Genesis noemt de zon het grote licht en de maan het kleine licht. De Bijbel spreekt over de zon die haar pad loopt, over zon en maan die stilstaan, en over de maan die haar schijnsel geeft. Dit artikel onderzoekt zon en maan vanuit de Schrift zelf.
Zon en maan volgens de Bijbel
De Schrift spreekt over zon en maan als lichten in het uitspansel, met hun eigen baan, schijnsel en heerschappij.
Genesis 1 heeft de basis gelegd.
God schiep hemel en aarde.
God maakte het uitspansel.
God scheidde wateren onder van wateren boven.
God noemde het uitspansel hemel.
God stelde de aarde vast in Zijn scheppingsorde.
Daarna lezen we op de vierde dag over zon, maan en sterren.
Niet als bijzaak.
Niet als decor.
Niet als zelfstandige machten.
Maar als door God gemaakte lichten, gesteld in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde.
“En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels, om scheiding te maken tussen den dag en tussen den nacht; en dat zij zijn tot tekenen, en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren.”
— Genesis 1:14
Dat is het uitgangspunt.
Wie wil weten wat zon en maan volgens de Bijbel zijn, moet niet beginnen met moderne theorieën over hemellichamen. Hij moet beginnen met Genesis.
Daarna moet Schrift met Schrift worden vergeleken.
Wat zegt Genesis?
Wat zegt Jozua?
Wat zeggen de Psalmen?
Wat zegt Prediker?
Wat zegt Habakuk?
Wat zegt Christus over zon en maan in de eindtijd?
De vraag is eenvoudig:
Wat leert de Bijbel zelf over zon en maan?
Lichten in het uitspansel des hemels
Genesis zegt:
“En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels…”
— Genesis 1:14
Dit is de eerste hoofdzaak.
Zon en maan worden in Genesis 1 niet voorgesteld als verre objecten in een eindeloze lege ruimte. Zij worden genoemd als:
“lichten in het uitspansel des hemels”
Het Hebreeuwse woord voor “lichten” is מְאֹרֹת — məʾōrōt. Dat zijn lichtgevers, lichtdragers, lichten. Genesis noemt zon, maan en sterren dus niet eerst “planeten”, “gasbollen” of “objecten in ruimte”, maar lichten.
En waar zijn die lichten?
“in het uitspansel des hemels”
Het uitspansel is in Genesis 1 het רָקִיעַ — rāqîaʿ, het door God gemaakte uitspansel dat wateren van wateren scheidt. God noemt dat uitspansel hemel. Zon en maan worden dus geplaatst in het uitspansel dat God hemel noemde.
Daarna zegt vers 15:
“En dat zij zijn tot lichten in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde; en het was alzo.”
— Genesis 1:15
En vers 17:
“En God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde.”
— Genesis 1:17
Dat wordt dus herhaald.
De lichten zijn:
- in het uitspansel des hemels;
- om licht te geven op de aarde.
De aarde is het doelgebied van hun licht.
Dat is belangrijk.
Genesis zegt niet dat de aarde er is om rond de zon te bewegen. Genesis zegt dat God de lichten stelt om licht te geven op de aarde.
De richting van de tekst is duidelijk: de hemellichten worden aangesteld ten dienste van Gods ordening op aarde.
Het grote licht en het kleine licht
Genesis zegt:
“En God maakte die twee grote lichten; dat grote licht tot heerschappij des daags, en dat kleine licht tot heerschappij des nachts; ook de sterren.”
— Genesis 1:16
De Bijbel noemt de zon:
“dat grote licht”
En de maan:
“dat kleine licht”
In de grondtekst wordt opnieuw de taal van lichtgevers gebruikt. De zon is het grote licht. De maan is het kleine licht.
De zon krijgt heerschappij over de dag.
De maan krijgt heerschappij over de nacht.
Daarna worden de sterren genoemd:
“ook de sterren.”
Dit is heel eenvoudig.
Zon, maan en sterren zijn lichten in het uitspansel, maar de zon en maan krijgen een bijzondere plaats als de twee grote lichten.
