Bekering in het Nieuwe Testament moet altijd in de context gelezen worden. Bekering tot zaligheid is geen werk, maar een verandering van denken waardoor iemand ophoudt op zichzelf te vertrouwen en Christus gelooft.
Bekering goed begrepen in het Nieuwe Testament
Niet “stop met zondigen om gered te worden”, maar: verander van denken en geloof in de Heere Jezus Christus.
Er is misschien geen woord dat in evangelieprediking meer verwarring heeft gebracht dan het woord bekering.
Veel mensen horen:
“Bekeer u van uw zonden, anders gaat u verloren.”
“U moet stoppen met zondigen om gered te worden.”
“U moet uw leven overgeven aan Christus.”
“U moet bereid zijn alles op te geven.”
“U moet bewijzen dat uw bekering echt is.”
Dat klinkt ernstig.
Dat klinkt vroom.
Dat klinkt zelfs Bijbels.
Maar de vraag is niet of iets ernstig klinkt.
De vraag is:
wat zegt de Schrift?
Als bekering betekent dat een verloren mens eerst zijn zonden moet verlaten, zijn leven moet veranderen of zich volledig moet overgeven om eeuwig leven te ontvangen, dan is redding niet meer alleen door geloof.
Zie ook: Moet ik mezelf bekeren van mijn zonden om gered te worden?
Dan is redding afhankelijk van iets wat de mens doet.
Dan is het geen vrije gave meer.
Dan is het geen zuivere genade meer.
Dan is het geen Evangelie meer.
De Bijbel zegt:
“Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; Niet uit de werken, opdat niemand roeme.”
— Efeze 2:8-9
Niet uit de werken.
Dus ook niet uit het werk van stoppen met zondigen.
Niet uit het werk van uw leven verbeteren.
Niet uit het werk van alles overgeven.
Niet uit het werk van genoeg berouw hebben.
Niet uit het werk van voldoende veranderd zijn.
Een verloren mens wordt niet gered doordat hij zijn zonden opruimt.
Dit raakt direct aan de kern: Is redding alleen door geloof in Jezus Christus?
Hij wordt gered doordat Jezus Christus voor zijn zonden betaald heeft.
“Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden...”
— Handelingen 16:31
Dat is helder.
Dat is eenvoudig.
Dat is genade.
Definieer het woord
Het probleem is dat veel mensen het woord “bekering” gebruiken zonder het goed te definiëren.
Voor velen betekent bekering automatisch: spijt hebben van zonde, zich afkeren van zonde, stoppen met zonde, een nieuw leven beginnen.
Maar dat is niet altijd hoe de Bijbel het woord gebruikt.
In het Nieuwe Testament komt bekering van het Griekse woord metanoia. Dat heeft te maken met het denken: van gedachten veranderen, anders gaan denken, een andere overtuiging aannemen.
Dat kan gevolgen hebben voor gedrag. Zeker.
Maar het woord zelf betekent niet automatisch: stop met zondigen om gered te worden.
Zie ook: Bekering goed begrepen in het Oude Testament.
Dat onderscheid is levensbelangrijk.
Want als iemand verkeerd definieert wat bekering is, kan hij ook het Evangelie verkeerd maken.
Dan wordt het:
Christus plus uw berouw.
Christus plus uw levensverandering.
Christus plus uw overgave.
Christus plus uw bereidheid.
Christus plus uw werken.
Maar het Evangelie is niet Christus plus iets.
Het Evangelie is Christus alleen.
Bekering wordt gebruikt voor gelovigen én ongelovigen
Een grote fout is dat men denkt dat het woord “bekeer u” altijd tot verloren mensen gesproken wordt.
Dat is niet waar.
In Openbaring 3 spreekt de Heere Jezus tot de gemeente van Laodicea. Dit is een gemeente. Hij spreekt tot mensen die Hij liefheeft en kastijdt.
“Zo velen als Ik liefheb, die bestraf en kastijd Ik; wees dan ijverig, en bekeer u.”
— Openbaring 3:19
Tot wie spreekt Hij hier?
Niet tot ongelovigen die moeten leren hoe ze naar de hemel gaan.
Hij spreekt tot gelovigen in een lauwe gemeente.
Zij waren geestelijk blind voor hun eigen toestand. Zij dachten dat zij rijk waren en aan geen ding gebrek hadden, maar de Heere zag hen als ellendig, jammerlijk, arm, blind en naakt.
