Israëls zwaarste benauwdheid eindigt wanneer Jezus Christus zichtbaar terugkeert. Het reeds gelovige, bewaarde overblijfsel ziet de Doorstokene en rouwt over Hem; door de verwijdering van de opstandigen en de loutering van het derde deel wordt Israël als gelovige natie tot Hem teruggebracht. God reinigt, verzamelt en herstelt Zijn volk onder de beloofde Koning, zonder redding ooit van werken afhankelijk te maken.
De wederkomst en de uiteindelijke redding van Israël
De grote verdrukking brengt Israël in de zwaarste crisis van zijn geschiedenis. Satan vervolgt de vrouw uit Openbaring 12. Het beest beheerst Jeruzalem en lastert God. De volken worden voor de eindstrijd verzameld. Zacharia ziet Jeruzalem omsingeld en Daniël spreekt over een benauwdheid zoals er nooit eerder is geweest.
Toch eindigt Israëls geschiedenis daar niet.
God heeft dit volk niet bewaard om het op het laatste moment alsnog prijs te geven. Juist in Israëls diepste nood komt Jezus Christus zichtbaar terug. Hij vernietigt de machten die tegen Hem en Zijn volk zijn opgestaan. Maar Zijn wederkomst brengt meer dan militaire bevrijding. De Schrift verbindt die komst met Israëls nationale bekering, geestelijke reiniging, ontvangst van Gods Geest, definitieve bijeenvergadering en herstel onder de Messiaanse Koning.
Daarom is Israëls uiteindelijke redding geen los eindtijdonderwerp. Zij vormt de vervulling van een beloftelijn die bij Mozes begint, door de profeten steeds scherper wordt getekend en in Romeinen 11 door Paulus uitdrukkelijk wordt bevestigd.
God heeft Zijn volk niet verstoten
Romeinen 9–11 behandelt een onvermijdelijke vraag. Als veel Israëlieten hun eigen Messias hebben verworpen en het Evangelie onder de heidenen wordt verkondigd, betekent dit dan dat Gods beloften aan Israël zijn vervallen?
Paulus antwoordt zonder omwegen:
“Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre.”
— Romeinen 11:1
Paulus is zelf Israëliet. Er is ook in de huidige tijd een overblijfsel naar de verkiezing der genade. Israëls ongeloof is dus nooit absoluut geweest. Maar Paulus kijkt verder dan de gelovige Joden van zijn eigen tijd. Hij spreekt over een tijdelijke toestand die eens zal eindigen:
“Dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn. En alzo zal geheel Israël zalig worden.”
— Romeinen 11:25–26
Ieder woord is belangrijk.
De verharding is voor een deel. Zij omvat Israël niet zonder uitzondering.
De verharding duurt totdat. Zij is geen definitief eindpunt.
En na die begrensde toestand zal geheel Israël zalig worden.
Paulus verklaart dat niet door Israël ineens een andere betekenis te geven. In hetzelfde hoofdstuk onderscheidt hij Israël voortdurend van de heidenen. Hij spreekt over Israëls val, Israëls volheid, natuurlijke takken, de vaderen en de tijdelijke verharding van Israël. Wanneer hij vervolgens zegt dat geheel Israël zalig zal worden, spreekt hij nog steeds over het volk dat tijdelijk verhard is. De gemeente heeft Israël niet vervangen en Gods roeping is niet ingetrokken:
“Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk.”
— Romeinen 11:29
Gods trouw aan Israël rust niet op Israëls voortreffelijkheid. Zij rust op Gods verbond, Gods verkiezing en Gods onveranderlijke karakter.
De boze landlieden van Mattheüs 21 tonen hoe oordeel over Israëls ongelovige leiders met Gods trouw aan Israël samengaat: het beheer wordt hun afgenomen, terwijl Gods beloften aan Zijn volk blijven staan.
Mozes voorzegde de hele beweging al
De uiteindelijke redding van Israël verschijnt niet pas aan het einde van het Nieuwe Testament. Mozes tekent haar grondpatroon al voordat Israël het land binnengaat.
