De koninklijke bruiloft

Wie zijn geroepen en uitverkoren?

De koninklijke bruiloft

Wie zijn geroepen en uitverkoren?

Mattheüs 22 beschrijft Gods Evangelieroeping. Israël werd eerst genodigd, maar zijn ongelovige leiders wilden niet tot Christus komen. Daarna ging de uitnodiging wereldwijd naar buiten. De man zonder bruiloftskleed mist Gods gerechtigheid en wordt definitief buitengesloten. God roept door het Evangelie; wie gelooft, wordt in Christus gevonden en deelt in de uitverkoren positie die God in Hem heeft vastgesteld.

De koninklijke bruiloft van Mattheüs 22 uitgelegd

Israël was eerst genodigd; zijn ongelovige leiders verwierpen de Koning, en alleen Gods gerechtigheid geeft toegang tot het Koninkrijksheil

Mattheüs 22 beschrijft Gods werkelijke Evangelieroeping. Israël werd als eerste genodigd, maar zijn ongelovige leiders wilden niet tot Christus komen. Na hun verwerping ging de uitnodiging breed naar buiten. De man zonder bruiloftskleed stelt een uiterlijk geroepen maar ongered mens voor: hij mist Gods gerechtigheid, verstomt voor de Koning en wordt definitief buitengesloten. „Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren” betekent niet dat God slechts enkelen werkelijk roept. God roept door het Evangelie; wie gelooft, wordt in Christus gevonden en deelt in de uitverkoren positie die God in Hem heeft vastgesteld.


Mattheüs 22:1–14 behoort tot de bekendste gelijkenissen van Jezus. Een koning bereidt zijn zoon een bruiloft. De oorspronkelijke genodigden willen niet komen. Sommigen negeren de uitnodiging; anderen mishandelen en doden de dienstknechten. Daarna worden mensen van de wegen geroepen en wordt de bruiloft vervuld met gasten. Eén man draagt echter geen bruiloftskleed. Hij verstomt voor de koning, wordt aan handen en voeten gebonden en in de buitenste duisternis geworpen.



Daarna volgt de beroemde uitspraak:

„Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.”

— Mattheüs 22:14

Deze woorden worden vaak losgemaakt van de gelijkenis en gebruikt alsof zij zelfstandig een leer van onweerstaanbare roeping en voorafgaande individuele selectie bewijzen. Maar Jezus heeft de woorden niet los uitgesproken. „Want” verbindt vers 14 met alles wat eraan voorafging.


Wie zijn de geroepenen? Waarom waren de eerste genodigden het niet waardig? Wat stelt het bruiloftskleed voor? Waarom verstomt de man? En waarom betekent de buitenste duisternis hier eeuwige uitsluiting, terwijl dezelfde uitdrukking in Mattheüs 25 bij een dienstknecht staat?


De antwoorden liggen in de directe context en in de som van Gods Woord.



De gelijkenis begint inhoudelijk al in Mattheüs 21


Mattheüs 22 mag niet als een losstaand verhaal worden gelezen. De directe lijn begint reeds bij Christus’ intocht in Jeruzalem. De scharen roepen Hem woorden uit Psalm 118 toe:

„Hosanna den Zone Davids! Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren!”

— Mattheüs 21:9

Daarna betreedt Hij de tempel, zuivert Gods huis, geneest blinden en kreupelen en ontvangt opnieuw de lof „Hosanna den Zone Davids”. De overpriesters en Schriftgeleerden nemen dat echter zeer kwalijk. Vervolgens vindt Christus aan de vijgenboom uitsluitend bladeren en geen enkele vrucht en zegt: „Uit u worde geen vrucht meer in der eeuwigheid!” Daarmee staan de grote thema’s al vóór de gelijkenissen vast: de Koning komt, Hij inspecteert, Hij zoekt vrucht en de officiële leiders verzetten zich tegen Zijn gezag.


De aanspreekgroep is hier een onmisbare uitlegsleutel. Een nieuw vers, een nieuwe gelijkenis of zelfs de hoofdstukgrens tussen Mattheüs 21 en 22 begint niet automatisch een nieuw gehoor. Vanaf Mattheüs 21:23 antwoordt Christus de overpriesters en ouderlingen. Hij laat hen oordelen, zegt tot hen „Hoort een andere gelijkenis”, en vers 45 bevestigt dat de overpriesters en Farizeeën begrepen dat Hij over hen sprak. Mattheüs 22:1 vervolgt vervolgens dat Jezus „tot hen wederom” sprak.


De vruchteloze boom kan daarom niet eenvoudig met Israël als volk worden vereenzelvigd. Israël had werkelijk vrucht gedragen: de gelovigen van Hebreeën 11, de profeten, Johannes de Doper en de eerste discipelen en apostelen kwamen uit Israël. Bovendien voorzegt Jesaja 27:6 toekomstige vrucht en belooft Romeinen 11 de herinplanting van de natuurlijke takken. „Geen vrucht meer in der eeuwigheid” kan dus niet betekenen dat God nooit meer door Israël zal werken.


De leiders passen veel nauwkeuriger in het beeld. Johannes had reeds specifiek tot de Farizeeën en Sadduceeën gezegd: „Brengt dan vruchten voort, der bekering waardig”, gevolgd door de waarschuwing over de boom zonder goede vrucht (Mattheüs 3:7–10). Markus plaatst de vervloeking van de vijgenboom tussen Christus’ inspectie en reiniging van de tempel, terwijl de leiders zoeken Hem te doden (Markus 11:11–21). De sterkste contextuele conclusie is daarom dat de vijgenboom primair de toenmalige Christus-verwerpende tempel- en leidersorde binnen Israël afbeeldt. Zij bezat de bladeren van godsdienstige belijdenis, Schriftkennis en ambtelijk gezag, maar bracht niet de vrucht voort die God zocht: geloof in Zijn boodschapper en in Zijn Zoon. Over die orde is het oordeel definitief; Gods toekomstige werk door een gelovig Israël blijft volledig staan.


Wanneer Jezus opnieuw in de tempel leert, vragen de overpriesters en ouderlingen Hem: „Door wat macht doet Gij deze dingen?” Christus antwoordt met een vraag over de doop van Johannes. Hun overleg openbaart dat zij niet eerlijk naar de waarheid zoeken. Als zij erkennen dat Johannes uit de hemel gezonden was, moeten zij verklaren waarom zij hem niet geloofden; als zij hem verwerpen, vrezen zij de schare. Daarom verschuilen zij zich achter: „Wij weten het niet” (Mattheüs 21:23–27).


Vervolgens vertelt Jezus achtereenvolgens de gelijkenis van de twee zonen, de boze landlieden en de koninklijke bruiloft.