“Want gij zegt: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek; en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt.”
— Openbaring 3:17
Zij moesten zich bekeren.
Waarvan?
Van hun verkeerde denken over zichzelf.
Van hun lauwheid.
Van hun geestelijke zelfgenoegzaamheid.
Van hun verkeerde beoordeling van hun toestand.
Dat ging niet over eeuwig leven ontvangen.
Dat ging over herstel, gemeenschap, dienst en gehoorzaamheid.
Dus het woord “bekeer u” kan tot gelovigen gesproken worden. Daarom moet je altijd vragen:
Wie wordt aangesproken?
Wat is de context?
Waarvan moeten zij zich bekeren?
Gaat het over redding, dienst, tucht, oordeel, gemeenschap of groei?
Zonder context wordt bekering een gevaarlijk vaag woord.
Daarom is het belangrijk moeilijke teksten goed in hun verband te lezen: Maar de Bijbel lijkt soms tegenstrijdig – geloof of werken?
Bekering betekent niet altijd hetzelfde onderwerp
Iemand kan zich van gedachten veranderen over allerlei dingen.
Iemand kan zeggen: “Ik ga vandaag niet naar buiten,” en later toch gaan.
Hij heeft zich bedacht.
Iemand kan zeggen: “Ik ga dat werk niet doen,” en later toch gaan.
Hij heeft berouw gehad, in de zin van: hij veranderde van gedachten.
Iemand kan eerst denken dat hij zichzelf kan redden door goede werken, en later begrijpen dat alleen Christus kan redden.
Dan is hij bekeerd in de zin die met zaligheid te maken heeft.
Iemand kan als gelovige lauw worden, en later door Gods Woord weer ijverig worden.
Dan is hij bekeerd in verband met zijn wandel.
Het woord is dus niet magisch.
Het moet door de context worden uitgelegd.
Bekering tot zaligheid: van ongeloof naar geloof
Als het gaat om eeuwige zaligheid, dan is de kern van bekering dit:
Een mens verandert van denken over zichzelf, zijn zonde, zijn werken, zijn eigen gerechtigheid en Jezus Christus.
Hij stopt met vertrouwen op zichzelf.
Hij stopt met vertrouwen op godsdienst.
Hij stopt met vertrouwen op goede werken.
Hij stopt met vertrouwen op zijn levensverandering.
Hij stopt met vertrouwen op zijn berouw.
En hij vertrouwt op Christus alleen.
Dat is bekering in verband met redding.
Niet: ik stop eerst met al mijn zonden om gered te worden.
Maar: ik zie dat mijn werken mij niet kunnen redden, en ik geloof in Christus als mijn enige Zaligmaker.
Daarom is het belangrijk om helder te zien wat ware geloof volgens de Bijbel is.
Daarom zijn bekering en geloof nauw verbonden.
“Betuigende beiden Joden en Grieken de bekering tot God en het geloof in onzen Heere Jezus Christus.”
— Handelingen 20:21
Let op:
Bekering tot God.
Geloof in onze Heere Jezus Christus.
Niet: bekering van alle zonden als voorwaarde om daarna misschien gered te worden.
Maar een omkeer in denken tot God, verbonden met geloof in Christus.
De mens keert zich af van zijn verkeerde vertrouwen en wendt zich tot God door geloof in de Heere Jezus Christus.
Mattheüs 21: de tollenaars en hoeren geloofden
Mattheüs 21 is één van de sterkste gedeelten over bekering in het Nieuwe Testament.
De Heere Jezus vertelt over twee zonen.
“Maar wat dunkt u? Een zeker mens had twee zonen; en gaande tot den eerste, zeide hij: Zoon, ga heen, werk heden in mijn wijngaard.
Doch hij antwoordde en zeide: Ik wil niet; en daarna berouw hebbende, ging hij heen.
En gaande tot den tweeden, zeide desgelijks. En deze antwoordde en zeide: Ik ga, heer; en hij ging niet.”
— Mattheüs 21:28-30
De eerste zoon zei eerst nee, maar kreeg later berouw en ging toch. Hij veranderde van gedachten.
Daarna past de Heere Jezus dit toe op de religieuze leiders.