Hij voorzegt:
- ongehoorzaamheid en oordeel;
- verstrooiing onder de volken;
- benauwdheid in de laatste dagen;
- terugkeer tot de HEERE;
- goddelijke ontferming;
- bijeenvergadering uit de volken;
- herstel in het land;
- en een door God veranderd hart.
Deuteronomium 4 zegt:
“Wanneer gij in angst zult zijn, en u al deze dingen zullen treffen, in het laatste der dagen, dan zult gij wederkeren tot den HEERE uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn. Want de HEERE uw God is een barmhartig God; Hij zal u niet verlaten, noch u verderven; en Hij zal het verbond uwer vaderen niet vergeten.”
— Deuteronomium 4:30–31
De woorden “in het laatste der dagen” zijn beslissend. De verstrooiing is niet Gods laatste woord. De benauwdheid wordt het middel waardoor Israël tot de HEERE terugkeert, terwijl God Zijn verbond met de vaderen gedenkt.
Deuteronomium 30 werkt dezelfde lijn verder uit. Nadat zegen en vloek over Israël zijn gekomen en het volk onder de natiën is verstrooid, zal het zich bekeren. God zal Zich ontfermen, het volk uit de volken verzamelen en het opnieuw in het land brengen. Daarna staat er:
“En de HEERE uw God zal uw hart besnijden, en het hart van uw zaad, om den HEERE uw God lief te hebben met uw ganse hart en met uw ganse ziel, opdat gij leeft.”
— Deuteronomium 30:6
Dit is veel meer dan politieke terugkeer. God belooft een innerlijke ingreep. Het hart dat Hem weerstond, wordt veranderd zodat het Hem liefheeft.
Leviticus 26 voegt daaraan toe dat Israël zijn ongerechtigheid zal belijden en dat God, zelfs na al Zijn verbondsoordelen, het verbond met Jakob, Izak en Abraham zal gedenken. De latere profeten verzinnen dus geen nieuw herstelplan. Zij ontvouwen wat God door Mozes reeds had bekendgemaakt.
Jakobs benauwdheid eindigt met verlossing
Jeremia noemt de laatste crisis rechtstreeks “een tijd der benauwdheid voor Jakob”:
“O wee! want die dag is zo groot, dat zijns gelijke niet geweest is; en het is een tijd der benauwdheid voor Jakob; nog zal hij daaruit verlost worden.”
— Jeremia 30:7
De vergelijking met Daniël 12:1 en Mattheüs 24:21 is duidelijk. Daniël voorzegt een tijd van benauwdheid “als er niet geweest is”. Jezus spreekt over een grote verdrukking “hoedanige niet is geweest van het begin der wereld”. Het gaat om dezelfde unieke eindtijdelijke nood.
Maar Jeremia zegt niet dat Jakob daarin verdwijnt. Jakob wordt daaruit verlost.
Daarna wordt het vreemde juk verbroken en zal Israël “den HEERE hun God, en hun koning David” dienen, Die God voor hen zal verwekken (Jeremia 30:8–9). Dit is de grote Zoon van David, Jezus Christus. De laatste benauwdheid loopt dus rechtstreeks uit op Israëls bevrijding en de heerschappij van zijn beloofde Koning.
Het gelovige overblijfsel wordt beschermd
Openbaring 12 laat zien dat God in de laatste 1.260 dagen een plaats voor de vrouw bereidt. De vrouw stelt Israël voor. Zij vlucht naar de wildernis — het afgezonderde, dunbevolkte gebied waar God haar onderhoudt — terwijl de draak haar probeert te vernietigen. Dat woord vereist geen dorre zandwoestijn. In samenhang met Christus’ bevel om uit Judéa naar de bergen te vluchten, wijst het op een door God bereide schuilplaats buiten de door het Beest beheerste centra.
