U bouwt niet om gered te worden

Eerst geloven. Daarna bouwen.

De wijze en dwaze bouwer gaan niet over twee manieren om wel of niet eeuwig leven te verkrijgen. Beide bouwers horen Christus’ woorden; het verschil ontstaat daarna: de ene doet ze, de andere niet. Eeuwig leven wordt zonder werken ontvangen door geloof. Bouwen gaat over de praktische wandel die daarop volgt.

De wijze en dwaze bouwer uitgelegd

Mattheüs 7 gaat niet over werken om eeuwig leven te verkrijgen, maar over wat een hoorder daarna met Christus’ woorden doet.

Moet u alleen geloven, of moet u ook bouwen?


De gelijkenis van de wijze en dwaze bouwer behoort tot de bekendste woorden van Jezus.


De ene man bouwt zijn huis op een steenrots. De andere bouwt op zand. Daarna komen slagregen, waterstromen en winden. Het ene huis blijft staan; het andere stort in.


Deze gelijkenis wordt soms gebruikt alsof Jezus hier uitlegt hoe een mens eeuwig leven verkrijgt: wie luistert, gehoorzaamt en goed bouwt, wordt behouden; wie dat niet doet, gaat verloren.


Maar zodra bouwen tot onderdeel van het verkrijgen van eeuwig leven wordt gemaakt, ontstaan direct vragen.


Moet een mens alleen in Jezus Christus geloven, of moet hij daarnaast ook bouwen?


Is bouwen geen werk?


Moet hij eerst de Rots zoeken?


Moet hij diep genoeg graven?


Moet hij daarna door zijn gehoorzaamheid bewijzen dat het fundament werkelijk goed ligt?


Hoe lang moet hij bouwen voordat hij zeker mag weten dat hij eeuwig leven heeft?


En als zijn huis later instort, betekent dat dan dat hij nooit werkelijk gered was?


Deze vragen ontstaan wanneer twee Bijbelse onderwerpen met elkaar worden vermengd:


  • het ontvangen van eeuwig leven;
  • het praktische leven nadat iemand Christus’ woorden heeft gehoord.


De Schrift maakt daartussen een helder onderscheid.

U bouwt niet om eeuwig leven te ontvangen. U ontvangt eeuwig leven door geloof, zodat u daarna kunt bouwen voor de eeuwigheid.


Beide bouwers horen dezelfde woorden


Jezus zegt:

„Een iegelijk dan, die deze Mijn woorden hoort en dezelve doet, dien zal Ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft.”
— Mattheüs 7:24

Daartegenover:

„En een iegelijk, die deze Mijn woorden hoort en dezelve niet doet, zal bij een dwazen man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd heeft.”
— Mattheüs 7:26

Let eerst op wat beide mannen gemeenschappelijk hebben.


Beiden horen de woorden van Christus.


Beiden bouwen.


Beide huizen worden beproefd.


De tegenstelling ontstaat pas na het horen:


  • de ene hoort en doet;
  • de andere hoort en doet niet.


Jezus formuleert de tegenstelling hier niet als:

  • geloven tegenover niet geloven;


maar als:

  • doen tegenover niet doen.


Dat is belangrijk.


De gelijkenis begint bij mensen tot wie Christus’ woorden zijn gekomen. Vervolgens wordt zichtbaar wat zij ermee doen.



De centrale vraag is daarom niet:

Heeft deze persoon voldoende gewerkt om eeuwig leven te verkrijgen?

Maar:

Wat doet deze hoorder met de woorden die Christus hem heeft gegeven?


Het gaat om verantwoordelijke hoorders


Mattheüs zegt niet dat beide mannen ieder woord volmaakt begrijpen. Dat moeten we ook niet aan de tekst toevoegen.


Maar „horen en doen” tegenover „horen en niet doen” veronderstelt wel dat de woorden hen voldoende hebben bereikt om erop te kunnen reageren.


De dwaze bouwer wordt niet voorgesteld als iemand die werkelijk niets wist.


Hij hoort:

„Deze Mijn woorden.”

Maar hij doet ze niet.


De parallel in Lukas maakt dat nog duidelijker. Direct vóór dezelfde gelijkenis zegt Jezus:

„En wat noemt gij Mij: Heere, Heere! en doet niet hetgeen Ik zeg?”
— Lukas 6:46

Het probleem is niet dat zij geen woord van Christus hebben ontvangen.



Zij noemen Hem zelfs:

„Heere, Heere!”

Zij weten wat Hij zegt.


Maar zij doen het niet.


Daarmee wordt de verantwoordelijkheid zichtbaar: Christus’ woorden zijn bekend geworden, maar worden niet in de praktijk gebracht.



Jakobus beschrijft hetzelfde beginsel:

„En zijt daders des Woords, en niet alleen hoorders, uzelven met valse overlegging bedriegende.”
— Jakobus 1:22

En:

„Wie dan weet goed te doen, en niet doet, dien is het zonde.”
— Jakobus 4:17

De dwaasheid van de tweede bouwer ligt dus niet eenvoudig in onwetendheid.


Hij hoort, maar handelt niet overeenkomstig hetgeen hij heeft gehoord.



Bouwen is een proces


Lukas beschrijft de wijze bouwer uitgebreider:

„Hij is gelijk een mens, die een huis bouwde, en groef, en verdiepte, en legde het fondament op een steenrots.”
— Lukas 6:48

Let op de opeenvolging.


De man:


  • komt;
  • hoort;
  • graaft;
  • verdiept;
  • legt;
  • bouwt.


Daarna wordt zijn bouwwerk beproefd.


