Het noorden is in de Bijbel niet zomaar één richting naast de andere. Job spreekt over het noorden dat God uitbreidt, Psalm 48 over Sion aan de zijden van het noorden, Jesaja 14 over de berg der samenkomst, en Ezechiël 1 over Gods heerlijkheid die van het noorden komt.
Het noorden en de troon van God
Job, Psalm 48, Jesaja 14 en Ezechiël 1 geven het noorden een opvallende plaats in de Bijbelse hemeltaal.
In de Bijbel is het noorden niet zomaar één windrichting naast de andere.
De Schrift spreekt over oosten, westen, noorden en zuiden.
Zij spreekt over vier winden, vier hoeken en einden der aarde.
Maar wanneer de Schrift nauwkeurig gelezen wordt, valt op dat het noorden op bijzondere plaatsen naar voren komt.
Niet willekeurig.
Niet oppervlakkig.
Maar in teksten die spreken over:
- Gods macht over hemel en aarde;
- Sion, de stad van de grote Koning;
- de berg der samenkomst;
- de sterren Gods;
- troonhoogte;
- verhoging;
- oordeel;
- en de verschijning van de heerlijkheid des HEEREN.
Daarom moet de vraag gesteld worden:
Welke plaats heeft het noorden in de Bijbelse hemeltaal en troontaal?
Niet: wat kunnen mensen speculeren?
Niet: wat willen wij graag bewijzen?
Maar:
Wat zegt de Schrift zelf?
Want als Job spreekt over het noorden, Psalm 48 over Sion aan de zijden van het noorden, Jesaja 14 over de berg der samenkomst aan de zijden van het noorden, Psalm 75 over verhoging die niet uit oost, west of woestijn komt, en Ezechiël 1 de heerlijkheid des HEEREN ziet komen van het noorden, dan mag dat niet achteloos voorbijgaan.
Dan ontstaat er een lijn.
En die lijn is sterk.
Het noorden in Gods kosmologische macht
Job zegt:
“Hij breidt het noorden uit over het woeste; Hij hangt de aarde aan een niet.”
— Job 26:7
Dit is een opmerkelijke tekst.
Job spreekt hier over Gods majesteit en macht over de schepping.
In hetzelfde hoofdstuk lezen we:
“Hij bindt de wateren in Zijn wolken; nochtans scheurt de wolk daaronder niet.”
— Job 26:8
En:
“Hij houdt het vlakke Zijns troons vast; Hij spreidt Zijn wolk daarover.”
— Job 26:9
En:
“Hij heeft een gezet perk over het vlakke der wateren rondom afgetekend, tot aan de voleinding toe des lichts met de duisternis.”
— Job 26:10
Daarna:
“De pilaren des hemels sidderen, en ontzetten zich voor Zijn schelden.”
— Job 26:11
Dit hoofdstuk is dus vol kosmologische taal:
- noorden;
- aarde;
- wolken;
- troon;
- wateren;
- licht en duisternis;
- pilaren des hemels.
Daarom is Job 26:7 geen losse geografische opmerking.
“Hij breidt het noorden uit over het woeste…”
Het noorden wordt hier genoemd in verband met Gods macht over hemel en aarde.
Het Hebreeuwse woord voor “noorden” is צָפוֹן — tsāfôn. Dat is niet zomaar een decorwoord in Job 26. Het staat in een hoofdstuk waar hemel, aarde, wolken, wateren, troon en pilaren van de hemel samenkomen.
Daarna:
“Hij hangt de aarde aan een niet.”
De aarde wordt gedragen door God, niet door een zichtbaar menselijk fundament dat de mens kan aanwijzen. De mens ziet niet waarop God haar stelt. Maar God draagt haar.
Job 26:7 spreekt de andere Schriftgegevens over grondvesten, bevestiging en onbeweeglijkheid niet tegen. Het zegt dat God de aarde draagt op een wijze die de mens niet kan doorgronden.
Maar belangrijk voor dit artikel is dit:
het noorden verschijnt hier in een tekst over de grote structuur van hemel en aarde.
