Genesis 1 laat zien hoe God hemel en aarde ordende. De Schrift spreekt over een uitspansel dat wateren scheidt, over wateren boven het uitspansel en over lichten die in het uitspansel gesteld worden om licht te geven op de aarde.
Wat leert Genesis 1 over hemel en aarde?
Genesis 1 geeft niet zomaar losse scheppingsdetails, maar de basisstructuur van het Bijbelse wereldbeeld.
Als wij willen weten wat de Bijbel leert over hemel en aarde, moeten wij niet beginnen bij Job, Psalmen, Jesaja, Daniël of Openbaring.
Wij moeten beginnen waar God Zelf begint:
“In den beginne schiep God den hemel en de aarde.”
— Genesis 1:1
Genesis 1 is geen bijzaak.
Het is de eerste bladzijde van de Schrift. Hier legt God het fundament onder alles wat daarna komt. Hier leren wij de eerste woorden van de Bijbelse kosmologie: hemel, aarde, wateren, uitspansel, licht, dag, nacht, zon, maan en sterren.
Wie Genesis 1 overslaat, zal later moeite krijgen met veel andere teksten.
Want de rest van de Bijbel bouwt voort op wat hier wordt neergelegd.
Psalm 148 spreekt over wateren boven de hemelen.
Job 37 spreekt over hemelen die vast zijn als een gegoten spiegel.
Psalm 19 spreekt over het uitspansel.
Jozua 10 spreekt over zon en maan die stilstaan.
Daniël 4 spreekt over een boom in het midden der aarde, zichtbaar tot aan het einde der ganse aarde.
Openbaring 4 spreekt over een glazen zee als kristal voor Gods troon.
Openbaring 6 spreekt over sterren die op de aarde vallen.
Al die teksten hangen niet los in de lucht.
Zij staan op het fundament van Genesis.
Daarom is de vraag eenvoudig:
Wat zegt Genesis 1 zelf?
Niet: hoe kunnen wij Genesis 1 passend maken bij een modern wereldbeeld?
Maar:
Welke bouwtekening geeft God Zelf in het begin van Zijn Woord?
Hemel en aarde
De Bijbel begint niet met de mens.
Niet met Israël.
Niet met de kerk.
Niet met Mozes.
Niet met Abraham.
Niet met zonde.
Niet met verlossing.
Maar met God als Schepper:
“In den beginne schiep God den hemel en de aarde.”
— Genesis 1:1
De eerste grote verdeling in de Schrift is:
hemel en aarde.
Dat is fundamenteel.
De Bijbel begint niet met een abstract “universum”. De Bijbel begint met hemel en aarde. Die tweedeling blijft door de hele Schrift heen terugkomen.
Bij de wetgeving op Sinaï zegt God:
“Want in zes dagen heeft de HEERE den hemel en de aarde gemaakt, de zee, en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage.”
— Exodus 20:11
Nehemia zegt:
“Gij zijt die HEERE alleen, Gij hebt gemaakt den hemel, den hemel der hemelen, en al hun heir, de aarde en al wat daarop is, de zeeën en al wat daarin is…”
— Nehemia 9:6
Psalm 146 zegt:
“Die den hemel en de aarde gemaakt heeft, de zee en al wat in dezelve is…”
— Psalm 146:6
Ook in Openbaring wordt God aanbeden als Schepper:
“Gij Heere, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, en de eer, en de kracht; want Gij hebt alle dingen geschapen, en door Uw wil zijn zij, en zijn zij geschapen.”
— Openbaring 4:11
De Bijbel denkt dus steeds in deze grote Schepper-orde:
- hemel;
- aarde;
- zee;
- alles wat daarin is.
Dat is geen toevallige manier van spreken. Dat is de structuur van Gods scheppingstaal.
De aarde is er vóór zon, maan en sterren
Genesis 1:2 zegt:
“De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond; en de Geest Gods zweefde op de wateren.”
— Genesis 1:2
Hier is de aarde er al.
Er is duisternis.
Er is de afgrond.
Er zijn wateren.
Maar zon, maan en sterren zijn nog niet gemaakt of gesteld in hun functie. Die komen pas op de vierde dag.
Dat is belangrijk.