Dat is duidelijk een proces.


Graven vraagt inspanning.


Verdiepen kost tijd.


Bouwen is arbeid.


Christus’ woorden doen vraagt praktische gehoorzaamheid, keuzes en volharding.


Maar het ontvangen van eeuwig leven wordt in de Schrift niet voorgesteld als een langdurig bouwproces.



Jezus zegt:

„Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.”
— Johannes 6:47

Niet:

Wie begint te bouwen en daarmee lang genoeg doorgaat, ontvangt uiteindelijk eeuwig leven.

Niet:

Wie diep genoeg graaft en daarna voldoende standhoudt, mag uiteindelijk weten dat hij behouden is.

Maar:

„Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.”

Op het moment van geloof is het eeuwige leven bezit.



Eeuwig leven wordt ontvangen, niet gebouwd


De Schrift spreekt bijzonder eenvoudig over het ontvangen van eeuwig leven.

„Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven.”

— Johannes 3:36


„Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven.”

— Johannes 5:24

En Paulus schrijft:

„Maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onzen Heere.”
— Romeinen 6:23

Eeuwig leven is:


  • Gods gave;
  • door geloof ontvangen;
  • onmiddellijk bezit;
  • zonder werken verkregen;
  • gebaseerd op Christus en Zijn belofte.


Bouwen behoort tot een andere categorie.


Een bouwer handelt.


Hij graaft.


Hij verdiept.


Hij bouwt.


Hij verricht arbeid.


Daarom kan dit bouwproces onmogelijk de voorwaarde voorstellen waardoor een goddeloze zonder werken wordt gerechtvaardigd.



Paulus schrijft:

„Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.”
— Romeinen 4:5

Dat is bijzonder scherp:

Wanneer verstandig bouwen eveneens nodig is om gerechtvaardigd te worden, is „niet werkt, maar gelooft” niet langer voldoende.


Dan wordt de boodschap feitelijk:

Geloof in Christus, maar zorg daarna dat u diep genoeg graaft, voldoende gehoorzaamt en stevig genoeg bouwt.

Dan is bouwen een aanvullende voorwaarde voor redding geworden.


Maar dat is precies wat Romeinen 4 uitsluit.



Eerst gered, daarna goede werken


Efeze 2 bevestigt dezelfde volgorde:

„Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme.”
— Efeze 2:8-9

Daarna pas:

„Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen.”
— Efeze 2:10

De volgorde is:


  1. gered uit genade;
  2. door geloof;
  3. niet uit werken;
  4. in Christus Jezus;
  5. daarna goede werken;
  6. daarna wandelen.


Niet andersom.


De mens wandelt niet in voldoende goede werken om daardoor uiteindelijk in Christus te komen.



Hij komt door geloof in Christus en kan daarna wandelen in de werken waartoe God hem heeft geroepen.

Een mens bouwt niet om gered te worden. Bouwen behoort tot de verantwoordelijkheid die volgt nadat hij gered is.

Datzelfde onderscheid is onmisbaar bij de uitleg van [geloof zonder werken is dood].



Gave en bouwwerk mogen niet worden vermengd


Het verschil is fundamenteel:

Eeuwig leven Bouwen
Gods vrije gave Menselijke verantwoordelijkheid
Door geloof Door handelen
Zonder werken Bestaat uit arbeid
Direct ontvangen Proces gedurende het leven
Wordt niet verdiend Kan goed of verkeerd gebeuren
Zeker op grond van Christus’ belofte Heeft gevolgen in wandel en beoordeling
Redding Discipelschap en arbeid

Wanneer deze twee kolommen worden vermengd, wordt zekerheid bijna onmogelijk.


Dan moet iemand voortdurend naar zijn eigen bouwwerk kijken om te bepalen of Christus’ belofte werkelijk voor hem geldt.


Maar de zekerheid van eeuwig leven rust niet op de kwaliteit van het bouwwerk.


Daarom mag ook de gedachte [maar je moet toch wel iets doen?] nooit als extra voorwaarde aan het Evangelie worden toegevoegd.


Zij rust op Christus:

„Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.”


Tegen wie spreekt Jezus?


Voor een zuivere uitleg moeten we terug naar het begin van de Bergrede.


Mattheüs schrijft:

„En Jezus, de scharen ziende, is geklommen op een berg; en als Hij nedergezeten was, kwamen Zijn discipelen tot Hem. En Zijn mond geopend hebbende, leerde Hij hen.”
— Mattheüs 5:1-2

Jezus spreekt primair tot Zijn discipelen.



Aan het einde lezen we:

„En het is geschied, als Jezus deze woorden geëindigd had, dat de scharen zich ontzetten over Zijn leer.”
— Mattheüs 7:28

De scharen luisteren dus eveneens mee.


Maar de Bergrede wordt primair als onderwijs aan discipelen gegeven.


Dat past precies bij de inhoud.


Jezus spreekt voortdurend over:


  • wandel;
  • gehoorzaamheid;
  • trouw;
  • hemels loon;
  • vergelding;
  • schatten in de hemel;
  • prioriteiten;
  • dienen van God;
  • praktische keuzes.


De gelijkenis van de twee bouwers komt vervolgens als afsluiting van dat onderwijs.



De natuurlijke vraag is:

U hebt nu Mijn woorden gehoord. Wat gaat u ermee doen?

Dat is discipelschapstaal.


Niet de vraag hoe iemand zonder werken eeuwig leven ontvangt, maar hoe een hoorder met Christus’ onderwijs omgaat.