Het noorden is in Job 26 niet slechts een windrichting op een kompas.
Het staat in kosmologische context.
Het noorden en het woeste
Job zegt:
“Hij breidt het noorden uit over het woeste…”
— Job 26:7
Het woord “woeste” komt van תֹּהוּ — tōhû.
Dat woord draagt de gedachte van woestheid, leegte, verlatenheid, vormloosheid of ijlte. Het komt ook voor in Genesis 1:2:
“De aarde nu was woest en ledig…”
Daar staat tōhû in de bekende uitdrukking “woest en ledig”.
Dat maakt Job 26:7 zwaarder.
God breidt het noorden uit over het tōhû.
Dat is diepe scheppingstaal.
De Schrift plaatst het noorden hier in de sfeer van Gods uitspanning en ordening van de hemelse werkelijkheid.
Dat past bij wat eerder gezien werd:
“Die de hemelen uitbreidt, Hij alleen…”
— Job 9:8
En:
“Hij rekt den hemel uit als een gordijn.”
— Psalm 104:2
En:
“Die de hemelen uitbreidt als een dunnen doek, en breidt ze uit als een tent om te bewonen.”
— Jesaja 40:22
God breidt de hemelen uit.
Job zegt specifiek:
“Hij breidt het noorden uit over het woeste.”
Dat maakt het noorden bijzonder.
Het is verbonden met Gods hemelse uitspanning.
Sion aan de zijden van het noorden
Psalm 48 brengt ons van Job naar Sion.
“Groot is de HEERE, en zeer te prijzen, in de stad onzes Gods, op den berg Zijner heiligheid.”
— Psalm 48:2
Daarna:
“Schoon van gelegenheid, een vreugde der ganse aarde is de berg Sion, aan de zijden van het noorden, de stad des groten Konings.”
— Psalm 48:3
Deze tekst is zeer belangrijk.
Sion wordt genoemd:
- de berg Zijner heiligheid;
- schoon van gelegenheid;
- een vreugde der ganse aarde;
- aan de zijden van het noorden;
- de stad des groten Konings.
Dat is zware taal.
Sion is niet zomaar een plek.
Sion is de stad van de grote Koning.
En deze stad wordt verbonden met:
“de zijden van het noorden”
In het Hebreeuws staat hier de uitdrukking יַרְכְּתֵי צָפוֹן — yarkətê tsāfôn.
Dat betekent: de uiterste zijden, flanken, diepten of verste delen van het noorden.
Het gaat dus niet om een zwakke aanduiding.
De Statenvertaling geeft krachtig weer:
“aan de zijden van het noorden”
Dat mag niet worden weggepoetst.
Psalm 48 gaat over Gods stad, Gods heerlijkheid, Gods bescherming en Gods koningschap.
“God is in haar paleizen; Hij is er bekend voor een Hoog Vertrek.”
— Psalm 48:4
Dus Psalm 48 verbindt:
- Gods stad;
- Gods berg;
- Gods koningschap;
- vreugde van de ganse aarde;
- zijden van het noorden.
Het noorden staat hier niet in een onbelangrijke zin.
Het staat midden in de lof op Sion, de stad van de grote Koning.
De stad van de grote Koning
De Heere Jezus Zelf gebruikt de uitdrukking “stad des groten Konings”.
In Mattheüs zegt Hij:
“Noch bij Jeruzalem, omdat zij is de stad des groten Konings.”
— Mattheüs 5:35
Dat bevestigt de zwaarte van Psalm 48.
Jeruzalem/Sion wordt verbonden met Gods koningschap.
Psalm 48 zegt dat Sion ligt:
“aan de zijden van het noorden”
Daarmee wordt het noorden verbonden met koninklijke heiligheid.
De Schrift gebruikt dus niet slechts geografische taal.
Zij gebruikt troon- en koningschapstaal.
Sion is de stad van de grote Koning.
En zij wordt verbonden met het noorden.
