Gods tijden staan vast

Profetische dagen, maanden en jaren mogen werkelijk worden geteld.

Gods tijden staan vast

Profetische dagen, maanden en jaren mogen werkelijk worden geteld.

Tweede Petrus 3:8 is geen formule waardoor één profetische dag duizend jaar wordt. De context leert dat God Zijn belofte niet vertraagt en niet door menselijke tijd wordt begrensd. Daarom blijven 1260 dagen, 42 maanden, drieënhalf jaar en de duizend jaren werkelijke, door God bepaalde tijden.

Is één dag bij de Heere duizend jaar?

De Bijbel noemt in de eindtijdprofetieën opmerkelijk precieze tijden: zeven jaren, twee helften, 1260 dagen, 42 maanden, vijf maanden, drieënhalve dag, 1290 dagen, 1335 dagen en duizend jaren.



Toch wordt tegen een letterlijke tijdrekening vaak één tekst ingebracht:

“Doch deze ene zaak zij u niet verborgen, geliefden, dat één dag bij den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als één dag.”
— 2 Petrus 3:8

Betekent dit dat één profetische dag eigenlijk duizend jaar duurt? Zou een periode van 1260 dagen meer dan een miljoen jaar kunnen voorstellen? Kunnen de duizend jaren van Openbaring 20 juist tot één dag worden teruggebracht? En heeft het dan nog zin om met de tijden van Daniël en Openbaring te rekenen?


Het antwoord ligt in de tekst zelf en in haar context. Petrus geeft geen kalenderformule. Hij verdedigt Gods trouw tegenover mensen die menen dat Zijn belofte te lang op zich laat wachten. De eeuwige God is niet traag, vergeet niets en wordt niet door de korte levensduur van mensen begrensd. Wat Hij heeft beloofd, komt op Zijn tijd.


Juist daarom mogen Zijn werkelijk gegeven tijden nauwkeurig worden gelezen. Gods eeuwigheid maakt Zijn Woord niet onnauwkeurig. Zij waarborgt dat geen dag van Zijn raad verloren gaat.



Lees eerst wat Petrus werkelijk schrijft


Petrus zegt niet:


Eén profetische dag is altijd duizend kalenderjaren.


Hij schrijft:

“Eén dag bij den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als één dag.”

Het woord als geeft een vergelijking. Petrus vergelijkt Gods verhouding tot het verstrijken van tijd met de menselijke ervaring ervan. Hij stelt nergens een algemene vertaalsleutel vast waarmee iedere dag in een profetie moet worden vermenigvuldigd.


De vergelijking loopt bovendien bewust in beide richtingen:


  • één dag is bij de Heere als duizend jaren;
  • duizend jaren zijn bij de Heere als één dag.


Wie van het eerste deel een omrekenregel maakt en iedere genoemde dag tot duizend jaar uitbreidt, moet het tweede deel even consequent toepassen en iedere genoemde duizend jaar tot één dag verkorten. Dan zouden de duizend jaren van Openbaring 20 niet duizend jaar, maar één dag duren.


Dat is niet hoe de Schrift de uitspraak gebruikt. De twee richtingen benadrukken dat lange en korte tijdsduur Gods trouw niet veranderen. Duizend jaren doen Hem Zijn belofte niet vergeten; één dag is voor Hem niet te kort om Zijn raad uit te voeren.


De beslissende vraag is daarom niet wat wij met de vergelijking kunnen uitrekenen, maar waarom Petrus haar schrijft.



De context gaat over spotters, uitstel en Gods lankmoedigheid


Petrus waarschuwt dat in de laatste dagen spotters zullen komen. Zij vragen:

“Waar is de belofte Zijner toekomst? Want van dien dag, dat de vaders ontslapen zijn, blijven alle dingen alzo gelijk van het begin der schepping.”
— 2 Petrus 3:4

Hun redenering is eenvoudig: er zijn generaties gestorven, Christus is nog niet zichtbaar teruggekomen en daarom zal de belofte wel niet worden vervuld.