De beschermde vrouw wordt niet als een geestelijk gemengde evacuatiegroep voorgesteld. Christus spreekt tot discipelen die Daniëls gruwel verstaan, Zijn vluchtbevel gehoorzamen, over „uw vlucht” bidden en de valse christussen verwerpen. Daniël zegt dat de verstandigen verstaan en de goddelozen niet. Openbaring verbindt de vrouw bovendien met nakomelingen die Gods geboden bewaren en het getuigenis van Jezus Christus hebben.
De vrouw stelt nationaal Israël voor, maar in haar concrete eindtijdse vlucht beeldt zij daarom het gelovige overblijfsel van Israël af. Dat is niet hetzelfde als de bewering dat ieder mens uit Israël reeds behouden is. Buiten deze beschermde vluchtgroep blijft een breder nationaal zuiveringsproces plaatsvinden. Ezechiël 20 zegt dat de wederspannigen uit Israël worden uitgezuiverd (Ezechiël 20:33–38), terwijl Zacharia het gelouterde overblijfsel tekent dat zegt: „De HEERE is mijn God” (Zacharia 13:9).
God bewaart dus niet een ongelovige vrouw om haar later alsnog tot geloof te brengen. Hij bewaart het gelovige overblijfsel tegen de vernietigingsmacht van de draak, terwijl Hij tegelijk Zijn bredere beloften aan Israël vervult en de opstandigen uit het volk verwijdert.
De volledige identificatie van deze vluchtgroep wordt Schrift met Schrift uitgewerkt in Wie vlucht uit Judéa tijdens de grote verdrukking?
De zwaarste aanval eindigt met de zichtbare komst van Christus
Aan het einde van de grote verdrukking worden de volken voor de laatste oorlog verzameld. Het beest en de koningen der aarde keren zich uiteindelijk tegen het Lam. Jeruzalem wordt een zichtbaar brandpunt van de strijd, Israël is het volk dat Satan wil uitroeien en Christus Zelf is het hoogste doelwit van de opstand.
Dan grijpt God openlijk in.
Jezus plaatst Zijn zichtbare wederkomst
na de verdrukking van die dagen:
“En alsdan zal in den hemel verschijnen het teken van den Zoon des mensen; en dan zullen al de geslachten der aarde wenen, en zullen den Zoon des mensen zien, komende op de wolken des hemels, met grote kracht en heerlijkheid.”
— Mattheüs 24:30
Zacharia beschrijft dezelfde komst vanaf de aarde. De HEERE trekt uit om tegen de verzamelde volken te strijden en Zijn voeten staan op de Olijfberg, ten oosten van Jeruzalem (Zacharia 14:3–4). Openbaring 19 toont de hemel geopend en Christus als de getrouwe en waarachtige Ruiter. Het beest en de valse profeet worden gegrepen; hun wereldmacht stort onder Zijn verschijning in.
De wederkomst is dus niet verborgen, innerlijk of slechts symbolisch. Dezelfde Jezus Die vanaf de Olijfberg ten hemel voer, keert lichamelijk, zichtbaar en in heerlijkheid terug. Hij komt als Rechter, Strijder, Verlosser en Koning.
Israël zal de doorstoken Messias herkennen
De uiterlijke redding van Israëls vijanden wordt verbonden met een nog groter wonder: het volk herkent Jezus als zijn Messias.
Zacharia 12 beschrijft eerst hoe God optreedt tegen de volken die tegen Jeruzalem zijn verzameld. Dan volgt:
“Doch over het huis Davids en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden; en zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, als met de rouwklage over een enigen zoon.”
— Zacharia 12:10
Wie is deze Doorstokene?
Johannes 19:34–37 past Zacharia’s woorden rechtstreeks toe op Jezus, nadat een krijgsknecht Zijn zijde met een speer heeft doorstoken. Openbaring 1 verbindt dezelfde profetie vervolgens met Zijn toekomstige komst:
“Ziet, Hij komt met de wolken, en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten der aarde zullen over Hem rouw bedrijven.”
— Openbaring 1:7
De Doorstokene uit Zacharia is dus Jezus Christus. Bij Zijn wederkomst ziet Israël niet slechts een machtige bevrijder. Het ziet de Messias Die het heeft verworpen.
