Wat zijn sterren volgens de Bijbel?

Sterren zijn lichten in het uitspansel, maar de Schrift verbindt ze ook met het levende hemelse heir.

Wat zijn sterren volgens de Bijbel?

Sterren zijn lichten in het uitspansel, maar de Schrift verbindt ze ook met het levende hemelse heir.

Sterren zijn volgens Genesis lichten in het uitspansel, maar de Bijbel zegt veel meer. God roept ze bij name, morgensterren zingen, sterren strijden, vallen, ontvangen opdrachten en worden in Openbaring verbonden met angeloi. Dit is geen taal van dode materie.

Wat zijn sterren volgens de Bijbel?

De Bijbel spreekt over sterren als lichten, maar ook als bij name geroepen, zingend, strijdend, vallend en verbonden met angeloi.

Wanneer mensen vandaag over sterren spreken, denken zij meestal direct aan verre zonnen in een immens heelal.


Maar dat is niet waar de Bijbel begint.


De Bijbel begint niet met moderne astronomie.


De Bijbel begint met Gods openbaring.


Daarom moet de vraag anders gesteld worden.


Niet:


wat zegt de moderne mens dat sterren zijn?


Maar:


wat leert de Bijbel zelf over sterren?


Wanneer de Schrift tekst voor tekst mag spreken, wordt het beeld zeer opvallend.


Genesis noemt sterren lichten in het uitspansel des hemels.


Maar de Schrift spreekt over sterren niet alsof zij slechts dode materie zijn. Zij behoren tot het heir des hemels. God telt hen. God roept hen bij naam. Morgensterren zingen. Sterren strijden. Sterren vallen of komen uit de hemel neer. Een ster krijgt een sleutel. Openbaring verklaart sterren expliciet als engelen. En Christus noemt Zichzelf de blinkende Morgenster.


Dat is veel sterker dan veel mensen beseffen.


Daarom moeten deze teksten blijven staan. Niet als losse curiositeiten, maar als één samenhangende Schriftlijn.


Sterren zijn volgens de Bijbel zeker lichten.


Maar de grote vraag is:


zijn zij slechts lichten?


De Schrift geeft daarop een krachtig antwoord.



Sterren zijn lichten in het uitspansel


Het beginpunt is Genesis.

“En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels, om scheiding te maken tussen den dag en tussen den nacht; en dat zij zijn tot tekenen, en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren.”
— Genesis 1:14

Daarna:

“En dat zij zijn tot lichten in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde; en het was alzo.”
— Genesis 1:15

En:

“En God maakte die twee grote lichten; dat grote licht tot heerschappij des daags, en dat kleine licht tot heerschappij des nachts; ook de sterren.”
— Genesis 1:16

En:

“En God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde.”
— Genesis 1:17

Dit is het fundament.


Sterren worden in Genesis 1 genoemd samen met zon en maan als lichten in het uitspansel des hemels.


Het Hebreeuwse woord voor “lichten” is מְאֹרֹת — məʾōrōt. Dat zijn lichtgevers, lichtdragers, lichten. Genesis begint dus niet met sterren als verre gasbollen in een eindeloze ruimte, maar met sterren als lichten die God stelde in het uitspansel des hemels.


Hun functie is:


  • licht geven op de aarde;
  • dienen tot tekenen;
  • dienen tot gezette tijden;
  • dienen tot dagen en jaren.


Dat moet blijven staan.


Sterren zijn volgens Genesis lichten.


Maar Genesis zegt niet dat sterren verre zonnen zijn.


Genesis zegt niet dat sterren gasbollen zijn.


Genesis zegt niet dat sterren miljoenen of miljarden lichtjaren weg zijn.


Genesis zegt niet dat sterren dezelfde soort objecten zijn als de zon.


Genesis zegt eenvoudig:


“ook de sterren”


en:


“God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde.”


Dat is de Bijbelse start.



Sterren geven licht, maar zijn zij slechts lichtpunten?


Genesis noemt sterren lichten.


Maar dat betekent niet automatisch dat zij onpersoonlijke materie zijn.


De Bijbel kan iets benoemen naar zijn zichtbare functie, terwijl er meer achter zit.


Een engel kan bijvoorbeeld als man verschijnen.


Genesis 19 zegt:

“En daar kwamen twee engelen te Sodom in den avond…”
— Genesis 19:1

Maar de mannen van Sodom spreken over hen als mannen:

“Waar zijn die mannen, die dezen nacht tot u gekomen zijn?”
— Genesis 19:5

Zij zagen mannen.


Maar de Schrift zegt: het waren engelen.


De zichtbare verschijningsvorm sluit de diepere identiteit niet uit.


Zo is het ook bij sterren. Zij functioneren zichtbaar als lichten in het uitspansel, terwijl de Schrift later laat zien dat zij verbonden zijn met het levende hemelse heir.


Belangrijk is dat de Schrift, wanneer zij sterren verder uitlegt, nergens een categorie geeft van sterren als dode materie. Zij spreekt over sterren als lichten, maar daarna ook als heir, als geteld en bij name geroepen, als morgensterren die zingen, als sterren die strijden, als sterren die vallen, als sterren die opdracht ontvangen, als sterren die verbonden zijn met angeloi, en als dwalende sterren onder oordeel.


De moderne gedachte van sterren als dode gasmassa’s komt niet uit de Bijbel.


De Bijbelse lijn is levend, hemels en persoonlijk.


Daarom moet de Schrift verder gelezen worden.



Sterren zijn het heir des hemels


Mozes waarschuwt Israël:

“Dat gij ook uw ogen niet opheft naar den hemel, en aanziet de zon, en de maan, en de sterren, het ganse heir des hemels, en wordt aangedreven, dat gij u voor die buigt en hen dient…”
— Deuteronomium 4:19

Hier worden zon, maan en sterren genoemd als:


“het ganse heir des hemels”


Het Hebreeuwse woord voor “heir” is צָבָא — tsābāʾ. Dat betekent leger, schare, georganiseerde menigte, krijgsmacht. Dat is belangrijke taal.