„Deze Mijn woorden”


De formulering van Jezus is belangrijk:

„Die deze Mijn woorden hoort…”

Hij verwijst terug naar het onderwijs dat zojuist is gegeven.



De wijze bouwer heeft gehoord:

„Vergadert u schatten in den hemel.”

En hij richt zijn leven daarnaar.


Hij heeft gehoord dat hij niet voor de eer van mensen behoort te leven.


Hij past dat toe.



Hij heeft gehoord:

„Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid.”

Hij laat dat zijn prioriteiten bepalen.


Hij heeft gehoord dat hij niet God én de Mammon kan dienen.


Hij maakt een praktische keuze.


Hij hoort hoe hij tegenover anderen behoort te handelen.


En hij doet het.


De dwaze bouwer hoort dezelfde woorden.


Maar hij richt zijn praktische leven er niet naar in.



Daarom is de gelijkenis een indrukwekkende slotconclusie van de Bergrede:

Christus’ onderwijs kennen is niet hetzelfde als erop bouwen.


De Bergrede spreekt voortdurend over loon


Dat de Bergrede over meer gaat dan alleen de ontvangst van eeuwig leven, blijkt overal.


Jezus zegt:

„Verblijdt en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen.”
— Mattheüs 5:12

Hij spreekt over minste en groot zijn in het Koninkrijk:

„Zo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen alzo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar zo wie dezelve zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen.”
— Mattheüs 5:19

Ook zegt Hij herhaaldelijk:

„En uw Vader, Die in het verborgen ziet, Die zal het u in het openbaar vergelden.”
— Mattheüs 6:4

En:

„Maar vergadert u schatten in den hemel…”
— Mattheüs 6:20

Dat zijn andere categorieën dan eeuwig leven.


Eeuwig leven wordt gegeven.


Schatten worden vergaderd.


Loon wordt gegeven naar aanleiding van arbeid.


De Vader vergeldt hetgeen Zijn kinderen doen.


Dat onderscheid moet behouden blijven.


De gelovige hoeft geen loon te verdienen om eeuwig leven te behouden. Maar wat hij met zijn leven doet, is daarom nog lang niet onbelangrijk.



Wat stelt het huis voor?


Het huis wordt soms uitgelegd als de eeuwige woning die iemand door gehoorzaamheid zou verkrijgen.


Maar Jezus zegt dat niet.


De gelovige bouwt zijn eeuwige woning niet door zijn prestaties.


Paulus zegt:

„Wij hebben een gebouw van God, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen.”
— 2 Korinthe 5:1

En Christus Zelf zegt:

„Ik ga heen om u plaats te bereiden.”
— Johannes 14:2

De eeuwige bestemming van de gelovige is Gods werk.


Het huis in Mattheüs 7 stelt het praktische levensbouwwerk van de hoorder voor: wat hij gedurende zijn aardse leven opbouwt met hetgeen Christus hem heeft geleerd.


Een mens bouwt tijdens zijn leven met:


  • tijd;
  • keuzes;
  • woorden;
  • bezit;
  • prioriteiten;
  • relaties;
  • dienst;
  • gehoorzaamheid;
  • mogelijkheden;
  • alles wat hij met het ontvangen onderwijs doet.


Het is zijn opgebouwde praktische leven.


De vraag is niet:

Heeft dit huis hem eeuwig leven opgeleverd?

De vraag is:

Waarop heeft hij het gebouwd, en houdt het stand?


Wat betekent bouwen op de steenrots?


Jezus legt Zelf de verbinding:

„Die deze Mijn woorden hoort en dezelve doet…”

Bouwen op de steenrots betekent in deze gelijkenis dus praktisch:

Het leven werkelijk inrichten overeenkomstig Christus’ woorden.

Dat is belangrijk, want hiermee moeten we niet een tweede manier van redding creëren.



Jezus zegt hier niet:

Wie voldoende gehoorzaamt, maakt Christus uiteindelijk tot zijn eeuwige fundament.

De tekst gaat over hetgeen een hoorder doet met Christus’ onderwijs.


De wijze bouwer hoort én handelt.


Zijn praktische leven krijgt daardoor een vaste grondslag.



Wat betekent bouwen op zand?


De dwaze bouwer hoort dezelfde woorden:

„Die deze Mijn woorden hoort…”

Maar:

„…en dezelve niet doet.”

Daarmee verklaart Jezus Zelf het praktische probleem.


De hoorder weet wat Christus zegt, maar richt zijn leven er niet naar in.


Hij kan praktisch gaan bouwen op:


  • eigen wijsheid;
  • menselijke goedkeuring;
  • geld;
  • gemak;
  • aardse zekerheid;
  • begeerten;
  • angst voor mensen;
  • het vlees.


Het huis kan er van buiten uitstekend uitzien.


Misschien lijkt het jarenlang zelfs nauwelijks anders dan het huis van de wijze bouwer.


Maar het verschil bevindt zich onder het zichtbare gebouw.


De vraag is niet hoe indrukwekkend het huis eruitziet.


De vraag is waarop het werkelijk rust.



Wat betekent de storm?


Hier moeten we bewust voorzichtig blijven.


Jezus zegt:

„En er is slagregen nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid…”

Maar Hij zegt niet:

Dit is de rechterstoel van Christus.

Hij zegt ook niet:

Dit is de grote witte troon.

Mattheüs 7 noemt hier niet:


  • „de dag”;
  • vuur;
  • loon;
  • schade;
  • de rechterstoel;
  • de grote witte troon.


Daarom moeten we de storm niet dogmatisch gelijkstellen aan één bepaalde toekomstige gebeurtenis.


