Wat is het uitspansel volgens de Bijbel?

De Bijbel noemt het uitspansel hemel. Niet leegte, niet slechts lucht, maar een door God gemaakte scheiding.

Wat is het uitspansel?

De Bijbel noemt het uitspansel hemel. Niet leegte, niet slechts lucht, maar een door God gemaakte scheiding.

Genesis zegt dat God het uitspansel maakte en het hemel noemde. Dit artikel laat zien dat het uitspansel niet simpelweg gelijkgesteld kan worden aan lucht of lege ruimte, maar een werkelijke scheppingsstructuur is tussen wateren beneden en wateren boven.

Wat is het uitspansel volgens de Bijbel?

De Bijbel laat zien dat zekerheid niet rust op een zondeloze wandel, maar op Christus’ volmaakte betaling en belofte.

Als Genesis 1 de bouwtekening van hemel en aarde geeft, dan is het uitspansel één van de belangrijkste onderdelen van die bouwtekening.


Zonder het uitspansel kun je de Bijbelse kosmologie niet goed begrijpen.


Want volgens Genesis 1 scheidt het uitspansel wateren van wateren. God noemt het uitspansel hemel. Zon, maan en sterren worden in het uitspansel gesteld. Vogels vliegen boven de aarde in het aangezicht van het uitspansel. De Psalmen zeggen dat het uitspansel Gods handenwerk verkondigt. Job zegt dat de hemelen vast zijn als een gegoten spiegel. Ezechiël ziet een kristalachtig uitspansel met de troon daarboven. En Openbaring spreekt over een glazen zee als kristal voor Gods troon.


Dat zijn geen losse toevallige teksten.


Daarom moeten wij de vraag ernstig stellen:


Wat is het uitspansel volgens de Bijbel?


Niet volgens moderne aannames.


Niet volgens traditie.


Niet volgens wat wij al denken te weten.


Maar volgens de Schrift zelf.



Het uitspansel wordt door God gemaakt


De eerste tekst over het uitspansel staat in Genesis 1:

“En God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren; en dat make scheiding tussen wateren en wateren.”
— Genesis 1:6

Dit is de eerste keer dat de Bijbel over het uitspansel spreekt.


Het Hebreeuwse woord voor “uitspansel” is רָקִיעַ — rāqîaʿ. Dat woord hangt samen met het idee van uitspreiden, uitrekken of uitkloppen. Het is dus geen leeg, vaag woord voor “niets” of “ruimte” in moderne zin. Het gaat om iets wat door God wordt gemaakt en uitgespannen.


Dat past precies bij wat Genesis zelf zegt.


God zegt dat er een uitspansel moet zijn.


Waar?


“in het midden der wateren”


Ook dat is belangrijk. In de grondtekst staat hier de gedachte van בְּתוֹךְ — bə-tôk: te midden van, binnenin, in het midden van. Het uitspansel wordt dus niet vaag genoemd als een open luchtlaag ergens boven de aarde, maar als een door God gemaakte scheiding te midden van de wateren.


Met welke functie?


“dat make scheiding tussen wateren en wateren”


Het werkwoord achter “scheiding maken” is בָּדַל — bādal. Dat betekent afscheiden, onderscheiden, apart zetten. God brengt in Genesis orde aan door werkelijk te scheiden: licht van duisternis, wateren boven van wateren beneden, zee van droge aarde, dag van nacht.


Dat is eenvoudig en krachtig.


Er zijn wateren. God maakt een uitspansel in het midden van die wateren. Het uitspansel scheidt wateren van wateren.



Vers 7 maakt het nog duidelijker:

“En God maakte dat uitspansel, en maakte scheiding tussen de wateren, die onder het uitspansel zijn, en tussen de wateren, die boven het uitspansel zijn; en het was alzo.”
— Genesis 1:7

Hier legt de Schrift zichzelf uit.


Er zijn:


  • wateren onder het uitspansel;
  • wateren boven het uitspansel;
  • het uitspansel als scheiding daartussen.


Dat is de basis.


De tekst zegt niet dat het uitspansel een vaag beeld is.


De tekst zegt niet dat de wateren boven slechts een dichterlijke gedachte zijn.


De tekst zegt:


“En God maakte dat uitspansel…”


En:


“het was alzo.”


Dat moet eerst blijven staan.



God noemt het uitspansel hemel


Daarna zegt Genesis:

“En God noemde het uitspansel hemel. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de tweede dag.”
— Genesis 1:8

Dit is beslissend.


