Na de laatste 1260 dagen

De 1290 en 1335 dagen voeren naar de gevestigde Koninkrijksorde.

Na de laatste 1260 dagen

De 1290 en 1335 dagen voeren naar de gevestigde Koninkrijksorde.

Daniëls 1290 en 1335 dagen beginnen bij de gruwel in het midden van de week. Zij reiken respectievelijk 30 en 75 dagen voorbij de laatste 1260 dagen. Deze extra tijd hoort bij de overgang van Christus’ wederkomst en oordeel naar de gereinigde, gevestigde Koninkrijksorde.

Wat betekenen de 1290 en 1335 dagen?

Aan het einde van Daniël 12 verschijnen twee tijdsaanduidingen die gemakkelijk met de bekende 1260 dagen en 42 maanden worden verward:

“En van dien tijd af, dat het gedurig offer zal weggenomen, en de verwoestende gruwel zal gesteld zijn, zullen zijn duizend tweehonderd en negentig dagen. Welgelukzalig is hij, die verwacht, en raakt tot duizend driehonderd vijf en dertig dagen.”
— Daniël 12:11–12

Waarom noemt God eerst 1290 dagen en daarna 1335 dagen? Wordt Daniëls zeventigste week daardoor langer dan zeven jaar? Duurt de macht van de Antichrist langer dan 42 maanden? Komt Christus pas op de 1290e of zelfs de 1335e dag terug? En wat maakt degene die de 1335e dag bereikt welgelukzalig?


De oplossing begint bij het beginpunt dat Daniël zelf geeft. Daarna moeten de 1290 en 1335 dagen worden vergeleken met de vaste tijdsmaten uit Daniël en Openbaring. Dan blijkt dat deze getallen de zeventigste week niet verlengen. Zij voeren vanaf het midden van die week voorbij haar einde, door een aanvullende overgangsperiode naar de gevestigde heerschappij van Christus.



Daniël 12 gaat over de eindtijd


De 1290 en 1335 dagen staan niet los in het hoofdstuk. Daniël 12 begint met Michaël, de grote vorst die voor Daniëls volk staat. Er volgt een tijd van benauwdheid zoals er nooit eerder is geweest. Daniëls volk wordt verlost, er vindt opstanding plaats en de verstandigen zullen blinken.


Wanneer Daniël vraagt hoe lang het duurt voordat deze wonderlijke dingen eindigen, hoort hij:

“Een tijd, tijden, en een helft; en als hij zal voleind hebben te verstrooien de hand des heiligen volks, zullen al deze dingen voleind worden.”
— Daniël 12:7

Vervolgens wordt Daniël gezegd dat de woorden verzegeld zijn “tot den tijd van het einde”. Velen zullen gereinigd, witgemaakt en gelouterd worden. De goddelozen zullen goddeloos handelen, maar de verstandigen zullen het verstaan (Daniël 12:9–10).


Pas daarna worden de 1290 en 1335 dagen genoemd.


De context is dus duidelijk eindtijdelijk. Het gaat om Daniëls volk, de unieke laatste benauwdheid, de beëindiging van de macht die het heilige volk verdrukt, verlossing, opstanding en het bereiken van Gods beloofde eindorde.



Het beginpunt wordt uitdrukkelijk genoemd


Daniël 12 laat ons niet raden waar de telling begint:

“Van dien tijd af, dat het gedurig offer zal weggenomen, en de verwoestende gruwel zal gesteld zijn…”
— Daniël 12:11

Het beginpunt bestaat uit één grote profetische omslag:


  • het gedurige offer wordt weggenomen;
  • de verwoestende gruwel wordt gesteld.


Daniël 9 plaatst de beëindiging van het offer exact in het midden van de laatste week:

“En hij zal velen het verbond versterken één week; en in de helft der week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden.”
— Daniël 9:27

Jezus bevestigt dat Daniëls gruwel nog een toekomstige vervulling heeft. Hij zegt:

“Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël, den profeet, staande in de heilige plaats…”
— Mattheüs 24:15

Daarna moeten degenen die in Judea zijn onmiddellijk naar de bergen vluchten. Jezus verbindt dit met de grote verdrukking zoals er nooit eerder een is geweest.