De storm laat in ieder geval beproeving en ontmaskering zien.


Wat werkelijk stevig is gebouwd, houdt stand.


Wat geen vaste praktische grondslag heeft, stort in.


De storm beproeft het levenshuis dat gedurende het aardse leven is opgebouwd. Verleiding, druk, vervolging, verlies, moeilijkheden en andere beproevingen maken zichtbaar waarop iemand zijn leven werkelijk heeft gebouwd. Wie Christus’ woorden hoort en doet, bouwt een praktisch leven dat standhoudt. Wie dezelfde woorden hoort en niet doet, kan veel opbouwen, maar bouwt zonder vaste grond.



Jezus spreekt hier niet over het verliezen of behouden van eeuwig leven. Hij spreekt over het staan of instorten van hetgeen iemand met zijn aardse leven heeft gebouwd.


Het accent ligt op:

de stabiliteit van het praktische levenshuis wanneer het wordt beproefd.

Dat onderscheid wordt belangrijk wanneer we Mattheüs 7 later vergelijken met 1 Korinthe 3.



De gelovige kan wijs of dwaas bouwen


Een gelovige wordt niet automatisch een wijs discipel doordat hij eeuwig leven heeft ontvangen.


De Schrift kent een werkelijk conflict in zijn leven.


Paulus schrijft:

„Want het vlees begeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander.”
— Galaten 5:17

Dat is de voortdurende strijd tussen vlees en Geest in het leven van de gelovige.


Daarom zegt hij:

„Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheid des vleses niet.”
— Galaten 5:16

Die oproep zou zinloos zijn als iedere gelovige automatisch voortdurend door de Geest wandelde.


Een gelovige kan:


  • gehoorzamen;
  • ongehoorzaam zijn;
  • geestelijk wandelen;
  • vleselijk wandelen;
  • hemelse schatten verzamelen;
  • zich vooral met tijdelijke zaken bezighouden;
  • Christus’ bekende woorden doen;
  • Christus’ bekende woorden niet doen.


Dat maakt de waarschuwing van de gelijkenis voor discipelen zeer werkelijk.



Zijn de wijze en dwaze bouwer letterlijk de nieuwe en oude mens?


Nee. Dat zou verder gaan dan Jezus Zelf zegt.


Jezus stelt twee bouwers voor.


De bouwer is dus de persoon.


Maar de twee manieren van bouwen sluiten wel nauw aan bij hetgeen de Schrift later over vlees en Geest leert.


Paulus schrijft:

„Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont.”
— Romeinen 7:18

Tegelijk:

„Want ik heb een vermaak in de wet Gods, naar den inwendigen mens.”
— Romeinen 7:22

En over de nieuwe mens:

„En den nieuwen mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid.”
— Efeze 4:24

Daarom is de nauwkeurigste formulering:

De wijze bouwer is niet letterlijk de nieuwe mens en de dwaze bouwer niet letterlijk de oude mens. De gelovige zelf is de bouwer. Wanneer hij door de Geest wandelt en Christus’ woorden doet, bouwt hij wijs. Wanneer hij vanuit het vlees leeft en Zijn bekende woorden niet doet, bouwt hij dwaas.

Dat bewaart zowel het beeld van Jezus als het latere onderwijs over de twee tegengestelde beginselen in het leven van de gelovige.



Mattheüs 7 en 1 Korinthe 3 zijn niet hetzelfde bouwbeeld


Mattheüs 7 en 1 Korinthe 3 gebruiken allebei de beeldspraak van bouwen. Daardoor is het verleidelijk om de onderdelen rechtstreeks met elkaar gelijk te stellen.


Bijvoorbeeld:


  • rots = goud, zilver en kostelijke stenen;
  • zand = hout, hooi en stoppelen.


Maar dat kan niet.


De passages verschillen niet alleen in de ondergrond en het bouwmateriaal. Zelfs het gebouw waaraan gebouwd wordt, is niet hetzelfde.


Dat maakt het onderscheid veel scherper.



In Mattheüs 7 bouwt de hoorder zijn eigen huis


Jezus zegt over de wijze man:

„Die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft.”
— Mattheüs 7:24

En over de dwaze man:

„Die zijn huis op het zand gebouwd heeft.”
— Mattheüs 7:26

Het gaat dus om zijn huis.


In de gelijkenis staat dat huis voor het praktische levensbouwwerk van de hoorder. De vraag is waarop hij zijn eigen leven bouwt nadat hij Christus’ woorden heeft gehoord.


De twee mogelijkheden zijn:


  • Christus’ woorden horen en doen;
  • Christus’ woorden horen en niet doen.



Daarom verschillen in Mattheüs 7 de praktische ondergronden:

  • steenrots;
  • zand.


De nadruk ligt op de praktische wandel en stabiliteit van het levenshuis.



In 1 Korinthe 3 gaat het om Gods gebouw


Paulus gebruikt het bouwbeeld anders.


Hij schrijft:

„Want Gods medearbeiders zijn wij; Gods akkerwerk, Gods gebouw zijt gij.”
— 1 Korinthe 3:9

Het gebouw is hier niet het persoonlijke levenshuis van één gelovige.



Paulus zegt tegen de Korinthiërs gezamenlijk:

„Gods gebouw zijt gij.”

Het gaat om Gods gebouw: de gemeente die door de arbeid van Gods dienstknechten wordt opgebouwd.



Paulus vervolgt:

„Naar de genade Gods, die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fondament gelegd, en een ander bouwt daarop. Maar een iegelijk zie toe, hoe hij daarop bouwe.”
— 1 Korinthe 3:10

Paulus had het fundament gelegd. Andere arbeiders bouwden daarop verder.