De Schrift zegt niet:
“De zon is een ster.”
De Schrift zegt ook niet:
“De maan is een donkere bol die alleen licht weerkaatst.”
De Schrift noemt de maan:
“dat kleine licht”
En Psalm 136 bevestigt dat:
“Dien, Die de grote lichten gemaakt heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.”
— Psalm 136:7
“De zon tot heerschappij op den dag; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.”
— Psalm 136:8
“De maan en sterren tot heerschappij in den nacht; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.”
— Psalm 136:9
De maan en sterren hebben dus heerschappij in de nacht.
De Bijbel spreekt over de maan als lichtgever.
Dat betekent niet dat wij elk technisch detail hoeven te verzinnen. Maar het betekent wel dat wij de Bijbelse taal niet mogen corrigeren voordat wij haar serieus hebben genomen.
De maan is in de Schrift een licht.
Tot tekenen, tijden, dagen en jaren
Genesis 1:14 zegt dat de lichten zijn:
“tot tekenen, en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren.”
Dat is zeer belangrijk.
Zon en maan zijn niet alleen lichtbronnen. Zij zijn door God gesteld voor ordening:
- tekenen;
- gezette tijden;
- dagen;
- jaren.
Het woord “tekenen” hoort bij de gedachte van zichtbare aanduidingen, signalen, tekenen die iets aanwijzen. Het woord “gezette tijden” wijst op door God bepaalde tijden, vastgestelde momenten, ordening in de tijd.
De Bijbel gebruikt zon en maan inderdaad voor tijd, feest, kalender en profetische tekenen.
Psalm 104 zegt:
“Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden; de zon weet haar ondergang.”
— Psalm 104:19
Let op.
De maan is gemaakt:
“tot de gezette tijden”
Dat sluit precies aan bij Genesis 1.
De zon:
“weet haar ondergang”
De Schrift spreekt over de zon alsof zij haar door God gestelde gang kent.
Dat is geen taal van chaos. Dat is taal van orde.
God heeft de zon en maan gesteld. Zij dienen Zijn tijden.
De zon beweegt in haar baan
Psalm 19 spreekt krachtig over de hemelen, het uitspansel en de zon.
“De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.”
— Psalm 19:2
Daarna zegt de psalm:
“Hij heeft in dezelve een tent gesteld voor de zon.”
— Psalm 19:5
En:
“Dewelke is als een bruidegom, uitgaande uit zijn slaapkamer; zij is vrolijk als een held, om het pad te lopen.”
— Psalm 19:6
Daarna:
“Haar uitgang is van het einde des hemels, en haar omloop tot aan de einden deszelven; en niets is verborgen voor haar hitte.”
— Psalm 19:7
Deze tekst moet langzaam gelezen worden.
De zon heeft:
- een tent in de hemelen;
- een uitgang;
- een pad om te lopen;
- een omloop;
- een baan van het einde des hemels tot de einden daarvan.
Het woord “omloop” geeft precies de kracht van de tekst weer: de zon heeft een rondgang, een kringloop, een door God gestelde baan.
De zon wordt voorgesteld als een bruidegom die uitgaat en als een held die zijn pad loopt.
Dat is de taal van beweging.
De tekst zegt niet dat de aarde draait, waardoor het lijkt alsof de zon beweegt.
De tekst zegt dat de zon haar pad loopt.
Wie de Schrift eerst laat spreken, moet dat laten staan.
Natuurlijk is Psalm 19 poëzie. Maar poëzie in de Schrift spreekt waarheid. En deze poëzie sluit precies aan bij Genesis 1: de zon is een licht in het uitspansel, gesteld om over de dag te heersen en licht te geven op de aarde.
Psalm 19 maakt dat beeld levend: de zon loopt haar door God gestelde baan in de hemelen.
De zon rijst op, gaat onder en haast zich naar haar plaats
Prediker zegt:
“Ook rijst de zon op, en de zon gaat onder, en zij hijgt naar haar plaats, waar zij oprees.”