Paulus beschrijft dezelfde tempelcrisis. De mens der zonde verheft zich boven al wat God genaamd wordt en vertoont zichzelf in de tempel Gods alsof hij God is (2 Thessalonicenzen 2:3–4). Openbaring 13 toont vervolgens de godslasterlijke beestmacht die aanbidding eist.


Daniël 9, Daniël 12, Mattheüs 24, 2 Thessalonicenzen 2 en Openbaring 13 wijzen daarom naar dezelfde middenweekse machtsgreep. Het offer wordt beëindigd, de heilige plaats wordt ontwijd, de verwoestende gruwel wordt gesteld en de openlijke godslasterlijke eindfase van het beest begint.


Vanaf die omslag telt Daniël 1290 en 1335 dagen.



De tweede helft duurt 1260 dagen


Voordat de twee langere tellingen kunnen worden uitgelegd, moet eerst de vaste lengte van de tweede helft worden bepaald.


Daniël noemt deze periode:


“Een tijd, tijden, en een helft.”


Openbaring verklaart deze tijdsmaat door dezelfde periode op verschillende manieren te noemen.


De vrouw uit Openbaring 12 stelt nationaal Israël voor; in haar concrete vlucht gaat het om het gelovige overblijfsel, dat:


  • 1260 dagen wordt onderhouden (Openbaring 12:6);
  • een tijd, tijden en een halve tijd wordt gevoed en beschermd (Openbaring 12:14).


Het beest ontvangt tegelijk macht om 42 maanden op te treden (Openbaring 13:5). De heilige stad wordt eveneens 42 maanden door de heidenen vertreden (Openbaring 11:2).


Daarmee geeft de Schrift zelf de gelijkwaardigheid:


1260 dagen = 42 maanden = een tijd, tijden en een halve tijd.


Een profetische maand telt hierbij 30 dagen. Dat blijkt reeds uit de zondvloedrekening. Genesis 7:11 en 8:3–4 plaatsen een periode van vijf maanden tussen de zeventiende dag van de tweede maand en de zeventiende dag van de zevende maand, terwijl diezelfde periode 150 dagen wordt genoemd. Vijf maanden zijn daar dus 150 dagen: gemiddeld 30 dagen per maand.


Daarom geldt:


42 × 30 dagen = 1260 dagen.


De laatste helft van Daniëls week heeft dus een vastgestelde lengte van 1260 dagen. Die lengte mag niet worden veranderd omdat Daniël later ook 1290 en 1335 dagen noemt.



De macht van het beest eindigt na 42 maanden


De 42 maanden zijn niet slechts een algemene aanduiding voor “een moeilijke eindtijd”. Zij begrenzen de absolute godslasterlijke macht van het beest.


Openbaring 13 zegt:

“En hetzelve werd macht gegeven, om zulks te doen twee en veertig maanden.”
— Openbaring 13:5

Daniël 7 beschrijft dezelfde heerser. Hij spreekt woorden tegen de Allerhoogste, vervolgt de heiligen en ontvangt macht voor een tijd, tijden en een gedeelte van een tijd. Daarna houdt het gericht zitting, wordt zijn heerschappij weggenomen en wordt het Koninkrijk aan de heiligen gegeven (Daniël 7:25–27).


Openbaring 19 toont hoe die heerschappij eindigt: Jezus Christus verschijnt, het beest en de valse profeet worden gegrepen en levend in de poel des vuurs geworpen. Paulus zegt eveneens dat de Heere de ongerechtige tenietdoet “door de verschijning Zijner toekomst” (2 Thessalonicenzen 2:8).


De volgorde staat daarmee vast:


  1. In het midden van de week begint de openlijke gruwel- en vervolgingsfase.
  2. Het beest ontvangt 42 maanden macht.
  3. Na die vastgestelde periode verschijnt Christus en vernietigt Hij de beestheerschappij.
  4. De Koninkrijksmacht gaat naar Christus en Zijn heiligen.


Het beest krijgt dus geen 1290 of 1335 dagen absolute macht. God geeft het precies 42 maanden — 1260 dagen.