De gelijkenis van de twee zonen begint met de vraag: „Maar wat dunkt u?” Jezus laat de leiders zelf oordelen welke zoon de wil van de vader deed. Zij geven het juiste antwoord, maar weigeren dat juiste oordeel op zichzelf toe te passen. Daarna maakt Jezus het beslissende onderscheid zichtbaar. Tollenaars en hoeren geloofden de boodschap van Johannes de Doper; de religieuze leiders geloofden niet:

„Want Johannes is tot u gekomen in den weg der gerechtigheid, en gij hebt hem niet geloofd; maar de tollenaars en de hoeren hebben hem geloofd; doch gij, zulks ziende, hebt daarna geen berouw gehad, om hem te geloven.”

— Mattheüs 21:32

Het verschil is niet dat de tollenaars en hoeren door hun slechte leven geschikt waren en de religieuze leiders door hun goede leven ongeschikt. Het verschil is geloof tegenover ongeloof. De openlijke zondaren geloofden; de godsdienstige leiders wilden niet geloven.



Daarna vertelt Jezus over de boze landlieden. De heer van de wijngaard zendt zijn dienstknechten, maar zij worden geslagen, gestenigd en gedood. Ten laatste zendt hij zijn zoon. De landlieden zeggen:

„Deze is de Erfgenaam; komt, laat ons hem doden, en zijn erfenis aan ons behouden.”

— Mattheüs 21:38

Zij werpen de zoon buiten de wijngaard en doden hem. Jezus kondigt daarop aan:

„Daarom zeg Ik ulieden, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden, en een volk gegeven, dat zijn vruchten voortbrengt.”

— Mattheüs 21:43

Jesaja 5 identificeert de wijngaard uitdrukkelijk als „het huis van Israël”. De landlieden zijn echter niet zonder onderscheid iedere Israëliet. Zij zijn de verantwoordelijke beheerders binnen Israël. Vers 45 bevestigt dat de overpriesters en Farizeeën begrepen dat Jezus over hen sprak.


Het „u” van vers 43 treft daarom primair deze ongelovige leiders. Hun Koninkrijksbeheer en voorrangspositie worden afgenomen. Het vers zegt niet dat God al Zijn verbonden en toekomstige beloften aan Israël uitwist. Romeinen 11 zegt uitdrukkelijk: „Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre.” Israëls verharding is gedeeltelijk en tijdelijk; de natuurlijke takken zullen opnieuw worden ingeënt.


Evenmin betekent „een volk” eenvoudig „de heidenen”. De scherpste Schriftverklaring staat in 1 Petrus 2. Daar wordt Christus opnieuw voorgesteld als de door de bouwlieden verworpen Steen. Degenen die in Hem geloven, komen tot Hem als levende stenen en worden vervolgens „een heilig volk” en „een verkregen volk” genoemd (1 Petrus 2:4–10). Het vruchtbare volk wordt dus bepaald door zijn verbinding met Christus en door geloof, niet door een nieuwe etnische afkomst.


De andere beheerders beginnen historisch bij de gelovige Joodse apostelen en het gelovige overblijfsel. Christus gaf Petrus de sleutelen van het Koninkrijk en beloofde de twaalf een toekomstige verantwoordelijkheid over de twaalf stammen Israëls (Mattheüs 16:19; 19:28). Daarna worden ook gelovigen uit de heidenen in het ene lichaam gebracht. Dit is geen heidense vervanging van Israël, maar een gelovig volk rondom de verworpen en door God verhoogde Hoeksteen.


Ook Psalm 118 verbindt het geheel. Bij de intocht klinkt: „Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren.” Tegen de leiders zegt Jezus daarna uit dezelfde Psalm:

„De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks…”

— Mattheüs 21:42

De Koning Die volgens Psalm 118 komt, is tegelijk de Steen Die de bouwlieden van dezelfde Psalm verwerpen. Handelingen 4:8–12 past dat later rechtstreeks toe: de Steen is Jezus Christus en de bouwlieden zijn de oversten die Hem kruisigden.



De hoorders begrijpen dat Jezus hen bedoelt:

„En als de overpriesters en Farizeën deze Zijn gelijkenissen hoorden, verstonden zij, dat Hij van hen sprak.”

— Mattheüs 21:45

Daarna begint Mattheüs 22:

„En Jezus, antwoordende, sprak tot hen wederom door gelijkenissen…”

— Mattheüs 22:1

„Hen” zijn primair diezelfde ongelovige religieuze leiders. „Wederom” verbindt de koninklijke bruiloft met de voorgaande gelijkenissen. Het onderwerp loopt door: God zendt Zijn boodschappers; de verantwoordelijke leiders binnen het bevoorrechte Israël verwerpen hen; de Zoon wordt verworpen; oordeel volgt; en Gods roeping en getuigenis gaan naar anderen.


Dit directe gehoor verschilt wezenlijk van Mattheüs 24–25. Daar zit Jezus afzonderlijk met Zijn discipelen en onderwijst Hij hen over Zijn komst. Hier spreekt Hij primair tot leiders die Zijn gezag bestrijden en beseffen dat Zijn gelijkenissen tegen hen gericht zijn.



De koning en zijn zoon


Jezus zegt:

„Het Koninkrijk der hemelen is gelijk een zeker koning, die zijn zoon een bruiloft bereid had.”

— Mattheüs 22:2

De koning stelt God voor en de zoon Jezus Christus. Omdat het beeld een koning en zijn zoon onderscheidt, ligt God de Vader als primaire identificatie van de koning voor de hand. De koning vertegenwoordigt tegelijk Gods hoogste gezag over de bruiloft, de uitnodiging en het oordeel. Dat de Schrift elders zegt dat de Vader het oordeel aan de Zoon heeft gegeven, vormt geen tegenspraak. God oefent Zijn oordeel door de Zoon uit; een gelijkenis is geen technisch schema waarin iedere handeling van iedere Goddelijke Persoon afzonderlijk wordt uitgewerkt.


Een eerste belangrijk punt is wat er niet staat. De koning zoekt in deze gelijkenis geen bruid. De bruid wordt zelfs nergens genoemd. De koning heeft zijn zoon een bruiloft bereid en roept gasten.


De genodigden zijn daarom niet kandidaat-bruiden. De gelijkenis leert niet dat God eerst uit Israël een bruid wilde vormen en na Israëls weigering een heidense bruid koos. De Gemeente als vrouw van Christus wordt uit andere Schriftgedeelten vastgesteld, waaronder Efeze 5:25–32, 2 Korinthe 11:2 en Openbaring 19:7–8. Mattheüs 22 belicht een ander gezichtspunt: Gods uitnodiging tot het Koninkrijksheil van Zijn Zoon.