Sterren worden dus niet alleen “lichten” genoemd. Zij worden verbonden met het hemelse heir.



Ook in Deuteronomium 17 wordt gewaarschuwd tegen aanbidding van het hemelse heir:

“Dat hij henengaat en andere goden dient, en zich voor die buigt, of voor de zon, of voor de maan, of voor enig heir des hemels…”
— Deuteronomium 17:3

Israël mocht zon, maan en sterren niet aanbidden.


Waarom niet?


Omdat zij schepselen zijn.


Betekenisvol, ja.


Hemels, ja.


Door God gesteld, ja.


Maar niet God.


De Schrift maakt sterren niet laag en zinloos. Maar zij maakt ze ook niet goddelijk.


Zij behoren tot Gods heir.


Maar God alleen moet aanbeden worden.



Het heir des hemels kan persoonlijke hemelse wezens betekenen


Nu wordt het zeer belangrijk.


De uitdrukking “heir des hemels” kan in de Bijbel niet alleen naar hemellichten verwijzen, maar ook naar persoonlijke hemelse wezens.


Micha zegt:

“Ik zag den HEERE zitten op Zijn troon, en al het heir des hemels staande bij Hem, aan Zijn rechterhand en aan Zijn linkerhand.”
— 1 Koningen 22:19

Daar is het heir des hemels duidelijk persoonlijk.


Het staat bij de HEERE.


Er vindt een hemelse raad plaats.



Daarna lezen we:

“En de HEERE zeide: Wie zal Achab overreden, dat hij optrekke en valle te Ramoth in Gilead? De een nu zeide aldus, en de andere zeide alzo.”
— 1 Koningen 22:20

En:

“Toen ging een geest uit, en stond voor het aangezicht des HEEREN, en zeide: Ik zal hem overreden.”
— 1 Koningen 22:21

Dus hier is het heir des hemels geen dode materie.


Het zijn persoonlijke hemelse wezens in Gods troonraad.


Dat is belangrijk, omdat Deuteronomium 4:19 zon, maan en sterren óók “het ganse heir des hemels” noemt.


Daarmee komen twee lijnen samen:


  • sterren als lichten in het uitspansel;
  • sterren als deel van het hemelse heir;
  • het hemelse heir als persoonlijke hemelse schare rondom Gods troon.


Dit opent de deur voor wat de rest van de Schrift bevestigt.



Hemel en aarde en al hun heir


Genesis 2 zegt:

“Alzo zijn volbracht de hemel en de aarde, en al hun heir.”
— Genesis 2:1

Dit vers is belangrijk.


Genesis 1 noemt de schepping van hemel en aarde en alles wat daarin is. Daarna zegt Genesis 2:1:


“hemel en aarde, en al hun heir”


De hemel heeft een heir.


De aarde heeft een heir.


Maar waar worden de engelen in Genesis 1 apart genoemd?


Nergens.


Toch zijn engelen echte, belangrijke schepselen.



Zij verschijnen al vroeg in Genesis:

“En Hij dreef den mens uit; en stelde cherubim tegen het oosten des hofs van Eden, en een vlammig lemmer eens zwaards…”
— Genesis 3:24

Engelen zijn dus aanwezig in de Schrift, maar Genesis 1 noemt hun schepping niet apart onder een aparte categorie zoals vissen, vogels, vee of mensen.


Dat is opvallend.


Als Genesis 2:1 zegt dat hemel en aarde en al hun heir voltooid zijn, dan ligt het voor de hand dat de hemelse wezens inbegrepen zijn in het hemelse heir.


En sterren worden nu juist het heir des hemels genoemd.


Dit is geen klein punt.


De Schrift dwingt ons om sterren, engelen en het hemelse heir niet zo scherp te scheiden als het moderne denken doet.



God telt de sterren en noemt ze bij naam


Psalm 147 zegt:

“Hij telt het getal der sterren; Hij noemt ze allen bij namen.”
— Psalm 147:4

Jesaja zegt:

“Heft uw ogen omhoog, en ziet, Wie deze dingen geschapen heeft; Die in getal hun heir voortbrengt; Die ze alle bij name roept, vanwege de grootheid Zijner krachten, en omdat Hij sterk van vermogen is; er wordt er niet één gemist.”
— Jesaja 40:26

Dit is één van de sterkste punten.


God telt de sterren.


God noemt ze allen bij namen.


God roept ze alle bij name.


Er wordt er niet één gemist.


Dat is geen koude materietaal.



Dat is leger-, orde- en bevelstaal.


Een bevelhebber roept zijn leger bij naam. Hij telt zijn schare. Niemand ontbreekt.


Jesaja 40:26 zegt zelfs:


“Die in getal hun heir voortbrengt”


Daar staat opnieuw dat woord:


“heir”


God brengt hun heir voort bij getal.


Hij roept ze bij name.


Er wordt er niet één gemist.


Vergelijk dit met zand.


God vergelijkt Abrahams zaad met sterren én met zand:

“Dat Ik uw zaad zeer vermenigvuldigen zal, als de sterren des hemels, en als het zand, dat aan den oever der zee is…”
— Genesis 22:17

Sterren en zand worden allebei gebruikt als beeld van grote menigte.


Maar de Bijbel zegt niet dat God elke zandkorrel bij naam roept.


Over sterren zegt de Schrift dat wel.


Dat is opvallend.


Zand is menigte.


Sterren zijn menigte, maar ook geteld, bij naam geroepen, als heir voortgebracht, en niemand ontbreekt.


Dat is een heel ander soort taal.



Bij name roepen is leger- en bevelstaal


In de Bijbel is “bij name roepen” zeer betekenisvol.


Natuurlijk kunnen ook plaatsen of dingen een naam krijgen. Genesis 1 laat al zien dat God het licht Dag noemt, de duisternis Nacht, het uitspansel Hemel, het droge Aarde en de verzameling der wateren Zeeën.


Maar Psalm 147 en Jesaja 40 spreken sterker dan gewone naamgeving.