Daarom ontstaat een nationale rouwklacht. Zacharia noemt afzonderlijk het huis van David, het huis van Nathan, het huis van Levi, het geslacht van Simeï en vervolgens alle overige geslachten. Zelfs mannen en vrouwen rouwen afzonderlijk. Dit is geen oppervlakkige politieke koerswijziging, maar diepe, persoonlijke verbreking over zonde en over de verworpen Christus.
Jezus had Jeruzalem deze toekomstige omkeer al aangekondigd:
“Gij zult Mij van nu aan niet zien, totdat gij zeggen zult: Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren!”
— Mattheüs 23:39
Hosea tekent hetzelfde beginsel. De HEERE trekt Zich terug “totdat zij zichzelven schuldig kennen en Mijn aangezicht zoeken”; in hun benauwdheid zullen zij Hem ernstig zoeken (Hosea 5:15). De benauwdheid maakt Israël niet verdienstelijk, maar breekt zijn valse zekerheden af. Wanneer Christus verschijnt, wordt de waarheid onweerstaanbaar zichtbaar: Jezus van Nazareth is de Zoon van David, de doorstoken Messias en de HEERE Die komt.
Paulus beschrijft dezelfde omkeer als het wegnemen van een deksel: “Doch zo wanneer het tot den Heere zal bekeerd zijn, zo wordt het deksel weggenomen” (2 Korinthe 3:16). Niet een nieuwe Messias verschijnt, maar het verblinde volk ziet eindelijk Wie Jezus werkelijk is.
Waarom oudtestamentische oproepen tot bekering steeds in hun eigen nationale, tijdelijke en heilshistorische verband moeten worden gelezen, wordt verder uitgelegd in Bekering in het Oude Testament goed begrepen.
Rouw over Christus wordt gevolgd door reiniging
Zacharia 12 eindigt niet bij verdriet. Het volgende hoofdstuk begint met Gods antwoord op die rouw:
“Te dien dage zal er een Fontein geopend zijn voor het huis Davids, en voor de inwoners van Jeruzalem, tegen de zonde en tegen de onreinheid.”
— Zacharia 13:1
Israël heeft niet alleen bevrijding van vijandelijke legers nodig. Het moet van zonde worden gereinigd. Zacharia’s volgorde is belangrijk: God stort de Geest der genade en der gebeden uit, Israël aanschouwt de Doorstokene en bedrijft rouw, en vervolgens wordt de Fontein tegen zonde en onreinheid geopend. De reiniging is dus geen menselijk werk waarmee Israël het eeuwige leven verdient. Het volk wendt zich in geloof tot Christus en God reinigt.
Ezechiël 36 beschrijft dezelfde redding in verbondstaal:
“Dan zal Ik rein water op u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen. En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u.”
— Ezechiël 36:25–26
Daarna belooft God Zijn Geest in hen te geven, zodat zij in Zijn inzettingen wandelen. De afgoden worden niet alleen uiterlijk verwijderd; het hart zelf wordt vernieuwd.
Dat spreekt redding door geloof alleen niet tegen. Handelingen 15:9 zegt dat God de harten van de gelovige heidenen had “gereinigd door het geloof”. Het geloof is de enige menselijke voorwaarde; de reiniging is Gods werk aan degene die gelooft. Efeze 1:13 geeft dezelfde orde: zij hoorden het Evangelie, geloofden en werden met de Heilige Geest verzegeld.
De Bijbel gebruikt reiniging bovendien op twee manieren die niet met elkaar mogen worden verward.
Ten eerste is er de eenmalige afwassing die bij de redding hoort. Paulus zegt tegen de Korinthiërs: “maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd” (1 Korinthe 6:11). Titus 3:5 zegt dat God ons niet op grond van werken der rechtvaardigheid redde, maar naar Zijn barmhartigheid, “door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes”. Reiniging is daar niet een extra voorwaarde naast geloof, maar een beeld van wat God uit genade bij de wedergeboorte doet.