De volgorde van Genesis 1 is niet:
eerst zon, sterren en ruimte, daarna aarde.
De volgorde is:
- hemel en aarde;
- aarde woest en ledig;
- duisternis op de afgrond;
- wateren;
- licht;
- uitspansel;
- droge aarde;
- planten;
- daarna zon, maan en sterren.
Dat is de volgorde van de Schrift.
Wie Genesis 1 serieus leest, moet dat laten staan.
In het moderne wereldbeeld is de zon ouder dan de aarde en is de aarde een planeet die afhankelijk is van de zon. Maar Genesis begint anders. Genesis laat de aarde en de wateren al vóór de instelling van zon, maan en sterren zien.
Dat betekent niet dat wij meteen alles begrijpen. Maar het betekent wel dat wij de Bijbelse volgorde niet mogen wegduwen.
God begint met de aarde als centrale woonplaats van Zijn handelen.
Licht vóór de zon
Daarna zegt God:
“En God zeide: Daar zij licht! en daar werd licht.”
— Genesis 1:3
Dit is vóór de vierde dag.
Dus Genesis leert duidelijk: er is licht voordat zon, maan en sterren als lichten in het uitspansel worden gesteld.
Dat is onmogelijk als je begint met het idee dat alle licht op aarde afhankelijk moet zijn van de zon.
Maar het is helemaal niet moeilijk als je begint met God.
God is niet afhankelijk van de zon.
God is de Schepper van het licht.
Hij spreekt:
“Daar zij licht!”
En er is licht.
Psalm 104 zegt over God:
“Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed…”
— Psalm 104:2
Johannes schrijft:
“God is een Licht, en gans geen duisternis is in Hem.”
— 1 Johannes 1:5
En in het nieuwe Jeruzalem zal er opnieuw licht zijn zonder zon als noodzakelijke bron:
“En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelve zouden schijnen; want de heerlijkheid Gods heeft haar verlicht, en het Lam is haar Kaars.”
— Openbaring 21:23
En:
“En aldaar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht der zon van node hebben; want de Heere God verlicht hen…”
— Openbaring 22:5
Licht vóór de zon is dus geen probleem voor de Schrift.
God Zelf is de bron van licht.
Dat is ook geestelijk diep. Genesis begint met licht. Johannes begint met Christus als Licht.
“In Hetzelve was het Leven, en het Leven was het Licht der mensen.”
— Johannes 1:4
En Christus zegt:
“Ik ben het Licht der wereld…”
— Johannes 8:12
Maar in Genesis 1 gaat het eerst om de scheppingsorde: God maakt licht voordat Hij de zon als daglicht instelt.
Dag en nacht vóór de zon
Genesis zegt:
“En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en tussen de duisternis.”
— Genesis 1:4
“En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag.”
— Genesis 1:5
Dit is heel belangrijk.
Dag en nacht bestaan al vóór de zon op dag vier.
Dat betekent dat “dag” in Genesis 1 niet afhankelijk wordt gemaakt van de zon als bron. God Zelf maakt de scheiding tussen licht en duisternis. God noemt het licht dag en de duisternis nacht.
Daarom is het niet Schriftuurlijk om te zeggen: “Er kunnen geen dagen zijn vóór de zon.”
Genesis zegt dat er wél dagen zijn vóór de zon.
De dag wordt bepaald door Gods scheiding van licht en duisternis, niet door moderne aannames.
Daarna krijgt de zon op dag vier een taak in die bestaande ordening.
Het uitspansel: scheiding tussen wateren en wateren
Nu komen wij bij één van de belangrijkste gedeelten van de hele Bijbelse kosmologie.
“En God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren; en dat make scheiding tussen wateren en wateren.”
— Genesis 1:6
Lees dit langzaam.
God zegt dat er een uitspansel moet zijn.
Waar?
“in het midden der wateren”
Met welke functie?
“dat make scheiding tussen wateren en wateren”
Dat is helder.
Er zijn wateren. God maakt een uitspansel in het midden van die wateren. Dat uitspansel scheidt wateren van wateren.