“Voorwaar zeg Ik u, dat de tollenaars en de hoeren u voorgaan in het Koninkrijk Gods.”
— Mattheüs 21:31
Dat moet schokkend geweest zijn.
De tollenaars en hoeren stonden bekend als de laagste mensen in de ogen van de religieuze leiders. Toch zegt Christus dat zij hen voorgaan in het Koninkrijk Gods.
Waarom?
Omdat zij moreel beter waren?
Omdat zij eerst hun leven hadden opgeknapt?
Omdat zij alle zonden hadden verlaten?
Nee.
De Heere Jezus legt het Zelf uit:
“Want Johannes is tot u gekomen in den weg der gerechtigheid, en gij hebt hem niet geloofd; maar de tollenaars en de hoeren hebben hem geloofd; doch gij, zulks ziende, hebt daarna geen berouw gehad, om hem te geloven.”
— Mattheüs 21:32
Daar staat de sleutel:
“gij hebt hem niet geloofd”
“zij hebben hem geloofd”
“geen berouw gehad, om hem te geloven”
Het onderwerp is geloof.
De religieuze leiders wilden niet van gedachten veranderen om te geloven. De tollenaars en hoeren geloofden.
Dat vernietigt de gedachte dat bekering hier betekent: eerst uw zonden verlaten om gered te worden.
De tekst zegt dat zij zich hadden moeten bekeren om te geloven.
Niet: bekeer u van zonden om daarna door uw verandering te bewijzen dat u echt bent.
Maar: verander van gedachten en geloof Gods boodschap.
Zie ook: Kan een mens uit zichzelf geloven?
Johannes de Doper predikte Christus
Sommige mensen zeggen: “Johannes de Doper predikte toch bekering?”
Ja. Maar wat betekende dat?
Handelingen 19 legt uit wat Johannes’ doop der bekering inhield.
“Maar Paulus zeide: Johannes heeft wel gedoopt den doop der bekering, zeggende tot het volk, dat zij geloven zouden in Dengene, Die na hem kwam, dat is, in Christus Jezus.”
— Handelingen 19:4
Johannes predikte bekering, en wat zei hij tot het volk?
Dat zij moesten geloven in Christus Jezus.
Dat is beslissend.
Johannes zei niet: “Keer u van al uw zonden af om eeuwig leven te verdienen.”
Hij wees op Christus.
“Des anderen daags zag Johannes Jezus tot zich komende, en zeide: Zie het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt!”
— Johannes 1:29
Johannes’ prediking was geen redding door werken.
Johannes wees mensen op Christus, het Lam Gods.
Zijn oproep tot bekering betekende: verander van denken, zie uw nood, verlaat uw valse vertrouwen, geloof in Hem Die komt.
Lukas 13: “Tenzij gij u bekeert”
Lukas 13 wordt vaak gebruikt om te zeggen: “Zie je wel, als je je niet van je zonden afkeert, ga je naar de hel.”
Maar lees de context.
“En er waren te dierzelfder tijd enigen tegenwoordig, die Hem boodschapten van de Galileërs, welker bloed Pilatus met hun offeranden gemengd had.”
— Lukas 13:1
Er was een ramp gebeurd. Mensen waren gedood. Men dacht blijkbaar: zij moeten wel grotere zondaars geweest zijn.
De Heere Jezus antwoordt:
“En Jezus antwoordde, en zeide tot hen: Meent gij, dat deze Galileërs zondaars zijn geweest boven al de Galileërs, omdat zij zulks geleden hebben?
Ik zeg u: Neen zij; maar indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen desgelijks vergaan.”
— Lukas 13:2-3
Let op de woorden:
“Meent gij”
Het gaat over hun denken.
Zij dachten verkeerd. Zij dachten dat rampen altijd betekenen dat de slachtoffers slechtere zondaars waren dan anderen.
De Heere Jezus corrigeert hun denken.
Daarna noemt Hij nog een voorbeeld:
“Of die achttien, op welke de toren in Siloam viel, en doodde ze; meent gij, dat dezen schuldenaars zijn geweest boven alle mensen, die in Jeruzalem wonen?
Ik zeg u: Neen zij; maar indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen desgelijks vergaan.”
— Lukas 13:4-5
Opnieuw:
“meent gij”
De Heere Jezus zegt: denk anders. Verander van gedachten. Jullie zijn niet beter dan zij. Jullie hebben net zo goed redding nodig.