Israël was reeds genodigd


De koning:

„…zond zijn dienstknechten uit om de genoden ter bruiloft te roepen; en zij wilden niet komen.”

— Mattheüs 22:3

De mensen worden niet voor het eerst willekeurig op straat aangesproken. Zij zijn reeds „genoden”. Zij bezitten een bestaande verhouding tot de aangekondigde bruiloft.



Dat past precies bij Israëls bijzondere nationale positie. God had Israël uit de volken afgezonderd en gezegd:

„Zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken… En gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk en een heilig volk zijn.”

— Exodus 19:5–6

Israël bezat de verbonden, de wet, de tempeldienst, het priesterschap, de profeten, de beloften en de Messiaanse lijn. Paulus noemt van de Israëlieten:

„Welker is de aanneming tot kinderen, en de heerlijkheid, en de verbonden, en de wetgeving, en de dienst Gods, en de beloftenissen; welker zijn de vaders, en uit welke Christus is, zoveel het vlees aangaat…”

— Romeinen 9:4–5

Dit betekende niet dat iedere Israëliet automatisch eeuwig leven bezat. Ook een Jood moest geloven. Evenmin betekende het dat een heiden onmogelijk kon geloven. Rachab, Ruth en Naäman bewijzen het tegendeel. Maar de heidenen stonden buiten Israëls bijzondere nationale verbondsvoorrechten.



Onder de oude bedeling stond Israël in het centrum van Gods zichtbare aardse getuigenis. De volken moesten Gods wijsheid en nabijheid in Israël zien. Salomo bad dat een vreemdeling vanwege Gods Naam tot de tempel zou komen, opdat alle volken der aarde Zijn Naam zouden kennen (1 Koningen 8:41–43). Zacharia beschreef volken die tot een Jood zouden zeggen:

„Wij zullen met ulieden gaan, want wij hebben gehoord, dat God met ulieden is.”

— Zacharia 8:23

Daarom moest het Evangelie na Christus’ komst eerst tot Israël gaan:

„Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk, die gelooft, eerst den Jood, en ook den Griek.”

— Romeinen 1:16

De oorspronkelijke genodigden van Mattheüs 22 stellen daarom het bevoorrechte Israël voor, waarbij de directe aanklacht primair zijn ongelovige leiders treft.



„Zij wilden niet komen”


De eerste reactie staat bijzonder eenvoudig beschreven:

„…en zij wilden niet komen.”

Hun probleem is niet dat de koning hen nooit werkelijk uitnodigde. Hij zond zijn dienstknechten juist om hen te roepen. Hun probleem is evenmin dat zij Gods openbaring niet bezaten. Zij hadden de Schriften en kenden de profetieën.



Jezus zegt tegen dezelfde soort religieuze tegenstanders:

„Onderzoekt de Schriften; want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben; en die zijn het, die van Mij getuigen. En gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben.”

— Johannes 5:39–40

De overeenkomst is scherp:


  • Mattheüs 22: „zij wilden niet komen”;
  • Johannes 5: „gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben”.


Hun weigering is werkelijk en vrijwillig. De uitnodiging is niet onoprecht en de koning verhindert hen niet om te komen. Zij willen niet.



Johannes vat dezelfde heilshistorische werkelijkheid samen:

„Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven.”

— Johannes 1:11–12

Christus kwam tot het volk dat Gods beloften en Schriften bezat. Velen namen Hem niet aan. Maar de zaligheid bleef niet door natuurlijke afkomst begrensd. „Zovelen” Hem aannemen door in Zijn Naam te geloven, ontvangen het recht kinderen Gods te worden.



God zond herhaaldelijk boodschappers


De koning geeft zijn genodigden niet onmiddellijk prijs:

„Wederom zond hij andere dienstknechten uit, zeggende: Zegt den genoden: Ziet, ik heb mijn middagmaal bereid; mijn ossen en de gemeste beesten zijn geslacht, en alle dingen zijn gereed; komt tot de bruiloft.”

— Mattheüs 22:4

God heeft Israël herhaaldelijk geroepen. De verschillende zendingen passen bij de lange lijn van profeten, Johannes de Doper, Christus’ discipelen en apostolische boodschappers. Het is niet nodig iedere afzonderlijke groep dienstknechten geforceerd aan precies één periode te koppelen. De hoofdzaak staat vast: God sprak niet eenmaal en onduidelijk. Hij zond telkens opnieuw boodschappers.


De koning heeft alles zelf bereid. De genodigden hoeven geen ossen te slachten, geen maaltijd samen te stellen en het feest niet te verdienen. Zij worden geroepen om te komen tot wat de koning heeft gereedgemaakt.


Ook dit past bij het Evangelie. God roept de zondaar niet om Christus’ werk aan te vullen. Christus heeft voor onze zonden betaald, is begraven en is uit de doden opgestaan. Eeuwig leven wordt ontvangen, niet door menselijke werken vervaardigd.


De woorden „middagmaal”, „ossen”, „gemeste beesten” en „alle dingen zijn gereed” tonen bovendien dat de bruiloft hier als feestmaaltijd wordt voorgesteld. De gelijkenis gaat niet over een verborgen zoektocht naar een bruid, maar over de uitnodiging van gasten tot de door de koning bereide vreugde.



Onverschilligheid en vijandschap


De genodigden reageren op twee manieren:

„Maar zij, zulks niet achtende, zijn heengegaan, deze tot zijn akker, gene tot zijn koopmanschap. En de anderen grepen zijn dienstknechten, deden hun smaadheid aan, en doodden hen.”

— Mattheüs 22:5–6

Sommigen achten de uitnodiging eenvoudig niet belangrijk. Hun akker en koopmanschap zijn op zichzelf geen zondige zaken. Het oordeel ligt daarin dat tijdelijke belangen voorrang krijgen boven de uitnodiging van de koning.


Andere genodigden reageren actief vijandig. Zij grijpen, smaden en doden de dienstknechten. Dit sluit rechtstreeks aan op de voorgaande gelijkenis, waarin de landlieden Gods dienstknechten slaan, stenigen en doden.



Jezus zegt later:

„Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn…”

— Mattheüs 23:37

In Mattheüs 22:6 worden de dienstknechten gedood. De dood van de Zoon staat reeds in Mattheüs 21:37–39. Beide gelijkenissen horen bij elkaar: Israël heeft Gods boodschappers verworpen en zal ook de Zoon verwerpen.



De koning oordeelt „hun stad”


Daarop volgt:

„Als nu de koning dat hoorde, werd hij toornig, en zijn krijgsheiren zendende, heeft die doodslagers vernield, en hun stad in brand gestoken.”

— Mattheüs 22:7

De stad wordt niet letterlijk bij naam genoemd. Toch wijst de directe omgeving zeer sterk naar Jeruzalem.