Ten tweede is er de voortdurende reiniging in de wandel van iemand die reeds eeuwig gered is. Jezus zei: “Die gewassen is, heeft niet van node dan de voeten te wassen, maar is geheel rein” (Johannes 13:10). De volledige wassing hoeft niet te worden herhaald; de voeten worden tijdens de wandel opnieuw vuil. Zo schrijft Johannes aan gelovigen dat God hun zonden vergeeft en hen reinigt wanneer zij die belijden (1 Johannes 1:7–9). Dat herstelt gemeenschap en praktische reinheid, niet hun verloren eeuwige redding — want die is niet verloren.
Ezechiël 36 kan daarom niet tot uitsluitend de reiniging van zonden ná de redding worden beperkt. De tekst verbindt het reine water rechtstreeks met een nieuw hart, een nieuwe geest en Gods Geest in hen. Hij beschrijft de volledige nieuwe-verbondswerking die God in het gelovige Israël tot stand brengt: eenmalige reiniging en innerlijke vernieuwing, gevolgd door een gereinigde wandel in gehoorzaamheid. De redding wordt door geloof alleen ontvangen; reiniging, wedergeboorte en de inwonende Geest zijn Gods antwoord op dat geloof.
Jeremia noemt dit het nieuwe verbond met “het huis van Israël en met het huis van Juda” (Jeremia 31:31). God schrijft Zijn wet in hun binnenste en in hun hart. Hij is hun God en zij zijn Zijn volk. Hij vergeeft hun ongerechtigheid en gedenkt hun zonde niet meer.
De drie profetische lijnen zeggen dus hetzelfde:
- Zacharia: een geopende Fontein tegen zonde en onreinheid;
- Ezechiël: rein water, een nieuw hart en Gods Geest in hen;
- Jeremia: het nieuwe verbond, Gods wet in het hart en vergeving van zonden.
Israëls uiteindelijke redding is werkelijk geestelijk. Zij kan niet worden gereduceerd tot terugkeer naar een grondgebied, nationaal voortbestaan of overwinning in een oorlog. Het volk wordt met God verzoend.
Dit is de vervulling van “geheel Israël zal zalig worden”
Nu wordt Romeinen 11 volledig begrijpelijk. Paulus zegt:
“De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob. En dit is hun een verbond van Mij, als Ik hun zonden zal wegnemen.”
— Romeinen 11:26–27
Dat is precies wat Mozes en de profeten voorzegden.
Paulus bouwt hier voort op Jesaja. Jesaja 59 kondigt de Verlosser aan Die tot Sion komt voor hen die zich van de overtreding in Jakob bekeren. God verbindt daaraan Zijn verbond: Zijn Geest en Zijn woorden zullen niet wijken van het volk en zijn nageslacht. Jesaja 27 verbindt Israëls herstel bovendien met het wegdoen van Jakobs ongerechtigheid. Romeinen 11 vat die profetische lijn samen en plaatst haar na de tijdelijke, gedeeltelijke verharding van Israël.
De Verlosser komt. Jakob wordt niet alleen uit militaire nood gered; zijn goddeloosheden worden afgewend. God neemt de zonden weg en vervult Zijn verbond.
“Geheel Israël” kan daarom niet betekenen dat iedere Israëliet uit alle eeuwen, ongeacht geloof of ongeloof, uiteindelijk zalig wordt. Paulus heeft eerder in dezelfde brief gezegd dat niet allen Israël zijn die uit Israël voortgekomen zijn (Romeinen 9:6).
Het beeld van de olijfboom in Romeinen 11 mag hier niet als verlies van eeuwige redding worden gelezen. Paulus spreekt uitdrukkelijk tot de heidenen als groep (Romeinen 11:13). In het hele hoofdstuk vergelijkt hij Israëls val, vermindering, verwerping en toekomstige aanneming met de huidige rijkdom die daardoor tot de heidenen is gekomen (Romeinen 11:11–15). De olijfboom beeldt daarom niet het onverliesbare lichaam van Christus uit, maar de zichtbare plaats van verbondsvoorrecht, getuigenis en zegen die uit de beloften aan de vaderen voortkomt.