Vers 7 zegt het nog duidelijker:
“En God maakte dat uitspansel, en maakte scheiding tussen de wateren, die onder het uitspansel zijn, en tussen de wateren, die boven het uitspansel zijn; en het was alzo.”
— Genesis 1:7
Hier geeft de Schrift zelf de uitleg:
- er zijn wateren onder het uitspansel;
- er zijn wateren boven het uitspansel;
- het uitspansel staat daartussen als scheiding.
Dit is geen ingewikkelde tekst.
De moeilijkheid ontstaat pas wanneer men al heeft besloten dat er geen wateren boven de hemelen kunnen zijn.
Maar de tekst zelf is eenvoudig.
God maakte het uitspansel.
Het uitspansel scheidt wateren onder van wateren boven.
En dan zegt vers 8:
“En God noemde het uitspansel hemel. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de tweede dag.”
— Genesis 1:8
Dat is beslissend.
God noemt het uitspansel:
hemel.
Dus wanneer de Bijbel later spreekt over de hemelen, het uitspansel, wateren boven de hemelen, lichten in de hemel, sterren des hemels, dan moeten wij Genesis 1 meenemen.
De hemel is in Genesis niet eerst lege ruimte.
De hemel is het uitspansel dat God maakte, dat wateren van wateren scheidt.
De wateren boven zijn niet verdwenen
Sommigen zeggen dat de wateren boven het uitspansel slechts wolken zijn.
Maar dat is moeilijk vol te houden als je Genesis 1 zorgvuldig leest.
Waarom?
Omdat zon, maan en sterren later in het uitspansel des hemels worden gesteld.
“En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels…”
— Genesis 1:14
“En God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde.”
— Genesis 1:17
Als het uitspansel alleen de luchtlaag van wolken is, dan moeten zon, maan en sterren ook in diezelfde wolkenlucht geplaatst zijn. Dat klopt niet met de tekstuele reikwijdte van het uitspansel.
Ook vogels worden later genoemd in relatie tot het uitspansel:
“Dat het gevogelte vliege boven de aarde, in het aangezicht des uitspansels des hemels.”
— Genesis 1:20
Let op: vogels vliegen boven de aarde, in het aangezicht van het uitspansel. Dat is niet hetzelfde als dat het hele uitspansel alleen de vogellucht is.
De vogels bewegen onder of voor het aangezicht van het uitspansel.
Zon, maan en sterren worden in het uitspansel gesteld.
En boven dat uitspansel zijn wateren.
Psalm 148 bevestigt dit later:
“Looft Hem, gij hemelen der hemelen, en gij wateren, die boven de hemelen zijt.”
— Psalm 148:4
De wateren boven zijn dus geen detail dat alleen in Genesis 1 voorkomt en daarna verdwijnt. De Schrift noemt later opnieuw:
wateren boven de hemelen.
Dat maakt Genesis 1:6–8 nog sterker.
De droge aarde verschijnt
Daarna zegt God:
“Dat de wateren van onder den hemel in één plaats vergaderd worden, en dat het droge gezien worde! en het was alzo.”
— Genesis 1:9
Hier zijn de wateren onder den hemel.
Dat past bij wat net gezegd is:
- wateren boven het uitspansel;
- wateren onder het uitspansel;
- de wateren onder de hemel worden verzameld;
- het droge verschijnt.
Vers 10:
“En God noemde het droge aarde, en de vergadering der wateren noemde Hij zeeën; en God zag, dat het goed was.”
— Genesis 1:10
Let op hoe God benoemt:
- het droge noemt Hij aarde;
- de verzameling der wateren noemt Hij zeeën.
De aarde verschijnt dus als het droge, onderscheiden van de zeeën.
Dit patroon keert voortdurend terug:
“Want in zes dagen heeft de HEERE den hemel en de aarde gemaakt, de zee, en al wat daarin is…”
— Exodus 20:11
Hemel. Aarde. Zee.
Dat is Bijbelse hoofdindeling.
De aarde brengt planten voort vóór de zon
Dan zegt God:
“Dat de aarde uitschiete grasscheutjes, kruid zaadzaaiende, vruchtbaar geboomte, dragende vrucht naar zijn aard…”
— Genesis 1:11
En:
“En de aarde bracht voort grasscheutjes, kruid zaadzaaiende naar zijn aard, en vruchtbaar geboomte…”
— Genesis 1:12
Ook dit gebeurt vóór dag vier.