Christus zegt in het volgende hoofdstuk:

„Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt…”

En onmiddellijk daarna:

„Ziet, uw huis wordt u woest gelaten.”

— Mattheüs 23:38

Wanneer Jezus vervolgens de tempel verlaat, zegt Hij:

„Voorwaar zeg Ik u: Hier zal niet een steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden.”

— Mattheüs 24:2

Lukas beschrijft hetzelfde aangekondigde oordeel:

„Wanneer gij zien zult, dat Jeruzalem van heirlegers omsingeld wordt, zo weet alsdan, dat haar verwoesting nabij gekomen is.”

— Lukas 21:20

Ook Daniël 9:26 spreekt na het uitroeien van de Messias over de verwoesting van de stad en het heiligdom. Cumulatief wijst „hun stad” daarom vrijwel zeker op Jeruzalem.


Dat de koning de legers „zijn krijgsheiren” noemt, betekent niet dat de soldaten zelf gelovig zijn. God kan ongelovige machten als instrument van Zijn oordeel gebruiken. Assyrië wordt „de roede Mijns toorns” genoemd en Nebukadnezar wordt bij de uitvoering van oordeel Gods knecht genoemd (Jesaja 10:5–6; Jeremia 25:9).


De gelijkenis noemt geen jaartal. Schriftuurlijk staat vast dat Christus na de verwerping van Gods boodschappers en Zijn Zoon een militair oordeel over Jeruzalem en de tempel aankondigt. De kracht van de uitleg rust volledig op Christus’ woorden zelf.



De gelijkenis is geen minutieuze kalender


Vers 7 staat in het verhaal vóór de brede uitnodiging van vers 9–10. Historisch begon de Evangelieverkondiging onder de heidenen echter al voordat het aangekondigde oordeel over Jeruzalem volledig was uitgevoerd.


Dat is geen tegenspraak. Een gelijkenis geeft hier de rechterlijke en heilshistorische orde:


verwerping → aangekondigd oordeel → verbreding van de roeping.


Zij is geen kalender waarin iedere volgende ontwikkeling pas mag beginnen nadat de vorige historisch volledig is afgerond.



„De genoden waren het niet waardig”


Ondanks hun weigering blijft de bruiloft bereid:

„Toen zeide hij tot zijn dienstknechten: De bruiloft is wel bereid, doch de genoden waren het niet waardig.”

— Mattheüs 22:8

Hun onwaardigheid betekent niet dat zij te weinig goede werken hadden verzameld om de uitnodiging te verdienen. De gelijkenis heeft zelf verklaard waarom zij niet waardig zijn:


  • zij wilden niet komen;
  • zij achtten de uitnodiging niet;
  • zij kozen hun aardse belangen;
  • zij mishandelden en doodden de boodschappers.


Handelingen 13:46 vormt hier een van de scherpste Schriftparallellen. Paulus en Barnabas zeggen tegen de tegensprekende Joden:

„Het was nodig, dat eerst tot u het Woord Gods gesproken zou worden; doch nademaal gij hetzelve verstoot, en uzelven des eeuwigen levens niet waardig oordeelt, ziet, wij keren ons tot de heidenen.”

— Handelingen 13:46

De volgorde is dezelfde:


  • eerst tot Israël;
  • de boodschap wordt verworpen;
  • de verwerpers worden „niet waardig” genoemd;
  • de verkondiging krijgt een uitgesproken wending naar de heidenen.


Handelingen noemt bovendien wat in Mattheüs 22 door de bruiloft wordt uitgebeeld: het gaat om het eeuwige leven. De uitnodiging tot de bruiloft stelt Gods roeping tot Zijn Koninkrijksheil en eeuwig leven voor.


Dat betekent niet dat het woord „bruiloft” in iedere Bijbeltekst eenvoudig vervangen kan worden door „eeuwig leven”. Het betekent dat de koninklijke maaltijd in deze gelijkenis het door God bereide heil en de uiteindelijke vreugde bij Zijn Zoon afbeeldt.



Lukas 14 bevestigt de betekenis van de maaltijd


Lukas 14 geeft een nauwe parallel. Iemand zegt tegen Jezus:

„Zalig is hij, die brood eet in het Koninkrijk Gods.”

— Lukas 14:15

Daarop vertelt Jezus over een mens die een groot avondmaal bereidt en velen nodigt. Wanneer alles gereed is, laat hij zeggen:

„Komt, want alle dingen zijn nu gereed.”

— Lukas 14:17

De genodigden verontschuldigen zich vanwege een akker, ossen en een huwelijk. Daarna wordt de uitnodiging naar de straten, wijken, wegen en heggen uitgebreid, totdat het huis vervuld wordt. Over de oorspronkelijke weigeraars zegt de heer:

„Want ik zeg ulieden, dat niemand van die mannen, die genood waren, mijn avondmaal smaken zal.”

— Lukas 14:24

De aanleiding heeft de geestelijke betekenis vastgesteld: brood eten in Gods Koninkrijk. De maaltijd is beeldspraak voor deelname aan Gods Koninkrijksheil. Wie de uitnodiging verwerpt, mist niet slechts een aangename bijeenkomst; hij sluit zichzelf buiten van het heil waartoe hij geroepen werd.


Lukas 14 bevestigt tevens dat Mattheüs 22 niet gaat over het zoeken van een bruid. Het gaat om het roepen van gasten tot de door God bereide maaltijd.



De uitnodiging gaat naar buiten


De koning zegt:

„Daarom gaat op de uitgangen der wegen, en zovelen als gij er zult vinden, roept ze tot de bruiloft.”

— Mattheüs 22:9

„Daarom” verbindt de nieuwe opdracht met de verwerping door de oorspronkelijke genodigden. De uitnodiging wordt nu onbeperkt naar buiten gebracht.


Dit vers zegt op zichzelf niet: „Ga uitsluitend naar heidenen.” Het zegt: „zovelen als gij er zult vinden”. Gelovige Joden worden niet uitgesloten. De eerste apostelen waren zelf Joden. Maar Handelingen en Romeinen verklaren hoe deze verbreding heilshistorisch een uitgesproken heidenwending krijgt.



Paulus schrijft:

„Door hun val is de zaligheid den heidenen geworden, om hen tot jaloersheid te verwekken.”

— Romeinen 11:11

En:

„Want indien hun verwerping de verzoening is der wereld…”

— Romeinen 11:15

Over Israël ligt gedurende deze bedeling een gedeeltelijke verharding:

„…dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn.”

— Romeinen 11:25

Dat is geen definitieve vervanging van Israël. Paulus begint hetzelfde hoofdstuk met:

„Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre.”