Petrus antwoordt eerst dat zij moedwillig vergeten hoe God reeds in de geschiedenis heeft ingegrepen. Door Gods Woord waren de hemelen en de aarde er; door hetzelfde Woord kwam het oordeel van de zondvloed; door datzelfde Woord zijn de tegenwoordige hemelen en aarde voor het vuur bewaard (2 Petrus 3:5–7).



Daarna volgt de uitspraak over één dag en duizend jaren. En onmiddellijk daarna legt Petrus zelf haar betekenis uit:

“De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende, dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.”
— 2 Petrus 3:9

Vers 9 is de geïnspireerde toepassing van vers 8:


  • God heeft Zijn belofte niet vergeten;
  • Hij is niet machteloos geworden;
  • Hij wordt niet door menselijke haast bestuurd;
  • wat mensen traagheid noemen, is Gods lankmoedigheid;
  • het uitblijven van het oordeel is nog ruimte voor bekering.


Petrus bespreekt dus niet de lengte van Daniëls week, de 1260 dagen van Openbaring of de duizendjarige regering van Christus. Hij weerlegt de spot dat een lang verstrijken van tijd Gods belofte onbetrouwbaar zou maken.


En zijn conclusie is niet dat de Dag des Heeren daarom onwerkelijk of eindeloos rekbaar wordt:

“Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht.”
— 2 Petrus 3:10

Gods lankmoedigheid heft Zijn oordeel niet op. De vastgestelde Dag komt werkelijk.



Psalm 90 geeft de achtergrond


Petrus’ woorden grijpen terug op Psalm 90. Mozes stelt daar Gods eeuwigheid tegenover de kortheid van het menselijke leven:

“Eer de bergen geboren waren, en Gij de aarde en de wereld voortgebracht hadt, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God.”
— Psalm 90:2

Daarna schrijft hij:

“Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als een nachtwaak.”
— Psalm 90:4

Ook deze tekst geeft geen chronologische formule. Duizend jaren worden niet alleen met één dag vergeleken, maar zelfs met de voorbijgegane dag van gisteren en met een nachtwake. Het beeld gaat over Gods eeuwige bestaan tegenover het snel voorbijgaande leven van de mens.


Voor mensen kunnen duizend jaren onvoorstelbaar lang zijn. Geen natuurlijk mensenleven omspant die periode. Voor de eeuwige God vormt die duur geen bedreiging voor Zijn geheugen, macht of trouw. Hij was God vóór de bergen geboren waren en blijft God nadat menselijke geslachten zijn voorbijgegaan.



Psalm 90 eindigt daarom niet met een nieuwe kalender, maar met een gebed om wijsheid:

“Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen.”
— Psalm 90:12

De mens moet zijn dagen juist tellen, omdat zijn aardse tijd kort en kostbaar is. Gods eeuwigheid maakt menselijke tijd niet betekenisloos; zij maakt duidelijk hoe afhankelijk en vergankelijk wij zijn.



God staat boven onze beperking, maar spreekt nauwkeurig binnen de tijd


God is van eeuwigheid tot eeuwigheid. Hij wordt niet ouder, hoeft niet te wachten omdat Hij iets niet kan uitvoeren en ziet Zijn raad niet mislukken doordat mensen sterven of eeuwen verstrijken.


Maar daaruit volgt niet dat dagen, maanden en jaren voor Hem betekenisloos zijn. Dezelfde God Die boven de menselijke tijdsbeperking staat, schiep de lichten tot tekenen, gezette tijden, dagen en jaren (Genesis 1:14). Hij bepaalde feestdagen, sabbatten, jubeljaren, regeringsjaren, leeftijden en profetische termijnen. Christus kwam in de “volheid des tijds” en stierf “te zijner tijd” (Galaten 4:4; Romeinen 5:6).


Gods raad wordt niet ongeveer vervuld. Hij zei tot Abraham dat zijn nakomelingen op de vastgestelde tijd zouden terugkeren. Israël verliet Egypte toen de bepaalde jaren vervuld waren. Juda’s zeventigjarige verwoesting eindigde omdat God het door Jeremia gesproken getal vervulde. Christus stond op “ten derden dage, naar de Schriften” (1 Korinthe 15:4).


De Bijbelse regel is daarom eenvoudig:


Wanneer God een tijd noemt, laten wij die tijd staan zoals Hij hem noemt, tenzij de Schrift zelf aangeeft dat een teken, beeld of bijzondere omrekening wordt gebruikt.