Satanische hoogmoed: de berg der samenkomst aan de zijden van het noorden
Nu komt Jesaja 14.
Deze tekst is zeer zwaar.
De directe context is de spotrede tegen de koning van Babel. Maar de taal stijgt ver boven een gewone aardse koning uit.
“Hoe zijt gij uit den hemel gevallen, o morgenster, gij zoon des dageraads! hoe zijt gij ter aarde nedergehouwen, gij, die de heidenen krenktet!”
— Jesaja 14:12
Daarna lezen we:
“En zeidet in uw hart: Ik zal ten hemel opklimmen, ik zal mijn troon boven de sterren Gods verhogen; en ik zal mij zetten op den berg der samenkomst aan de zijden van het noorden.”
— Jesaja 14:13
En:
“Ik zal boven de hoogten der wolken klimmen, ik zal den Allerhoogste gelijk worden.”
— Jesaja 14:14
Een gewone koning van Babel kan dit niet letterlijk waarmaken.
Een aardse koning kan niet werkelijk:
- ten hemel opklimmen;
- zijn troon boven de sterren Gods verhogen;
- zich zetten op de berg der samenkomst aan de zijden van het noorden;
- boven de hoogten der wolken klimmen;
- den Allerhoogste gelijk worden.
Hier wordt de satanische hoogmoed achter Babel zichtbaar.
Dit is de oerhoogmoed van Satan: opklimmen, verhogen, innemen wat alleen God toekomt.
Dat maakt de tekst voor dit onderwerp nog sterker.
Want juist de plaats die Satan begeert, wordt verbonden met:
- hemel;
- troon;
- sterren Gods;
- berg der samenkomst;
- zijden van het noorden.
Hij wil niet zomaar macht op aarde.
Hij wil hemelse verhoging.
Hij wil troonhoogte.
Hij wil boven de sterren Gods.
Hij wil zitten op de berg der samenkomst.
En die berg wordt geplaatst:
“aan de zijden van het noorden”
In Jesaja 14:13 staat opnieuw yarkətê tsāfôn: de zijden, uiterste flanken of verste delen van het noorden.
Dat is geen toevallige windrichting.
Dezelfde uitdrukking als Psalm 48 komt terug.
Psalm 48:
“aan de zijden van het noorden, de stad des groten Konings”
Jesaja 14:
“de berg der samenkomst aan de zijden van het noorden”
Dat is Schrift met Schrift.
Sterren Gods en troonhoogte
Jesaja 14:13 zegt:
“ik zal mijn troon boven de sterren Gods verhogen…”
In het artikel over sterren zagen we dat sterren in de Schrift niet behandeld worden als dode materie. Zij zijn lichten in het uitspansel, maar ook verbonden met het levende heir des hemels, met namen, zang, strijd en angeloi.
Daarom is deze uitdrukking belangrijk:
“sterren Gods”
Satan wil zijn troon boven de sterren Gods verhogen.
Dat betekent: hij wil boven Gods hemelse orde uitstijgen. Hij wil zich verheffen boven het hemelse heir.
En waar wil hij zitten?
“op den berg der samenkomst aan de zijden van het noorden”
Dus het noorden wordt in Jesaja 14 verbonden met de hoogste samenkomst, de berg, de sterren Gods en troonhoogte.
Dat is een zeer sterke lijn.
De berg der samenkomst
De uitdrukking:
“berg der samenkomst”
is ook zwaar.
Een berg in de Bijbel kan plaats van ontmoeting, openbaring, koningschap en heiligheid zijn.
Sinaï was berg van openbaring.
Sion is berg van Gods heiligheid.
De berg des HEEREN wordt profetisch verhoogd.
Jesaja 2 zegt:
“En het zal geschieden in het laatste der dagen, dat de berg van het huis des HEEREN zal vastgesteld zijn op den top der bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen; en tot denzelven zullen alle heidenen toevloeien.”