De natuurlijke takken die wegens ongeloof werden afgebroken, waren niet eerst wedergeboren om daarna hun eeuwige leven te verliezen. Zij stellen het ongelovige Israël voor dat zijn nationale voorrangspositie in Gods zichtbare bediening verloor. De wilde takken stellen de heidenen voor die in de tijd van Israëls verharding in die plaats van voorrecht zijn gebracht. Ook de waarschuwing dat zij kunnen worden afgehouwen, betreft daarom Gods historische bediening met de heidenen als groep — niet het ongedaan maken van de wedergeboorte van een individuele gelovige.
Wanneer Israël niet in het ongeloof blijft, kan God de natuurlijke takken opnieuw in hun eigen olijfboom enten (Romeinen 11:23–24). Dat betekent niet dat verloren eeuwig leven opnieuw wordt verkregen. Het betekent dat Israël door geloof wordt hersteld in de nationale plaats van zegen waarvan het vanwege ongeloof was afgesneden.
De eeuwige zekerheid van iedere wedergeboren gelovige blijft onaangetast. Christus zegt dat Zijn schapen niet verloren zullen gaan in der eeuwigheid en dat niemand hen uit Zijn hand zal rukken (Johannes 10:28–29). Zij zijn met de Heilige Geest verzegeld tot de dag der verlossing (Efeze 1:13–14; 4:30), en niets kan hen scheiden van de liefde Gods in Christus Jezus (Romeinen 8:38–39). Romeinen 11 kan dus onmogelijk leren dat een gered mens later weer verloren gaat.
Ook de profeten sluiten automatische nationale zaligheid uit. Ezechiël zegt dat de wederspannigen worden uitgezuiverd. Zacharia zegt dat het overblijvende deel wordt gelouterd en vervolgens Gods Naam aanroept.
“Geheel Israël” is daarom de herstelde natie in haar gelovige, gelouterde geheel: het overblijfsel dat na Gods oordeel als Zijn volk overblijft. Niet slechts enkele geïsoleerde Joodse gelovigen te midden van een blijvend ongelovige natie, maar Israël als natie wordt tot de Messias gebracht. De gedeeltelijke verharding eindigt. De natuurlijke takken worden opnieuw in hun eigen olijfboom ingeënt. Het volk zegt: “De HEERE is mijn God.”
Hoe Zacharia 13, Ezechiël 20 en Amos 9 samen de verwijdering van afvallig Israël verklaren, wordt afzonderlijk uitgewerkt in waar is afvallig Israël bij de wederkomst?
De twee huizen worden weer één volk
Israëls herstel omvat niet alleen individuele bekering. God herstelt ook de gebroken nationale eenheid.
Ezechiël 37 begint met het dal van de dorre beenderen. God verklaart Zelf wat zij voorstellen:
“Deze beenderen zijn het ganse huis Israëls.”
— Ezechiël 37:11
De nationale doodstoestand is niet definitief. God opent als het ware de graven, brengt Zijn volk terug en geeft Zijn Geest.
Daarna moet Ezechiël twee houten nemen: één voor Juda en één voor Jozef of Efraïm. God voegt die samen tot één hout. De uitleg volgt onmiddellijk: Hij verzamelt de kinderen Israëls uit de volken en maakt hen tot één volk in het land. Zij zullen niet langer twee volken of twee koninkrijken zijn (Ezechiël 37:15–22).
Vervolgens staat er:
“En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn; en zij zullen allen te zamen één Herder hebben.”
— Ezechiël 37:24
De uiteindelijke Koning is Jezus Christus, de Zoon van David en de goede Herder. Onder Hem sluit God een eeuwig verbond van vrede. Zijn heiligdom is in het midden van het volk en de natiën weten dat de HEERE Israël heiligt.
Dit is geen uitsluitend “geestelijk Israël” zonder nationaal of geografisch herstel. De tekst noemt uitdrukkelijk:
- de kinderen Israëls;
- Juda en Jozef;
- verzameling uit de volken;
- één natie;
- hun eigen land;
- één Davidische Koning;
- en Gods heiligdom in hun midden.