Er blijft een gelovig overblijfsel en God zal Zijn beloften aan Israël vervullen. Maar Israëls nationale positie als huidig zichtbaar middelpunt van Gods aardse getuigenis wordt niet eenvoudig voortgezet. Het Evangelie gaat met een uitgesproken heidens zwaartepunt de wereld in.


God vormt daarbij niet een „heidense vervanging van Israël”. Hij vormt uit gelovige Joden en gelovige heidenen één lichaam. Efeze 2 zegt dat de heidenen vroeger vervreemd waren van het burgerschap Israëls en vreemdelingen van de verbonden der belofte, maar dat Christus uit Jood en heiden „één nieuwen mens” maakt (Efeze 2:11–18). Efeze 3:6 noemt de heidenen mede-erfgenamen en van hetzelfde lichaam.



Dezelfde dienstknechten dragen de uitnodiging naar buiten


Jezus vervolgt:

„En dezelve dienstknechten uitgaande op de wegen, vergaderden allen die zij vonden, beiden kwaden en goeden; en de bruiloft werd vervuld met aanzittende gasten.”

— Mattheüs 22:10

De boodschappers gehoorzamen de koning en gaan naar buiten. In de historische vervulling passen de apostelen en apostolische Evangelieverkondigers hier sterk bij. Paulus heeft daarbinnen een bijzondere bediening als apostel der heidenen, maar hij is niet de enige boodschapper. Christus gaf de opdracht het Evangelie aan alle volken te verkondigen.


Iedere getrouwe Evangelieverkondiging draagt inhoudelijk dezelfde koninklijke uitnodiging verder. Dat betekent niet dat Mattheüs 22 iedere latere prediker afzonderlijk voorspelt; het betekent dat de boodschap van de Koning nog steeds bekendgemaakt wordt.



Zowel kwaden als goeden worden geroepen


De dienstknechten verzamelen:

„beiden kwaden en goeden”.

De uitnodiging is niet beperkt tot mensen met een goede reputatie. Tollenaars, hoeren en openlijke zondaren mogen het Evangelie horen en door geloof behouden worden.


Maar „goeden” betekent evenmin dat sommige mensen door hun eigen morele kwaliteit reeds geschikt zijn voor de Koning. De religieus gerespecteerde mens heeft Gods gerechtigheid even hard nodig als de openlijke zondaar.


Mattheüs 21 had dit reeds getoond. Tollenaars en hoeren geloofden, terwijl de religieuze leiders niet geloofden. Mattheüs 22 vernietigt daarom twee menselijke vluchtwegen:


  • een zondig leven geeft niemand recht op Gods heil;
  • uiterlijke religieuze goedheid geeft dat recht evenmin.


Iedereen moet op Gods wijze geschikt gemaakt worden.


„De bruiloft werd vervuld met aanzittende gasten” bevestigt opnieuw de maaltijdcontext. Tegelijk is deze uiterlijke verzameling nog niet hetzelfde als de definitieve goedkeuring door de Koning. De dienstknechten kunnen roepen en verzamelen; God kent uiteindelijk het hart.



De Koning inspecteert Zelf

„En als de koning ingegaan was om de aanzittende gasten te overzien, zag hij aldaar een mens, niet gekleed zijnde met een bruiloftskleed.”

— Mattheüs 22:11

Nu verandert het gezichtspunt. Eerst gingen de dienstknechten uit; nu komt de Koning Zelf inspecteren. De boodschappers verkondigen het Evangelie, maar zij kunnen niet onfeilbaar bepalen wat zich in ieder mens bevindt. De Koning ziet het werkelijke verschil.


Andere Koninkrijksgelijkenissen tonen hetzelfde beginsel. Tarwe en onkruid staan tijdelijk samen op de akker. In de gelijkenis van het visnet worden goede en kwade vissen verzameld. Bij de voleinding vindt de uiteindelijke scheiding plaats (Mattheüs 13:24–30, 47–50).


De ene man zonder kleed betekent niet dat er uiteindelijk maar één uiterlijk godsdienstig maar ongered mens bestaat. Hij vertegenwoordigt de categorie die vers 14 verklaart: iemand kan onder de geroepenen verschijnen zonder werkelijk met Gods heil bekleed te zijn.


Deze man is niet letterlijk ongemerkt de hemel binnengedrongen. De zaal beeldt de verzamelde kring van geroepenen uit vóór de definitieve goddelijke goedkeuring. Zijn uiterlijke reactie op de uitnodiging blijkt niet hetzelfde als wedergeboorte.



Wat stelt het bruiloftskleed voor?


Binnen het verhaal is het bruiloftskleed werkelijk kleding. Maar de geestelijke betekenis moet uit de Schrift worden verklaard, niet uit onbewezen verhalen over oude bruiloftsgebruiken.


Jesaja zegt:

„Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, den mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan…”

— Jesaja 61:10

Gods heil en gerechtigheid worden als kleding voorgesteld. De zondaar kan niet in zijn eigen gerechtigheid voor God bestaan.



Romeinen 10 past dit rechtstreeks op Israëls geestelijke toestand toe. Paulus zegt eerst:

„Broeders, de toegenegenheid mijns harten, en het gebed dat ik tot God voor Israël doe, is tot hun zaligheid.”

— Romeinen 10:1

Vervolgens verklaart hij het probleem:

„Want ik geef hun getuigenis, dat zij een ijver tot God hebben, maar niet met verstand. Want alzo zij de rechtvaardigheid Gods niet kennen, en hun eigen gerechtigheid zoeken op te richten, zo zijn zij der rechtvaardigheid Gods niet onderworpen.”

— Romeinen 10:2–3

Dit past bijzonder nauw bij de religieuze leiders uit Mattheüs 21–22. Zij bezitten ijver, kennis, godsdienst en een uiterlijke positie onder Gods volk. Maar zij onderwerpen zich niet aan Gods gerechtigheid.



Paulus vervolgt:

„Want het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk, die gelooft.”

— Romeinen 10:4

Het juiste kleed is niet voldoende menselijke godsdienstigheid. Christus is de enige gerechtigheid waarin een zondaar voor God kan bestaan.



Paulus verlangt daarom:

„En in Hem gevonden worde, niet hebbende mijn rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is door het geloof.”

— Filippenzen 3:9

Galaten verbindt geloof, kindschap en bekleding:

„Want gij zijt allen kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus. Want zovelen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan.”

— Galaten 3:26–27

De man zonder bruiloftskleed mist daarom niet slechts voldoende goede werken. Hij mist de fundamentele bekleding met Gods heil en gerechtigheid in Christus.



Het lijnwaad van Openbaring 19 is niet automatisch hetzelfde beeld


Openbaring 19 zegt over de vrouw van het Lam:

„En haar is gegeven, dat zij bekleed worde met rein en blinkend fijn lijnwaad; want dit fijn lijnwaad zijn de rechtvaardigmakingen der heiligen.”