— Jesaja 2:2
Micha zegt hetzelfde:
“Maar in het laatste der dagen zal het geschieden, dat de berg van het huis des HEEREN zal vastgesteld zijn op den top der bergen…”
— Micha 4:1
Daarom is “berg der samenkomst” geen lichte uitdrukking.
Jesaja 14 spreekt over Satan die zich wil zetten op die plaats van hemelse samenkomst, aan de zijden van het noorden.
Hij wil zitten waar hij niet mag zitten.
Hij wil verhogen wat niet aan hem toekomt.
Hij wil de plaats van hoogste regering en samenkomst.
Het noorden is hier verbonden met die heilige en hemelse hoogte.
Verhoging komt niet uit oost, west of woestijn
Psalm 75 voegt een opmerkelijke tekst toe.
“Want de verhoging komt niet uit het oosten, noch uit het westen, noch uit de woestijn.”
— Psalm 75:7
Daarna:
“Maar God is Rechter; Hij vernedert dezen, en verhoogt genen.”
— Psalm 75:8
Psalm 75 zegt niet met deze woorden:
“De verhoging komt uit het noorden.”
Maar de tekst is wel opvallend.
Verhoging komt niet uit:
- het oosten;
- het westen;
- de woestijn.
De woestijn wordt in de Bijbelse landkaart vaak verbonden met het zuiden of zuidelijke woestijngebied. De tekst sluit dus oost, west en woestijnrichting uit als bron van verhoging.
Daarna zegt de psalm:
“Maar God is Rechter.”
Dus de bron van verhoging is God.
Nu wordt het opvallend wanneer Psalm 75 naast Psalm 48 en Jesaja 14 wordt gelegd.
Psalm 48 verbindt Sion, de stad van de grote Koning, met de zijden van het noorden.
Jesaja 14 verbindt de berg der samenkomst, troonhoogte en sterren Gods met de zijden van het noorden.
Psalm 75 zegt dat verhoging niet uit oost, west of woestijn komt, maar van God, de Rechter.
De Schrift maakt het noorden dus niet tot een gewone richting zonder betekenis. In de context van Sion, troon, samenkomst en verhoging wordt het noorden opvallend geladen met koninklijke en hemelse betekenis.
God is Rechter
Psalm 75 zegt:
“Maar God is Rechter; Hij vernedert dezen, en verhoogt genen.”
— Psalm 75:8
Dat is de kern.
Niet het noorden zelf verhoogt.
Niet een richting is God.
Niet een plaats regeert los van de HEERE.
God is Rechter.
Hij vernedert.
Hij verhoogt.
Dat is belangrijk.
Als er gesproken wordt over het noorden en de troon van God, dan wordt het noorden niet aanbeden.
God wordt aanbeden.
Het noorden is geen goddelijke macht.
Het noorden is een door God gebruikte richting in Zijn Schriftuurlijke hemeltaal.
De richting heeft betekenis omdat God haar betekenis geeft.
De heerlijkheid komt van het noorden
Nu komen we bij Ezechiël 1.
Dit is het hoogtepunt van het artikel.
Ezechiël zegt:
“Toen zag ik, en ziet, een stormwind kwam van het noorden, een grote wolk, en een vuur daarin vervangen, en een glans was rondom die wolk; en uit het midden daarvan was als de verf van Hasmal, uit het midden des vuurs.”
— Ezechiël 1:4
Let op:
“een stormwind kwam van het noorden”
Daarna ziet Ezechiël:
- een grote wolk;
- vuur;
- glans;
- levende wezens;
- raderen;
- een kristalachtig uitspansel;
- een troon boven het uitspansel;
- de heerlijkheid des HEEREN.
Dat betekent dat Ezechiël 1 de komst van Gods heerlijkheid in het gezicht verbindt met het noorden.
Dit is niet zomaar “slecht nieuws uit het noorden” zoals in sommige Jeremia-teksten over oordeel.
Dit is de verschijning van de heerlijkheid des HEEREN.
Ezechiël ziet een stormwind komen van het noorden, en uit die verschijning ontvouwt zich de troonwagen van God.