Planten worden op de derde dag voortgebracht. Zon, maan en sterren worden pas op de vierde dag gesteld als lichten in het uitspansel.
Dat is moeilijk voor een wereldbeeld waarin planten onmogelijk kunnen bestaan zonder zonlicht.
Maar Genesis heeft al licht vanaf dag één. En God Zelf draagt Zijn schepping.
De tekst laat opnieuw zien: de zon is niet de oorsprong van leven. God is de oorsprong van leven.
De zon krijgt later een taak.
God is de Schepper.
Zon, maan en sterren: lichten in het uitspansel
Nu komen we bij dag vier.
“En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels, om scheiding te maken tussen den dag en tussen den nacht; en dat zij zijn tot tekenen, en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren.”
— Genesis 1:14
Hier zegt de Schrift wat zon, maan en sterren zijn in de scheppingsorde.
Zij zijn:
lichten in het uitspansel des hemels.
Hun functies zijn:
- scheiding maken tussen dag en nacht;
- zijn tot tekenen;
- zijn tot gezette tijden;
- zijn tot dagen;
- zijn tot jaren.
Vers 15:
“En dat zij zijn tot lichten in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde; en het was alzo.”
— Genesis 1:15
Nogmaals:
- lichten;
- in het uitspansel des hemels;
- om licht te geven op de aarde.
De aarde is het doelgebied van hun licht.
Vers 16:
“En God maakte die twee grote lichten; dat grote licht tot heerschappij des daags, en dat kleine licht tot heerschappij des nachts; ook de sterren.”
— Genesis 1:16
De Bijbel noemt:
- het grote licht;
- het kleine licht;
- ook de sterren.
De zon wordt niet “een ster” genoemd.
De maan wordt niet “een reflecterende steenbol” genoemd.
Zon, maan en sterren worden samen genoemd als lichten, maar de zon en maan worden onderscheiden als de twee grote lichten.
Vers 17:
“En God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde.”
— Genesis 1:17
Dit is de derde keer in dit gedeelte dat het uitspansel genoemd wordt in verband met de lichten.
Dat moeten wij laten wegen.
Zon, maan en sterren worden niet beschreven als objecten in een oneindige lege ruimte. Zij worden beschreven als lichten in het uitspansel des hemels, gegeven om licht te geven op de aarde.
De aarde staat niet in dienst van de zon; de lichten staan in dienst van de aarde
Genesis 1 draait de moderne gedachte om.
In het moderne denken is de aarde een kleine planeet die om de zon draait, ergens tussen miljarden sterren.
Maar in Genesis is de aarde de woonplaats die God ordent, en de lichten worden gesteld om de aarde te dienen:
“om licht te geven op de aarde”
— Genesis 1:15
“om licht te geven op de aarde”
— Genesis 1:17
Dat wordt tweemaal gezegd.
De lichten zijn er dus niet als zelfstandige grootheden waar de aarde toevallig omheen beweegt. Zij worden door God aangesteld met betrekking tot de aarde.
Psalm 136 zegt hetzelfde:
“Dien, Die de grote lichten gemaakt heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.”
— Psalm 136:7
“De zon tot heerschappij op den dag; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.”
— Psalm 136:8
“De maan en sterren tot heerschappij in den nacht; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.”
— Psalm 136:9
Zon, maan en sterren hebben heerschappij over dag en nacht, maar zij zijn zelf schepselen onder Gods heerschappij.
Zij zijn geen goden.
Zij zijn geen zelfstandige machten.
Zij zijn door God gemaakte lichten.
Tot tekenen, tijden, dagen en jaren
Genesis 1:14 zegt dat de lichten zijn:
“tot tekenen, en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren.”
Dat is belangrijk.
Zon, maan en sterren hebben een tekenfunctie.
Dat komt later terug in de Schrift.
De Heere Jezus zegt over de eindtijd:
“En terstond na de verdrukking dier dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van den hemel vallen…”
— Mattheüs 24:29
Lukas schrijft:
“En er zullen tekenen zijn in zon, en maan, en sterren…”
— Lukas 21:25
Dat past direct bij Genesis 1.