En dat fundament stond reeds vast:

„Want niemand kan een ander fondament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus.”
— 1 Korinthe 3:11

Daarna zegt Paulus:

„En indien iemand op dit fondament bouwt: goud, zilver, kostelijke stenen, hout, hooi, stoppelen.”
— 1 Korinthe 3:12

Dat is een belangrijk verschil met Mattheüs 7.


In 1 Korinthe 3:


  • blijft het fundament hetzelfde;
  • blijft Jezus Christus het fundament;
  • maar verschilt de kwaliteit van hetgeen daarop wordt gebouwd.


Zelfs hout, hooi en stoppelen worden in Paulus’ beeld op hetzelfde fundament Jezus Christus gebouwd.


Daarom kan hout, hooi en stoppelen onmogelijk eenvoudig hetzelfde betekenen als het zand uit Mattheüs 7.




Zelfs het gebouw is dus verschillend


Het onderscheid kan zo worden samengevat:

Mattheüs 7 1 Korinthe 3
De hoorder bouwt zijn huis Arbeiders bouwen aan Gods gebouw
Praktisch levensbouwwerk De gemeente / Gods gebouw
Twee verschillende ondergronden Eén reeds gelegd fundament
Rots of zand Fundament: Jezus Christus
Horen en doen / horen en niet doen Verschillende kwaliteit van arbeid
Huis staat of stort in Werk blijft of verbrandt
Praktische wandel en stabiliteit Arbeid aan Gods gebouw en haar beoordeling

De overeenkomsten mogen dus niet zover worden doorgetrokken dat beide gedeelten één en dezelfde bouwtekening zouden vormen.


Mattheüs 7 vraagt waarop een hoorder zijn eigen praktische levenshuis bouwt.
1 Korinthe 3 vraagt hoe Gods arbeiders verder bouwen aan Gods gebouw op het reeds gelegde fundament Jezus Christus.


Dat zijn twee verschillende vragen.



Ook het tijdsperspectief verschilt


Het onderscheid gaat nog verder.


In Mattheüs 7 spreekt Jezus over een storm die tegen het huis slaat.


Hij noemt daar niet:


  • „de dag”;
  • vuur;
  • loon;
  • schade;
  • behouden blijven;
  • de rechterstoel van Christus.


Het directe beeld gaat over het praktische levenshuis en de vraag of dat huis standhoudt wanneer het wordt getroffen.



In 1 Korinthe 3 wordt de toekomstige openbaarmaking van de arbeid daarentegen uitdrukkelijk genoemd:

„Eens iegelijks werk zal openbaar worden; want de dag zal het verklaren, dewijl het door vuur ontdekt wordt; en hoedanig eens iegelijks werk is, zal het vuur beproeven.”
— 1 Korinthe 3:13

Daar vinden we:


  • de dag;
  • openbaarmaking;
  • vuur;
  • beproeving van het werk;
  • loon;
  • schade.


Paulus zegt:

„Zo iemands werk zal blijven, dat hij daarop gebouwd heeft, die zal loon ontvangen.”
— 1 Korinthe 3:14

En:

„Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur.”
— 1 Korinthe 3:15

Dat is dus niet simpelweg dezelfde storm uit Mattheüs 7 in andere woorden.


De passages verschillen in:


  • wie bouwt;
  • waaraan gebouwd wordt;
  • wat het fundament of de ondergrond voorstelt;
  • wat wordt beproefd;
  • en hoe die beproeving wordt beschreven.



Mattheüs 7 vraagt:

Bouwt de hoorder zijn praktische leven werkelijk overeenkomstig Christus’ woorden?

1 Korinthe 3 vraagt:

Met welke kwaliteit bouwen Gods arbeiders verder aan Gods gebouw op het reeds gelegde fundament Jezus Christus?

Juist door die twee bouwbeelden niet in elkaar te schuiven, wordt de betekenis van beide passages scherper.



De directe context van 1 Korinthe 3


Paulus had kort daarvoor al gezegd:

„Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt; maar God heeft den wasdom gegeven.”
— 1 Korinthe 3:6

Daarna noemt hij zichzelf en Apollos:

„Gods medearbeiders.”

En de Korinthiërs:

„Gods akkerwerk, Gods gebouw.”

De primaire bouwers in dit gedeelte zijn dus Paulus en andere arbeiders die aan Gods gemeente werken. Niet iedere gelovige wordt in deze alinea zonder onderscheid als bouwmeester aangeduid.


Dat is belangrijk voor een nauwkeurige uitleg.


1 Korinthe 3 leert rechtstreeks:


  • Christus is het gelegde fundament;
  • Gods gemeente wordt daarop opgebouwd;
  • verschillende arbeiders kunnen verschillend bouwen;
  • niet alle arbeid heeft dezelfde kwaliteit;
  • die arbeid wordt openbaar;
  • er kan loon of schade volgen;
  • de arbeider zelf kan behouden blijven terwijl zijn werk verbrandt.


De bredere waarheid dat alle gelovigen voor Christus rekenschap geven van hun leven, wordt elders uitdrukkelijk geleerd:

„Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus…”
— 2 Korinthe 5:10

Zo hoeft 1 Korinthe 3 niet breder gemaakt te worden dan zijn eigen context, terwijl de algemene verantwoordelijkheid van iedere gelovige volledig blijft staan.



Slecht werk betekent niet dat Christus nooit het fundament was


Paulus zegt:

„En indien iemand op dit fondament bouwt…”

Daarna noemt hij óók:

„hout, hooi, stoppelen.”