Dat is buitengewoon belangrijk.
De cherubs, het uitspansel en de troon
Ezechiël ziet vier levende wezens.
Later verklaart hij dat het cherubs zijn:
“Dit is het dier, dat ik zag onder den God Israëls, aan de rivier Chebar; en ik bekende, dat het cherubs waren.”
— Ezechiël 10:20
Dus het gaat niet om gewone dieren of mensen.
Het zijn cherubs: hemelse troonwezens.
Boven hun hoofden ziet Ezechiël:
“de gelijkenis eens uitspansels, gelijk de kleur van het schrikkelijk kristal…”
— Ezechiël 1:22
Daarna:
“En boven het uitspansel, dat boven hun hoofd was, was de gelijkenis eens troons, als de gedaante van een saffiersteen…”
— Ezechiël 1:26
Hier is de structuur:
- cherubs beneden;
- kristalachtig uitspansel boven hen;
- troon boven het uitspansel;
- heerlijkheid des HEEREN op de troon.
En hoe begint het gezicht?
“een stormwind kwam van het noorden”
Dat is sterk.
Het noorden wordt hier verbonden met de verschijning van de hemelse troonorde.
De boog rondom de heerlijkheid
Ezechiël 1 eindigt met de glans rondom de heerlijkheid des HEEREN.
“Gelijk de gedaante van den boog, die in de wolk is ten dage des plasregens, alzo was de gedaante van den glans rondom. Dit was de gedaante van de gelijkenis der heerlijkheid des HEEREN…”
— Ezechiël 1:28
In het vorige artikel zagen we hoe belangrijk dit is.
De regenboog wordt verbonden met de glans rondom Gods heerlijkheid.
Maar hier moet de hele Ezechiël-lijn gezien worden:
- van het noorden komt de stormwind;
- wolk, vuur en glans verschijnen;
- cherubs dragen de troonwagen;
- boven hen is het kristalachtige uitspansel;
- boven het uitspansel is de troon;
- rondom de heerlijkheid is boogachtige glans.
Dit is één van de meest complete hemelse beelden in de Schrift.
En het begint:
“van het noorden”
Daarom kan het noorden in Bijbelse kosmologie niet worden genegeerd.
Noorden en oordeel
Er is nog een andere lijn.
In de profeten komt oordeel vaak uit het noorden.
Jeremia zegt:
“Uit het noorden zal zich dit kwaad opdoen over alle inwoners des lands.”
— Jeremia 1:14
En:
“Want ziet, Ik roep alle geslachten der koninkrijken van het noorden, spreekt de HEERE…”
— Jeremia 1:15
Ook:
“Want Ik breng een kwaad aan van het noorden, en een grote breuk.”
— Jeremia 4:6
Historisch gaat dit vaak over vijanden die vanuit het noorden komen, zoals Babel.
Maar theologisch is het opvallend dat het noorden ook in oordeelstaal gewicht krijgt.
Het noorden is in de Schrift dus verbonden met:
- troonhoogte;
- Sion;
- samenkomst;
- heerlijkheid;
- maar ook oordeel.
Dat past bij God als Rechter.
De troon is plaats van heerlijkheid én oordeel.
God verhoogt en vernedert.
Hij is Rechter.
Daarom is het niet vreemd dat noorden zowel koninklijke als oordeelstaal kan dragen.
Het noorden als centrumrichting
Binnen een platte-aarde/firmamentmodel krijgt het noorden een bijzondere betekenis.
In zo’n model is het noorden niet zomaar één richting naast de andere.
Het noorden is centrumgericht.
Wie naar het noorden gaat, beweegt richting het middelpunt van de cirkel.
Zuid is dan naar buiten toe, richting de uiterste rand.
Oost en west zijn rondgaande richtingen.
Dat betekent dat het noorden in zo’n wereldbeeld vanzelf een centrale richting wordt.