Psalm 147 zegt niet alleen dat sterren namen hebben. De tekst zegt:

“Hij telt het getal der sterren; Hij noemt ze allen bij namen.”
— Psalm 147:4

Jesaja zegt niet alleen dat God ze kent. Hij zegt:

“Die in getal hun heir voortbrengt; Die ze alle bij name roept… er wordt er niet één gemist.”
— Jesaja 40:26

Hier komen vier dingen samen:


  • getal;
  • heir;
  • bij name roepen;
  • niemand gemist.


Dat is geen gewone naamgeving.


Dat is leger- en bevelstaal.


Een bevelhebber roept zijn schare.


Hij kent hun getal.


Hij roept hen bij name.


Niemand ontbreekt.


Daarom klinkt dit niet als de taal van anonieme stofmassa’s. Het past bij het levende hemelse heir dat door God gekend, geteld, geroepen en geordend wordt.



Morgensterren zingen en kinderen Gods juichen


Job 38 is één van de zwaarste teksten in dit onderzoek.


God vraagt aan Job:

“Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt.”
— Job 38:4

Daarna spreekt God over de schepping van de aarde:

“Toen de morgensterren te zamen vrolijk zongen, en al de kinderen Gods juichten.”
— Job 38:7

Hier staan twee uitdrukkingen naast elkaar:


  • morgensterren;
  • kinderen Gods.


De morgensterren zingen.


De kinderen Gods juichen.


Dit is zeer sterk.



In Job 1 lezen we:

“Er was nu een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam.”
— Job 1:6

En in Job 2:

“Wederom was er een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam, om zich voor den HEERE te stellen.”
— Job 2:1

In Job zijn “kinderen Gods” hemelse wezens die voor de HEERE verschijnen.


Wanneer Job 38:7 zegt:


“Toen de morgensterren te zamen vrolijk zongen, en al de kinderen Gods juichten”


dan is de verbinding tussen sterren en hemelse wezens zeer sterk.


Morgensterren zingen.


Kinderen Gods juichen.


Dit is geen taal van dode materie.


Het is hemelse aanbidding.



Levende hemelse wezens onder het uitspansel


Ezechiël 1 geeft één van de meest indrukwekkende beschrijvingen van de hemelse werkelijkheid.

Ezechiël ziet levende wezens.

“En uit het midden daarvan kwam de gelijkenis van vier dieren; en dit was hun gedaante: zij hadden de gelijkenis eens mensen.”
— Ezechiël 1:5

Deze levende wezens zijn geen gewone aardse schepselen.


Zij verschijnen in het gezicht van Gods heerlijkheid.



Zij bewegen niet willekeurig, maar in volmaakte gerichtheid.

“Zij gingen altemaal rechtuit; zij gingen waarheen de geest was om te gaan, en zij keerden zich niet om als zij gingen.”
— Ezechiël 1:12

Zij zijn verbonden met vuur, glans, bliksem, beweging, wielen, ogen, het uitspansel en de troon van God.



Ezechiël zegt:

“En de gelijkenis der dieren, hun gedaante, was als brandende kolen vuurs, als de gedaante der fakkelen; dat vuur ging tussen de dieren heen en weder; en het vuur had een glans, en uit het vuur kwam bliksem voort.”
— Ezechiël 1:13

Let op de taal:


  • levende wezens;
  • vuur;
  • fakkelen;
  • glans;
  • bliksem;
  • gerichte beweging.


Dat is geen taal van dood materiaal.


Dat is levende hemelse heerlijkheid.



Daarna ziet Ezechiël het uitspansel:

“En over de hoofden der dieren was de gelijkenis eens uitspansels, gelijk de kleur van het schrikkelijk kristal, van boven over hun hoofden uitgespreid.”
— Ezechiël 1:22

De levende wezens zijn dus onder het uitspansel.


Het uitspansel is boven hun hoofden.



En boven het uitspansel ziet Ezechiël de troon:

“En boven het uitspansel, dat boven hun hoofd was, was de gelijkenis eens troons, als de gedaante van een saffiersteen; en op de gelijkenis des troons was de gelijkenis als de gedaante eens mensen daarboven op.”
— Ezechiël 1:26

Dit is een geweldige verticale structuur:


  • levende hemelse wezens beneden;
  • het kristalachtige uitspansel boven hun hoofden;
  • de troon boven het uitspansel;
  • de heerlijkheid van de HEERE daarboven.


Later maakt Ezechiël duidelijk wie deze levende wezens zijn:

“Dit is het dier, dat ik zag onder den God Israëls bij de rivier Chebar; en ik bekende, dat het cherubs waren.”
— Ezechiël 10:20

Het zijn cherubs.


Dus Ezechiël ziet geen lege hemel.


Hij ziet levende hemelse wezens onder het uitspansel, verbonden met vuur, glans, bliksem, wielen, ogen, beweging en Gods troon.


Dat is belangrijk voor dit onderwerp.


Job 38 spreekt over morgensterren die zingen en kinderen Gods die juichen.


Richteren 5 spreekt over sterren die uit hun loopplaatsen strijden.


Psalm 147 en Jesaja 40 spreken over sterren die God telt en bij name roept.


Openbaring spreekt over sterren die vallen, handelen, sleutels ontvangen en verbonden worden met angeloi.


Ezechiël 1 laat dezelfde hemelse orde van een andere kant zien: levende hemelse wezens onder het uitspansel, in de nabijheid van Gods troon.


De Schrift geeft ons geen categorie van sterren als dode materie.


Die categorie komt uit het moderne wereldbeeld.


Wanneer de Bijbel sterren verder opent, plaatst zij hen niet in een leeg heelal van dode gasmassa’s, maar in de sfeer van het levende hemelse heir.


Sterren zijn lichten, maar zij zijn niet slechts lichtpunten.


Zij worden geteld.


Zij worden bij name geroepen.


Zij zingen.


Zij strijden.


Zij vallen.


Zij handelen.


Zij ontvangen opdrachten.