God Zelf geeft het uitspansel een naam:


hemel.


In het Hebreeuws wordt het rāqîaʿ door God שָׁמַיִם — šāmayim genoemd: hemel. Dat is belangrijk. De hemel van Genesis 1 is dus niet eerst een modern begrip van lege ruimte. God noemt het door Hem gemaakte uitspansel hemel.


Dat betekent dat wij bij latere Bijbelteksten over “hemel” en “hemelen” Genesis 1 moeten meenemen.


Natuurlijk gebruikt de Bijbel het woord hemel soms in verschillende lagen of toepassingen. Er is de hemel waar vogels vliegen, de hemel waar de lichten zijn, en de hemel der hemelen waar Gods troon is. Maar Genesis 1 legt de basis: het uitspansel wordt door God hemel genoemd.


Dat is geen detail.


Het uitspansel is dus niet iets onbelangrijks dat wij kunnen overslaan. Het is zo fundamenteel dat God het Zelf “hemel” noemt.



Het uitspansel is niet simpelweg lucht


Vaak wordt gezegd dat het uitspansel gewoon de lucht of atmosfeer is.


Maar Genesis 1 maakt dat moeilijk.


Want op de vierde dag zegt God:

“En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels, om scheiding te maken tussen den dag en tussen den nacht; en dat zij zijn tot tekenen, en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren.”
— Genesis 1:14

En:

“En dat zij zijn tot lichten in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde; en het was alzo.”
— Genesis 1:15

En:

“En God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde.”
— Genesis 1:17

Zon, maan en sterren worden dus in het uitspansel des hemels gesteld.


Dat betekent dat het uitspansel niet simpelweg de luchtlaag kan zijn waarin vogels vliegen en wolken drijven. Want Genesis plaatst ook de hemelse lichten in dat uitspansel.



Daarna zegt Genesis 1 over de vogels:

“Dat het gevogelte vliege boven de aarde, in het aangezicht des uitspansels des hemels.”
— Genesis 1:20

Let op het verschil.


De lichten worden in het uitspansel gesteld.


De vogels vliegen boven de aarde, in het aangezicht van het uitspansel.


Ook de uitdrukking “in het aangezicht” is sterk. In de grondtekst ligt hier de gedachte van עַל־פְּנֵי — ʿal-pənê: voor het aangezicht van, tegenover, aan de voorzijde van. De vogels worden dus niet boven het uitspansel geplaatst. Zij vliegen boven de aarde, vóór het aangezicht van het uitspansel.


Dat is precies geformuleerd.


Vogels vliegen niet boven het uitspansel. Zij vliegen ook niet alsof zij het hele uitspansel vullen. Zij vliegen boven de aarde, voor het aangezicht van het uitspansel.


De vogels zijn dus beneden, in relatie tot het uitspansel boven hen.


Zon, maan en sterren zijn in het uitspansel.


En boven het uitspansel zijn wateren.


Dat is de structuur die Genesis geeft.



Het uitspansel verkondigt Gods handenwerk


Psalm 19 zegt:

“De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.”
— Psalm 19:2

Dit is belangrijk.


Het uitspansel verkondigt iets.


Het is niet niets.


Het is niet zomaar een lege ruimte waarin toevallig objecten hangen.


Het is Gods handenwerk en het verkondigt Zijn eer.


De parallel is helder:


“De hemelen vertellen Gods eer”


“het uitspansel verkondigt Zijner handen werk”


De hemelen en het uitspansel worden samen genoemd. Het uitspansel is zichtbaar genoeg om te verkondigen. Het is Gods werk, Gods schepping, Gods getuigenis.



Psalm 19 gaat daarna verder over de zon:

“Hij heeft in dezelve een tent gesteld voor de zon.”
— Psalm 19:5

En:

“Dewelke is als een bruidegom, uitgaande uit zijn slaapkamer; zij is vrolijk als een held, om het pad te lopen.”
— Psalm 19:6

De zon heeft haar plaats en haar loop in de hemelen. Dat past bij Genesis 1, waar de zon als licht in het uitspansel wordt gesteld.


Het uitspansel is dus niet los te maken van de hemellichten. Het is het gebied/de structuur waarin God de lichten stelt en waardoor Zijn eer verkondigd wordt.



De wateren boven de hemelen bevestigen Genesis


Genesis 1 zegt dat er wateren boven het uitspansel zijn.