Wanneer een dag voor een jaar staat, zegt God dat uitdrukkelijk


De Bijbel kent werkelijk passages waarin een dag een jaar vertegenwoordigt. Juist die passages laten zien hoe zorgvuldig God daarmee omgaat.


Na de verspieding van Kanaän zegt Hij tegen Israël:

“Naar het getal der dagen, in dewelke gij dat land verspied hebt, veertig dagen, elken dag voor een jaar, zult gij uw ongerechtigheden dragen, veertig jaren.”
— Numeri 14:34

God laat de lezer niet raden. Hij verklaart Zelf:

“Elken dag voor een jaar.”

Ook Ezechiël ontvangt een symbolische opdracht. Nadat hij een bepaald aantal dagen op zijn zijde moet liggen, zegt God:

“Een dag voor elk jaar heb Ik u gegeven.”
— Ezechiël 4:6

Opnieuw wordt de omzetting rechtstreeks bekendgemaakt. De bijzondere betekenis ontstaat niet doordat iedere dag in de Bijbel automatisch een jaar voorstelt. Zij ontstaat doordat God in die specifieke handeling zegt dat Hij één dag voor één jaar heeft gegeven.


Hetzelfde beginsel geldt voor andere profetische beelden. Farao’s drie ranken betekenen drie dagen, omdat Jozef dat door God geïnspireerd uitlegt. De zeven koeien en zeven aren betekenen zeven jaren, omdat de uitleg dat zegt (Genesis 40–41). Een symbool krijgt zijn betekenis uit Gods verklaring en de context, niet uit een menselijke universele rekentabel.


2 Petrus 3:8 zegt nergens:


Een dag voor elk duizendtal jaren heb Ik u gegeven.


Daarom mag het vers niet worden behandeld alsof die woorden er wel staan.



Daniël en Openbaring bevestigen hun tijdrekening onderling


De eindtijdprofetieën bevatten niet slechts één los getal. God geeft verschillende tijdseenheden die elkaar controleren.


Openbaring 12 beschrijft hoe de vrouw naar een door God bereide plaats vlucht en daar wordt onderhouden:

“Duizend tweehonderd zestig dagen.”
— Openbaring 12:6

Later beschrijft hetzelfde hoofdstuk haar bescherming als:

“Een tijd, en tijden, en een halven tijd.”
— Openbaring 12:14

Daniël gebruikt dezelfde uitdrukking voor de begrensde eindtijdmacht. Openbaring 13 zegt over het beest:

“En hetzelve werd macht gegeven, om zulks te doen twee en veertig maanden.”
— Openbaring 13:5

De Schrift legt zo drie overeenstemmende maten naast elkaar:

Tijdsaanduiding Werkelijke duur
Een tijd, tijden en een halve tijd 3½ jaar
42 maanden 3½ jaar
1260 dagen 3½ jaar

Ook de maandtelling wordt Schrift met Schrift bevestigd. Bij de zondvloed liggen vijf maanden tussen de zeventiende dag van de tweede maand en de zeventiende dag van de zevende maand (Genesis 7:11; 8:4). Diezelfde periode wordt 150 dagen genoemd (Genesis 7:24). Daarmee gebruikt de Bijbel hier de samenhang:


5 maanden = 150 dagen
1 maand = 30 dagen
42 maanden = 1260 dagen


Wanneer 1260 dagen door 2 Petrus 3:8 in 1.260.000 jaren zouden worden veranderd, zou de door God gegeven gelijkheid met 42 maanden verdwijnen. De drie tijdsaanduidingen zijn juist bedoeld om dezelfde begrensde duur vast te leggen.


De macht van het beest is daarom niet een onbepaald tijdperk. Zij wordt afgemeten. Hij krijgt geen dag langer dan God hem geeft.