Daarmee wordt een belangrijk beginsel zichtbaar:

Waardeloos werk bewijst niet dat Jezus Christus nooit het fundament was.

Binnen Paulus’ beeld wordt juist op het reeds gelegde fundament verkeerd of waardeloos materiaal gebruikt.



Het werk kan volledig verbranden:

„Maar zelf zal hij behouden worden…”

De persoon en zijn werk zijn dus niet hetzelfde.


Zijn arbeid kan waardeloos blijken zonder dat zijn positie daardoor wordt herschreven.



Dat voorkomt een veel voorkomende fout:

Slecht werk = nooit werkelijk gered geweest.

1 Korinthe 3 laat zien dat die conclusie niet automatisch getrokken mag worden.


Dat raakt rechtstreeks aan de vraag: kan een gelovige nog verloren gaan? Paulus onderscheidt hier immers de behouden persoon van zijn werk dat verbrandt.



Positie, wandel en werk: drie verschillende zaken


Nu wordt het onderscheid volledig helder.


1. Positie

De gelovige heeft eeuwig leven door geloof in Jezus Christus.


Voor zijn eeuwige redding rust de gelovige volledig op Jezus Christus. Zijn positie is door geloof in Hem vastgesteld en rust niet op de kwaliteit van zijn praktische wandel.


2. Wandel

De gelovige leeft vervolgens praktisch.


Hij hoort Christus’ woorden.


Hij kan ze doen.


Hij kan ze ook niet doen.


Mattheüs 7 spreekt precies over dat praktische onderscheid.


3. Werk

In 1 Korinthe 3 gaat het direct om de kwaliteit van de arbeid waarmee aan Gods gebouw wordt gebouwd. Niet iedere arbeid heeft dezelfde waarde. Sommig werk blijft; ander werk verbrandt. De bredere waarheid dat het gehele praktische leven van de gelovige voor Christus van betekenis is, blijkt onder andere uit 2 Korinthe 5:10.


Bij de beoordeling kan er:


  • loon;
  • of schade


volgen.


De kern is daarom:

Redding bepaalt de positie van de gelovige.
Mattheüs 7 behandelt de praktische grondslag van zijn wandel.
1 Korinthe 3 behandelt binnen zijn eigen context de kwaliteit en toekomstige beoordeling van arbeid op het reeds gelegde fundament Christus.

Wanneer deze drie zaken worden onderscheiden, verdwijnt veel verwarring.



Kan een gelovige dan praktisch op zand bouwen?


Ja — zolang we het woord praktisch niet verliezen.


Een gelovige wordt voor zijn eeuwige redding niet van Jezus Christus afgehaald en vervolgens positioneel op zand geplaatst.


Dat is niet wat Mattheüs 7 leert.


Maar een gelovige kan wel degelijk een praktisch levensgebied inrichten zonder de bekende woorden van Christus te doen.


Hij kan:


  • vanuit het vlees reageren;
  • vertrouwen op eigen inzicht;
  • leven voor menselijke goedkeuring;
  • zijn veiligheid in bezit zoeken;
  • Christus’ woorden kennen en ze toch negeren.


Dan bouwt hij in de beeldspraak van Mattheüs 7 praktisch op zand.


Niet zijn eeuwige positie wordt zand.


Zijn levensbouw mist op dat punt de vaste grond van gehoorzaamheid aan Christus’ woorden.


Daarom is dit de nauwkeurige formulering:

De gelovige staat positioneel vast in Christus, maar kan praktisch op zand bouwen wanneer hij Christus’ woorden hoort en niet doet.

Dat zijn twee verschillende niveaus.



De storm is niet automatisch de rechterstoel van Christus


Dit verdient herhaling vanwege het verschil met 1 Korinthe 3.


Mattheüs 7 noemt een storm.


1 Korinthe 3 noemt:

„de dag”

en:

„vuur”.

We hoeven die twee niet samen te voegen.



Mattheüs 7 vertelt ons dat een levenshuis zonder vaste praktische grondslag niet bestand is tegen beproeving.


1 Korinthe 3 vertelt ons dat arbeid op het fundament Christus op „de dag” openbaar wordt en door vuur wordt beproefd.


De passages delen een algemeen beginsel:

Wat wordt gebouwd, is niet automatisch blijvend.

Maar zij beschrijven niet noodzakelijk:


  • dezelfde toets;
  • hetzelfde moment;
  • dezelfde onderdelen;
  • hetzelfde doel van het beeld.


Juist door ze niet te forceren, wordt beide Schriftgedeelten meer recht gedaan.



De gelovige verschijnt voor de rechterstoel van Christus


Dat de gelovige verantwoordelijkheid draagt voor zijn praktische leven staat ook buiten 1 Korinthe 3 duidelijk vast.


Paulus schrijft:

„Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage hetgeen door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.”
— 2 Korinthe 5:10

Daar wordt zijn eeuwige redding niet opnieuw opgebouwd of opnieuw verdiend.


De gelovige bezit eeuwig leven reeds door geloof.


Maar zijn wandel doet ertoe.


Zijn dienst doet ertoe.


Zijn keuzes doen ertoe.


Zijn arbeid doet ertoe.


Eeuwige zekerheid vernietigt verantwoordelijkheid niet.


Zij plaatst verantwoordelijkheid juist op de juiste plaats:

niet werken om behouden te worden, maar als behouden mens rekenschap geven van hetgeen met het ontvangen leven is gedaan.