De lichten zijn vanaf het begin tot tekenen gesteld. Daarom is het niet vreemd dat God in profetische oordelen tekenen geeft in zon, maan en sterren.
Ook de feesten en tijden van Israël hangen samen met hemelse ordening, vooral met dagen, maanden en jaren. God gebruikt de lichten als tijdsorden.
Maar Israël mocht die lichten niet aanbidden.
Mozes waarschuwt:
“Dat gij ook uw ogen niet opheft naar den hemel, en aanziet de zon, en de maan, en de sterren, het ganse heir des hemels, en wordt aangedreven, dat gij u voor die buigt en hen dient…”
— Deuteronomium 4:19
Dus de lichten hebben betekenis, maar zij mogen niet vereerd worden.
Zij zijn tekenen van God, geen goden.
Vogels in het aangezicht van het uitspansel
Op de vijfde dag lezen we:
“En God zeide: Dat de wateren overvloediglijk voortbrengen een gewemel van levende zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde, in het aangezicht des uitspansels des hemels.”
— Genesis 1:20
Ook dit bevestigt de structuur:
- vogels vliegen boven de aarde;
- zij vliegen in het aangezicht van het uitspansel des hemels.
Het uitspansel is dus boven de aarde zichtbaar als hemelse werkelijkheid. Vogels vliegen niet boven het uitspansel, maar in het aangezicht ervan.
Daarmee krijg je een verticale orde:
- aarde beneden;
- vogels boven de aarde;
- uitspansel des hemels daarboven/in hun aangezicht;
- wateren boven het uitspansel.
Genesis 1 is veel concreter dan veel mensen denken.
Hemel, aarde en al hun heir
Na de zes scheppingsdagen zegt Genesis 2:
“Alzo zijn volbracht de hemel en de aarde, en al hun heir.”
— Genesis 2:1
Dit vers is heel belangrijk.
God voltooit niet alleen hemel en aarde, maar ook:
“al hun heir.”
De hemel heeft een heir.
De aarde heeft een heir.
Later noemt de Bijbel zon, maan en sterren:
“het ganse heir des hemels”
— Deuteronomium 4:19
Maar de uitdrukking “heir des hemels” kan ook persoonlijke hemelse wezens aanduiden.
In 1 Koningen 22 ziet Micha:
“Ik zag den HEERE zitten op Zijn troon, en al het heir des hemels staande bij Hem, aan Zijn rechterhand en aan Zijn linkerhand.”
— 1 Koningen 22:19
Daar gaat het duidelijk om hemelse wezens die rondom Gods troon staan.
Dat betekent dat “heir des hemels” in de Schrift een rijke uitdrukking is. Zij kan de zichtbare hemellichamen aanduiden, maar ook de levende hemelse scharen van God.
Dat wordt later belangrijk wanneer wij onderzoeken wat sterren volgens de Bijbel zijn.
Want sterren worden “het heir des hemels” genoemd. Maar engelen worden ook als hemels heir getoond.
Genesis 2:1 geeft dus al een sleutel:
hemel en aarde zijn voltooid met al hun heir.
Wat leert Genesis 1 nu precies?
Als wij Genesis 1 gewoon laten spreken, krijgen wij deze bouwtekening:
- God schiep hemel en aarde.
- De aarde is er vóór zon, maan en sterren.
- Er zijn wateren.
- God maakt licht vóór de zon.
- God maakt dag en nacht vóór de zon.
- God maakt een uitspansel in het midden der wateren.
- Het uitspansel scheidt wateren onder van wateren boven.
- God noemt het uitspansel hemel.
- De wateren onder de hemel worden verzameld.
- Het droge wordt aarde genoemd.
- De verzameling der wateren wordt zeeën genoemd.
- De aarde brengt planten voort vóór de zon.
- Zon, maan en sterren worden gesteld als lichten in het uitspansel des hemels.
- Deze lichten geven licht op de aarde.
- Zij zijn tot tekenen, tijden, dagen en jaren.
- Vogels vliegen boven de aarde in het aangezicht van het uitspansel.
- Hemel en aarde worden voltooid met al hun heir.