Daniël verwacht dat werkelijke dagen worden bereikt


Daniël 12 noemt vanaf een herkenbaar beginpunt nog twee exacte tellingen:

“Van dien tijd af, dat het gedurig offer zal weggenomen, en de verwoestende gruwel zal gesteld zijn, zullen zijn duizend tweehonderd en negentig dagen.”
— Daniël 12:11

Daarna:

“Welgelukzalig is hij, die verwacht, en raakt tot duizend driehonderd vijf en dertig dagen.”
— Daniël 12:12

Deze woorden veronderstellen werkelijke telling:


  • er is een herkenbaar beginpunt;
  • vanaf dat punt verstrijken dagen;
  • dag 1290 vormt een bepaald tijdspunt;
  • degene die verwacht en dag 1335 bereikt, wordt welgelukzalig genoemd.


De tweede helft van Daniëls week duurt 1260 dagen. Vanaf hetzelfde midden telt Daniël verder:

Dag vanaf het midden Plaats in de tijdlijn
1260 Einde van de 42-maandsmacht en van Daniëls zeventigste week
1290 30 dagen na het einde van de week
1335 75 dagen na het einde van de week; 45 dagen na dag 1290

Welke afzonderlijke gebeurtenis precies op dag 1290 plaatsvindt, zegt de Schrift niet. Daarover mogen wij niets verzinnen. Maar dat het een werkelijk door God bepaald tijdspunt is, staat vast. De telling heeft alleen haar normale betekenis wanneer de dagen werkelijk mogen worden geteld.



Ook de drieënhalve dag van de twee getuigen is werkelijk


Openbaring 11 geeft de twee getuigen 1260 dagen om te profeteren. Wanneer hun getuigenis voleindigd is, doodt het beest hen. Vervolgens zullen de mensen uit volken, geslachten, talen en natiën hun dode lichamen “drie dagen en een halven” zien (Openbaring 11:9).


Na die drieënhalve dag komt een geest des levens uit God in hen, staan zij op hun voeten en varen zij voor de ogen van hun vijanden ten hemel (Openbaring 11:11–12).


De verhaalstructuur maakt een symbolische periode van 3500 jaren onmogelijk. De aardbewoners zien hun lichamen, vieren feest, zenden elkaar geschenken en worden daarna door hun zichtbare opstanding verschrikt. De drieënhalve dag is een werkelijke korte periode binnen een concrete gebeurtenis.


Dit bevestigt opnieuw dat het woord dag niet door 2 Petrus 3:8 automatisch een verborgen duizendvoudige betekenis krijgt.



De duizend jaren van Openbaring 20 blijven duizend jaren


Openbaring 20 noemt de duizend jaren niet eenmaal terloops, maar zesmaal. Het getal ordent de gebeurtenissen vóór, tijdens en na Christus’ Koninkrijksregering:


  1. Satan wordt duizend jaren gebonden;
  2. hij verleidt de volken niet totdat de duizend jaren geëindigd zijn;
  3. de heiligen leven en regeren duizend jaren met Christus;
  4. de overige doden worden niet weder levend totdat de duizend jaren geëindigd zijn;
  5. de heiligen regeren duizend jaren;
  6. wanneer de duizend jaren geëindigd zijn, wordt Satan losgelaten.


Het getal scheidt werkelijke gebeurtenissen:


binding van Satan → regering met Christus → einde van de duizend jaren → loslating van Satan → laatste opstand → grote witte troon.


Als “duizend jaren als één dag” een omrekenregel was, zou Satan slechts één dag gebonden zijn en zouden de rechtvaardige en goddeloze opstandingsorden door één dag worden gescheiden. Dat is niet wat Openbaring beschrijft. De herhaling en de opgebouwde volgorde bevestigen een werkelijk afgemeten periode van duizend jaren.


Petrus ontkent die duizend jaren niet. Hij leert dat zelfs duizend jaren voor de eeuwige God geen traagheid of vergeetachtigheid veroorzaken.



Maar kan “de Dag des Heeren” dan langer dan één etmaal duren?


Hier is een belangrijk onderscheid nodig. Het woord dag kan naar een gewone dag verwijzen, maar “de Dag des Heeren” kan ook de naam zijn van een groter Goddelijk oordeel- en Koninkrijkscomplex. De context bepaalt de reikwijdte.