Daarom blijft ook de vraag [waarom zou ik God nog dienen als ik toch gered ben?] belangrijk: niet voor behoud, maar vanwege gehoorzaamheid, loon en eeuwigheidswaarde.



Schatten op aarde of in de hemel


Dat beginsel stond al eerder in dezelfde Bergrede.


Jezus zegt:

„Vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen.”
— Mattheüs 6:19

Daartegenover:

„Maar vergadert u schatten in den hemel…”
— Mattheüs 6:20

Een discipel heeft dus een werkelijke keuze.


Hij kan investeren in hetgeen verdwijnt.


Hij kan investeren in hetgeen blijft.


Hij koopt daarmee geen eeuwig leven.


Eeuwig leven is geen schat die met voldoende geestelijke prestaties wordt gekocht.


Maar iemand die eeuwig leven bezit, kan wel zijn tijdelijke leven besteden aan zaken die blijvende waarde hebben.



Zaaien in het vlees of in de Geest


Paulus gebruikt in Galaten een ander beeld:

„Want die in zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderfenis maaien; maar die in den Geest zaait, zal uit den Geest het eeuwige leven maaien.”
— Galaten 6:8

Hij spreekt daar tot gelovigen.


Zij kunnen:


  • in het vlees zaaien;
  • in de Geest zaaien.


Dat is geen tweede manier om de vrije gave van eeuwig leven te verkrijgen.


Het gaat over de oogst van hun wandel.


Wat uit het vlees komt, eindigt in verderf.


Wat uit de Geest voortkomt, behoort bij het eeuwige leven en heeft blijvende waarde.


Hetzelfde leven waarin iemand kan bouwen, kan dus ook worden beschreven als zaaien.


De verantwoordelijkheid is werkelijk.


Maar zij volgt ná de redding.



Zijn leven verliezen of behouden


Ook Markus 8 past in dit patroon.


Jezus zegt:

„Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij.”
— Markus 8:34

Dat is discipelschap.



Daarna:

„Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zo wie zijn leven zal verliezen om Mijnentwil en des Evangelies wil, die zal hetzelve behouden.”
— Markus 8:35

Een discipel kan zijn tijdelijke leven voor zichzelf gebruiken.


Hij kan het ook voor Christus inzetten.


Het gaat opnieuw niet om het kopen van eeuwig leven.


Het gaat om wat iemand doet met het leven dat hij heeft ontvangen.



Dat sluit zeer goed aan bij de vraag van de bouwers:

Wat bouwt u met uw leven?


Maar vlak ervoor zegt Jezus toch: „Ik heb u nooit gekend”?


Jezus zegt:

„Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is.”
— Mattheüs 7:21

Wat is die wil van de Vader wanneer het gaat om het ontvangen van eeuwig leven?



Jezus heeft dat Zelf verklaard:

„En dit is de wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft, dat een iegelijk, die den Zoon aanschouwt, en in Hem gelooft, het eeuwige leven hebbe; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.”
— Johannes 6:40

De wil van de Vader ten aanzien van eeuwig leven is dus helder:

Zie op de Zoon en geloof in Hem.

Maar de mensen in Mattheüs 7:22 wijzen niet op Christus en Zijn belofte. Zij wijzen op zichzelf en op hetgeen zij hebben gedaan:

„Hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam duivelen uitgeworpen, en in Uw Naam vele krachten gedaan?”

Hun verdediging bestaat uit:

„Hebben wij niet…?”

Zij brengen hun godsdienstige prestaties naar voren.


Maar werken kunnen geloof in Christus niet vervangen.



Daarom zegt Jezus:

„Ik heb u nooit gekend.”
— Mattheüs 7:23

Niet:

Ik kende u vroeger, maar u bent later verloren gegaan.

Maar:

„Ik heb u nooit gekend.”

Hun indrukwekkende werken hadden hun geen eeuwig leven gegeven, omdat eeuwig leven niet door werken wordt verkregen.



Dat maakt de overgang naar de volgende verzen des te belangrijker:

„Een iegelijk dan, die deze Mijn woorden hoort…”

In vers 21-23 zien we dat werken geen vervanging zijn voor geloof. Vanaf vers 24 gaat Jezus verder met de verantwoordelijkheid van de hoorder die Zijn woorden heeft ontvangen:

hoort hij ze alleen, of doet hij ze ook?

Daarmee blijven de twee zaken zuiver onderscheiden:

Voor redding: geloof in de Zoon.
Voor discipelschap: hoor Zijn woorden en doe ze.

Ook het eerdere beeld van de [goede boom en de kwade vrucht] in Mattheüs 7 moet zorgvuldig worden onderscheiden van de praktische wandel en vrucht van een gelovige.



Wat is de boodschap voor een ongelovige?


Voor iemand die nog niet in Jezus Christus heeft geloofd, is de toepassing uiteindelijk eenvoudig.


Hij hoeft niet eerst heel het onderwijs over:


  • discipelschap;
  • vlees en Geest;
  • loon;
  • schade;
  • hemelse schatten;
  • wijze levensbouw


op zichzelf te gaan uitvoeren om gered te kunnen worden.


Zijn eerste nood is redding.


De Schrift zegt:

„Maar zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen.”
— Hebreeën 11:6

Daarom is de boodschap voor de ongelovige niet:

Bouw beter.

Niet:

Word eerst een betere discipel.

Niet:

Probeer voldoende door de Geest te wandelen.

Maar:

Geloof het Evangelie.

Paulus zegt:

„Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet; want het is de kracht Gods tot zaligheid een iegelijk, die gelooft.”
— Romeinen 1:16

En:

„Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.”
— Romeinen 10:17

De mens hoort het Evangelie.