— Openbaring 19:8

Daar wordt de reeds verloste vrouw getoond. Haar fijne lijnwaad wordt in die tekst uitdrukkelijk verbonden met de rechtvaardigmakingen der heiligen en haar gereedmaking.


Mattheüs 22 spreekt niet over de vrouw, maar over een gast die helemaal geen passend kleed draagt en daarmee niet voor de Koning kan bestaan. De betekenis die Openbaring 19 zelf aan het kleed van de vrouw geeft, mag daarom niet automatisch over de gast van Mattheüs 22 worden gelegd.


De Schriftlijn in Mattheüs 22 wijst naar klederen des heils, Gods gerechtigheid, Christus aangedaan door geloof en Gods gerechtigheid tegenover menselijke eigengerechtigheid.



„Vriend” betekent niet dat hij behouden is


De koning vraagt:

„Vriend, hoe zijt gij hier ingekomen, geen bruiloftskleed aanhebbende?”

— Mattheüs 22:12

Het woord „vriend” bewijst geen behouden verhouding. Jezus noemt Judas bij zijn verraad eveneens:

„Vriend, waartoe zijt gij hier?”

— Mattheüs 26:50

De aanspreekvorm maakt iemand niet tot een gelovige. De vraag van de Koning legt juist bloot dat de uiterlijke aanwezigheid van de man niet overeenkomt met zijn werkelijke geestelijke toestand.



„En hij verstomde”


Het antwoord van de man bestaat uit volledige stilte:

„En hij verstomde.”

Hij zegt niet dat hij het kleed ooit heeft ontvangen. Hij wijst niet op een verhouding als dienstknecht. Hij beroept zich niet op geloof, genade of een belofte van de Koning. Hij heeft geen enkel geldig antwoord.



Dit sluit buitengewoon nauw aan bij Romeinen 3:

„Wij weten nu, dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen, die onder de wet zijn; opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij.”

— Romeinen 3:19

De mens kan voor Gods heilige oordeel geen eigen gerechtigheid of verontschuldiging aanvoeren. De religieuze leiders bezaten de Schriften en meenden het eeuwige leven te hebben, maar wanneer de Koning hun werkelijke toestand blootlegt, blijft geen verweer over.


„Hij verstomde” is daarom niet zomaar een dramatisch detail. Het draagt de rechterlijke sfeer van de gelijkenis: een schuldig mens staat zonder Gods gerechtigheid voor de Koning en zijn mond wordt gestopt.



Handen en voeten gebonden


Daarna spreekt de koning het vonnis uit:

„Toen zeide de koning tot de dienaars: Bindt zijn handen en voeten, neemt hem weg, en werpt hem uit in de buitenste duisternis; daar zal zijn wening en knersing der tanden.”

— Mattheüs 22:13

De volgorde is ernstig:


  • de Koning inspecteert;
  • het ontbrekende kleed wordt openbaar;
  • de man wordt ter verantwoording geroepen;
  • hij verstomt;
  • hij wordt gebonden;
  • hij wordt weggenomen;
  • hij wordt buitengeworpen;
  • daar volgen wening en knersing der tanden.


Dit is niet het missen van een klein extraatje. Het is een volledig rechterlijk vonnis.


„Bindt zijn handen en voeten” betekent op zichzelf nog niet het woord „eeuwig”. Het onderstreept wel zijn volkomen machteloosheid. Hij kan het oordeel niet weerstaan, zichzelf niet alsnog geschikt maken en niet op eigen kracht terugkeren.


De eeuwige aard van zijn uitsluiting komt uit de gehele context:


  • de uitnodiging staat in verband met het eeuwige leven;
  • hij mist Gods heil en gerechtigheid;
  • hij heeft voor God geen antwoord;
  • hij is geen ontrouwe maar behouden dienstknecht;
  • hij wordt gebonden, weggenomen en volledig buitengesloten.


De man zonder kleed is daarom een uiterlijk geroepen maar ongered mens. Hij gaat het eeuwige leven en Gods Koninkrijk niet binnen.



Wat betekent „buitenste duisternis”?


De uitdrukking „buitenste duisternis” komt driemaal in Mattheüs voor: Mattheüs 8:12, 22:13 en 25:30.


Het is onjuist om eerst een woordenboekdefinitie „buitenste duisternis = hel” vast te stellen en daarna iedere genoemde persoon automatisch ongelovig te verklaren. De Schrift stelt eerst de identiteit en situatie van de persoon vast. Daarna beschrijft de buitenste duisternis zijn buitensluiting.


De vaste beeldkern is:


  • binnen zijn licht, gemeenschap, vreugde en Koninkrijksvoorrecht;
  • buiten is werkelijke uitsluiting, duisternis, wening en knersing der tanden.


Waar de context een maaltijd of bruiloft toont, omvat de uitsluiting ook het missen van de tafel. Maar de uitdrukking zelf vertelt nog niet zelfstandig of de persoon eeuwig verloren is of een specifiek Koninkrijksvoorrecht mist. Dat wordt bepaald door zijn identiteit en de volledige context.


De nauwkeurige definitie luidt daarom:


„Buitenste duisternis” beschrijft het werkelijk buitengesloten zijn van de door de Koning of Heer verlichte sfeer van gemeenschap, vreugde en Koninkrijksvoorrecht. Waar de context een maaltijd of bruiloft toont, omvat dit ook uitsluiting van de tafel. De identiteit van de persoon en de volledige context bepalen waarvan hij wordt uitgesloten en of die uitsluiting eeuwig is of een specifiek, onherroepelijk verlies van voorrecht betreft.


Korter:


Buitenste duisternis beschrijft de buitensluiting; de context bepaalt waarvan en voor hoelang.



Waarom de buitenste duisternis hier eeuwig is


Mattheüs 8 bevestigt de betekenis binnen een ongelovigencontext. Een heidense hoofdman gelooft. Jezus zegt dat Hij zelfs in Israël zo groot geloof niet gevonden heeft. Daarna kondigt Hij aan:

„Doch Ik zeg u, dat velen zullen komen van oosten en westen, en zullen met Abraham, en Izak, en Jakob aanzitten in het Koninkrijk der hemelen; en de kinderen des Koninkrijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; aldaar zal wening zijn en knersing der tanden.”

— Mattheüs 8:11–12

Opnieuw staan tegenover elkaar:


  • geloof uit de volken;
  • ongeloof binnen Israël;
  • aanzitten binnen;
  • buitengeworpen worden buiten.


De ongelovige „kinderen des Koninkrijks” bezaten nationale voorrechten, maar geen eeuwig leven door natuurlijke afkomst. Hun uitsluiting betreft daarom het Koninkrijksheil zelf.