De eenvoudige rekensom


Nu kunnen de drie tellingen naast elkaar worden gezet. Zij beginnen bij dezelfde middenweekse omslag, maar eindigen op verschillende tijdspunten.

Telling vanaf het midden Betekenis binnen de tijdlijn
1260 dagen Voltooiing van de tweede helft en van de 42-maandsmacht van het beest
1290 dagen 30 dagen voorbij de 1260 dagen
1335 dagen 75 dagen voorbij de 1260 dagen en 45 dagen voorbij de 1290 dagen

De rekensom is eenvoudig:


1290 − 1260 = 30 dagen


1335 − 1260 = 75 dagen


1335 − 1290 = 45 dagen


De 1290e dag ligt dus 30 dagen na het einde van Daniëls week. De 1335e dag ligt 75 dagen na het einde van die week. Tussen beide aanvullende tijdspunten liggen 45 dagen.



De 1290 en 1335 dagen maken de zeventigste week niet langer


Daniël 9 noemt één laatste week. Die week wordt in het midden gedeeld en de Schrift vult beide helften met perioden van drieënhalf jaar. De tweede helft is 1260 dagen of 42 maanden.


Wanneer Daniël 12 vanaf hetzelfde midden verder telt tot 1290 en 1335 dagen, betekent dit daarom niet dat de week ineens:


  • zeven jaar en 30 dagen;
  • zeven jaar en 75 dagen;
  • of 1335 dagen in de tweede helft


zou duren.


Daniël kijkt eenvoudig voorbij het einde van de week naar twee aanvullende profetische mijlpalen.


Dat onderscheid voorkomt meerdere fouten. Christus hoeft niet pas op dag 1290 of 1335 te verschijnen. De macht van het beest hoeft niet kunstmatig met 30 of 75 dagen te worden verlengd. Evenmin hoeven de 1290 en 1335 dagen met de 1260 dagen te worden vereenzelvigd.


De drie getallen hebben ieder hun eigen functie:


  • 1260 begrenst de laatste halve week en de macht van het beest;
  • 1290 noemt een eerste tijdspunt na die periode;
  • 1335 noemt het gezegende eindpunt dat daarna wordt bereikt.



Christus’ wederkomst beëindigt de 1260 dagen


Jezus plaatst Zijn zichtbare komst na de grote verdrukking. Daniël 7 plaatst de vernietiging van de kleine hoorn na zijn tijd, tijden en halve tijd. Openbaring 13 geeft het beest 42 maanden, terwijl Openbaring 19 zijn ondergang bij Christus’ verschijning beschrijft.


Deze Schriftlijnen leggen samen vast dat de wederkomst de 42-maandsmacht afsluit. Dat is het einde van de laatste 1260 dagen en daarmee het einde van Daniëls zeventigste week.


Maar Christus’ verschijning voltooit niet noodzakelijk op één ogenblik iedere handeling die nodig is voordat de Koninkrijksorde volledig is ingericht. De Koning is gekomen en Zijn vijandelijke wereldmacht is vernietigd; daarna volgt een door God afgemeten overgang waarin Hij oordeelt, zuivert, bijeenvergadert, opwekt, beloont en Zijn regering zichtbaar ordent.


Juist daarvoor geven de 1290 en 1335 dagen ruimte.



Wat gebeurt er op de 1290e dag?


Hier moeten we precies blijven bij wat God heeft bekendgemaakt.


Daniël 12 noemt de 1290 dagen, maar zegt niet:


  • op de 1290e dag wordt de tempel gereinigd;
  • op de 1290e dag wordt de gruwel verwijderd;
  • op de 1290e dag vindt een bepaalde opstanding plaats;
  • op de 1290e dag begint formeel het duizendjarig Koninkrijk;
  • of op de 1290e dag wordt een specifiek oordeel voltooid.


Sommige van deze gebeurtenissen passen inhoudelijk bij de overgang na Christus’ komst. De ontwijde orde moet verdwijnen en Christus brengt alles onder Zijn rechtmatige heerschappij. Maar de Schrift verbindt geen afzonderlijke genoemde gebeurtenis uitdrukkelijk met dag 1290.


Daarom staat één ding vast en blijft één ding open.