De context is niet: maak een lijst van zonden en stop ermee om naar de hemel te gaan.
De context is: jullie denken verkeerd over schuld, oordeel en jullie eigen toestand. Verander van denken, of jullie zullen ook omkomen.
En voor Israël had dit ook een zeer ernstige historische lading. Zij verwierpen hun Messias. Als zij niet anders gingen denken over Hem, zou oordeel komen. Jeruzalem zou uiteindelijk vallen.
Maar de kern blijft: bekering gaat hier over hun denken. Zij moesten anders gaan denken over zichzelf en over Christus.
“Zonden verlaten” als voorwaarde maakt het Evangelie onmogelijk
Stel dat bekering betekent: u moet zich van uw zonden afkeren om gered te worden.
Dan komen direct vragen:
Van hoeveel zonden moet u zich afkeren?
Van alle zonden?
Van alleen de grote zonden?
Welke zonden tellen dan?
Hoe lang moet u ermee stoppen?
Hoe oprecht moet uw berouw zijn?
Hoeveel verandering is genoeg?
Wat als u later weer valt?
Was u dan nooit echt gered?
Dit brengt alleen maar verwarring.
En God is niet de Auteur van verwarring.
Het wordt nog ernstiger: wie kan zich werkelijk van al zijn zonden afkeren?
De zonde zit niet alleen in wat een mens doet.
De zonde zit in wat een mens is.
Een mens heeft een zondige natuur.
Je kunt een paar slechte vruchten van een boom plukken, maar daarmee verander je de boom niet. Je kunt enkele zonden tijdelijk stoppen, maar daarmee maak je jezelf niet rechtvaardig voor God.
Een verloren mens heeft niet allereerst gedragsverbetering nodig.
Hij heeft leven nodig.
Hij heeft vergeving nodig.
Hij heeft Gods gerechtigheid nodig.
Hij heeft Christus nodig.
Als u iets moet doen om gered te worden, is het werken
Dit moet helder gezegd worden.
Als een mens iets moet doen om gered te worden, dan wordt redding verdiend door werken.
Dit wordt verder uitgewerkt in: Maar je moet toch wel iets doen?
Misschien klinkt dat “iets” heel geestelijk:
stoppen met zonde,
alles overgeven,
uw leven verbeteren,
voortaan Jezus dienen,
beloven gehoorzaam te zijn,
bereid zijn alles op te geven.
Maar het blijft iets wat u doet.
De Bijbel zegt:
“Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.”
— Romeinen 4:5
“Die niet werkt, maar gelooft.”
God rechtvaardigt niet de mens die zijn leven voldoende heeft veranderd.
God rechtvaardigt de goddeloze die gelooft.
Wie zich te slecht voelt om tot Christus te komen, leest ook: Ik voel mij te slecht, kan het voor mij?
Dat is genade.
Als iemand zegt: “Jezus is nodig, maar uw levensverandering ook,” dan gelooft hij niet werkelijk dat Jezus genoeg is.
Veel mensen geloven dat Jezus nodig is.
Maar ze geloven niet dat Hij genoeg is.
Daar zit het probleem.
Christus heeft uw hulp niet nodig
Jezus Christus stierf niet aan het kruis om u daarna nog een deel zelf te laten verdienen.
Hij stierf niet om u een kans te geven uzelf te redden.
Hij stierf niet om het grootste deel te doen, waarna u de rest moet aanvullen.
Hij stierf niet om u te redden als u daarna goed genoeg leeft.
Hij betaalde volledig.
“En zij worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is.”
— Romeinen 3:24
Om niet.
Gratis.
Als gave.
Niet als beloning.
“Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus onzen Heere.”
— Romeinen 6:23
Eeuwig leven is de genadegift Gods.
Niet het loon van bekering van zonden.
Niet het loon van berouw.
Niet het loon van overgave.
Niet het loon van levensverandering.
Een gave.
Handelingen 20: bekering tot God en geloof in Christus
Paulus vatte zijn prediking zo samen:
“Betuigende beiden Joden en Grieken de bekering tot God en het geloof in onzen Heere Jezus Christus.”
— Handelingen 20:21
Dit is een kerntekst.
Bekering tot God en geloof in Christus horen bij elkaar.
De mens moet anders gaan denken over God.