Hij gelooft.


Hij ontvangt eeuwig leven.

Daarna begint het leven na geloof: discipelschap, wandel, bouwen, zaaien, dienen en loon.

Die volgorde mag nooit worden omgekeerd.



De waarschuwing voor de gelovige is werkelijk ernstig


Dat eeuwig leven niet door bouwen wordt verkregen, maakt Mattheüs 7 niet minder ernstig.


Het maakt de waarschuwing juist zuiverder.


De gelovige hoeft niet voortdurend bang te zijn dat een slechte dag, een vleselijke periode of een mislukt levensgebied bewijst dat Christus’ belofte toch niet waar was.


Maar hij moet evenmin denken:

Ik ben eeuwig behouden, dus het maakt niets uit hoe ik leef.

Het maakt veel uit.


Een gelovige kan:


  • tijd verspillen;
  • mogelijkheden ongebruikt laten;
  • Christus’ woorden negeren;
  • aardse schatten najagen;
  • vleselijk leven;
  • anderen beschadigen;
  • loon missen;
  • schade lijden;
  • veel arbeid verrichten die geen blijvende waarde blijkt te hebben.


Hij kan ook:


  • door de Geest wandelen;
  • Christus’ woorden doen;
  • trouw dienen;
  • het Evangelie bekendmaken;
  • anderen liefhebben;
  • schatten in de hemel verzamelen;
  • zijn tijdelijke leven gebruiken voor hetgeen blijft.


Daarom is de vraag voor de gelovige niet:

Heb ik voldoende gebouwd om gered te worden?

Die vraag hoort niet bij het Evangelie.



De vraag is:

Nu ik door geloof eeuwig leven bezit, wat bouw ik met het leven dat God mij heeft gegeven?


Conclusie: eerst geloven, daarna bouwen


De gelijkenis van de wijze en dwaze bouwer legt niet uit hoe een mens eeuwig leven ontvangt.


Eeuwig leven wordt niet gebouwd.


Het wordt niet verdiend door gehoorzaamheid.


Het wordt niet pas verkregen nadat iemand diep genoeg heeft gegraven, lang genoeg heeft gebouwd en voldoende stormen heeft doorstaan.


Eeuwig leven wordt onmiddellijk als Gods vrije gave ontvangen door ieder die in Jezus Christus gelooft.

„Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.”

De gelijkenis begint vervolgens bij hoorders.


Beide bouwers horen Christus’ woorden.


Het verschil ontstaat daarna:


  • de ene hoort en doet;
  • de andere hoort en doet niet.


De wijze hoorder richt zijn praktische leven overeenkomstig Christus’ woorden in.


De dwaze hoorder kent dezelfde woorden, maar bouwt zijn praktische leven er niet werkelijk op.


Voor een gelovige kan die tegenstelling zeer werkelijk zijn. Hij staat voor zijn eeuwige positie vast in Christus, maar kan in zijn praktische wandel toch gehoorzaam of ongehoorzaam leven.


Daarbij moet Mattheüs 7 zorgvuldig van 1 Korinthe 3 worden onderscheiden.


Mattheüs 7 gaat over de praktische grondslag en stabiliteit van het levenshuis:


  • rots of zand;
  • horen en doen of horen en niet doen;
  • staan of instorten wanneer het huis wordt beproefd.


1 Korinthe 3 gebruikt een ander bouwbeeld:


  • het gebouw is Gods gebouw: de gemeente;
  • Paulus en andere arbeiders bouwen daaraan;
  • Jezus Christus ligt reeds als fundament;
  • op datzelfde fundament kan met waardevol of waardeloos materiaal worden gebouwd;
  • „de dag” maakt de arbeid openbaar;
  • het vuur beproeft het werk;
  • blijvend werk ontvangt loon;
  • waardeloos werk verbrandt;
  • de arbeider kan schade lijden terwijl hijzelf behouden blijft.

De positie van de gelovige rust op Christus.
Mattheüs 7 behandelt de praktische grondslag van zijn levenswandel.
1 Korinthe 3 behandelt de kwaliteit van arbeid aan Gods gebouw.
2 Korinthe 5 bevestigt dat iedere gelovige persoonlijk voor Christus rekenschap geeft van zijn leven.

Mattheüs 7 hoeft bovendien niet te worden veranderd in een beschrijving van de rechterstoel van Christus of de grote witte troon. De storm wordt door Jezus niet zo geïdentificeerd. Het directe beeld gaat over de stabiliteit van hetgeen een hoorder in zijn praktische leven bouwt.



Voor de ongelovige blijft de boodschap eenvoudig:

Geloof in Jezus Christus en ontvang eeuwig leven.

Daarna komt de vraag van discipelschap:

Nu u eeuwig leven hebt ontvangen — hoe gaat u bouwen?

Dat is het grote onderscheid.



Niet:

bouwen om gered te worden.

Maar:

gered worden door geloof, en daarna bouwen met het leven dat God u gegeven heeft.


U bouwt niet om eeuwig leven te krijgen. U ontvangt eeuwig leven door geloof, zodat u daarna kunt bouwen voor de eeuwigheid.


Lees verder in Mattheüs 7

De brede en smalle weg uitgelegd

De twee poorten en wegen vormen het begin van Christus' afsluitende waarschuwing in Mattheüs 7.


Een goede boom kan geen kwade vrucht voortbrengen

Wat de boom en zijn vrucht leren over bron, natuur en wat daaruit voortkomt.


Moeilijke Bijbelteksten uitgelegd

Bekijk meer teksten in hun Bijbelse context.