“de wateren, die boven het uitspansel zijn”
— Genesis 1:7

Psalm 148 zegt later:

“Looft Hem, gij hemelen der hemelen, en gij wateren, die boven de hemelen zijt.”
— Psalm 148:4

Dit is een zeer sterke verbinding.


Genesis zegt: wateren boven het uitspansel.


Psalm 148 zegt: wateren boven de hemelen.


Dat past precies, omdat God het uitspansel hemel noemde.


De wateren boven zijn dus geen vergeten detail. De Schrift noemt ze opnieuw.



Psalm 148 zegt zelfs dat die wateren de HEERE moeten loven. In datzelfde gedeelte worden ook zon, maan en sterren genoemd:

“Looft Hem, zon en maan; looft Hem, alle gij lichtende sterren!”
— Psalm 148:3

Daarna:

“Looft Hem, gij hemelen der hemelen, en gij wateren, die boven de hemelen zijt.”
— Psalm 148:4

De volgorde is veelzeggend:


  • zon;
  • maan;
  • lichtende sterren;
  • hemelen der hemelen;
  • wateren boven de hemelen.


Psalm 148 bevestigt dus de grote verticale scheppingsorde die Genesis 1 opent.



De hemel wordt uitgespannen als een gordijn, doek en tent


Het woord “uitspansel” hoort bij het idee van uitspreiden, uitrekken, uitspannen.


Die taal keert overal in de Schrift terug.


Psalm 104 zegt:

“Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt den hemel uit als een gordijn.”
— Psalm 104:2

Jesaja zegt:

“Hij is het, Die daar zit boven den kloot der aarde, en derzelver inwoners zijn als sprinkhanen; Die de hemelen uitbreidt als een dunnen doek, en breidt ze uit als een tent om te bewonen.”
— Jesaja 40:22

En:

“Alzo zegt God, de HEERE, Die de hemelen geschapen en dezelve uitgebreid heeft; Die de aarde uitgespannen heeft en wat daaruit voortkomt…”
— Jesaja 42:5

Ook:

“Ik ben de HEERE, Die alles doet, Die den hemel uitbreidt, Ik alleen, en Die de aarde uitspant door Mijzelven.”
— Jesaja 44:24

En:

“Die de hemelen uitbreidt, Hij alleen, en treedt op de hoogten der zee.”
— Job 9:8

Deze teksten gebruiken steeds dezelfde soort taal:


  • hemel uitrekken;
  • hemel uitbreiden;
  • hemel als gordijn;
  • hemel als doek;
  • hemel als tent;
  • aarde uitspannen.


Dat is geen taal van lege, eindeloze ruimte.


Het is taal van een door God uitgespannen hemel boven de aarde.


Jesaja 40:22 is bijzonder krachtig. God zit boven de kloot/cirkel der aarde, en Hij breidt de hemelen uit als een tent om te bewonen. Een tent is een bedekking boven een woongebied. Dat past zeer goed bij de Bijbelse hoofdstructuur: aarde beneden, hemel uitgespannen boven haar.



De hemelen zijn vast als een gegoten spiegel


Nu komen we bij Job 37:18.

“Hebt gij met Hem de hemelen uitgespannen, die vast zijn als een gegoten spiegel?”
— Job 37:18

Dit is één van de zwaarste teksten over de aard van de hemelen.


Let op de drie elementen:


  • de hemelen zijn uitgespannen;
  • zij zijn vast;
  • zij zijn als een gegoten spiegel.


Dat is zeer concrete taal.


Een gegoten spiegel in de oudheid was geen moderne glazen badkamerspiegel. Het was eerder een gepolijst, hard, glanzend metalen oppervlak. Het beeld wijst dus op hardheid, stevigheid, glans en spiegelende helderheid.


Job 37:18 geeft geen moderne technische doorsnedetekening van de hemel, maar de taal is buitengewoon concreet.


De hemelen zijn uitgespannen.


Zij zijn vast.


Zij zijn als een gegoten spiegel.


Een gegoten spiegel in de oudheid was geen moderne glazen badkamerspiegel. Het was eerder een gepolijst, hard, glanzend metalen oppervlak. Het beeld wijst dus op hardheid, stevigheid, glans en spiegelende helderheid.


Deze tekst past niet bij het idee van een leeg vacuüm.


Maar hij past bijzonder goed bij het Bijbelse uitspansel als een werkelijke hemelse scheiding/structuur.