De profeten verbinden de Dag des Heeren met toorn, verwoesting, duisternis, het vernederen van menselijke hoogmoed, de zichtbare tussenkomst van de HEERE en de vestiging van Zijn heerschappij (Jesaja 13; Joël 2–3; Zefanja 1; Zacharia 14). Eén profetisch “dag”-begrip kan daardoor meerdere samenhangende handelingen omvatten zonder dat iedere genoemde kalenderdag in de Bijbel symbolisch wordt.


Ook in het dagelijks taalgebruik kan “de dag van strijd” een gehele veldtocht aanduiden. Dat verandert een uitspraak als “drie dagen” niet automatisch in drie lange tijdperken. De vorm van de uitdrukking en haar context beslissen.


In 1 Thessalonicenzen 5 ligt de nadruk op de komende oordeelssituatie die de ongelovige wereld plotseling overvalt:

“Want gij weet zelven zeer wel, dat de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een dief in den nacht.”
— 1 Thessalonicenzen 5:2

Wanneer zij “vrede en zonder gevaar” zeggen, komt een haastig verderf over hen en zij zullen het geenszins ontvlieden. De Dag des Heeren verschijnt hier dus als het komende oordeelcomplex, niet als een reden om alle afzonderlijk genoemde tijden onbepaald te maken.


De volledige Schriftlijn laat zien dat dit oordeel tijdens Daniëls zeventigste week wordt ontvouwd en bij Christus’ zichtbare wederkomst zijn beslissende hoogtepunt bereikt. De uitdrukking “Dag des Heeren” en de werkelijk getelde dagen binnen dat complex spreken elkaar niet tegen.



“Niemand weet den dag noch de ure” moet in zijn context blijven


Een tweede bekende tegenwerping komt uit Mattheüs 24:

“Doch van dien dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen.”
— Mattheüs 24:36

Soms wordt hieruit geconcludeerd dat geen mens ooit enig toekomstig tijdspunt mag berekenen. Maar ook deze uitspraak moet binnen het hele hoofdstuk worden gelezen.


Mattheüs 24 behandelt:


  • de gruwel der verwoesting in de heilige plaats;
  • de onmiddellijke vlucht uit Judea;
  • de grote verdrukking;
  • tekenen aan zon, maan en sterren;
  • het teken van de Zoon des mensen;
  • en Zijn zichtbare komst op de wolken.


De rechtstreekse context van vers 36 is daarom Christus’ zichtbare wederkomst, niet uitsluitend de opname van de gemeente.


Toch zegt hetzelfde hoofdstuk dat herkenning mogelijk wordt wanneer de geopenbaarde tekenen verschijnen:

“Alzo ook gijlieden, wanneer gij al deze dingen zult zien, zo weet, dat het nabij is, voor de deur.”
— Mattheüs 24:33

“Niemand weet” betekent dus niet dat God nooit meer iets over de tijd zou openbaren of dat zichtbare merktekens geen kennis mogen geven. Toen Christus deze woorden sprak, was het beginpunt nog niet aanwezig en had niemand de volledige latere Openbaring ontvangen. Het vers verbiedt eigenmachtige datumzetting zonder Gods merkteken; het vernietigt niet de tijden die God daarna Zelf bekendmaakt.


De volledige uitleg van de vijgenboom, „dit geslacht”, de dagen van Noach en de laatste 1.260 dagen staat in De vijgenboom, dit geslacht en de dagen van Noach in Mattheüs 24.


Daniël zegt juist over de tijd van het einde:

“De goddelozen zullen goddelooslijk handelen, en geen van de goddelozen zullen het verstaan, maar de verstandigen zullen het verstaan.”
— Daniël 12:10

De goddelozen verstaan het niet. De verstandigen wel. Dat verschil zou zinloos worden wanneer profetische tijdsaanduidingen principieel niet begrepen of geteld mochten worden.



Noach laat zien hoe onbekendheid en latere kennis samengaan


Christus vergelijkt Zijn komst met de dagen van Noach. De wereld at, dronk, trouwde en merkte niets totdat de vloed kwam en hen allen wegnam (Mattheüs 24:37–39).