— Prediker 1:5
Ook dit is eenvoudige Bijbelse taal.
De zon:
- rijst op;
- gaat onder;
- haast zich naar haar plaats;
- komt daar weer op.
Het is opnieuw de zon die actief beschreven wordt.
De tekst zegt niet:
“De aarde draait, waardoor het lijkt alsof de zon opkomt en ondergaat.”
De tekst zegt:
“de zon gaat onder”
en:
“zij hijgt naar haar plaats”
Dat woord “hijgt” is krachtig. Het stelt de zon voor als iets dat voortgaat, zich haast, zijn loop vervolgt naar de plaats waar zij weer opkomt.
Dat past bij Psalm 19.
De zon heeft een pad, een uitgang, een omloop en een plaats waar zij weer opkomt.
Men kan zeggen dat dit waarnemingstaal is. Maar dan blijft staan dat de Bijbel consequent dezelfde richting spreekt.
Genesis: zon als licht in het uitspansel.
Psalm 19: zon loopt haar pad.
Psalm 104: zon weet haar ondergang.
Prediker 1: zon gaat op, gaat onder en haast zich naar haar plaats.
Dat is een patroon.
De zon stond stil
Jozua 10 is één van de belangrijkste teksten over zon en maan.
Israël strijdt tegen de Amorieten. Dan spreekt Jozua tot de HEERE, en zegt voor de ogen van Israël:
“Zon, sta stil te Gibeon, en gij maan, in het dal van Ajalon!”
— Jozua 10:12
Daarna zegt de Schrift:
“En de zon stond stil, en de maan bleef staan, totdat zich het volk aan zijn vijanden gewroken had.”
— Jozua 10:13
En nogmaals:
“De zon dan stond stil in het midden des hemels, en haastte niet onder te gaan omtrent een volkomen dag.”
— Jozua 10:13
Dit is helder.
Jozua spreekt tot de zon en maan.
De zon staat stil.
De maan blijft staan.
De zon staat stil in het midden des hemels.
De zon haast niet onder te gaan.
De tekst zegt nergens:
“De aarde stopte met draaien.”
De tekst zegt ook niet:
“Het leek alsof de zon stilstond.”
De tekst zegt:
“De zon dan stond stil in het midden des hemels”
Bij een modern model moet men deze tekst ombouwen. Men zegt dan: God stopte de rotatie van de aarde, of God deed iets met licht, of de tekst beschrijft alleen hoe het leek.
Maar de Schrift zelf zegt: zon en maan stonden stil.
Dat past zeer eenvoudig bij het Bijbelse patroon waarin zon en maan lichten zijn in het uitspansel en hun baan/loop hebben.
God kan hun loop stilzetten.
Dezelfde God Die hen stelde, kan hen doen stilstaan.
Er is geen dag geweest gelijk die dag
Jozua 10 zegt daarna:
“En er was geen dag aan dezen gelijk, vóór hem noch na hem, dat de HEERE de stem eens mans alzo verhoorde; want de HEERE streed voor Israël.”
— Jozua 10:14
Dit is niet zomaar een natuurverschijnsel.
Dit is een wonder.
De HEERE streed voor Israël.
De zon en maan gehoorzaamden Gods bevel.
Dat past bij de hele Schrift. De schepping is Gods knecht.
Psalm 119 zegt:
“Naar Uw ordinantiën blijven zij nog heden staan, want zij allen zijn Uw knechten.”
— Psalm 119:91
Zon en maan zijn geen onafhankelijke hemellichamen.
Zij zijn Gods knechten.
Hij stelt ze.
Hij bestuurt ze.
Hij kan ze stilzetten.
Habakuk bevestigt: zon en maan stonden stil
Habakuk 3 grijpt terug op Gods machtige daden.
Daar lezen we:
“De zon en maan stonden stil in haar woning; met het licht Uwer pijlen gingen zij daarhenen, met den glans Uwer bliksemende spies.”
— Habakuk 3:11
Deze tekst bevestigt de taal van Jozua.
“De zon en maan stonden stil”
En waar?