Dat is de Bijbelse start.
Niet een planeet in een leeg heelal.
Niet zon als centrum van het systeem.
Niet sterren als verre zonnen.
Niet wateren boven als vergeten oud wereldbeeld.
Maar:
hemel en aarde, wateren, uitspansel, wateren boven, wateren beneden, aarde, zeeën, lichten in het uitspansel, en alles onder Gods bevel.
Waarom dit belangrijk is voor de rest van de Bijbel
Genesis 1 is de basis.
Daarom moeten we later niet verbaasd zijn wanneer de Schrift spreekt over:
“gij wateren, die boven de hemelen zijt”
— Psalm 148:4
Dat past bij Genesis 1.
Daarom moeten we niet verbaasd zijn wanneer Job spreekt over:
“de hemelen uitgespannen, die vast zijn als een gegoten spiegel”
— Job 37:18
Dat past bij een werkelijk uitspansel.
Daarom moeten we niet verbaasd zijn wanneer Psalm 19 zegt:
“De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.”
— Psalm 19:2
Het uitspansel is Gods werk.
Daarom moeten we niet verbaasd zijn wanneer Jozua zegt:
“Zon, sta stil te Gibeon, en gij maan, in het dal van Ajalon!”
— Jozua 10:12
Genesis heeft zon en maan al voorgesteld als lichten die God stelde tot heerschappij over dag en nacht.
Daarom moeten we niet verbaasd zijn wanneer Christus zegt:
“de sterren zullen van den hemel vallen”
— Mattheüs 24:29
Genesis heeft sterren niet voorgesteld als verre zonnen buiten bereik, maar als lichten in het uitspansel des hemels.
Daarom moeten we niet verbaasd zijn wanneer Openbaring spreekt over:
“een glazen zee, kristal gelijk”
— Openbaring 4:6
Genesis heeft al gesproken over wateren boven het uitspansel.
Genesis 1 is dus niet een kinderlijke opening die later gecorrigeerd moet worden.
Genesis 1 is het fundament.
Christus, de Schepper van hemel en aarde
Dit artikel moet niet eindigen bij een model.
Het moet eindigen bij God.
En uiteindelijk bij Christus.
Johannes schrijft:
“In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.”
— Johannes 1:1
En dan:
“Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is.”
— Johannes 1:3
De Schepper van Genesis 1 is niet ver van Christus af.
Christus is het Woord door Wie alle dingen gemaakt zijn.
Paulus schrijft:
“Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen.”
— Kolossenzen 1:16
Dat betekent:
De hemel is door Christus geschapen.
De aarde is door Christus geschapen.
Het uitspansel is door Christus geschapen.
De wateren zijn door Christus geschapen.
Zon, maan en sterren zijn door Christus geschapen.
Het hemelse heir is door Christus geschapen.
Alles is door Hem en tot Hem.
Daarom is Bijbelse kosmologie geen losse nieuwsgierigheid. Zij wijst naar de majesteit van Christus als Schepper.
Maar dezelfde Christus Die alles maakte, is ook de Christus Die kwam om zondaren te redden.
“Christus Jezus is in de wereld gekomen, om de zondaren zalig te maken…”
— 1 Timotheüs 1:15
En:
“Want ook Christus heeft eens voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen…”
— 1 Petrus 3:18
De Schepper werd Mens.
De Maker van hemel en aarde hing aan het kruis.
Hij stierf voor onze zonden.
Hij werd begraven.
Hij stond op uit de doden.
En ieder die Hem gelooft, ontvangt eeuwig leven.
“Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven…”
— Johannes 3:36
Slot
Genesis 1 geeft de eerste bouwtekening van hemel en aarde.
God spreekt over hemel, aarde, wateren, uitspansel, wateren boven, wateren beneden, lichten in het uitspansel, zon, maan, sterren en het heir des hemels.
Niet omdat wij alle technische details al kunnen verklaren, maar omdat God Zelf hier de woorden geeft waarmee de rest van de Schrift verdergaat.
Wie de Bijbelse kosmologie wil begrijpen, moet daarom hier beginnen:
“In den beginne schiep God den hemel en de aarde.”
— Genesis 1:1