenheir niet mist, zou Hij dan Zijn volk vergeten?


Nee.

“De HEERE is een eeuwig God, de Schepper van de einden der aarde; Hij wordt noch moede noch mat; er is geen doorgronding van Zijn verstand.”
— Jesaja 40:28