Maar dat betekent niet dat Noach nooit een concrete tijdsaanduiding ontving. God zei uiteindelijk tegen hem:

“Want over nog zeven dagen zal Ik doen regenen op de aarde veertig dagen en veertig nachten.”
— Genesis 7:4

De ongelovige wereld bleef onwetend en onvoorbereid. Noach ontving door Gods Woord een aftelling.


Dat patroon is belangrijk:


  • zonder Gods geopenbaarde beginpunt kan de mens de datum niet weten;
  • wanneer God een herkenbaar teken en een bepaalde termijn geeft, mag Zijn dienstknecht die termijn geloven;
  • dezelfde gebeurtenis kan de ongelovige wereld onverwacht overvallen terwijl de waakzame gelovige door het Woord voorbereid is.


Profetisch rekenen is daarom geen poging om Gods verborgen raad te stelen. Het is slechts geoorloofd waar God Zelf het beginpunt en de duur heeft bekendgemaakt.



De dief overvalt de duisternis, niet de waakzame kinderen des lichts


Direct na de opnamebeschrijving van 1 Thessalonicenzen 4 schrijft Paulus over de Dag des Heeren. Eerst zegt hij dat die Dag als een dief in de nacht komt. Daarna maakt hij een beslissend onderscheid:

“Maar gij, broeders, gij zijt niet in duisternis, dat u die dag als een dief zou bevangen. Gij zijt allen kinderen des lichts en kinderen des daags; wij zijn niet des nachts, noch der duisternis.”
— 1 Thessalonicenzen 5:4–5

De nacht is hier allereerst de geestelijke toestand van de ongelovige wereld. Zij slaapt, is bedwelmd en gelooft Gods waarschuwing niet. Daniëls zeventigste week wordt de laatste en donkerste uitwerking van die wereldduisternis, maar “nacht” is in dit hoofdstuk geen technische naam die op zichzelf exact zeven kalenderjaren betekent. Paulus zegt immers reeds tegen de toen levende gelovigen dat zij niet van de nacht zijn.


De Dag hoeft de broeders niet als een dief te bevangen, omdat zij Gods Woord hebben en tot het licht behoren. Dat sluit aan bij Christus’ waarschuwing aan Sardis:

“Indien gij dan niet waakt, zo zal Ik over u komen als een dief, en gij zult niet weten, op wat ure Ik over u komen zal.”
— Openbaring 3:3

Het onverwachte karakter wordt hier verbonden met niet waken. Dat betekent niet dat een onwaakzaam, maar werkelijk wedergeboren lid van Christus’ lichaam de opname mist of zijn eeuwige redding verliest. Alle gelovigen in Christus behoren door genade tot Zijn lichaam. Waakzaamheid bepaalt niet of iemand door werken opnamewaardig wordt; zij bepaalt wel of hij geestelijk gereed leeft en Gods waarschuwingen verstaat.


Ook mensen die tijdens Daniëls week tot geloof komen, behoren geestelijk tot het licht terwijl zij lichamelijk op aarde zijn. Daarom bewijst “wij zijn niet des nachts” op zichzelf nog niet dat de gemeente vóór de week wordt opgenomen. Het sterkere pretribulationele bewijs ligt in de volledige volgorde van Paulus en de overige Schrift:


  • eerst worden de doden in Christus opgewekt en de levende gelovigen opgenomen;
  • daarna behandelt Paulus de Dag des Heeren en het plotselinge verderf over “hen”;
  • Jezus verlost de gemeente van de toekomende toorn;
  • God heeft haar niet tot toorn gesteld;
  • Christus belooft bewaring uit de wereldwijde ure der verzoeking (1 Thessalonicenzen 1:10; 4:16–17; 5:3,9; Openbaring 3:10).


Het diefbeeld leert dus niet dat God geen tijd heeft geopenbaard. Het leert dat Zijn oordeel de ongelovige en onwaakzame wereld onverwacht overvalt.



Vanaf het midden kan de dag van Christus’ zichtbare komst worden geteld


De Schrift geeft voor het midden van Daniëls zeventigste week een openbaar herkenbaar merkteken:


  • het gedurige offer wordt weggenomen;
  • de verwoestende gruwel wordt in de heilige plaats gesteld;
  • de mens der zonde vertoont zich in de tempel alsof hij God is;
  • degenen in Judea moeten onmiddellijk vluchten;
  • de vrouw wordt 1260 dagen door God beschermd;
  • het beest ontvangt 42 maanden absolute macht.