Hetzelfde geldt voor de man van Mattheüs 22. Niet de uitdrukking „buitenste duisternis” bepaalt eerst zijn identiteit. Zijn ontbrekende heilsgerechtigheid, zijn verstommen en het volledige rechterlijke vonnis hebben reeds vastgesteld dat hij ongelovig is. Voor hem is de buitenste duisternis daarom definitieve uitsluiting van Gods heil en licht.



„Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren”


De gelijkenis eindigt:

„Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.”

— Mattheüs 22:14

„Want” verklaart het gehele verhaal. Dezelfde slotwoorden staan in Mattheüs 20:16, maar bij de arbeiders in de wijngaard beantwoorden zij Petrus’ vraag naar loon en voorrang. Hier verklaren zij de koninklijke uitnodiging en de man zonder bruiloftskleed; beide uitspraken moeten vanuit hun eigen verband worden gelezen. De geroepenen zijn de mensen tot wie de koninklijke uitnodiging komt. De gelijkenis heeft dat woord zelf uitgelegd:

„…om de genoden ter bruiloft te roepen…”

En:

„…zovelen als gij er zult vinden, roept ze tot de bruiloft.”

In de werkelijkheid roept God mensen door het Evangelie:

„Waartoe Hij u geroepen heeft door ons Evangelie, tot verkrijging der heerlijkheid van onzen Heere Jezus Christus.”

— 2 Thessalonicenzen 2:14

Het Evangelie is niet slechts menselijke informatie. Het is:

„een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk, die gelooft”.

Gods roepstem komt door het Evangelie. Het geloof komt uit het gehoor en het gehoor door het Woord Gods (Romeinen 10:17).



Maar niet iedere hoorder gelooft. Mattheüs 22 zegt niet dat de geroepenen door een onweerstaanbare innerlijke werking noodzakelijk komen. Van werkelijk geroepen mensen staat juist:

„zij wilden niet komen”.

De roeping was werkelijk; hun verwerping was eveneens werkelijk. Het probleem lag niet daarin dat de Koning hen nooit oprecht wilde ontvangen, maar daarin dat zij Zijn uitnodiging niet wilden aannemen.



Uitverkoren in Christus


Waar bevinden de uitverkorenen zich volgens de Schrift?


Paulus schrijft:

„Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld…”

— Efeze 1:4

Gods uitverkiezing staat niet buiten Christus. De Schrift zegt niet dat de mens in zichzelf uitverkoren is. Zij zegt:

„uitverkoren… in Hem”.

Christus Zelf is Gods Uitverkorene. Over Hem staat:

„Ziet, Mijn Knecht, Dien Ik verkoren heb, Mijn Beminde, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft…”

— Mattheüs 12:18

Petrus noemt Hem:

„een levenden Steen, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar.”

— 1 Petrus 2:4

Tegen degenen die tot Christus gekomen zijn, zegt Petrus vervolgens:

„Maar gij zijt een uitverkoren geslacht…”

— 1 Petrus 2:9

De gelovige deelt in de uitverkoren positie doordat hij met Christus, de Uitverkorene, verbonden is.



Hoe komt iemand in Christus?


Efeze 1 laat het niet bij de woorden „in Hem”. Het hoofdstuk beschrijft ook wat met de Efeziërs gebeurd is:

„In Welken ook gij zijt, nadat gij het Woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid, gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte.”

— Efeze 1:13

De historische volgorde bij de gelovige is helder:


  1. het Woord der waarheid wordt verkondigd;
  2. het Evangelie der zaligheid wordt gehoord;
  3. de mens gelooft;
  4. hij wordt in Christus met de Heilige Geest verzegeld.


Galaten zegt hetzelfde in de taal van bekleding:

„Want gij zijt allen kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus. Want zovelen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan.”

— Galaten 3:26–27

Daarom is „uitverkoren” niet als woordenboekbetekenis hetzelfde woord als „geloven”. De verbinding is nauwkeuriger:


God roept door het Evangelie. Wie Gods roeping door geloof ontvangt, wordt in Christus gevonden, heeft Christus aangedaan en deelt in de uitverkoren positie die God vóór de grondlegging der wereld in Hem heeft vastgesteld.


De uitverkorenen van Mattheüs 22 zijn dus niet een tweede groep die als enige een verborgen onweerstaanbare roeping ontving. Zij zijn degenen die de werkelijke Evangelieroeping door geloof ontvangen en bij de koninklijke inspectie in Christus en Zijn gerechtigheid gevonden worden.


Dat maakt geloof niet tot een verdienstelijk werk. De Koning heeft de bruiloft bereid. God gaf Zijn Zoon. Christus volbracht het verlossingswerk. God verschaft de gerechtigheid. De mens brengt niets mee waarop hij kan roemen; hij ontvangt Gods gave door geloof.



Waarom staat er „weinigen”?


„Weinigen uitverkoren” betekent niet dat God slechts weinig mensen oprecht wil redden. Christus heeft bevolen:

„Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle kreaturen.”

— Markus 16:15

De gelijkenis zelf toont waarom geroepenen buitenblijven. Zij willen niet komen, achten de uitnodiging niet, kiezen hun aardse belangen, vervolgen de boodschappers of proberen zonder Gods gerechtigheid voor de Koning te staan.


De zaal wordt uiteindelijk zelfs vervuld met gasten. „Weinigen” hoeft daarom niet als een exact percentage van de mensheid te worden gelezen. Het benadrukt het ernstige onderscheid tussen de velen die Gods roeping horen en degenen die haar werkelijk door geloof ontvangen.


De betekenis van vers 14 luidt daarom:


God roept mensen door het Evangelie. Het Evangelie is Zijn kracht tot zaligheid voor ieder die gelooft. Velen horen de uitnodiging, maar niet allen willen komen en niet iedere uiterlijke respondent bezit Gods gerechtigheid. Degenen die geloven, zijn in Christus, hebben Christus aangedaan en delen in de uitverkoren positie die God in Hem heeft vastgesteld.



Beschrijft Mattheüs 22 exact hetzelfde feest als Mattheüs 25?


Mattheüs 22, Mattheüs 25 en Openbaring 19 gebruiken allemaal bruiloftstaal. Daaruit volgt niet dat ieder detail naar exact hetzelfde moment, dezelfde groep en hetzelfde oordeel verwijst.


Mattheüs 22 overziet een lange heilshistorische beweging:


  • Israëls oorspronkelijke positie;
  • Gods herhaalde roeping;
  • de verwerping van Zijn boodschappers en Zijn Zoon;
  • oordeel over Jeruzalem;
  • de wereldwijde Evangelieroeping;
  • de wending naar de heidenen;
  • de uiteindelijke inspectie;
  • toelating tot of uitsluiting van Gods Koninkrijksheil.