Daarom is het opvallend dat de Schrift juist het noorden verbindt met zulke zware woorden:
- Sion aan de zijden van het noorden;
- de berg der samenkomst aan de zijden van het noorden;
- troonhoogte boven de sterren Gods;
- verhoging die niet uit oost, west of woestijn komt;
- de heerlijkheid des HEEREN die in Ezechiël 1 van het noorden komt.
De Bijbel zegt niet in één technische zin:
“Het noorden is het middelpunt van een cirkelvormige aarde.”
Maar wanneer de Schrift tegelijk spreekt over einden der aarde, vier winden, een gegronde aarde onder het uitspansel, en daarna het noorden verbindt met Sion, samenkomst, troonhoogte en Gods heerlijkheid, dan past dit buitengewoon natuurlijk bij een wereldbeeld waarin het noorden centrumgericht is.
Dat is een belangrijk punt.
In een bolmodel is noord uiteindelijk een richting over een boloppervlak naar een geografische pool.
Maar binnen het Bijbelse firmamentmodel krijgt noord veel meer gewicht: het wordt centrumrichting, richting van hoogte, samenkomst, troon en heerlijkheid.
Is het noorden het middelpunt?
De Bijbel zegt niet in één losse zin:
“Het noorden is het exacte middelpunt van de aarde.”
Maar de Schrift geeft wel opvallende gegevens.
Job 26 spreekt over God Die het noorden uitbreidt over het woeste.
Psalm 48 verbindt Sion, stad van de grote Koning, met de zijden van het noorden.
Jesaja 14 verbindt de berg der samenkomst, sterren Gods en troonhoogte met de zijden van het noorden.
Psalm 75 sluit oost, west en woestijn uit als bron van verhoging en wijst naar God als Rechter.
Ezechiël 1 ziet de heerlijkheid des HEEREN komen van het noorden, met cherubs, kristalachtig uitspansel en troon.
Dat is een zware Schriftlijn.
Daarom is het zeer begrijpelijk dat iemand vanuit het Bijbelse wereldbeeld het noorden ziet als een bijzondere richting van hoogte, samenkomst, troon en goddelijke heerlijkheid.
Binnen het platte-aarde/firmamentmodel wordt dit nog logischer, omdat noord daar centrumgericht is.
De sterkste formulering is deze:
De Schrift tekent niet elk technisch detail uit, maar zij geeft het noorden een opvallende plaats in haar hemelse en koninklijke taal. Het noorden is verbonden met uitspanning, Sion, de berg der samenkomst, sterren Gods, troonhoogte, verhoging, oordeel en de komst van Gods heerlijkheid. Binnen een firmamentmodel past dit bijzonder natuurlijk bij het noorden als centrumrichting.
Dat is scherp en eerlijk.
Noorden en Gods troon
Kan gezegd worden dat Gods troon met het noorden verbonden is?
Ja, in de zin van Schriftlijn.
Niet als een simplistische technische locatiezin.
Wel als Bijbelse samenhang.
Psalm 48:
“aan de zijden van het noorden, de stad des groten Konings”
Jesaja 14:
“mijn troon boven de sterren Gods… de berg der samenkomst aan de zijden van het noorden”
Ezechiël 1:
“een stormwind kwam van het noorden”
en daarna:
“boven het uitspansel… de gelijkenis eens troons”
Dat is genoeg om te zeggen:
De Bijbel verbindt het noorden opvallend met de sfeer van Gods troon, Gods stad, Gods samenkomst en Gods heerlijkheid.
Dat is een zeer sterke conclusie.
Wat dit doet met het Bijbelse wereldbeeld
Tot nu toe heeft de serie laten zien:
- de aarde is gegrond;
- het uitspansel is boven de aarde;
- wateren zijn boven het uitspansel;
- zon, maan en sterren zijn in het uitspansel;
- sterren zijn verbonden met het hemelse heir;
- de hemelen zijn vast als een gegoten spiegel;
- Ezechiël ziet een kristalachtig uitspansel;
- Openbaring toont een glazen zee als kristal voor de troon;
- de regenboog staat rondom Gods troon;
- en nu: het noorden wordt verbonden met Sion, samenkomst, sterren Gods, troonhoogte en Gods heerlijkheid.