Jezus zegt vervolgens:

“En terstond na de verdrukking dier dagen...”
— Mattheüs 24:29

Dan volgen de hemeltekenen en verschijnt de Zoon des mensen zichtbaar. Daniël 7 laat de macht van de kleine hoorn eindigen na zijn tijd, tijden en halve tijd. Openbaring 13 geeft het beest 42 maanden en Openbaring 19 toont dat Christus bij Zijn verschijning dat beest vernietigt.


Daarom staat de volgende lijn stevig:


herkenning van het werkelijke midden → 1260 dagen / 42 maanden → einde van de beestmacht → zichtbare wederkomst van Jezus Christus.


Wie het echte midden op de profetische dag herkent, kan de door God gegeven 1260 dagen werkelijk tellen. Daarmee wordt de dag van Christus’ zichtbare wederkomst vanaf dat merkteken berekenbaar. De Schrift geeft geen kloktijd binnen die dag; het exacte uur blijft onbekend. Ook het begin van de week kan als ijkpunt dienen: wie het verbond van Daniël 9:27 met zekerheid herkent, kan vanuit de zevenjarige duur al vóór het midden vooruitrekenen.


Dit is geen tegenspraak met Mattheüs 24:36. De tijd was zonder het beginpunt niet berekenbaar. God heeft echter juist voor de verstandigen in de eindtijd het merkteken en de duur geopenbaard.



Voor de opname is geen aftelling gegeven


Bij de opname ligt dat anders. Paulus openbaart wat er gebeurt:


  • de Heere daalt neer uit de hemel;
  • de doden in Christus staan eerst op;
  • de levende gelovigen worden veranderd;
  • samen worden zij opgenomen, de Heere tegemoet in de lucht (1 Thessalonicenzen 4:16–17; 1 Korinthe 15:51–52).


Maar God geeft voor de opname:


  • geen zevenjarige voorafgaande aftelling;
  • geen 1260-daags beginteken;
  • geen gruwel die eerst moet verschijnen;
  • geen bazuinreeks die de gemeente moet doorlopen;
  • en geen geopenbaarde lengte van de tijd tussen de opname en het verbond van Daniël 9:27.


De opname vindt vóór Daniëls zeventigste week plaats, maar de Schrift zegt niet hoeveel uren, dagen of langer vóór het begin van die week. Daardoor kan haar datum niet uit de profetische getallen worden berekend.


Het onderscheid is helder:

Opname van de gemeente Zichtbare wederkomst
Geen geopenbaarde aftelling Vanaf het midden 1260 dagen / 42 maanden
Geen voorafgaande middenweekse marker Gruwel en beëindiging van het offer vormen een herkenbare marker
Dag niet berekenbaar Profetische dag vanaf het herkende midden berekenbaar
Christus ontmoet Zijn gemeente in de lucht Christus verschijnt zichtbaar en vernietigt het beest

Mattheüs 24:36 hoeft daarom niet tot een exclusieve opnamevers te worden gemaakt. De onbekende datum van de opname volgt reeds uit het ontbreken van iedere aftelling en uit de onbekende ruimte vóór Daniëls week. De zichtbare wederkomst daarentegen krijgt binnen die week een Goddelijke tijdrekening.



Gods nauwkeurige tijden eindigen altijd bij Zijn doel


Profetische getallen zijn niet gegeven om menselijke nieuwsgierigheid te voeden of sensationele datums op onze huidige kalender te zetten. Zij openbaren dat God de macht van het kwaad volledig begrenst.


De twee getuigen kunnen niet één dag vóór het einde van hun opdracht worden gedood. De vrouw wordt precies gedurende Gods bepaalde periode verzorgd. Het beest krijgt slechts 42 maanden. De wachtende bereikt dag 1335 alleen omdat God de geschiedenis door het oordeel heen naar Christus’ Koninkrijk leidt. Satan blijft gedurende de duizend jaren gebonden en wordt pas losgelaten wanneer God dat toestaat.