Zij worden verbonden met angeloi.


Zij staan in de hemelse orde onder Gods gezag.


Daarom moet het hemelse heir niet worden voorgesteld als dode materie in een leeg heelal.


De Bijbel toont een levende hemelse orde: lichten, cherubs, engelen, sterren, vuur, glans, beweging, aanbidding, strijd en troonregering onder God.


Sterren horen in de Schrift bij die levende hemelse werkelijkheid.


Niet bij dode verre zonnen in een leeg heelal.



Sterren hebben loopplaatsen en strijden


Na Job 38 en Ezechiël 1 past ook Richteren 5 in dezelfde lijn. De Schrift spreekt niet over een lege hemel, maar over een levende hemelse orde.


Richteren 5 zegt:

“Van den hemel streden zij; de sterren uit haar loopplaatsen streden tegen Sisera.”
— Richteren 5:20

Dit is een lied van Debora en Barak.


De taal is poëtisch, maar poëzie spreekt waarheid in krachtige beelden.


De sterren:


  • zijn van den hemel;
  • hebben loopplaatsen;
  • strijden tegen Sisera.


Het woord “loopplaatsen” wijst op banen, paden, vaste plaatsen van waaruit zij optreden. De sterren staan dus niet als losse decoratie in de hemel. Zij hebben door God gestelde plaatsen en kunnen van daaruit strijden.


Dat past bij sterren als onderdeel van Gods hemelse legerorde.


Zij staan niet los van Gods strijd op aarde. Zij worden voorgesteld als strijdend uit hun hemelse plaatsen.



Vergelijk dit met andere teksten over hemelse legerscharen:

“De Engel des HEEREN legert zich rondom degenen, die Hem vrezen, en rukt hen uit.”
— Psalm 34:8

En:

“De wagens Gods zijn tweemaal tienduizend, de duizenden verdubbeld; de Heere is onder hen…”
— Psalm 68:18

De Bijbel kent een hemelse krijgsmacht.


Sterren die strijden uit hun loopplaatsen passen veel beter bij hemelse machten onder Gods bevel dan bij dode materie.



Sterrenbeelden en ordinantiën des hemels


Job spreekt ook over sterrenordeningen:

“Die den Wagen maakt, den Orion, en het Zevengesternte, en de binnenkameren des Zuids.”
— Job 9:9

Later zegt God:

“Kunt gij de liefelijkheden van het Zevengesternte binden, of de strengen des Orions losmaken?”
— Job 38:31

En:

“Kunt gij de Mazzaroth voortbrengen op hun tijd? En den Wagen met zijn kinderen leiden?”
— Job 38:32

Dan:

“Weet gij de ordinantiën des hemels? Kunt gij derzelver heerschappij op aarde bestellen?”
— Job 38:33

Dit is zeer rijk.


De sterrenhemel heeft:


  • ordeningen;
  • tijden;
  • bindingen;
  • leidingen;
  • ordinantiën;
  • heerschappij op aarde.


God stelt Job vragen die Job niet kan beantwoorden.


De sterren staan niet los van Gods bestuur. Zij hebben een door God bepaalde orde.


Dit sluit aan bij Genesis 1:14:


“dat zij zijn tot tekenen, en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren.”


Sterren zijn dus geen willekeurige lichtpunten.


Zij horen bij Gods hemelse ordening.



Sterren Gods


Jesaja 14 spreekt over de hoogmoedige morgenster, zoon des dageraads:

“Hoe zijt gij uit den hemel gevallen, o morgenster, gij zoon des dageraads! hoe zijt gij ter aarde nedergehouwen, gij, die de heidenen krenktet!”
— Jesaja 14:12

Daarna:

“En zeidet in uw hart: Ik zal ten hemel opklimmen, ik zal mijn troon boven de sterren Gods verhogen; en ik zal mij zetten op den berg der samenkomst aan de zijden van het noorden.”
— Jesaja 14:13

Hier is opnieuw een sterke verbinding:


  • morgenster;
  • uit de hemel gevallen;
  • troon;
  • sterren Gods;
  • berg der samenkomst;
  • zijden van het noorden.


De uitdrukking:


“sterren Gods”


klinkt niet als koude materie. Het klinkt als hemelse grootheden/machten onder God.


De hoogmoedige wil zijn troon verhogen boven de sterren Gods.


Dat is taal van hemelse hiërarchie, macht en rebellie.


Deze tekst wordt later ook belangrijk in het artikel over het noorden en de troon van God. Maar hier zien we al dat “ster” in de Schrift verbonden wordt met hemelse status en macht.



Sterren kunnen personen of heersers voorstellen


Genesis 37 geeft een droom van Jozef:

“Zie, ik heb nog een droom gedroomd; en ziet, de zon, en de maan, en elf sterren bogen zich voor mij neder.”
— Genesis 37:9

Jakob begrijpt de betekenis:

“Zullen wij dan komen, ik, en uw moeder, en uw broeders, om ons voor u ter aarde te buigen?”
— Genesis 37:10

Hier stellen elf sterren Jozefs broeders voor.


Dit betekent niet dat alle sterren altijd mensen zijn. Maar het bewijst opnieuw dat de Bijbel sterren kan gebruiken als persoonlijke representatie.


Sterren kunnen staan voor personen, machten, heersers of hemelse vertegenwoordigers.


Dat wordt later in Openbaring nog veel duidelijker.



De ster van Bethlehem


Mattheüs 2 spreekt over de ster van de Koning der Joden.


De wijzen zeggen:

“Waar is de geboren Koning der Joden? Want wij hebben gezien Zijn ster in het Oosten, en zijn gekomen om Hem te aanbidden.”
— Mattheüs 2:2

Later lezen we:

“En ziet, de ster, die zij in het Oosten gezien hadden, ging hun voor, totdat zij kwam en stond boven de plaats, waar het Kindeken was.”
— Mattheüs 2:9

Deze ster is zeer bijzonder.


Zij wordt genoemd:


“Zijn ster”


De ster gaat voor hen.