Deze tekst past niet vanzelf bij het idee van een leeg vacuüm.


Maar hij past bijzonder goed bij het Bijbelse uitspansel als een werkelijke hemelse scheiding/structuur.


Genesis zegt dat God een uitspansel maakte dat wateren scheidt.

Psalm 148 spreekt over wateren boven de hemelen.


Job 37 spreekt over de hemelen die uitgespannen en vast zijn als een gegoten spiegel.


Dat zijn geen tegenstrijdige beelden. Zij versterken elkaar.


Het uitspansel is niet slechts lucht. Het is ook niet niets. Het is een door God gemaakte, uitgespannen, vaste hemelse werkelijkheid.



Ezechiël ziet een kristalachtig uitspansel


Ezechiël 1 geeft een indrukwekkend visioen van Gods heerlijkheid.


Daar lezen we:

“En over de hoofden der dieren was de gelijkenis eens uitspansels, gelijk de kleur van het schrikkelijk kristal, van boven over hun hoofden uitgespreid.”
— Ezechiël 1:22

Dit is zeer belangrijk.


Ezechiël ziet:


  • een uitspansel;
  • boven de hoofden van de levende wezens;
  • uitgespreid;
  • gelijk de kleur van schrikkelijk kristal.


Dat sluit zeer nauw aan bij Genesis en Job.


Genesis spreekt over het uitspansel.


Job spreekt over hemelen die vast zijn als een gegoten spiegel.


Ezechiël ziet een uitspansel als kristal.



Daarna zegt Ezechiël:

“En boven het uitspansel, dat boven hun hoofd was, was de gelijkenis eens troons, als de gedaante van een saffiersteen; en op de gelijkenis des troons was de gelijkenis als de gedaante eens mensen daarboven op.”
— Ezechiël 1:26

Let op de structuur:


  • levende wezens beneden;
  • uitspansel boven hun hoofden;
  • troon boven het uitspansel;
  • heerlijkheid van de HEERE daarboven.


Ezechiël ziet dus van beneden naar boven.


Hij ziet boven de levende wezens een kristalachtig uitspansel. En boven dat uitspansel ziet hij de troon.


Dat is exact de soort verticale structuur die Genesis 1 opent: beneden en boven, uitspansel als scheiding, hemel boven.


Ezechiël bevestigt niet elk technisch detail dat wij zouden willen weten. Maar hij toont wel dat het uitspansel een hemelse, kristalachtige, uitgespreide werkelijkheid is, met Gods troon erboven.



Exodus 24: onder Gods voeten als saffier en hemel in klaarheid


Ook Exodus 24 hoort hierbij.


Toen Mozes, Aäron, Nadab, Abihu en zeventig oudsten van Israël opklommen, lezen we:

“En zij zagen den God van Israël, en onder Zijn voeten als een werk van saffierstenen, en als de gestaltenis des hemels in zijn klaarheid.”
— Exodus 24:10

Onder Gods voeten is iets als:


  • saffiersteen;
  • de klaarheid van de hemel.


Dit sluit opvallend aan bij Ezechiël 1:26, waar de troon verschijnt als saffiersteen, en bij Ezechiël 1:22, waar het uitspansel kristalachtig is.


Wij moeten hier niet te snel overheen lezen.


De Schrift gebruikt rondom Gods troon en de hemelse werkelijkheid taal van:


  • saffier;
  • kristal;
  • klaarheid;
  • uitspansel;
  • spiegel;
  • glans;
  • vastheid.


Dat vormt een patroon.



Johannes ziet de troonzaal en een glazen zee als kristal


In Openbaring 4 ziet Johannes een deur geopend in de hemel:

“Na dezen zag ik, en ziet, een deur was geopend in den hemel…”
— Openbaring 4:1

Daarna ziet hij de troon:

“En terstond werd ik in den geest; en ziet, er was een troon gezet in den hemel, en er zat Een op den troon.”
— Openbaring 4:2

En dan:

“En voor den troon was een glazen zee, kristal gelijk.”
— Openbaring 4:6

Hier verschijnt opnieuw die taal:


  • troon;
  • hemel;
  • glazen zee;
  • kristal.


Dit moet je naast Ezechiël leggen.


Ezechiël ziet vanaf beneden naar boven: een kristalachtig uitspansel, en boven het uitspansel de troon.


Johannes ziet in Openbaring de hemelse troonzaal: vóór de troon is een glazen zee, kristal gelijk.