Hij moet anders gaan denken over zichzelf.
Hij moet anders gaan denken over zijn werken.
Hij moet anders gaan denken over Christus.
Hij moet zich tot God wenden door geloof in de Heere Jezus Christus.
Niet met een pakket werken in zijn handen.
Niet met een belofte dat hij voortaan beter zal leven.
Niet met de claim dat hij genoeg berouw heeft.
Maar met lege handen.
Christus heeft alles gedaan.
Hebreeën 6: bekering van dode werken
Hebreeën 6 spreekt over de grondbeginselen.
“Daarom, nalatende het beginsel der leer van Christus, laat ons tot de volmaaktheid voortvaren; niet wederom leggende het fundament van de bekering van dode werken, en van het geloof in God.”
— Hebreeën 6:1
Let op:
bekering van dode werken
geloof in God
Dat is precies de kern.
Dode werken kunnen geen leven geven.
Een mens moet ophouden te vertrouwen op dode werken.
Hij moet ophouden te denken dat zijn religie, moraal, offers, gehoorzaamheid of goede daden hem kunnen redden.
Hij moet geloven in God.
Voor een gelovige is dat fundament gelegd. Hij hoeft niet telkens opnieuw gered te worden. Hij moet groeien naar volwassenheid.
Daarom zegt Hebreeën 6: ga verder. Blijf niet telkens bij het fundament. Groei op. Word volwassen.
Redding is het fundament.
Discipelschap en groei komen daarna.
Verwar die twee niet.
2 Petrus 3: God wil niet dat enigen verloren gaan
Een andere belangrijke tekst is 2 Petrus 3:9.
“De Heere vertraagt de belofte niet, gelijk enigen dat traagheid achten; maar is lankmoedig over ons, niet willende, dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.”
— 2 Petrus 3:9
God wil niet dat enigen verloren gaan.
Dat is helder.
Hij wil dat allen tot bekering komen.
Wat betekent dat in verband met verloren mensen?
Dat zij van ongeloof tot geloof komen.
Dat zij ophouden Gods getuigenis te verwerpen.
Dat zij stoppen met vertrouwen op zichzelf.
Dat zij Christus aannemen als Zaligmaker.
Gods lankmoedigheid betekent dat mensen nog tijd krijgen om te geloven.
Maar die tijd is niet eindeloos.
Wie Christus blijft verwerpen, blijft verloren.
“Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.”
— Johannes 3:36
De scheidslijn is geloof of ongeloof.
Lukas 16: zelfs een man in de hel wist dat zijn broers bekering nodig hadden
In Lukas 16 spreekt de Heere Jezus over de rijke man en Lazarus.
De rijke man stierf en was in de hel, in pijn.
“En als hij in de hel zijn ogen ophief, zijnde in de pijn, zag hij Abraham van verre, en Lazarus in zijn schoot.”
— Lukas 16:23
Hij wilde dat zijn broers gewaarschuwd werden.
“Want ik heb vijf broeders; dat hij hun dit betuige, opdat ook zij niet komen in deze plaats der pijniging.”
— Lukas 16:28
Hij wilde niet dat zij ook in die plaats kwamen.
Dan zegt hij:
“Neen, vader Abraham! maar zo iemand van de doden tot hen heenging, zij zouden zich bekeren.”
— Lukas 16:30
Waarvan moesten zij zich bekeren?
Van hun ongeloof.
Van hun verwerping van Gods getuigenis.
Van hun verkeerde vertrouwen.
Zij moesten luisteren naar het Woord van God.
Abraham antwoordt:
“Indien zij Mozes en de profeten niet horen, zo zullen zij ook, al ware het, dat er iemand uit de doden opstond, zich niet laten gezeggen.”
— Lukas 16:31
Het punt is duidelijk:
God werkt door Zijn Woord.
Mensen moeten horen.
Mensen moeten geloven.
Zelfs een wonder is niet genoeg als iemand Gods Woord blijft verwerpen.
Gelovigen moeten zich soms bekeren in hun wandel
Nu moeten we eerlijk blijven.
Betekent dit dat een gelovige nooit zonde moet verlaten?
Natuurlijk niet.
Een gelovige behoort wél te breken met zonde.
Een gelovige behoort wél heilig te wandelen.
Een gelovige behoort wél te groeien.