Vast staat dat dag 1290 een werkelijk, door God bepaald profetisch tijdspunt is: 30 dagen voorbij het einde van de 42 maanden.


Open blijft welke specifieke handeling God precies aan dat tijdspunt verbindt.


Dat is geen zwakte in de tijdlijn. Het is gehoorzaamheid aan de grens van de tekst. Wij mogen wel rekenen wat God heeft gegeven, maar geen gebeurtenis aan een datum vastmaken die God niet heeft benoemd.



Waarom is de 1335e dag welgelukzalig?


Over de 1335e dag zegt Daniël méér:

“Welgelukzalig is hij, die verwacht, en raakt tot duizend driehonderd vijf en dertig dagen.”
— Daniël 12:12

De mens die verwacht en de 1335e dag bereikt, wordt door God welgelukzalig genoemd. Dat is meer dan neutraal voortbestaan. Hij heeft een gezegend eindpunt bereikt.


De context van Daniël 12 verklaart de aard van die zegen. Het hoofdstuk spreekt over:


  • de verlossing van Daniëls volk;
  • degenen die in het boek geschreven zijn;
  • reiniging en loutering;
  • opstanding;
  • het einde van de verdrukking;
  • en Daniël die zal opstaan in zijn lot aan het einde der dagen.


Daniël 7 heeft reeds laten zien wat na de vernietiging van het beest volgt: het gericht wordt gezet en het Koninkrijk wordt aan de heiligen van de Allerhoogste gegeven. De 1335e dag staat dus niet in een leegte. Hij ligt na de val van het beest en aan de gezegende kant van de overgang naar Christus’ heerschappij.



Christus scheidt de levenden vóór zij het Koninkrijk binnengaan


Mattheüs 25 maakt duidelijk waarom niet iedere levende overlevende automatisch de gezegende Koninkrijksorde bereikt.


Wanneer de Zoon des mensen in Zijn heerlijkheid komt, zit Hij op de troon Zijner heerlijkheid. De volken worden voor Hem verzameld en Hij scheidt hen zoals een herder de schapen van de bokken scheidt (Mattheüs 25:31–33).


Tegen de schapen zegt Hij:

“Komt, gij gezegenden Mijns Vaders! beërft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld.”
— Mattheüs 25:34

Tegen de bokken zegt Hij:

“Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur.”
— Mattheüs 25:41

Dit oordeel vindt plaats bij Christus’ komst en vóór het binnengaan van de levende gelovigen in het Koninkrijk. De ene groep wordt aangenomen en beërft het Koninkrijk; de andere wordt verwijderd en gaat in de eeuwige straf.


Mattheüs 13 beschrijft dezelfde zuivering. Aan het einde van de eeuw zendt de Zoon des mensen Zijn engelen uit. Zij verzamelen de ergernissen en degenen die de ongerechtigheid doen en werpen hen in de vurige oven. De rechtvaardigen blinken daarna als de zon in het Koninkrijk van hun Vader (Mattheüs 13:40–43). Opnieuw worden de bozen uit het midden der rechtvaardigen afgescheiden (Mattheüs 13:49–50).


Ezechiël 20 past hetzelfde beginsel specifiek op Israël toe. God brengt het volk onder de roede en in de band van het verbond, maar zuivert de wederspannigen uit. Zij worden uit hun verblijfplaatsen uitgevoerd, maar komen niet in het land Israëls (Ezechiël 20:33–38).


Er zijn dus werkelijk levende mensen die Christus’ wederkomst meemaken maar de 1335e dag niet bereiken. Zij worden niet door gewoon tijdsverloop uitgesloten, maar door het rechtvaardige oordeel van de Koning. De gelovige overlevenden worden daarentegen aangenomen en gaan levend Zijn Koninkrijk binnen.


Daarom is het bereiken van de 1335e dag werkelijk een zegen. Tijdens de overgang vindt geen louter administratieve herinrichting plaats. Christus scheidt, oordeelt en zuivert. Niet iedere levende die Zijn komst meemaakt, bereikt ook de gevestigde Koninkrijksorde.