De geestelijke en nationale beloften mogen niet tegen elkaar worden uitgespeeld. God belooft beide.
De uiteindelijke bijeenvergadering
Verschillende profeten verbinden Israëls bekering met een grote verzameling uit de volken.
Deuteronomium 30 zegt dat God Zijn volk verzamelt, zelfs wanneer het tot aan het uiterste van de hemel verdreven zou zijn. Jesaja 11 spreekt over de overgeblevenen uit Israël en Juda die uit de vier hoeken der aarde worden verzameld. Jesaja 27 beschrijft een grote bazuin waarna de verdrevenen en verlorenen komen om de HEERE te aanbidden te Jeruzalem. Ezechiël 36 en 37 verbinden de verzameling rechtstreeks met reiniging, Gods Geest, nationale eenheid en wonen in het land.
Ook Jezus zegt dat Hij na de grote verdrukking Zijn engelen met een grote bazuin zal uitzenden:
“En zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste der hemelen tot het andere uiterste derzelve.”
— Mattheüs 24:31
In de onmiddellijke context spreekt Jezus over Judea, Daniëls gruwel der verwoesting, de unieke grote verdrukking en Zijn zichtbare komst. Zijn woorden sluiten rechtstreeks aan bij de oudtestamentische beloften van een eindtijdelijke verzameling uit de vier windstreken.
Een deel van Israël bevindt zich reeds in en rond het land wanneer de laatste gebeurtenissen plaatsvinden. Openbaring 12 toont een bewaard overblijfsel dat in de laatste 1260 dagen voor de draak wordt beschermd. Maar dat is nog niet de volledige, definitieve bijeenvergadering van het herstelde volk. Bij en na Christus’ komst brengt God de verstrooiden samen en vestigt Hij de gereinigde natie onder haar Koning.
De profetieën geven niet in iedere tekst alle logistieke stappen of hun onderlinge afstand in dagen. Zij leggen wel het eindresultaat onwrikbaar vast: Israël wordt niet langer als een ongelovig, verstrooid en verdeeld volk achtergelaten. God verzamelt, reinigt, verenigt en herstelt het.
Ezechiël 39 markeert dezelfde beslissende overgang
De ondergang van de laatste vijandelijke legermacht vormt bij Ezechiël geen los militair slot. Zij leidt rechtstreeks naar Israëls kennis van de HEERE:
“En die van het huis Israëls zullen weten, dat Ik de HEERE hun God ben, van dien dag af en voortaan.”
— Ezechiël 39:22
Aan het einde van het hoofdstuk zegt God dat Hij Zijn aangezicht niet meer voor hen zal verbergen, omdat Hij Zijn Geest over het huis Israëls heeft uitgegoten (Ezechiël 39:29).
Ezechiël 39:25–28 onderstreept bovendien hoe volledig deze bijeenvergadering is. God ontfermt Zich over het ganse huis Israëls, verzamelt hen uit de landen van hun vijanden en laat niemand van het door Hem herstelde Israël in de verstrooiing achter. In samenhang met Ezechiël 20 en 37 komen de verschillende lijnen hier samen: het bewaarde overblijfsel en het uit de volken verzamelde Israël vormen één hersteld volk in het land, onder één Koning. Daarbij blijft de zuivering van Ezechiël 20:38 gelden: de wederstrevers worden afgezonderd en gaan het land niet binnen. De volledigheid betreft dus Gods herstelde Israël; zij maakt de afzonderlijke beoordeling van de opstandigen niet ongedaan.
Dat past precies bij de grotere Schriftlijn. De eindstrijd, de zichtbare tussenkomst van God, de erkenning van de HEERE, de bijeenvergadering en de uitstorting van de Geest behoren tot dezelfde overgang naar de Koninkrijksorde.
Het beslissende wonder is niet alleen dat Israël de oorlog overleeft. Het beslissende wonder is dat het volk daarna de HEERE kent “van dien dag af en voortaan”.