Het is daarom heel goed mogelijk dat Ezechiël en Johannes dezelfde hemelse werkelijkheid vanuit verschillende gezichtspunten tonen.


Ezechiël ziet als het ware de onderzijde of benedenwaartse aanblik: het uitspansel boven de levende wezens, kristalachtig, met de troon erboven.


Johannes ziet de troonzijde: vóór de troon een glazen zee als kristal.


De Bijbel geeft ons hier geen moderne technische doorsnedetekening, maar de Schriftgegevens passen opvallend goed bij elkaar.


  • Genesis 1: uitspansel scheidt wateren;
  • Psalm 148: wateren boven de hemelen;
  • Job 37: hemelen vast als gegoten spiegel;
  • Exodus 24: onder Gods voeten als saffier, als hemel in klaarheid;
  • Ezechiël 1: kristalachtig uitspansel met troon erboven;
  • Openbaring 4: glazen zee als kristal voor de troon.


Dat is een sterke Schrift-met-Schrift lijn.


De glazen zee wordt later apart uitgewerkt. Maar hier is zij al belangrijk als bevestiging dat de hemelse werkelijkheid rondom Gods troon wordt beschreven met glas, kristal, helderheid en zee.



Het uitspansel is een scheiding en een grens


Genesis 1 leert dat het uitspansel scheiding maakt.

“dat make scheiding tussen wateren en wateren”
— Genesis 1:6

Dat is de eerste functie.


Zoals gezegd gebruikt Genesis hier de gedachte van bādal: afscheiden, onderscheiden, apart zetten. Een scheiding is niet niets. Een scheiding heeft betekenis. Zij stelt orde. Zij markeert een grens.


God brengt in Genesis 1 orde aan:


  • licht gescheiden van duisternis;
  • wateren boven gescheiden van wateren beneden;
  • zee gescheiden van droge aarde;
  • dag gescheiden van nacht.


Het uitspansel hoort bij die goddelijke ordening.


Daarom is het niet vreemd dat later de hemel wordt beschreven als een grens tussen beneden en boven, tussen aarde en troonhemel, tussen de woonplaats van mensen en de hemelse heerlijkheid.


In Ezechiël is het uitspansel onder de troon.


In Openbaring is er een glazen zee voor de troon.


In Genesis is er water boven het uitspansel.


De Schrift spreekt niet alsof hemel en aarde door een leeg niets van elkaar gescheiden zijn. Zij spreekt over een door God gemaakte hemelse orde.



Het uitspansel is verbonden met Gods troon


Jesaja zegt:

“De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank Mijner voeten…”
— Jesaja 66:1

Stefanus haalt dit aan in Handelingen:

“De hemel is Mij een troon, en de aarde een voetbank Mijner voeten.”
— Handelingen 7:49

Dat past bij de verticale structuur:


  • hemel boven als troon;
  • aarde beneden als voetbank.


Ezechiël ziet de troon boven het uitspansel.


Openbaring ziet de troon in de hemel met een glazen zee ervoor.



Psalm 11 zegt:

“De HEERE is in het paleis Zijner heiligheid; des HEEREN troon is in den hemel…”
— Psalm 11:4

Psalm 103 zegt:

“De HEERE heeft Zijn troon in de hemelen bevestigd, en Zijn Koninkrijk heerst over alles.”
— Psalm 103:19

De hemel is dus niet slechts een fysiek onderwerp. Het is de plaats van Gods troon, Gods regering, Gods majesteit.


Daarom moet een studie over het uitspansel altijd eerbiedig blijven. Wij onderzoeken niet zomaar een object. Wij lezen over de hemelse orde die God heeft gemaakt, en die verbonden is met Zijn troon en heerlijkheid.



Het uitspansel is geen god


Dit moet ook duidelijk zijn.


De Bijbel verheerlijkt het uitspansel niet als goddelijk.


Het uitspansel is geschapen.

“En God maakte dat uitspansel…”
— Genesis 1:7

Het is Gods werk.

“Het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.”
— Psalm 19:2

Daarom mag het uitspansel nooit zelf worden aanbeden.


Dat geldt ook voor zon, maan en sterren.



Mozes waarschuwt:

“Dat gij ook uw ogen niet opheft naar den hemel, en aanziet de zon, en de maan, en de sterren, het ganse heir des hemels, en wordt aangedreven, dat gij u voor die buigt en hen dient…”
— Deuteronomium 4:19

De schepping is groot, maar God is groter.