“in haar woning”
Dat is opvallend.
Het woord “woning” spreekt van een verblijfplaats, een gestelde plaats. Zon en maan hebben in de Schrift een door God gestelde plaats, baan of woning.
Habakuk zegt niet: de aarde stond stil.
Hij zegt:
“De zon en maan stonden stil in haar woning”
Dat is een tweede getuige.
Jozua 10 en Habakuk 3 stemmen overeen.
De schaduw keert terug
Ook in de dagen van Hizkia geeft God een teken met de zon.
Jesaja zegt:
“Zie, Ik zal de schaduw der graden, die met de zon nederwaarts gegaan is in de zonnewijzer van Achaz, tien graden achterwaarts doen keren. Alzo keerde de zon tien graden achterwaarts, door de graden, die zij nederwaarts gegaan was.”
— Jesaja 38:8
2 Koningen 20 zegt:
“En Jesaja, de profeet, riep den HEERE aan; en Hij deed de schaduw tien graden achterwaarts gaan, door de graden, die zij nederwaarts gegaan was in den zonnewijzer van Achaz.”
— 2 Koningen 20:11
Ook hier grijpt God in in de beweging van schaduw en zon.
Jesaja 38 zegt zelfs:
“Alzo keerde de zon tien graden achterwaarts…”
Opnieuw is de taal van de Schrift eenvoudig: God geeft een teken door de zon/schaduw terug te laten gaan.
Wie de Bijbel leest vanuit het moderne model, zoekt een mechanische verklaring. Maar de Schrift laat vooral zien: de HEERE regeert over de hemellichten.
Zon en maan gehoorzamen Hem.
De maan geeft haar licht
De Bijbel spreekt herhaaldelijk over het licht van de maan.
Genesis noemt de maan:
“dat kleine licht”
— Genesis 1:16
Jesaja zegt:
“En het licht der maan zal zijn als het licht der zon, en het licht der zon zal zevenvoudig zijn…”
— Jesaja 30:26
Jesaja spreekt dus over:
“het licht der maan”
En:
“het licht der zon”
In Jesaja 13 lezen we:
“De zon zal verduisterd worden, wanneer zij zal opgaan, en de maan zal haar licht niet laten schijnen.”
— Jesaja 13:10
Ezechiël zegt:
“Ik zal de zon met wolken bedekken, en de maan zal haar licht niet laten lichten.”
— Ezechiël 32:7
Mattheüs zegt:
“De zon zal verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven…”
— Mattheüs 24:29
Markus zegt:
“De zon zal verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven.”
— Markus 13:24
Openbaring zegt:
“En de zon werd zwart als een haren zak, en de maan werd als bloed.”
— Openbaring 6:12
De Schrift spreekt consequent over de maan als een licht dat haar schijnsel geeft, of in oordeel haar licht niet geeft.
Wie begint met moderne aannames zal zeggen: de maan heeft geen eigen licht, maar weerkaatst zonlicht.
Maar de Schrift noemt de maan “het kleine licht” en spreekt over haar schijnsel.
De vraag is niet of men een optisch model kan geven.
De vraag is:
Wat leert de Schrift zelf?
De Schrift noemt de maan een licht.
Zon en maan kunnen verduisterd worden in oordeel
De profeten spreken vaak over zon en maan in de context van oordeel.
Jesaja zegt:
“Want de sterren des hemels en zijn gesternten zullen haar licht niet laten lichten; de zon zal verduisterd worden, wanneer zij zal opgaan, en de maan zal haar licht niet laten schijnen.”
— Jesaja 13:10
Joël zegt:
“De zon en maan zijn zwart geworden, en de sterren hebben haar glans ingetrokken.”
— Joël 2:10
En:
“De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat die grote en vreselijke dag des HEEREN komt.”
— Joël 2:31
Ook:
“De zon en maan zijn zwart geworden, en de sterren hebben haar glans ingetrokken.”