De ster komt en staat boven de plaats waar het Kindeken was.


Dit past niet bij het moderne idee van een verre zon.


Een verre zon kan niet boven één specifieke plaats of huis gaan staan.


De tekst spreekt veel natuurlijker over een geleid hemels licht, een bijzondere door God bestuurde ster, een hemelse boodschapper of heerlijkheidslicht.


De Schrift noemt het een ster.


Opnieuw: sterren in de Bijbel zijn niet simpelweg verre onpersoonlijke objecten. Deze ster handelt als een hemels geleid teken dat naar Christus wijst.



Sterren kunnen uit de hemel vallen of neerkomen


De Bijbel spreekt meerdere keren over sterren die uit de hemel vallen of op aarde komen.


De Heere Jezus zegt:

“En terstond na de verdrukking dier dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van den hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen bewogen worden.”
— Mattheüs 24:29

Markus zegt:

“En de sterren des hemels zullen daaruit vallen, en de krachten, die in de hemelen zijn, zullen bewogen worden.”
— Markus 13:25

Openbaring zegt:

“En de sterren des hemels vielen op de aarde, gelijk een vijgeboom zijn onrijpe vijgen afwerpt, als hij van een groten wind geschud wordt.”
— Openbaring 6:13

Dit sluit aan bij Jesaja:

“En al het heir der hemelen zal uitteren, en de hemelen zullen toegerold worden als een boek; en al hun heir zal afvallen, gelijk een blad van den wijnstok afvalt, en gelijk een vijg afvalt van den vijgeboom.”
— Jesaja 34:4

Als sterren moderne verre zonnen zijn, worden deze teksten vrijwel onmogelijk om letterlijk te laten staan.


Dan moet men zeggen:


  • het zijn geen echte sterren;
  • het zijn meteorieten;
  • het is alleen symboliek;
  • het betekent iets anders.


Maar de Schrift zelf noemt ze sterren.


En Genesis heeft sterren al voorgesteld als lichten in het uitspansel, niet als enorme zonnen in een eindeloos heelal.


Daarom passen vallende sterren veel natuurlijker in de Bijbelse kosmologie dan in het moderne wereldbeeld.


De context bepaalt hoe het vallen precies werkt.


Niet elke ster die uit de hemel komt of valt, heeft exact dezelfde functie. Maar de hoofdzaak blijft staan: de Schrift spreekt over sterren die van de hemel op de aarde kunnen komen of vallen.


Dat past niet bij moderne verre zonnen.


Dat past wel bij de Bijbelse lijn van sterren als hemelse lichten/machten binnen Gods levende hemelse orde.



Een ster krijgt een sleutel


Openbaring 9 zegt:

“En de vijfde engel heeft gebazuind, en ik zag een ster, gevallen uit den hemel op de aarde; en haar werd gegeven de sleutel van den put des afgronds.”
— Openbaring 9:1

Daarna:

“En zij heeft den put des afgronds geopend…”
— Openbaring 9:2

Hier is de ster niet te lezen als dode materie.


De ster valt of komt uit de hemel op de aarde.


De ster krijgt een sleutel.


De ster opent de put des afgronds.


Dat is persoonlijk handelen.


Een onpersoonlijk lichtobject krijgt geen sleutel en opent geen put.


Openbaring 9 laat dus duidelijk zien dat “ster” een persoonlijke hemelse macht kan aanduiden.


Dit is niet vaag.


Dit is tekstueel sterk.



Een grote ster met een naam


Openbaring 8 zegt:

“En de derde engel heeft gebazuind, en er viel een grote ster uit den hemel, brandende als een fakkel, en is gevallen op het derde deel der rivieren, en op de fonteinen der wateren.”
— Openbaring 8:10

Daarna:

“En de naam der ster wordt genoemd Alsem…”
— Openbaring 8:11

Deze ster heeft een naam.


Dat sluit opnieuw aan bij Psalm 147 en Jesaja 40, waar God de sterren bij name noemt.


Hier wordt één vallende ster specifiek bij naam genoemd:


“Alsem”


Deze ster brengt oordeel over wateren.


Ook hier is het onmogelijk om dit eerlijk in te passen in het moderne idee van sterren als verre zonnen. Maar binnen de Bijbelse lijn van hemelse lichten/machten die onder Gods oordeel en bevel staan, past het natuurlijk.



Jezus verklaart sterren als angeloi — boodschappers/engelen


Nu komen we bij één van de duidelijkste teksten.


Openbaring 1 zegt dat Christus zeven sterren in Zijn rechterhand heeft:

“En Hij had zeven sterren in Zijn rechterhand…”
— Openbaring 1:16

Daarna verklaart Christus Zelf:

“De verborgenheid der zeven sterren, die gij gezien hebt in Mijn rechterhand, en de zeven gouden kandelaren. De zeven sterren zijn de engelen der zeven Gemeenten; en de zeven kandelaren, die gij gezien hebt, zijn de zeven Gemeenten.”
— Openbaring 1:20

Dit is beslissend voor het principe.


Het Griekse woord is ἄγγελοι — angeloi. Dat woord betekent boodschappers of engelen. Soms gaat het duidelijk om hemelse engelen. Soms kan het ook gaan om menselijke boodschappers.


Daarom moet Openbaring 1:20 precies gelezen worden.


Christus zegt:


“De zeven sterren zijn de engelen der zeven Gemeenten.”


Niet:


de zeven sterren zijn dode lichtobjecten.


Niet:


de zeven sterren zijn verre zonnen.


Maar:


de zeven sterren zijn angeloi — boodschappers/engelen — verbonden aan de zeven gemeenten.


Sommigen zien hierin hemelse engelen van de gemeenten. Anderen denken aan menselijke boodschappers, vertegenwoordigers of verantwoordelijke herders van de gemeenten.


Maar in beide gevallen blijft de hoofdzaak staan:


Christus verklaart de zeven sterren als persoonlijke boodschappers/vertegenwoordigers, niet als dode materie.


Dat is beslissend voor het principe.