De hemelen zijn heerlijk, maar zij zijn niet de Schepper.


Het uitspansel verkondigt Gods eer, maar het ontvangt die eer niet.



De Bijbelse houding is dus niet aanbidding van de hemel, maar aanbidding van Hem Die de hemel maakte.

“Mijn hulp is van den HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft.”
— Psalm 121:2


Wat leert de Bijbel dus over het uitspansel?


Wanneer wij de teksten samenleggen, ontstaat een helder beeld.


Het uitspansel is volgens de Bijbel:


  1. door God gemaakt;
  2. in de grondtekst rāqîaʿ: iets wat uitgespannen of uitgespreid is;
  3. geplaatst in het midden der wateren;
  4. een scheiding tussen wateren onder en wateren boven;
  5. door God “hemel” genoemd;
  6. de plaats waarin zon, maan en sterren als lichten gesteld zijn;
  7. zichtbaar boven de aarde, voor het aangezicht waarvan vogels vliegen;
  8. Gods handenwerk dat Zijn eer verkondigt;
  9. verbonden met wateren boven de hemelen;
  10. onderdeel van de uitgespannen hemel als gordijn, doek en tent;
  11. beschreven als vast als een gegoten spiegel;
  12. in Ezechiël gezien als kristalachtig;
  13. verbonden met Gods troon daarboven;
  14. in Openbaring gezien in verbinding met Gods troon als een glazen zee, kristal gelijk.


Dat is geen leeg begrip.


Dat is een rijke Bijbelse werkelijkheid.



Waarom dit moeilijk wordt bij een modern wereldbeeld


Als iemand begint met het moderne ruimtebeeld, wordt het uitspansel al snel een probleemtekst.


Dan worden Genesis 1, Psalm 148, Job 37, Ezechiël 1 en Openbaring 4 vaak los van elkaar behandeld: de ene tekst wordt atmosfeer, de andere poëzie, de volgende symboliek, en de laatste alleen visioen.


Maar juist de samenhang is het punt. De Schrift gebruikt telkens dezelfde lijnen: uitspansel, wateren boven, uitgespannen hemel, vastheid, spiegel, kristal, troon en glazen zee.


Daarom moet niet het moderne model beslissen welke teksten nog mogen blijven staan. De Schrift moet eerst zelf spreken.


Als Genesis spreekt over een uitspansel dat wateren van wateren scheidt, als God dat uitspansel hemel noemt, als zon, maan en sterren daarin gesteld worden, als Psalm 148 spreekt over wateren boven de hemelen, en als Job spreekt over hemelen die vast zijn als een gegoten spiegel, dan mogen wij dat niet reduceren tot “lege ruimte” of “alleen atmosfeer”.


Dan wordt de Schrift niet uitgelegd, maar aangepast.


Dan buigt niet het model voor de Schrift, maar de Schrift voor het model.


Dat mag een gelovige niet doen.



Christus en het uitspansel


Het uitspansel is geschapen. En alles wat geschapen is, is door Christus geschapen.

“Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is.”
— Johannes 1:3

Daarom verkondigt het uitspansel niet zijn eigen eer, maar de eer van Hem Die het gemaakt heeft.


De hemel die Gods eer vertelt, wijst uiteindelijk naar Christus, door Wie alle dingen zijn geschapen.


En diezelfde Schepper is de Redder. Daarom eindigt dit onderwerp niet bij het uitspansel zelf, maar bij Hem Die hemel en aarde maakte en zondaren tot God brengt.



Slot


Het uitspansel is geen bijzaak.


God maakte het.


God noemde het hemel.


God stelde de lichten erin.


God verbond het met wateren boven.


God liet het Zijn handenwerk verkondigen.


De grondtekst onderstreept dat het niet gaat om een vaag niets of om lege ruimte: rāqîaʿ wijst op iets uitgespannens, bādal op een werkelijke scheiding, en Genesis noemt het uitspansel zelf šāmayim, hemel.


Job, Ezechiël en Openbaring voegen daar taal aan toe van vastheid, spiegel, kristal, troon en glazen zee.


Daarom moeten wij het uitspansel niet wegduwen als een oud woord dat de moderne mens inmiddels heeft verbeterd.


Wij moeten luisteren.

“De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.”
— Psalm 19:2

Lees over de strijd met het vlees Veelgestelde vragen