Ieder getal verkondigt daardoor Gods soevereiniteit:


de vijand regeert niet onbeperkt;
de verdrukking duurt niet eindeloos;
Gods belofte vertraagt niet;
Christus komt op de vastgestelde tijd.


De tijden zijn niet belangrijker dan de Persoon naar Wie zij wijzen. Daniëls telling eindigt niet bij de Antichrist, maar bij de vestiging van Christus’ rechtvaardige heerschappij. De duizend jaren eindigen niet bij Satans laatste poging, maar bij zijn definitieve oordeel en Gods nieuwe schepping.



De lankmoedigheid van God is vandaag nog reddingstijd


De eigenlijke boodschap van 2 Petrus 3 is niet alleen chronologisch. Petrus legt uit waarom het oordeel nog niet is gekomen:

God is lankmoedig, “niet willende, dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.”

Dat betekent niet dat ieder mens uiteindelijk automatisch gered wordt. Petrus zegt even later dat de Dag des Heeren werkelijk komt. Gods lankmoedigheid geeft nu ruimte om Zijn Evangelie te horen en te geloven.


Ieder mens heeft gezondigd en kan zichzelf niet door goede werken, kerkbezoek, profetische kennis of een verbeterd leven rechtvaardig maken. Jezus Christus, Gods Zoon, stierf voor onze zonden, werd begraven en stond op de derde dag lichamelijk uit de dood. Hij heeft het volledige werk volbracht.



De Bijbelse oproep luidt:

“Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden.”
— Handelingen 16:31

Wie in Hem gelooft, heeft eeuwig leven. Niet het begrijpen van alle tijdsaanduidingen redt, maar Christus alleen. Toch maakt juist de zekerheid van Gods komende oordeel het dringend om vandaag op Hem te vertrouwen.



Wat spotters “vertraging” noemen, is nog genadetijd. Maar de lankmoedigheid duurt niet eindeloos. Dezelfde Petrus die over duizend jaren als één dag spreekt, zegt met volle zekerheid:

“Maar de dag des Heeren zal komen.”


Conclusie


“Eén dag bij den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als één dag” is geen profetische omrekenformule. Petrus legt niet uit hoe dagen in Daniël of Openbaring moeten worden vermenigvuldigd. Hij antwoordt spotters die menen dat Gods belofte door het verstrijken van vele generaties onbetrouwbaar is geworden.


God is van eeuwigheid tot eeuwigheid. Duizend jaren doen Hem Zijn belofte niet vergeten en één dag is voor Hem niet te kort om Zijn raad te volvoeren. Wat mensen voor traagheid houden, is Zijn lankmoedigheid.


Wanneer God werkelijk een dag voor een jaar laat staan, zegt Hij dat uitdrukkelijk. In de eindtijdprofetieën doet Hij iets anders: Hij laat verschillende tijdseenheden elkaar bevestigen. Een tijd, tijden en een halve tijd is 42 maanden en 1260 dagen. Vanaf het midden worden 1290 en 1335 dagen geteld. De twee getuigen liggen drieënhalve dag dood. Openbaring noemt de duizend jaren zesmaal en plaatst concrete gebeurtenissen voor, tijdens en na die periode.


Ook “niemand weet den dag noch de ure” maakt Gods latere openbaring niet ongedaan. De ongelovige wereld wordt als een dief in de nacht overvallen, maar de broeders zijn niet in duisternis dat die Dag hen zo zou bevangen. De verstandigen zullen verstaan.


Voor de opname heeft God geen aftelling gegeven; haar datum is niet berekenbaar. Voor Christus’ zichtbare wederkomst heeft Hij binnen Daniëls week wel een herkenbaar midden en een laatste periode van 1260 dagen gegeven. Wie dat werkelijke midden herkent, mag Gods dagen tellen. Alleen het uur binnen de dag heeft Hij niet bekendgemaakt.


De hele profetische tijdrekening rust daarom op één onwankelbare waarheid:


Gods eeuwigheid maakt Zijn tijden niet vaag. Zij verzekert dat iedere door Hem afgemeten dag, maand en jaar precies tot Zijn bepaalde doel komt.


Zie voor meer voorbeelden van teksten die alleen in hun verband helder worden: Moeilijke Bijbelteksten uitgelegd.