De gelovige overlevenden doen dat wel. Zij zijn de gezegenden die het Koninkrijk beërven.



De 1335e dag vormt de gezegende Koninkrijksgrens


Wanneer Daniël 12, Daniël 7, Mattheüs 13, Mattheüs 25 en Ezechiël 20 worden samengebracht, ontstaat een stevige conclusie.


De 1335e dag is het gezegende eindpunt van de overgang na Daniëls zeventigste week. Degene die door Gods genade verwacht en die dag bereikt, staat aan de gezegende kant van Christus’ oordelen en heeft de gevestigde Koninkrijksorde bereikt.


Dat betekent niet dat “75 dagen wachten” een werk is waardoor iemand eeuwig leven verdient. De Schrift leert nergens redding door het volbrengen van een tijdsduur. Het wachten toont hier volhardend geloof te midden van de laatste benauwdheid en de daaropvolgende scheiding.


Evenmin moeten we méér zeggen dan de Schrift zegt. Daniël noemt de 1335e dag het gezegende eindpunt, maar gebruikt niet letterlijk de formulering: “Dit is kalenderdag één van de duizend jaren.” De sterke conclusie is dat op deze grens de gezegenden de gereinigde en gevestigde Koninkrijksorde hebben bereikt. Hoe God de formele duizendjarentelling exact aan dat tijdspunt verbindt, wordt niet afzonderlijk uitgelegd.


Het hoofdpunt staat echter vast: de 1335e dag hoort niet meer bij de macht van het beest. Zij hoort bij de overwinning en regering van Christus.



Wat vindt tijdens de overgang plaats?


De Schrift openbaart verschillende grote handelingen die verbonden zijn met Christus’ komst en de vestiging van Zijn Koninkrijk:


  • het beest en de valse profeet worden in de poel des vuurs geworpen (Openbaring 19:20);
  • de vijandelijke legers worden geoordeeld (Openbaring 19:21);
  • Satan wordt gegrepen en voor duizend jaar gebonden (Openbaring 20:1–3);
  • gestorven heiligen staan op om met Christus te regeren (Daniël 12:2, 13; Openbaring 20:4–6);
  • Israël wordt verzameld, gelouterd en onder zijn Messias hersteld;
  • de levende volken worden voor Christus gebracht en gescheiden (Mattheüs 25:31–46);
  • de gezegenden ontvangen het Koninkrijk;
  • en de heerschappij wordt zichtbaar onder Christus geordend.


Deze gebeurtenissen verklaren waarom een werkelijke overgangsperiode volkomen logisch is. De wederkomst is het beslissende keerpunt, maar Gods Woord toont daarna meerdere oordeels-, opstandings-, verzamelings- en ordeningshandelingen.


Toch verdeelt de Schrift deze gebeurtenissen niet één voor één over:


  • de eerste 30 dagen;
  • en de volgende 45 dagen.


Wij kunnen daarom niet met zekerheid zeggen welke handeling vóór dag 1290, op dag 1290 of tussen dag 1290 en 1335 plaatsvindt. Wat we wel weten, is dat God Zelf beide tijdspunten heeft bepaald en dat de 1335e dag het gezegende bereik van de voltooide overgang markeert.



Daniël zal aan het einde in zijn lot staan


Het hoofdstuk eindigt met een persoonlijke belofte aan Daniël:

“Maar gij, ga henen tot het einde, want gij zult rusten, en zult opstaan in uw lot, in het einde der dagen.”
— Daniël 12:13

Daniël zal eerst rusten in de dood. Daarna zal hij opstaan en zijn door God toegewezen lot of erfdeel ontvangen.


Dit vers volgt onmiddellijk op de 1335 dagen. Daarmee eindigt het hoofdstuk niet bij de verwoestende gruwel of de macht van het beest, maar bij opstanding, erfdeel en de vervulling van Gods beloften.


Daniëls plaats binnen de grotere opstandingsorde wordt afzonderlijk uitgewerkt in De eerste opstanding: één orde in verschillende fasen.


Dat bevestigt opnieuw de richting van de telling:


van de gruwel naar de bevrijding;


van de macht van het beest naar het gericht;


van de benauwdheid naar de opstanding;


van wachten naar ontvangen;


van Daniëls laatste week naar Christus’ Koninkrijk.