De Schrift kan sterren verbinden met persoonlijke dragers van boodschap, verantwoordelijkheid en vertegenwoordiging.


Wie zegt dat “sterren als boodschappers/engelen” vergezocht is, heeft Openbaring 1:20 niet laten wegen.



De draak, sterren en engelen


Openbaring 12 geeft opnieuw een sterke verbinding.


We lezen:

“En er werd een ander teken gezien in den hemel; en ziet, er was een grote rode draak, hebbende zeven hoofden, en tien hoornen, en op zijn hoofden zeven koninklijke hoeden.”
— Openbaring 12:3

Daarna:

“En zijn staart trok het derde deel der sterren des hemels, en wierp die op de aarde…”
— Openbaring 12:4

Even later lezen we:

“En er werd krijg in den hemel: Michaël en zijn engelen krijgden tegen den draak, en de draak krijgde ook en zijn engelen.”
— Openbaring 12:7

Daarna:

“En de grote draak is geworpen… hij is geworpen op de aarde, en zijn engelen zijn met hem geworpen.”
— Openbaring 12:9

Let op de parallel.


Vers 4:


  • de draak werpt het derde deel der sterren des hemels op de aarde.


Vers 7–9:


  • de draak en zijn engelen voeren oorlog;
  • de draak wordt op de aarde geworpen;
  • zijn engelen worden met hem geworpen.


Dat is zeer sterk.


De sterren in vers 4 staan in nauwe samenhang met de engelen van de draak in vers 7–9.


Hier wordt de verbinding sterren/engelen opnieuw bevestigd.



Sterren in Daniël: ter aarde geworpen


Daniël 8 zegt:

“En het werd groot tot aan het heir des hemels; en het wierp er sommigen van dat heir en van de sterren ter aarde neder, en het vertrad ze.”
— Daniël 8:10

Hier komen opnieuw dezelfde woorden samen:


  • heir des hemels;
  • sterren;
  • ter aarde geworpen;
  • vertreden.


Dit past niet bij de moderne gedachte van sterren als enorme verre zonnen.


Maar het past wel bij de Bijbelse lijn van sterren als hemelse lichten/machten die kunnen worden neergeworpen in geestelijke of profetische strijd.


Daniël 8 is profetisch, maar de taal is duidelijk: sterren en het hemelse heir kunnen ter aarde geworpen worden.


Dat sluit aan bij Jesaja 34, Mattheüs 24 en Openbaring.



Rechtvaardigen blinken als sterren


Daniël 12 zegt:

“De leraars nu zullen blinken, als de glans des uitspansels, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk.”
— Daniël 12:3

Hier worden rechtvaardigen verbonden met:


  • glans;
  • uitspansel;
  • sterren;
  • eeuwigheid.


Dat is heerlijkheidstaal.



Jezus zegt over de opstanding:

“Want in de opstanding nemen zij niet ten huwelijk, noch worden ten huwelijk uitgegeven; maar zij zijn als engelen Gods in den hemel.”
— Mattheüs 22:30

Daniël zegt dat de wijzen zullen blinken als sterren.


Jezus zegt dat de opgestanen als engelen Gods in de hemel zullen zijn.


Opnieuw komen sterren, heerlijkheid, uitspansel en engelachtige hemelse toestand dicht bij elkaar.



De ene ster verschilt van de andere ster in heerlijkheid


Paulus schrijft:

“Een andere is de heerlijkheid der zon, en een andere is de heerlijkheid der maan, en een andere is de heerlijkheid der sterren; want de ene ster verschilt in heerlijkheid van de andere ster.”
— 1 Korinthe 15:41

Dit is een belangrijke tekst.


Paulus spreekt over:


  • heerlijkheid van de zon;
  • heerlijkheid van de maan;
  • heerlijkheid van de sterren;
  • verschil in heerlijkheid tussen sterren.


Hij gebruikt dit in het hoofdstuk over de opstanding.


Sterren worden dus opnieuw verbonden met heerlijkheid en verschil in hemelse glans.


Ook hier noemt Paulus de zon, maan en sterren onderscheiden. Hij zegt niet: de zon is gewoon een ster onder de sterren. Hij volgt de Bijbelse taal van Genesis: zon, maan en sterren hebben onderscheiden heerlijkheid.



Dwalende sterren


Judas spreekt over valse leraars:

“Wilde baren der zee, hun eigen schuimen opschuimende; dwalende sterren, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt.”
— Judas 13

“Dwalende sterren” is een zeer krachtige uitdrukking.


In het Grieks staat hier:


ἀστέρες πλανῆται — asteres planētai


Dat betekent: dwalende sterren, zwervende sterren.


Het woord planētai komt van de gedachte van dwalen, zwerven, afdwalen. Daar komt ook ons woord “planeet” vandaan.


Dat is veelzeggend.


Een ster hoort licht te geven.


Een ster hoort richting te geven.


Een ster hoort in Gods gestelde orde te staan.


Maar Judas spreekt over dwalende sterren.


Niet vaste sterren.


Niet betrouwbare lichten.


Niet sterren die hun plaats bewaren.


Maar dwalende sterren.


Judas gebruikt die taal niet neutraal. Hij gebruikt haar als oordeelstaal over valse leraars.


Zij lijken licht te geven, maar zij leiden verkeerd.


Zij lijken richting te geven, maar zij dwalen.


Zij lijken hemels, maar hun einde is duisternis.


“Dwalende sterren, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt.”


Dat is geen onschuldige astronomische uitdrukking.


Dat is geestelijke oordeelstaal.


Juist daarom past Judas 13 zo sterk binnen de bredere Schriftlijn over sterren.


De Schrift heeft eerder laten zien dat sterren verbonden zijn met het heir des hemels, met hemelse ordening, met namen, met loopplaatsen, met strijd, met vallen, met angeloi en met oordeel.