— Joël 3:15
De Heere Jezus zegt:
“En terstond na de verdrukking dier dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven…”
— Mattheüs 24:29
Lukas zegt:
“En er zullen tekenen zijn in zon, en maan, en sterren…”
— Lukas 21:25
Openbaring zegt:
“En de vierde engel heeft gebazuind, en het derde deel der zon werd geslagen, en het derde deel der maan, en het derde deel der sterren; opdat het derde deel van dezelve zou verduisterd worden…”
— Openbaring 8:12
Dit sluit direct aan bij Genesis 1:14.
De lichten zijn tot tekenen.
Daarom kunnen er in oordeel tekenen zijn in zon, maan en sterren.
God stelde de lichten. God kan hun licht veranderen, verduisteren of slaan.
Zon en maan zijn geen goden
Omdat zon en maan zo belangrijk zijn, waarschuwt de Schrift tegen aanbidding ervan.
Mozes zegt:
“Dat gij ook uw ogen niet opheft naar den hemel, en aanziet de zon, en de maan, en de sterren, het ganse heir des hemels, en wordt aangedreven, dat gij u voor die buigt en hen dient…”
— Deuteronomium 4:19
En:
“Dat hij henengaat en andere goden dient, en zich voor die buigt, of voor de zon, of voor de maan, of voor enig heir des hemels…”
— Deuteronomium 17:3
Israël viel later precies in die zonde.
2 Koningen 17 zegt:
“En zij verlieten al de geboden des HEEREN, huns Gods… en bogen zich neder voor het ganse heir des hemels, en dienden Baäl.”
— 2 Koningen 17:16
En over Manasse:
“Want hij bouwde wederom de hoogten, die Hizkia, zijn vader, vernield had; en hij richtte altaren op voor Baäl, en maakte een bos, gelijk als Achab, de koning van Israël, gemaakt had, en boog zich neder voor al het heir des hemels, en diende hen.”
— 2 Koningen 21:3
Zon en maan zijn dus betekenisvol, maar zij zijn niet goddelijk.
Zij zijn schepselen.
Zij verkondigen Gods eer, maar zij ontvangen Gods eer niet.
De mens mag ze niet aanbidden.
Hij moet de Maker aanbidden.
“Mijn hulp is van den HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft.”
— Psalm 121:2
De zon als beeld van Christus’ heerlijkheid
Hoewel de zon een geschapen licht is, gebruikt de Schrift zonlicht ook als beeld van heerlijkheid.
Psalm 84 zegt:
“Want God, de HEERE, is een Zon en Schild…”
— Psalm 84:12
Maleachi profeteert:
“Ulieden daarentegen, die Mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen…”
— Maleachi 4:2
In Mattheüs 17, bij de verheerlijking op de berg, lezen we over Christus:
“En Hij werd voor hen veranderd van gedaante; en Zijn aangezicht blonk gelijk de zon, en Zijn klederen werden wit gelijk het licht.”
— Mattheüs 17:2
In Openbaring ziet Johannes de verheerlijkte Christus:
“En Zijn aangezicht was gelijk de zon schijnt in haar kracht.”
— Openbaring 1:16
De zon is dus niet Christus.
De zon is geschapen.
Maar de zon kan wel iets afbeelden van kracht, heerlijkheid, gerechtigheid en licht.
Christus is het ware Licht.
“Dit was het waarachtige Licht, Hetwelk verlicht een iegelijk mens, komende in de wereld.”
— Johannes 1:9
En Hij zegt:
“Ik ben het Licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben.”
— Johannes 8:12
De geschapen zon wijst uiteindelijk niet naar zichzelf, maar naar de Schepper en het ware Licht.
Wat leert de Bijbel dus over zon en maan?
Wanneer de teksten samen worden gelegd, leert de Bijbel het volgende:
- Zon en maan zijn door God gemaakte lichten.
- Zij zijn gesteld in het uitspansel des hemels.
- Zij geven licht op de aarde.
- De zon is het grote licht tot heerschappij over de dag.
- De maan is het kleine licht tot heerschappij over de nacht.