Een gelovige behoort wél zijn lichaam te stellen tot een levende offerande.
Maar niet om gered te worden.
Romeinen 12 spreekt tot broeders:
“Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehaaglijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst.”
— Romeinen 12:1
Dit is niet de voorwaarde voor zaligheid.
Dit is de redelijke dienst van mensen die al door Gods ontfermingen gered zijn.
Daarom staat er:
“broeders.”
Niet: verloren zondaren, doe dit om eeuwig leven te krijgen.
Maar: broeders, leef nu voor God.
Een gelovige moet zich van ongerechtigheid afkeren.
“En: Een iegelijk, die den Naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid.”
— 2 Timotheüs 2:19
Dat is ernstig.
Dat is nodig.
Dat is Bijbels.
Maar dat is christelijke wandel, niet de manier om de hemel te verdienen.
Redding en discipelschap zijn niet hetzelfde
Veel verwarring ontstaat omdat men redding en discipelschap door elkaar haalt.
Redding gaat over wat Christus voor u deed.
Discipelschap gaat over hoe u Hem volgt.
Redding is een gave.
Discipelschap kost u uw leven.
Redding ontvangt u door geloof.
Discipelschap vraagt gehoorzaamheid, zelfverloochening, lijden, trouw en groei.
Redding bepaalt uw eeuwige bestemming.
Discipelschap bepaalt uw vrucht, getuigenis, gemeenschap en loon.
Als u discipelschap tot voorwaarde maakt voor redding, maakt u redding tot werken.
Maar de Bijbel zegt:
“Niet uit de werken, opdat niemand roeme.”
— Efeze 2:9
Een gelovige behoort een discipel te zijn.
Maar hij wordt geen kind van God door discipelschap.
Hij wordt een kind van God door geloof in Christus.
“Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven.”
— Johannes 1:12
Spijt van zonde redt niemand
Spijt kan goed zijn.
Berouw over verkeerd gedrag kan goed zijn.
Verdriet over zonde kan goed zijn.
Maar spijt redt niemand.
Iemand kan spijt hebben omdat hij betrapt is.
Iemand kan spijt hebben omdat hij gevolgen draagt.
Iemand kan huilen over zijn leven.
Iemand kan zich schuldig voelen.
Iemand kan zijn gedrag veranderen.
Maar als hij niet op Christus vertrouwt, blijft hij verloren.
Er zijn mensen die stopten met drinken.
Dat redde hen niet.
Er zijn mensen die stopten met roken.
Dat redde hen niet.
Er zijn mensen die stopten met overspel.
Dat redde hen niet.
Er zijn mensen die religieus werden.
Dat redde hen niet.
Er ontbreekt één ding:
geloof in Christus.
“Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam des eniggeboren Zoons van God.”
— Johannes 3:18
Niet: omdat hij niet genoeg spijt had.
Niet: omdat hij niet genoeg zonden had verlaten.
Niet: omdat hij niet genoeg overgave had.
Maar:
“dewijl hij niet heeft geloofd.”
De kern is geloof of ongeloof.
De vraag is niet: hebt u genoeg zonden verlaten?
Stel uzelf niet eerst deze vraag:
Heb ik genoeg zonden verlaten?
Stel uzelf deze vraag:
Geloof ik in de Heere Jezus Christus als mijn Zaligmaker?
Dat is de Bijbelse vraag.
Gelooft u dat u een zondaar bent?
Gelooft u dat u uzelf niet kunt redden?
Gelooft u dat Jezus Christus voor uw zonden gestorven is?
Gelooft u dat Hij begraven is en opgestaan is?
Gelooft u dat Hij u eeuwig leven geeft als vrije gave?
Dan hebt u eeuwig leven.
“Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.”
— Johannes 6:47
Niet: die genoeg zonden verlaten heeft.
Niet: die zijn leven genoeg verbeterd heeft.
Niet: die genoeg emotie heeft gehad.
Niet: die genoeg overgave heeft getoond.
“Die in Mij gelooft.”
Dat is genoeg, omdat Christus genoeg is.
Wie het Evangelie eenvoudig vanaf het begin wil lezen, kan hier verder: Hoe word ik gered?
📖 Lees ook:
👉 Bekering in het Oude Testament goed begrepen
👉 Moet ik mezelf bekeren van mijn zonden om gered te worden?