Openbaring 12 spreekt over sterren des hemels die op de aarde geworpen worden, en verbindt datzelfde hoofdstuk met de draak en zijn engelen:

“En zijn staart trok het derde deel der sterren des hemels, en wierp die op de aarde…”
— Openbaring 12:4

En daarna:

“En de grote draak is geworpen… hij is geworpen op de aarde, en zijn engelen zijn met hem geworpen.”
— Openbaring 12:9

Dat is geen losse overeenkomst.


Sterren die geworpen worden.


Engelen die geworpen worden.


Hemelse strijd.


Aarde.


Oordeel.


Judas spreekt over dwalende sterren en past dat toe op valse leraars. Openbaring 12 spreekt over sterren en engelen die geworpen worden. Samen geven deze teksten een diepe Bijbelse laag: een ster hoort bij licht, orde en hemelse plaats; een dwalende ster spreekt van afwijking, misleiding en oordeel.


Daarom is “dwalende ster” geen zwakke beeldspraak.


Het is een oordeelsterm.


Een ster die dwaalt, is geen betrouwbaar licht.


Een ster die dwaalt, wijkt af van orde.


Een ster die dwaalt, eindigt in duisternis.


Ook dit laat zien: sterren zijn in de Bijbel meer dan neutrale lichtpuntjes. Zij dragen betekenis van licht, richting, orde, afwijking, val en oordeel.



Planeet als dwalende ster


Het moderne woord “planeet” komt uit dezelfde gedachte als Judas 13: dwalende ster.


Dat is belangrijk.


Wat vandaag “planeet” wordt genoemd, is in oorsprong geen gewone vaste ster, maar een dwalende ster: een licht dat ten opzichte van de vaste sterren anders beweegt.


In het moderne wereldbeeld is “planeet” een neutrale astronomische categorie geworden.


Maar de Bijbelse taal van dwalende sterren is niet neutraal.


Judas gebruikt asteres planētai niet om een onschuldige les over hemellichamen te geven, maar om valse leraars te tekenen: misleidende lichten, zwervers, dwaallichten, bestemd voor de donkerheid der duisternis.


Daarom mag het moderne begrip “planeet” niet zomaar over de Bijbel heen gelegd worden alsof de Schrift hetzelfde bedoelt als de moderne astronomie.


De Schrift spreekt over:


  • sterren;
  • lichten in het uitspansel;
  • het heir des hemels;
  • sterren die bij name geroepen worden;
  • sterren die strijden;
  • sterren die vallen;
  • sterren die angeloi zijn;
  • sterren die met engelen verbonden worden;
  • dwalende sterren onder oordeel.


Binnen die Schriftlijn krijgt het begrip “dwalende ster” groot gewicht.


Het betekent niet dat elke zichtbare planeet op basis van één woord direct technisch gelijkgesteld moet worden aan één gevallen engel.


Maar het betekent wel dat de verbinding zeer ernstig is.


De Bijbel kent sterren als hemelse lichtdragers van Gods levende heir.


De Bijbel kent ook sterren die dwalen, vallen, misleiden en onder oordeel staan.


Daarom is de gedachte van “dwalende sterren” veel dichter bij de Bijbelse werkelijkheid van afwijking, val, misleiding en oordeel dan bij een neutrale moderne categorie van bollen die door de ruimte bewegen.


De Schrift laat het moderne woord “planeet” dus niet rustig staan als onschuldig vertrekpunt.


Zij trekt het terug naar zijn oudere betekenis:


dwalende ster.


En Judas laat zien wat een dwalende ster geestelijk betekent:


licht zonder trouw.


richting zonder waarheid.


schijn zonder gehoorzaamheid.


en uiteindelijk:


duisternis.



Christus is de blinkende Morgenster


De hoogste stertaal wordt uiteindelijk op Christus toegepast.


Openbaring 22 zegt:

“Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden, om ulieden deze dingen te getuigen in de Gemeenten. Ik ben de Wortel en het Geslacht Davids, de blinkende Morgenster.”
— Openbaring 22:16

Christus is niet een geschapen ster.


Hij is de Schepper van alle dingen.


Maar Hij noemt Zich:


“de blinkende Morgenster”


Dat is diepe heerlijkheidstaal.


De morgenster kondigt de dag aan. Christus is de komende Koning, het ware Licht, de zekerheid van de nieuwe dag.



Petrus schrijft:

“En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de Morgenster opga in uw harten.”
— 2 Petrus 1:19

De Morgenster wijst naar Christus, naar het aanbreken van de dag, naar het einde van de duisternis.


Daarom eindigt de Bijbelse sterrentheologie niet bij sterren zelf.


Zij eindigt bij Christus.



Wat leert de Bijbel dus over sterren?


Wanneer alle teksten worden samengelegd, ontstaat een krachtig beeld.


De Bijbel leert dat sterren:


  1. door God gemaakt zijn;
  2. lichten zijn in het uitspansel des hemels;
  3. licht geven op de aarde;
  4. dienen tot tekenen, gezette tijden, dagen en jaren;
  5. behoren tot het heir des hemels;
  6. door God geteld worden;
  7. door God bij name geroepen worden;
  8. niet ontbreken wanneer God hen roept;
  9. zingen als morgensterren bij de grondlegging van de aarde;
  10. verbonden zijn met de kinderen Gods;
  11. loopplaatsen en hemelse ordeningen hebben;
  12. kunnen strijden uit hun plaatsen;
  13. verbonden zijn met sterren Gods en hemelse troonhoogte;
  14. personen, heersers of machten kunnen voorstellen;
  15. uit de hemel kunnen vallen of neerkomen;
  16. in oordeel kunnen vallen als onderdeel van een kosmische schudding;
  17. als hemelse macht met een opdracht kunnen neerkomen;
  18. namen kunnen hebben;
  19. sleutels kunnen ontvangen en handelen;
  20. in Openbaring expliciet angeloi — boodschappers/engelen — genoemd worden;
  21. verbonden zijn met persoonlijke boodschappers, engelen en vertegenwoordiging;
  22. verbonden zijn met de engelen van de draak in Openbaring 12;
  23. ook als dwalende sterren kunnen worden gebruikt voor valse leraars, misleiding en oordeel;
  24. in Judas 13 verbonden zijn met planētai: dwalende of zwervende sterren, de gedachte waar ons woord “planeet” vandaan komt;
  25. niet als neutrale moderne planeten-categorie gelezen mogen worden, maar binnen de Schriftlijn van licht, orde, afwijking, val en oordeel;
  26. beeld zijn van opstandingsheerlijkheid;
  27. uiteindelijk wijzen naar Christus, de blinkende Morgenster.