- Zij zijn tot tekenen, gezette tijden, dagen en jaren.
- De zon heeft een uitgang, pad en omloop.
- De zon gaat op, gaat onder en haast zich naar haar plaats.
- De zon en maan kunnen op Gods bevel stilstaan.
- Habakuk bevestigt dat zon en maan stilstonden in hun woning.
- De schaduw kan op Gods bevel terugkeren.
- De maan geeft haar schijnsel.
- Zon en maan kunnen in oordeel verduisterd worden.
- Zon en maan mogen niet aanbeden worden.
- Hun licht en heerlijkheid wijzen uiteindelijk naar de Schepper.
Dat is de Bijbelse lijn.
Niet één tekst.
Niet één poëtische zin.
Maar een samenhangend getuigenis van Genesis tot Openbaring.
Waarom dit moeilijk wordt bij een modern wereldbeeld
Bij zon en maan wordt de spanning direct zichtbaar.
De Schrift spreekt over lichten die God in het uitspansel stelt.
Zij spreekt over een zon die loopt, opgaat, ondergaat en op Gods bevel stilstaat.
Zij spreekt over een maan die een licht is, schijnsel geeft en op Gods bevel kan blijven staan.
Het moderne model leest die taal meestal als menselijke waarnemingstaal.
Maar Jozua 10 en Habakuk 3 spreken niet alleen over hoe iets leek. Zij beschrijven Gods ingrijpen in zon en maan.
Daarom mag het moderne model de tekst niet omkeren.
De Schrift zegt niet dat de aarde stilstond.
De Schrift zegt dat de zon stilstond.
De Schrift zegt niet dat de maan slechts leek te blijven staan.
De Schrift zegt dat de maan bleef staan.
De Schrift zegt niet dat de maan geen licht is.
De Schrift noemt haar het kleine licht.
Wie de Schrift laat staan, moet deze taal laten wegen.
Niet het model moet bepalen wat de Bijbel nog mag zeggen.
De Schrift moet het model beoordelen.
Christus boven zon en maan
Toch eindigt dit artikel niet bij zon en maan.
Zon en maan zijn geschapen lichten.
Christus is het ware Licht.
Zon en maan zijn gesteld in het uitspansel.
Christus is opgevaren boven alle hemelen.
Zon en maan geven tijdelijk licht in deze schepping.
Christus geeft eeuwig leven.
Openbaring zegt over het nieuwe Jeruzalem:
“En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelve zouden schijnen; want de heerlijkheid Gods heeft haar verlicht, en het Lam is haar Kaars.”
— Openbaring 21:23
En:
“En aldaar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht der zon van node hebben; want de Heere God verlicht hen…”
— Openbaring 22:5
Daar eindigt de Bijbel.
Niet met de zon als hoogste licht.
Niet met de maan als noodzakelijke lichtbron.
Maar met God en het Lam als licht.
Daarom mag de mens de zon niet aanbidden. Hij moet Christus vertrouwen.
De zon kan verlichten, maar de zon kan niet redden.
De maan kan schijnen, maar de maan kan geen zonden vergeven.
Christus alleen redt.
“Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden.”
— Handelingen 16:31
“Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven…”
— Johannes 3:36
Slot
Zon en maan zijn volgens Genesis geen goden en geen toevallige objecten, maar door God gemaakte lichten in het uitspansel.
Zij geven licht op de aarde.
Zij heersen over dag en nacht.
Zij ordenen tijden.
Zij bewegen volgens Gods orde.
Zij kunnen op Gods bevel stilstaan.
Zij kunnen verduisterd worden in oordeel.
Daarom moet hun Bijbelse functie zwaarder wegen dan onze eerste aannames.
Maar ook zon en maan zijn niet het hoogste licht.
Christus is boven hen.
En in het nieuwe Jeruzalem is Gods heerlijkheid het licht en het Lam de Kaars.
📖 Lees verder over zekerheid en zonde na geloof
👉 Kan een gelovige zijn zaligheid verliezen?
👉
Wat gebeurt er nadat u tot geloof bent gekomen?