De koninklijke bruiloftsmaaltijd functioneert hier als beeld van het door God bereide heil, eeuwig leven en uiteindelijke gemeenschap met Zijn Zoon. De gelijkenis is geen technische tijdlijn of gastenlijst van uitsluitend één maaltijd op één dag.


Mattheüs 25 staat in het afzonderlijke onderwijs aan Christus’ discipelen. De tien maagden wachten op de ware Bruidegom. De talenten behoren tot dezelfde heer en ontvangen werkelijk zijn bezit. Daar staat niet primair de brede Evangelieroeping tot eeuwig leven centraal, maar waakzaamheid, voorbereiding, getrouwheid, rentmeesterschap, goedkeuring, loon en regeringsverantwoordelijkheid.


Openbaring 19 toont vervolgens de werkelijke profetische huwelijksorde: de vrouw des Lams, haar gereedmaking, de bruiloft en degenen die tot het avondmaal geroepen worden.


De gedeelten zijn verbonden, maar niet verwisselbaar. Mattheüs 22 gebruikt de Koninklijke bruiloft om de roeping tot het Koninkrijksheil te verklaren. Mattheüs 25 gebruikt bruiloftstaal in een waarschuwing aan gelovige discipelen over gereedheid en trouw. Openbaring 19 toont de toekomstige werkelijkheid van de vrouw en het avondmaal.


Juist door deze verschillen te bewaren, kunnen alle teksten volledig blijven spreken zonder elkaar tegen te spreken.



Waarom Mattheüs 22 de onnutte dienstknecht niet ongelovig maakt


De man zonder kleed en de derde dienstknecht worden beiden in de buitenste duisternis geworpen. Maar vóór die slotwoorden zijn hun identiteiten reeds totaal verschillend vastgesteld.


De man van Mattheüs 22:


  • is een gast onder een brede uiterlijke verzameling;
  • mist het kleed van heil en gerechtigheid;
  • wordt gevraagd hoe hij daar is binnengekomen;
  • verstomt voor de Koning;
  • wordt aan handen en voeten gebonden;
  • wordt weggenomen;
  • wordt definitief van het Koninkrijksheil uitgesloten.


De derde knecht van Mattheüs 25:


  • behoort van het begin af tot de dienstknechten van de heer;
  • ontvangt werkelijk goederen van zijn heer;
  • moet rekenschap geven over ontvangen dienstkapitaal;
  • spreekt uitvoerig en brengt het werkelijk ontvangen talent terug;
  • wordt nergens gevraagd hoe hij dienstknecht geworden is;
  • wordt niet aan handen en voeten gebonden;
  • verliest talent, goedkeuring, loon, vreugde en regeringsverantwoordelijkheid.


Dezelfde beeldspraak van buitensluiting kan op verschillende personen worden toegepast zonder dat hun volledige identiteit en eeuwige bestemming gelijk worden. In Mattheüs 22 ontbreekt de fundamentele gerechtigheid van de ongelovige. In Mattheüs 25 wordt een werkelijk geroepen dienstknecht beoordeeld op zijn rentmeesterschap.


Daarom mag Mattheüs 22 niet gebruikt worden om de voorafgaande kenmerken van de derde knecht uit te wissen. Evenmin mag Mattheüs 25 gebruikt worden om de man zonder bruiloftskleed alsnog als behouden te verklaren. Iedere context moet eerst haar eigen persoon identificeren.



De volledige lijn van de gelijkenis


Wanneer alle onderdelen samen worden gelezen, ontstaat één consequente Schriftlijn.


God heeft voor Zijn Zoon het Koninkrijksheil bereid. Israël ontving als volk de oorspronkelijke nationale voorrangspositie, de verbonden, profeten, Schriften en beloften. Toch wilden zijn ongelovige leiders niet tot Christus komen om leven te ontvangen. Gods boodschappers werden genegeerd, mishandeld en gedood. De Zoon werd verworpen. Oordeel over Jeruzalem werd aangekondigd.


Daarna ging de Evangelieroeping wereldwijd naar buiten. Door Israëls val kwam de zaligheid met een uitgesproken heidens zwaartepunt tot de volken, zonder dat God Israël definitief verstootte. God vormt nu uit gelovige Joden en heidenen één lichaam.


De uitnodiging bereikt zowel kwaden als goeden. Geen openlijke zondaar is te slecht om door geloof gered te worden. Geen religieus mens is goed genoeg om zonder Christus voor God te bestaan.


Uiteindelijk inspecteert de Koning Zelf. De man zonder bruiloftskleed mist de door God gegeven bekleding van heil en gerechtigheid. Hij kan voor God geen geldig antwoord geven. Zijn mond wordt gestopt, hij wordt gebonden en hij wordt definitief buitengesloten.


„Velen zijn geroepen” betekent dat Gods Evangelieroeping werkelijk breed uitgaat. „Weinigen uitverkoren” betekent dat niet iedere geroepene gelooft en niet iedere uiterlijke respondent in Christus gevonden wordt. De gelovigen zijn uitverkoren in Christus, met Hem bekleed en door de Heilige Geest verzegeld.



Gods uitnodiging komt ook tot u


De gelijkenis is niet geschreven om alleen een historische verandering te beschrijven. De uitnodiging van de Koning komt door het Evangelie ook tot de lezer.


God vraagt niet of u uit uzelf goed genoeg bent. De dienstknechten riepen zowel kwaden als goeden. Niemand wordt door zijn morele reputatie, kerkelijke achtergrond, Bijbelkennis, doop, belijdenis of goede werken geschikt voor God.


Evenmin kunt u in uw eigen gerechtigheid voor Hem bestaan. Wie zijn eigen rechtvaardigheid probeert op te richten, onderwerpt zich niet aan Gods gerechtigheid.


Het Evangelie is dat Jezus Christus voor onze zonden gestorven is, begraven werd en de derde dag opgewekt is, naar de Schriften (1 Korinthe 15:3–4). Hij heeft het verlossingswerk volbracht.


Daarom zegt de Schrift:

„Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden.”

— Handelingen 16:31

En:

„Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven…”

— Johannes 3:36

Wie gelooft, wordt niet op proef aangenomen. Hij ontvangt eeuwig leven, wordt met de Heilige Geest verzegeld en staat in Christus’ gerechtigheid voor God.


De uitnodiging is gereed. De vraag is niet of u waardig genoeg bent om haar te verdienen. De vraag is of u Gods Zoon en Zijn volbrachte werk door geloof ontvangt.

„En gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben.”

Laat dit niet uw antwoord op de uitnodiging van de Koning zijn.