Dit is geen moderne lege ruimte.
Dit is een geordende, verticale, hemelse werkelijkheid.
Aarde beneden.
Uitspansel boven.
Troon boven het uitspansel.
God in de hemel.
En het noorden krijgt in die orde bijzondere betekenis.
Dat maakt de komende conclusie van de serie sterker.
Wij zijn niet bezig met losse verzen.
Wij zien hoe de Schrift zelf haar wereldbeeld opbouwt.
Het noorden is niet het Evangelie
Toch moet dit duidelijk zijn.
Een mens wordt niet gered door de betekenis van het noorden te begrijpen.
Een mens wordt niet behouden door een kosmologisch model.
Een mens wordt behouden door geloof in de Heere Jezus Christus.
“Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden…”
— Handelingen 16:31
Dit onderwerp raakt Schriftgezag, schepping, hemeltaal en Gods troon.
Maar het Evangelie blijft:
“Christus is gestorven voor onze zonden, naar de Schriften; en dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften.”
— 1 Korinthe 15:3–4
Toch is het niet onbelangrijk hoe de Schrift wordt gelezen.
Want dezelfde Bijbel die spreekt over Christus als Redder, spreekt ook over hemel en aarde, uitspansel, wateren boven, sterren, troon, Sion en noorden.
Wij mogen niet zeggen:
“Wij geloven de Bijbel over zaligheid, maar corrigeren haar zodra zij over de schepping spreekt.”
God liegt nergens.
Christus, de ware Koning van Sion
Psalm 48 spreekt over:
“de stad des groten Konings”
— Psalm 48:3
Christus is die Koning.
Hij is de Zoon van David.
Hij is de Koning van Israël.
Hij is de Koning der koningen.
Psalm 2 zegt:
“Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid.”
— Psalm 2:6
En:
“Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne…”
— Psalm 2:12
Dat is de hoogste lijn.
Sion wijst naar de Koning.
De troon wijst naar de Koning.
De berg van heiligheid wijst naar de Koning.
De stad van de grote Koning wijst naar Christus.
Satan zei in Jesaja 14:
“Ik zal ten hemel opklimmen…”
— Jesaja 14:13
Maar Christus daalde neer.
Satan zei:
“ik zal mijn troon boven de sterren Gods verhogen…”
— Jesaja 14:13
Maar Christus vernederde Zich.
“Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn; maar heeft Zichzelven vernietigd…”
— Filippenzen 2:6–7
Satan wilde opklimmen tot een troon die hem niet toekwam.
Christus ging vrijwillig naar het kruis.
En juist daarom heeft God Hem uitermate verhoogd:
“Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is.”
— Filippenzen 2:9
Dat is de ware verhoging.
De valse hoogmoed zegt:
“Ik zal opklimmen.”
Christus daalde neer.
De valse hoogmoed zegt:
“Ik zal mijn troon verhogen.”
Christus gehoorzaamde tot de dood.
Daarom is Christus de ware Koning.
Slot
Het noorden krijgt in de Schrift een opvallende plaats.
Job spreekt over het noorden dat God uitbreidt over het woeste.
Psalm 48 noemt Sion aan de zijden van het noorden.
Jesaja 14 toont satanische hoogmoed gericht op de berg der samenkomst aan de zijden van het noorden.
Psalm 75 zegt dat verhoging niet uit oost, west of woestijn komt, maar dat God Rechter is.
Ezechiël ziet de heerlijkheid van God komen van het noorden.
Dat bewijst niet dat ieder detail technisch kan worden vastgelegd. Maar het maakt het wel onmogelijk om het noorden als betekenisloze richting te behandelen.
De lijn eindigt niet bij een richting.
Zij eindigt bij de Koning van Sion:
Christus.
Hij is de ware Koning.
Hij is de hoogste Verhoogde.
Hij is de Zoon Die gekust moet worden.
Hij is de Redder van ieder die in Hem gelooft.