De tijdlijn in één overzicht

Profetisch moment Wat staat Schriftuurlijk vast?
Midden van Daniëls week Het offer wordt beëindigd; de gruwel wordt gesteld; de grote verdrukking en de 42-maandsmacht beginnen
Volgende 1260 dagen Het beest regeert; Jeruzalem wordt vertreden; het gelovige overblijfsel van Israël wordt door God beschermd; de voleindigende oordelen vinden plaats
Einde van de 1260 dagen De 42-maandsmacht eindigt; Christus verschijnt en vernietigt de beestheerschappij; Daniëls week is voltooid
1290e dag vanaf het midden Eerste aanvullende mijlpaal, 30 dagen na de week; de exacte gebeurtenis wordt niet genoemd
1335e dag vanaf het midden Gezegend eindpunt, 75 dagen na de week en 45 dagen na dag 1290; de gelovigen hebben de gevestigde Koninkrijksorde bereikt


Het Evangelie blijft beslissend


De woorden “welgelukzalig is hij, die verwacht” leren geen redding door uithoudingsvermogen. Niemand verdient het Koninkrijk doordat hij lang genoeg op een kalender wacht.


Mensen worden alleen door Gods genade gered, door geloof in Jezus Christus. Hij stierf voor onze zonden, werd begraven en stond lichamelijk op uit de dood. Wie in Hem gelooft, heeft eeuwig leven en komt niet in de verdoemenis.


Dat geldt nu en tijdens de toekomstige verdrukking. De schapen uit Mattheüs 25 zijn niet rechtvaardig geworden door 75 overgangsdagen te overleven. Ook worden zij niet aan Christus’ rechterhand geplaatst omdat hun werken voor Hem eerst zouden moeten bewijzen dat zij wedergeboren zijn. Christus kent Zijn schapen reeds en geeft hun het eeuwige leven (Johannes 10:27–28). Als alwetende Rechter maakt Hij de scheiding openbaar, noemt Hij hun daden en spreekt Hij hun Koninkrijksbestemming uit. Hun werken veroorzaken, bewaren of bewijzen hun eeuwige redding niet; de grond van hun redding is uitsluitend Jezus Christus en Zijn volbrachte werk, ontvangen door geloof alleen.


De vraag is daarom niet alleen of iemand de profetische tijdlijn begrijpt. De beslissende vraag is of hij de Heere Jezus Christus kent.



Conclusie


De 1290 en 1335 dagen van Daniël 12 beginnen bij de grote omslag in het midden van Daniëls zeventigste week: het gedurige offer wordt weggenomen en de verwoestende gruwel wordt gesteld.


Vanaf dat moment duurt de absolute macht van het beest 42 maanden — 1260 dagen. Aan het einde van die vastgestelde periode verschijnt Jezus Christus, vernietigt Hij het beest en eindigt Daniëls zeventigste week.


Daniël telt vervolgens verder:


  • de 1290e dag ligt 30 dagen voorbij het einde van de week;
  • de 1335e dag ligt 75 dagen voorbij het einde van de week;
  • tussen beide mijlpalen liggen 45 dagen.


Deze extra dagen verlengen noch Daniëls week, noch de heerschappij van het beest. Zij vormen de door God afgemeten overgang van de gevallen beestorde naar de gevestigde Koninkrijksorde.


Welke afzonderlijke gebeurtenis precies op dag 1290 plaatsvindt, heeft God niet bekendgemaakt. Daarover moeten wij niets verzinnen.


Over de 1335e dag spreekt God wel duidelijk: welgelukzalig is degene die verwacht en die dag bereikt. Na Christus’ komst, de scheiding van de levende volken, de verwijdering van de opstandigen en de verdere inrichting van Zijn heerschappij, heeft deze mens de gezegende Koninkrijksorde bereikt.


De telling eindigt daarom niet bij de Antichrist.


Zij eindigt bij Christus.


Niet bij de gruwel, maar bij reiniging.


Niet bij vervolging, maar bij erfdeel.


Niet bij wachten, maar bij het ontvangen van het Koninkrijk.