Israël wordt niet langs een andere weg zalig
De nationale beloften aan Israël zijn werkelijk. Maar er bestaat geen afzonderlijk Evangelie waardoor Joden buiten Jezus Christus om gered zouden worden.
Romeinen 11 zegt dat het ongelovige Israël zijn nationale plaats van voorrecht verloor en door geloof opnieuw in die plaats zal worden hersteld. Dat gaat niet over mensen die eeuwig leven ontvangen, verliezen en later terugkrijgen. Zacharia zegt dat Israël de Doorstokene zal aanschouwen en over Hem zal rouwen. De geopende Fontein reinigt van zonde. Jeremia belooft vergeving. Ezechiël belooft een nieuw hart en Gods Geest.
Dat alles wordt alleen in Christus werkelijkheid.
Jezus droeg aan het kruis de straf voor zondaren. Zijn bloed is het bloed van het nieuwe verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving der zonden. Hij stierf, werd begraven en stond lichamelijk op uit de dood. Er is geen andere Naam onder de hemel waardoor mensen zalig moeten worden.
Daarom wordt Israël niet gered omdat het beter is dan de volken. Ezechiël 36 onderstreept zelfs dat God niet om Israëls verdienste handelt, maar om Zijn heilige Naam. Israël wordt gered doordat de trouwe God Zijn beloften vervult en het volk door Zijn Geest tot geloof in Jezus Christus brengt.
De weg is voor Jood en heiden dezelfde: genade, door geloof, in de gekruisigde en opgestane Christus. Het verschil ligt niet in een ander middel tot behoud, maar in de bijzondere nationale beloften die God aan Israël en de vaderen heeft gegeven.
En wat Israël als natie in de toekomst zal doen, moet ieder mens nu persoonlijk doen: zich van zonde tot God keren en geloven in de Heere Jezus Christus.
Van verworpen Messias tot Koning in hun midden
Wanneer alle Schriftlijnen worden samengebracht, ontstaat één heldere beweging.
Israël wordt onder de volken verstrooid, maar God vergeet Zijn verbond niet. Het volk komt in de laatste dagen in ongekende benauwdheid. God bewaart een overblijfsel, zuivert de opstandigen uit en breekt iedere valse zekerheid af. Jezus Christus verschijnt zichtbaar en vernietigt de machten die tegen Hem zijn verzameld. Israël aanschouwt de Messias Die het heeft doorstoken en bedrijft oprechte rouw. God opent de Fontein tegen zonde en onreinheid, geeft een nieuw hart en stort Zijn Geest uit. De Verlosser wendt de goddeloosheden van Jakob af en neemt de zonden weg. De verstrooiden worden verzameld, Juda en Israël worden één natie en de Zoon van David regeert als hun Koning.
Daarom eindigt de grote verdrukking voor Israël niet slechts met ontsnapping.
Zij eindigt met verzoening.
Niet slechts met nationaal voortbestaan, maar met geestelijk leven.
Niet slechts met terugkeer naar het land, maar met terugkeer tot de HEERE.
Niet slechts met de val van het beest, maar met de regering van Christus.
Paulus’ woorden blijven daarom staan in hun volle kracht:
“En alzo zal geheel Israël zalig worden.”
God zal Zijn volk niet verstoten. Hij zal Zijn verbond niet vergeten. De doorstoken Messias zal terugkomen, Israël zal Hem erkennen en de HEERE zal in het midden van Zijn herstelde volk wonen.
Israël wordt bij deze Koninkrijksgrens dus niet als onderdeel van de schapen en bokken geoordeeld. God loutert Zijn verbondsvolk afzonderlijk; de Gemeente is reeds bij Christus en de levende heidenvolken staan voor hun eigen volkerenoordeel. Hoe deze groepen en hun verschillende oordelen in één chronologische orde samenkomen, leest u in Welke oordelen noemt de Bijbel?
Verder lezen in de serie Openbaring en de eindtijd
Vorige artikel:
Gog en Armageddon — wanneer vindt deze oorlog plaats?
Volgende artikel:
Wat betekenen de 1290 en 1335 dagen?
Serieoverzicht: