Licht uit het noorden?

Job zegt: uit het noorden komt goud; bij God is een vreselijke majesteit.

Licht uit het noorden?

Job zegt: uit het noorden komt goud; bij God is een vreselijke majesteit.

De moderne term noorderlicht staat niet in de Bijbel. Maar Job 37 spreekt over licht in de hemelse sfeer en goud uit het noorden, terwijl Ezechiël 1 wolk, vuur en glans uit het noorden toont. Binnen het Bijbelse firmamentmodel past het noorderlicht als licht van hemelse heerlijkheid uit de noordelijke troonrichting.

Het noorderlicht en de Bijbel: licht uit het noorden?

De Bijbel noemt het noorderlicht niet bij moderne naam, maar spreekt wel over noorden, licht, goud, wolk, vuur, glans en majesteit.

De Bijbel gebruikt de moderne term noorderlicht niet.


Dat moet eerlijk blijven staan.


De Schrift zegt nergens letterlijk:


“Dit is het noorderlicht.”


Maar daarmee is het onderwerp niet klaar.


De Bijbel spreekt wél over:


  • licht in de hemelse sfeer;
  • wolken;
  • wind;
  • vuur;
  • glans;
  • goud uit het noorden;
  • Gods vreselijke majesteit;
  • een kristalachtig uitspansel;
  • een saffierachtige troon;
  • een regenboog rondom de troon;
  • en de heerlijkheid des HEEREN.


Vooral Job 37 en Ezechiël 1 zijn hierin zwaar.


Niet omdat zij een moderne technische beschrijving van het noorderlicht geven.


Maar omdat zij precies die Bijbelse categorieën samenbrengen waarin licht aan de noordelijke hemel onderzocht moet worden.


De vraag is daarom niet eerst:


Staat het woord noorderlicht letterlijk in de Bijbel?


De betere vraag is:


Geeft de Schrift een duidelijke lijn waardoor licht uit de noordelijke hemelse richting Schriftuurlijk te plaatsen is?


Binnen het moderne bol-aarde/ruimte-model wordt het noorderlicht verklaard vanuit een ander kader: aarde als bol, ruimte daaromheen, magnetische velden, zonnewind en atmosferische lagen.


Deze serie vertrekt echter niet vanuit dat model.


Deze serie vertrekt vanuit de Schrift:


  • aarde beneden;
  • uitspansel boven;
  • wateren boven het uitspansel;
  • hemellichten in het uitspansel;
  • hemelen vast als een gegoten spiegel;
  • Gods troon boven de hemelen.


Binnen dat Bijbelse wereldbeeld is het noorderlicht geen verschijnsel “ergens in de ruimte rond een bol”.


Het is licht aan de noordelijke hemel, binnen Gods geschapen wereld onder het firmament.


Dan wordt de vraag scherp:


Wat is dat licht uit het noorden?


De Schrift geeft geen losse moderne theorie.


De Schrift geeft een lijn.


En die lijn is sterk.



Geen moderne term, wel Bijbelse categorieën


De Bijbel spreekt niet in moderne termen als noorderlicht, magnetosfeer of ruimteweer.


De Bijbel spreekt met haar eigen woorden:


  • hemel;
  • uitspansel;
  • wolken;
  • wind;
  • licht;
  • vuur;
  • glans;
  • goud;
  • noorden;
  • majesteit;
  • troon;
  • heerlijkheid.


Daarom moet de Schrift in haar eigen taal spreken.

“En God noemde het uitspansel hemel.”

— Genesis 1:8


“Hebt gij met Hem de hemelen uitgespannen, die vast zijn als een gegoten spiegel?”

— Job 37:18


“Uit het noorden komt goud; bij God is een vreselijke majesteit.”

— Job 37:22

Dat is de taal waarin dit onderwerp onderzocht moet worden.


Niet eerst het moderne model.


Eerst de Schrift.



De term ontbreekt, maar de onderdelen staan er


Dat de term noorderlicht ontbreekt, is geen sterk argument tegen dit onderzoek.


De Bijbel gebruikt ook niet de moderne term “firmamentmodel”.


Toch spreekt zij duidelijk over:


  • het uitspansel;
  • wateren boven het uitspansel;
  • lichten in het uitspansel;
  • vaste hemelen;
  • een glazen zee;
  • Gods troon boven de hemelen.


Zo is het ook hier.


De Bijbel zegt niet letterlijk:


“noorderlicht.”


Maar zij spreekt wel over de onderdelen die voor dit onderwerp beslissend zijn.


Job 37 spreekt over licht in de hemelse sfeer en zegt daarna:

“Uit het noorden komt goud; bij God is een vreselijke majesteit.”
— Job 37:22

Ezechiël 1 spreekt over een stormwind uit het noorden, een grote wolk, vuur en glans:

“Toen zag ik, en ziet, een stormwind kwam van het noorden, een grote wolk, en een vuur daarin vervangen, en een glans was rondom die wolk; en uit het midden daarvan was als de verf van Hasmal, uit het midden des vuurs.”
— Ezechiël 1:4

Openbaring 4 spreekt over een regenboog rondom Gods troon, in het aanzien van smaragd:

“En een regenboog was rondom den troon, in het aanzien den steen smaragd gelijk.”
— Openbaring 4:3

Psalm 104 spreekt over God Die Zich met licht bedekt en de hemel uitrekt als een gordijn:

“Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt den hemel uit als een gordijn.”
— Psalm 104:2

Dus ja: de moderne term ontbreekt.


Maar de Schriftuurlijke bouwstenen staan er:


noorden, licht, wolk, goud, vuur, glans, smaragd, regenboog, gordijn, troon en majesteit.


Dat is geen zwakte.


Dat is precies hoe de Schrift vaak werkt.


Zij geeft niet altijd moderne termen, maar zij geeft wel de geestelijke en scheppingsmatige werkelijkheid erachter.



Het noorderlicht als waarneming


Eenvoudig gesteld: het noorderlicht verschijnt als licht aan de noordelijke hemel.


Het kan groenachtig, roodachtig, blauwachtig, paars, wit of goudachtig zichtbaar zijn.


Het verschijnt vaak als gordijnen, stralen of bogen.


Het beweegt, flikkert en danst aan de hemel.


Dat is de waarneming.


Daarna moet de Schrift geopend worden.


Wat zegt de Bijbel over noorden, licht, wolk, vuur, glans, goud en majesteit?



Job 37: het hoofdstuk dat alles samenbrengt


Job 37 is waarschijnlijk de sleuteltekst voor dit onderwerp.


Niet omdat één vers alles technisch verklaart.


Maar omdat het hele hoofdstuk spreekt over Gods stem, donder, sneeuw, regen, wolken, licht, wind, hemelen en majesteit.


Elihu zegt:

“Hij zendt het uit onder den gansen hemel, en Zijn licht over de einden der aarde.”
— Job 37:3

Daarna verbindt hij wolken en licht:

“Ook vermoeit Hij de dikke wolk door klaarheid; Hij verstrooit de wolk Zijns lichts.”
— Job 37:11

En:

“Weet gij, hoe God die op dezelve legt, en het licht Zijner wolk doet schijnen?”
— Job 37:15

De Schrift spreekt hier dus over:


  • Gods licht onder de ganse hemel;
  • de wolk van Zijn licht;
  • het licht van Zijn wolk.


Licht en wolk horen in Job 37 dicht bij elkaar.


Dat is precies de sfeer waarin een hemels lichtverschijnsel onderzocht moet worden.



De hemelen als gegoten spiegel


Daarna komt Job 37:18:

“Hebt gij met Hem de hemelen uitgespannen, die vast zijn als een gegoten spiegel?”
— Job 37:18

In de grondtekst wordt dit nog krachtiger.


Voor “hemelen” staat hier שְׁחָקִים — sheḥāqîm.


Dat woord wijst op de hoge hemelen, de wolkenhemel, de hemelse sfeer boven ons. Het is niet de taal van een leeg vacuüm.


Bij “uitgespannen” staat een werkwoord uit de stam רקע — rāqaʿ.


Dat is dezelfde woordfamilie als רָקִיעַ — rāqîaʿ, het uitspansel van Genesis 1.


Die stam draagt de gedachte van uitslaan, uitspreiden, uitrekken, uitkloppen — zoals metaal tot een plaat wordt uitgeslagen.


Daarna staat חֲזָקִים — ḥăzāqîm: sterk, stevig, vast.


En:


כִּרְאִי מוּצָק — kî-rəʾî mûṣāq


Dat betekent: als een gegoten spiegel.


Job 37:18 zegt dus in zeer concrete taal:


Hebt gij met Hem de hemelse sferen uitgespreid, vast en sterk als een gegoten spiegel?


Dit is geen taal van leegte.


Dit is geen taal van een oneindig vacuüm.


Dit is taal van een vaste, spiegelachtige hemelse werkelijkheid.


En in datzelfde hoofdstuk gaat het over licht in wolken, licht dat in de hemelse sfeer blinkt, goud uit het noorden en Gods vreselijke majesteit.


Dat moet blijven staan.



Licht dat in de hemelse sfeer blinkt


Job 37:21 zegt:

“En nu, men ziet het licht niet, dat in de wolken blinkt; maar de wind gaat door, en zuivert ze.”
— Job 37:21

Ook hier staat opnieuw sheḥāqîm.


In vers 18 zijn de sheḥāqîm vast als een gegoten spiegel.


In vers 21 blinkt er licht in diezelfde hemelse sfeer.


Job 37 verbindt dus in één hoofdstuk:


  • vaste hemelen;
  • spiegelachtige structuur;
  • licht dat daarin blinkt;
  • wind die zuivert;
  • goud uit het noorden;
  • Gods vreselijke majesteit.


Dat is zeer sterk.


Het gaat niet zomaar over gewone wolken als losse weersverschijnselen.


De tekst beweegt in de sfeer van Gods hemelse macht, scheppingsorde en majesteit.



Uit het noorden komt goud


Dan volgt Job 37:22:

“Uit het noorden komt goud; bij God is een vreselijke majesteit.”
— Job 37:22

In het Hebreeuws staat:


מִצָּפוֹן זָהָב יֶאֱתֶה
miṣṣāfôn zāhāb yeʾĕteh


Letterlijk:


Uit het noorden komt goud.


Of:


Vanuit het noorden komt gouden glans.


צָפוֹן — ṣāfôn betekent noorden.


זָהָב — zāhāb betekent goud.


Daarna staat:


עַל־אֱלוֹהַּ נוֹרָא הוֹד
ʿal-ʾĕlôah nôrāʾ hôd


Dat wijst op ontzagwekkende majesteit, vreselijke heerlijkheid, pracht en glans bij God.


Dus Job 37:21–22 geeft deze beweging:


  • licht blinkt in de hemelse sfeer;
  • de wind zuivert;
  • uit het noorden komt goud;
  • bij God is vreselijke majesteit.


Dat is onmogelijk achteloos voorbij te gaan wanneer gevraagd wordt naar licht aan de noordelijke hemel.


De tekst zegt niet:


“aurora borealis.”


Maar hij zegt wel:


“Uit het noorden komt goud; bij God is een vreselijke majesteit.”


Dat klinkt niet als een losse flodder.


Dat klinkt als een richting.


Dat klinkt als hemelse glans uit het noorden, verbonden met Gods majesteit.



Job 37 geeft geen leeg natuurverschijnsel


Job 37 laat het licht niet los zweven als een neutraal natuurverschijnsel.


Het hoofdstuk begint met Gods stem en donder.


Het spreekt over sneeuw, regen, wolken, wind en licht.


Het spreekt over hemelen die uitgespannen en vast zijn als een gegoten spiegel.


Het spreekt over licht dat in de hemelse sfeer blinkt.


En het eindigt bij:


“Uit het noorden komt goud; bij God is een vreselijke majesteit.”


Dat is één lijn.


Daarom moet Job 37 in dit onderzoek zwaar wegen.


Niet als moderne technische handleiding.


Maar als Schriftuurlijke categorie:


licht — wolk — vaste hemelen — spiegel — noorden — goud — majesteit van God.


Dat is precies de taal die nodig is om het noorderlicht Schriftuurlijk te plaatsen.



Ezechiël 1: uit het noorden komen wolk, vuur en glans


Job 37 is de sleutel.


Ezechiël 1 is de tweede grote pijler.

“Toen zag ik, en ziet, een stormwind kwam van het noorden, een grote wolk, en een vuur daarin vervangen, en een glans was rondom die wolk; en uit het midden daarvan was als de verf van Hasmal, uit het midden des vuurs.”
— Ezechiël 1:4

Let op de woorden:


  • stormwind uit het noorden;
  • grote wolk;
  • vuur;
  • glans rondom;
  • hasmal uit het midden van het vuur.


Dat zijn precies de woorden die in dit onderzoek gewicht hebben.


Niet omdat Ezechiël hier het noorderlicht benoemt.


Maar omdat hij de noordelijke richting verbindt met wolk, vuur, glans en daarna met de verschijning van Gods heerlijkheid.



Verderop ziet Ezechiël boven de levende wezens een uitspansel:

“En over de hoofden der dieren was de gelijkenis eens uitspansels, gelijk de kleur van het schrikkelijk kristal, van boven over hun hoofden uitgespreid.”
— Ezechiël 1:22

En boven dat uitspansel verschijnt de troon:

“En boven het uitspansel, dat boven hun hoofd was, was de gelijkenis eens troons, als de gedaante van een saffiersteen…”
— Ezechiël 1:26

Ezechiël geeft dus een duidelijke verticale orde:


  • noordelijke stormwind;
  • wolk;
  • vuur;
  • glans;
  • levende wezens;
  • kristalachtig uitspansel;
  • saffierachtige troon;
  • heerlijkheid des HEEREN.


Dat is geen moderne lege ruimte.


Dat is een levende hemelse troonorde.


En het gezicht begint:


“van het noorden.”



Hasmal, vuur en glans


Ezechiël 1:4 noemt:


“als de verf van Hasmal, uit het midden des vuurs.”


Het Hebreeuwse woord is חַשְׁמַל — ḥašmal.


Het wordt in Ezechiël gebruikt in de sfeer van Gods heerlijkheidsverschijning.


Het duidt op iets schitterends, glanzends, vuurgeladens, metaalachtig of amberachtig.


Ezechiël 1 gebruikt dus geen vlakke taal.


Het is taal van stralende hemelse heerlijkheid:


  • vuur;
  • glans;
  • schittering;
  • metaalachtige helderheid;
  • beweging;
  • wolk;
  • troon.


Dat maakt Ezechiël 1 nog belangrijker.


De noordelijke richting wordt verbonden met een zichtbare, vuurgeladen, glanzende heerlijkheidsverschijning.



Boogglans, vuurglans en regenboogglans


Ezechiël beschrijft de heerlijkheid van de HEERE met taal van vuur, glans en regenboog:

“Gelijk de gedaante van den boog, die in de wolk is ten dage des plasregens, alzo was de gedaante van den glans rondom; dit was de gedaante van de gelijkenis der heerlijkheid des HEEREN…”
— Ezechiël 1:28

Hier komen opnieuw dezelfde lijnen samen:


  • wolk;
  • boog;
  • glans rondom;
  • heerlijkheid des HEEREN.


Openbaring 4 sluit daar opvallend op aan:

“En een regenboog was rondom den troon, in het aanzien den steen smaragd gelijk.”
— Openbaring 4:3

Smaragd is groenachtig.


Dat betekent niet dat elke groene kleur aan de hemel daarmee volledig technisch verklaard is.


Maar het is wel opvallend dat de Schrift rondom Gods troon spreekt over boogglans, en dat die boogglans in Openbaring smaragdachtig wordt beschreven.


Daarmee ontstaat geen moderne formule.


Maar wel een duidelijke Schriftlijn:


hemelse glans — boog — groenachtige schittering — troon — majesteit.



Licht als kleed en hemel als gordijn


Psalm 104 voegt nog een belangrijke lijn toe:

“Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt den hemel uit als een gordijn.”
— Psalm 104:2

God wordt hier beschreven als bekleed met licht.


Tegelijk wordt de hemel uitgerekt als een gordijn.


Dat past opvallend bij een lichtverschijnsel dat zich aan de hemel toont als gordijnachtige glans.


Niet omdat Psalm 104 de moderne term noorderlicht gebruikt.


Maar omdat de Bijbelse taal van licht en uitgespannen hemel zeer dicht bij de waarneming komt.


God bedekt Zich met licht.


God rekt de hemel uit als een gordijn.


Het noorderlicht verschijnt als lichtgordijn aan de noordelijke hemel.


Dat is geen bewijs uit één woord.


Dat is Schriftlijn.



Het noorden, Sion en Gods troon


De richting noorden staat in de Schrift niet neutraal.


Psalm 48 zegt:

“Schoon van gelegenheid, een vreugde der ganse aarde is de berg Sion, aan de zijden van het noorden, de stad des groten Konings.”
— Psalm 48:3

Jesaja 14 laat zien dat de gevallen morgenster juist die noordelijke troonrichting begeerde:

“Ik zal mijn troon boven de sterren Gods verhogen; en ik zal mij zetten op den berg der samenkomst aan de zijden van het noorden.”
— Jesaja 14:13

Dit betekent niet dat elk gebruik van “noorden” automatisch Gods troon aanduidt.


Maar het laat wel zien dat de Schrift het noorden verbindt met:


  • Sion;
  • de stad van de grote Koning;
  • de berg der samenkomst;
  • troonhoogte;
  • sterren Gods;
  • hemelse opklimming.


Daarom is Job 37:22 zo zwaar.


Daar staat niet alleen “noorden”.


Daar staat:


“Uit het noorden komt goud; bij God is een vreselijke majesteit.”


Binnen de Schrift is dat geen lege windrichting.


Het noorden draagt hemelse en koninklijke betekenis.



Binnen het firmamentmodel worden de opties smaller


Binnen het moderne ruimtebeeld wordt het noorderlicht verklaard vanuit zonnewind, magnetische velden, magnetosfeer, ruimte rond een bol en atmosferische lagen rondom die bol.


Maar die uitleg hoort bij dat moderne model.


Zij staat of valt met een aarde als bol in een ruimteomgeving, met verschillende sferen, lagen en krachten daaromheen.


Binnen het Bijbelse firmamentmodel kan die verklaring niet zomaar worden overgenomen.


Dat is geen klein punt.


De Schrift geeft geen aarde als bol met daaromheen ruimte, magnetosfeer en atmosferische schillen.


De Schrift geeft een andere orde:


aarde beneden;


uitspansel boven;


wateren boven het uitspansel;


hemellichten in het uitspansel;


hemelen vast als een gegoten spiegel;


Gods troon boven de hemelen.


Daarom moet het noorderlicht binnen het Bijbelse model opnieuw vanuit de Schrift worden bekeken.


Niet als ruimteverschijnsel rond een globe.


Niet als effect in allerlei moderne sferen rondom een bol.


Maar als licht aan de noordelijke hemel onder het firmament.


En juist die noordelijke hemel wordt in de Schrift verbonden met goud, majesteit, wolk, vuur, glans, troon, sterren Gods en de berg der samenkomst.


Daarom worden de opties smaller.


De meest samenhangende Schriftlijn is dat het noorderlicht past als zichtbaar lichtgetuigenis aan de noordelijke hemel, verbonden met Gods majesteit en de glans van de hemelse werkelijkheid.



Is het rechtstreeks licht van Gods troon?


Hier moet de formulering precies blijven.


De Bijbel zegt niet letterlijk:


“Het noorderlicht is rechtstreeks licht van Gods troon.”


Die zin staat niet in de Schrift.


Maar de Schrift zegt wel:

“Uit het noorden komt goud; bij God is een vreselijke majesteit.”
— Job 37:22

En:

“een stormwind kwam van het noorden, een grote wolk, en een vuur daarin vervangen, en een glans was rondom die wolk…”
— Ezechiël 1:4

En:

“een regenboog was rondom den troon, in het aanzien den steen smaragd gelijk.”
— Openbaring 4:3

En:

“Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt den hemel uit als een gordijn.”
— Psalm 104:2

Binnen de Schriftlijn is het noorderlicht daarom niet zomaar “licht”.


Het is licht aan de noordelijke hemel, precies in de richting die de Schrift verbindt met goud, wolk, vuur, glans, troon, heerlijkheid en vreselijke majesteit.


Als de moderne ruimteverklaring binnen het Bijbelse firmamentmodel niet als uitgangspunt kan dienen, dan blijft de Schriftlijn des te sterker staan: noordelijke hemelse glans in verband met Gods majesteit.


Daarom is de sterke conclusie:


Binnen het Bijbelse wereldbeeld past het noorderlicht zeer krachtig als zichtbaar licht van hemelse heerlijkheid uit de noordelijke troonrichting van God.



Wat mogen we zeggen?


We mogen zeggen:


De Bijbel noemt het noorderlicht niet bij moderne naam.


De Bijbel noemt wel de richting, het licht, de wolk, het goud, het vuur, de glans, de smaragdgroene boog, het hemelse gordijn en de majesteit van God.


Job 37 verbindt licht in de hemelse sfeer met goud uit het noorden en Gods majesteit.


Ezechiël 1 verbindt het noorden met wolk, vuur, glans, uitspansel en troon.


Openbaring 4 toont smaragdachtige boogglans rondom Gods troon.


Psalm 104 spreekt over God Die Zich met licht bedekt en de hemel uitrekt als een gordijn.


Binnen het Bijbelse firmamentmodel past het noorderlicht zeer sterk als lichtgetuigenis aan de noordelijke hemel.


Dat is eerlijk.


Dat is krachtig.


Dat is Schriftgericht.



Wat moeten we niet zeggen?


We moeten niet doen alsof de Bijbel een moderne technische beschrijving van het noorderlicht geeft.


We moeten niet doen alsof elke kleur, elke beweging en elke vorm volledig is uitgelegd.


We moeten niet van een waarneming een nieuw dogma maken.


Maar we moeten ook niet doen alsof de Schrift niets zegt.


Want zij spreekt juist met woorden die hier beslissend zijn:


licht, wolk, noorden, goud, vuur, glans, majesteit, troon en heerlijkheid.



De sterkste Schriftlijn


Samengevat ontstaat deze lijn:


Job 37


  • licht onder de ganse hemel;
  • licht van Gods wolk;
  • hemelen vast als gegoten spiegel;
  • licht blinkt in de hemelse sfeer;
  • uit het noorden komt goud;
  • bij God is vreselijke majesteit.


Ezechiël 1


  • stormwind uit het noorden;
  • grote wolk;
  • flikkerend vuur;
  • glans rondom;
  • kristalachtig uitspansel;
  • saffierachtige troon;
  • boogachtige glans;
  • heerlijkheid des HEEREN.


Psalm 48 en Jesaja 14


  • Sion aan de zijden van het noorden;
  • berg der samenkomst aan de zijden van het noorden;
  • troon;
  • sterren Gods.


Openbaring 4


  • troon in de hemel;
  • smaragdachtige regenboog rondom de troon;
  • bliksemen uit de troon;
  • glazen zee als kristal.


Psalm 104


  • God bekleed met majesteit en heerlijkheid;
  • Hij bedekt Zich met licht als met een kleed;
  • Hij rekt de hemel uit als een gordijn.


Dat is de Schriftlijn.


En binnen die lijn is het noorderlicht buitengewoon passend.



Geen losse flodder, maar Schrift met Schrift


Een andere verklaring binnen het Bijbelse model wordt snel zwak.


“Het is gewoon licht.”


Maar welk licht?


“Het is gewoon natuur.”


Maar de Bijbel leert dat de natuur Gods handenwerk verkondigt.


“Het is een onbekend verschijnsel.”


Dat kan men zeggen, maar Job 37 en Ezechiël 1 geven meer richting dan dat.


“Het heeft niets met God te maken.”


Dat kan een Bijbellezer niet zeggen.


Want de hemelen vertellen Gods eer.

“De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.”
— Psalm 19:2

Daarom is de Schriftuurlijke verklaring niet een losse flodder.


Zij is de meest samenhangende lijn:


het noorderlicht is een zichtbaar lichtgetuigenis aan de noordelijke hemel, passend bij Gods majesteit, Zijn troonrichting en de glans van de hemelse werkelijkheid boven het firmament.



Geen aanbidding van het licht


Dit moet duidelijk blijven.


Wij aanbidden het noorderlicht niet.


Wij zoeken geen mystieke ervaring.


Wij maken van het licht geen god.


De Bijbel waarschuwt tegen aanbidding van hemellichten:

“Dat gij ook uw ogen niet opheft naar den hemel, en aanziet de zon, en de maan, en de sterren, het ganse heir des hemels, en wordt aangedreven, dat gij u voor die buigt en hen dient…”
— Deuteronomium 4:19

Het noorderlicht is niet God.


Het is schepping.


Maar schepping getuigt.


Wanneer een lichtgordijn aan de noordelijke hemel verschijnt, moet niet het licht aanbeden worden, maar de Schepper.



Christus, het ware Licht


Uiteindelijk moet elk licht in de schepping herinneren aan het ware Licht.

“In Hetzelve was het Leven, en het Leven was het Licht der mensen.”

— Johannes 1:4


“Dit was het waarachtige Licht, Hetwelk verlicht een iegelijk mens, komende in de wereld.”

— Johannes 1:9


“Ik ben het Licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben.”

— Johannes 8:12

Het noorderlicht kan indrukwekkend zijn.


Maar Christus is groter.


Het noorderlicht kan wijzen op hemelse glans.


Maar Christus is het ware Licht.


Het noorderlicht kan getuigen van Gods majesteit.



Maar Christus redt zondaren.

“Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven…”
— Johannes 3:36

Daarom eindigt dit onderzoek niet bij het verschijnsel.


Het eindigt bij Hem Die hemel en aarde gemaakt heeft, en Die zondaren eeuwig leven geeft door geloof in Hem.



Slot


De Bijbel noemt het noorderlicht niet bij moderne naam.


Maar zij noemt wel de richting, het licht, de wolk, het goud, het vuur, de glans, de smaragdgroene boog, het hemelse gordijn en de majesteit van God.


Job 37 spreekt over licht in de wolken, het licht van Gods wolk, hemelen vast als een gegoten spiegel, licht dat in de hemelse sfeer blinkt, en daarna:

“Uit het noorden komt goud; bij God is een vreselijke majesteit.”
— Job 37:22

Ezechiël 1 ziet een stormwind komen van het noorden, met grote wolk, vuur en glans, waarna het kristalachtige uitspansel, de saffierachtige troon en de heerlijkheid des HEEREN verschijnen.


Openbaring 4 toont een smaragdachtige regenboog rondom Gods troon.


Psalm 104 zegt dat God Zich bedekt met licht als met een kleed en de hemel uitrekt als een gordijn.


Binnen het Bijbelse firmamentmodel is het noorderlicht daarom geen vreemd ruimteverschijnsel rond een bol.


De moderne verklaring rust op een ander kosmologisch raamwerk: ruimte rondom een bol, magnetosfeer en atmosferische lagen.


De Schrift geeft dat raamwerk niet.


Zij geeft aarde beneden, uitspansel boven, vaste hemelen, wateren boven het uitspansel en Gods troon boven de hemelen.


Daarom moet het noorderlicht binnen de Schriftlijn gezien worden als licht aan de noordelijke hemel.


En de Schrift verbindt juist die noordelijke hemel met goud, vuur, wolk, glans, majesteit, troon en heerlijkheid.


Daarom is de sterkste Bijbelse verklaring:


het noorderlicht is een zichtbaar scheppingsgetuigenis van hemelse glans uit de noordelijke richting van Gods majesteit.


Niet als iets dat boven de Schrift uitgaat.


Maar als een Schriftuurlijke conclusie die sterker is dan losse menselijke theorieën.


De hemelen vertellen Gods eer.


Het uitspansel verkondigt Zijn handenwerk.


En wanneer goudachtig, groenachtig, vuurachtig licht aan de noordelijke hemel verschijnt, dan past het bij wat Job al zei:

“Uit het noorden komt goud; bij God is een vreselijke majesteit.”
— Job 37:22