Dit is veel meer dan “lichtpuntjes”.


Dit is het levende hemelse heir: licht, orde, heerlijkheid, boodschap, strijd en oordeel onder Gods bevel.



De Bijbel leert niet dat sterren verre zonnen zijn


Nu moet dit eerlijk gezegd worden.


De Bijbel leert nergens dat sterren verre zonnen zijn.


De Bijbel leert nergens dat de zon zelf gewoon één ster is.


De Bijbel leert nergens dat sterren gasbollen zijn in een eindeloos heelal.


De Bijbel leert nergens dat sterren miljoenen of miljarden lichtjaren weg staan.


De Bijbel leert nergens dat sterren groter zijn dan de aarde.


Dat zijn ideeën van buiten de Schrift.


De Schrift zelf leert iets anders.


Sterren zijn lichten in het uitspansel des hemels.


Maar zij zijn niet slechts dode lichten.


Zij behoren tot het hemelse heir. Zij worden bij name geroepen. Zij zingen. Zij strijden. Zij vallen of komen neer. Zij kunnen persoonlijk handelen. Zij worden in Openbaring expliciet engelen genoemd.


Daarom is de moderne gedachte “sterren zijn verre zonnen” niet uit de Bijbel afgeleid.


Zij moet in de Bijbel worden teruggelezen.



Zijn sterren engelen?


Nu komt de kernvraag.


Leert de Bijbel dat sterren engelen zijn?


De Bijbel leert dat sterren lichten zijn in het uitspansel.


Maar wanneer de Schrift verder over sterren spreekt, plaatst zij hen niet in de categorie van dode materie.


Zij plaatst hen in de sfeer van het levende hemelse heir.


Sterren worden geteld.


Sterren worden bij name geroepen.


Morgensterren zingen.


Sterren strijden uit hun loopplaatsen.


Sterren kunnen vallen of uit de hemel neerkomen.


Een ster kan een sleutel ontvangen en handelen.


Sterren worden verbonden met angeloi — boodschappers/engelen.


Sterren worden verbonden met oordeel, heerlijkheid en hemelse orde.


Daarom is de sterke Bijbelse conclusie:


Sterren zijn hemelse lichtdragers van Gods levende heir.


Zij zijn niet minder dan lichten, maar duidelijk meer dan lichten.


De Schrift spreekt over sterren als levende hemelse werkelijkheid, niet als dode verre zonnen in een leeg heelal.


Dat betekent niet dat elk gebruik van het woord “ster” op exact dezelfde laag functioneert.


Genesis 1 benadrukt hun zichtbare scheppingsfunctie als lichten.


Job 38 verbindt morgensterren met kinderen Gods.


Richteren 5 laat sterren strijden uit hun loopplaatsen.


Openbaring 1 verklaart sterren als angeloi — boodschappers/engelen.


Openbaring 12 verbindt sterren die geworpen worden met engelen die geworpen worden.


Judas spreekt over dwalende sterren als beeld van misleiding en oordeel.


Samen wijst dit naar één krachtige lijn:


Sterren zijn hemelse lichtdragers van het levende heir van God, veel meer dan dode materie in een leeg heelal.



Waarom dit artikel belangrijk is


Dit onderwerp raakt niet alleen sterren.


Het raakt Schriftgezag.


Als bij voorbaat wordt gezegd: “Sterren zijn verre zonnen, dus de Bijbel kan dat niet letterlijk bedoelen wanneer sterren vallen, zingen of engelen zijn,” dan is er al een buitenbijbels model boven de tekst gezet.


Maar wanneer de Schrift mag spreken, ontstaat een ander beeld.


Genesis geeft de basis.


Job verdiept het.


De Psalmen bevestigen Gods persoonlijke kennis.


Jesaja spreekt over sterren Gods en God Die hen bij name roept.


Daniël spreekt over sterren en het heir des hemels die ter aarde geworpen worden.


Christus spreekt over sterren die zullen vallen.


Openbaring verklaart sterren als engelen.


Dat is Schrift met Schrift.


Dat is de som van Gods Woord.



Christus, de blinkende Morgenster


Bij alle Bijbelse lijnen over sterren moet de hoogste ster niet worden gemist.

“Ik ben de Wortel en het Geslacht Davids, de blinkende Morgenster.”
— Openbaring 22:16

Sterren kunnen in de Schrift licht, heerlijkheid, heerschappij, engelen of personen aanduiden. Maar Christus overtreft elke hemelse heerlijkheid.


Hij is niet één licht onder vele lichten.


Hij is de Heere der heerlijkheid.


Hij is de Schepper van het heir des hemels.


Hij is de Morgenster Die de dag aankondigt.



Slot


De Bijbel spreekt rijker over sterren dan alleen over lichtpunten aan de hemel.


Sterren zijn lichten in het uitspansel.


Zij zijn het heir des hemels.


Zij worden door God geteld en bij name geroepen.


Zij zingen, strijden, vallen, handelen, ontvangen opdrachten en worden in Openbaring verbonden met angeloi — boodschappers/engelen.


Daarom is het te smal om te zeggen: sterren zijn volgens de Bijbel gewoon verre zonnen.


Dat zegt de Schrift nergens.


De Schrift spreekt over sterren als hemelse lichten van Gods levende heir, niet als verre dode zonnen in een leeg heelal.


Toch eindigt deze lijn niet bij sterren.


Zij eindigt bij Christus.


De blinkende Morgenster.


De Schepper van hemel en aarde.


Het ware Licht.

Lees over de strijd met het vlees Veelgestelde vragen