2 Petrus 2 is een keiharde waarschuwing aan gelovigen. Het leert niet dat eeuwig leven verloren kan gaan, maar dat een gekocht mens, zolang hij het vlees heeft, verschrikkelijk kan ontsporen. Een gelovige kan de Heere praktisch verloochenen, anderen meeslepen en verderf maaien — niet bij de Grote Witte Troon, maar onder Gods beoordeling bij de rechterstoel van Christus.
2 Petrus 2 uitgelegd: valse leraars, het vlees en Gods oordeel
Waarom 2 Petrus 2 niet leert dat een gelovige zijn zaligheid kan verliezen, maar wél dat een gelovige verschrikkelijk kan ontsporen als hij naar het vlees leeft.
2 Petrus 2 is één van de scherpste hoofdstukken in het Nieuwe Testament.
Petrus spreekt over valse leraars, verderfelijke ketterijen, gierigheid, gemaakte woorden, oordeel, verderf, Sodom, Lot, Bileam, onvaste zielen, fonteinen zonder water, slaven van verdorvenheid — en eindigt met honden en zeugen.
Dit hoofdstuk wordt vaak op twee verkeerde manieren gelezen.
De ene groep gebruikt 2 Petrus 2 om te leren dat een gelovige zijn zaligheid kan verliezen.
De andere groep zegt: “Dit gaat alleen over ongelovigen. Een echte gelovige kan dit allemaal niet.”
Beide benaderingen missen de scherpte van de Schrift.
2 Petrus 2 is geschreven aan gelovigen. Niet aan ongelovigen buiten de deur. Niet aan mensen die niets met Christus te maken hebben. Petrus schrijft aan mensen die “even dierbaar geloof” verkregen hebben. En juist aan hen zegt hij: er zullen onder u valse leraars zijn.
Dat betekent dat de lezer zichzelf niet buiten schot mag plaatsen. Dit hoofdstuk is geen veilige beschrijving van “slechte mensen daarbuiten”. Het is een spiegel voor de gelovige kring. Petrus zegt niet: “buiten u”, maar: “onder u”. De waarschuwing komt dus dichtbij. Een gelovige kan niet zijn eeuwig leven verliezen, maar hij kan wél naar het vlees leven, de Heere praktisch verloochenen, anderen meeslepen en verderf over zichzelf brengen.
Een gelovige kan zijn eeuwig leven niet verliezen. Dat staat vast.
“Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.”
— Johannes 6:47
“En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken.”
— Johannes 10:28
Maar dezelfde gelovige heeft nog het vlees. En in dat vlees woont geen goed.
“Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont…”
— Romeinen 7:18
Daar ligt de sleutel.
De gelovige is in Christus rechtvaardig. Maar zijn oude mens is nog verdorven. Zijn nieuwe mens is uit God. Maar zijn vlees is vijandschap tegen God. Als een gelovige naar het vlees leeft, kan hij praktisch wandelen als een onrechtvaardige. Als hij vanuit dat vlees gaat leren, spreken en invloed uitoefenen, kan hij zelfs een valse leraar worden.
Dat betekent niet dat hij zijn zaligheid verliest. Maar het betekent wél dat hij verderf kan zaaien en verderf kan maaien.
“Want die in zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderfenis maaien…”
— Galaten 6:8
2 Petrus 2 is dus niet minder ernstig omdat eeuwige zekerheid waar is. Het is juist ernstig omdat het laat zien waartoe het vlees in een gekocht mens in staat is.
1. Aan wie is 2 Petrus geschreven?
Petrus begint zijn brief zo:
“Simon Petrus, een dienstknecht en apostel van Jezus Christus, dengenen, die even dierbaar geloof met ons verkregen hebben door de rechtvaardigheid van onzen God en Zaligmaker, Jezus Christus.”
— 2 Petrus 1:1
Dat is glashelder.
Petrus schrijft aan mensen die geloof verkregen hebben. Niet zomaar geloof in algemene zin, maar “even dierbaar geloof” met de apostelen.
Daarna zegt hij:
“Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft…”
— 2 Petrus 1:3
En:
“Door welke ons de grootste en dierbare beloften geschonken zijn, opdat gij door dezelve der Goddelijke natuur deelachtig zoudt worden, nadat gij ontvloden zijt het verderf, dat in de wereld is door de begeerlijkheid.”
— 2 Petrus 1:4
Dit zijn gelovigen.
Zij hebben alles ontvangen wat tot leven en godzaligheid behoort. Zij hebben deel gekregen aan de Goddelijke natuur. Zij zijn ontvloden aan het verderf dat in de wereld is door de begeerlijkheid.
En juist aan deze mensen schrijft Petrus hoofdstuk 2.
Daarom moet niemand 2 Petrus 2 lezen alsof het niet tot gelovigen spreekt. Het hoofdstuk is Schrift. En al de Schrift is nuttig voor de mens Gods.
“Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust zij.”
— 2 Timotheüs 3:16-17
2 Petrus 2 is dus lering voor de mens Gods. Voor de gelovige. Voor de rechtvaardige in Christus. Niet om zijn zaligheid onzeker te maken, maar om hem te waarschuwen, te verbeteren en te onderwijzen in rechtvaardigheid.
Een ongelovige heeft in de kern één boodschap nodig:
“Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden…”
— Handelingen 16:31
Maar de gelovige heeft daarna de hele Schrift nodig om te leren wandelen, onderscheiden, groeien, waken, zich laten bestraffen en niet in het vlees te leven.
2 Petrus 2 hoort daarbij.
2. De grote sleutel: oude mens en nieuwe mens
Wie 2 Petrus 2 wil begrijpen, moet het onderscheid zien tussen de nieuwe mens en de oude mens.
De gelovige is in Christus rechtvaardig.
“Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.”
— Romeinen 4:5
“Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus.”
— Romeinen 5:1
“Want Hem, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.”
— 2 Korinthe 5:21
Dat is zijn positie.
Maar de gelovige heeft nog het vlees.
“Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont…”
— Romeinen 7:18
Het vlees van de gelovige is niet verbeterd. Het vlees is niet half-geheiligd. Het vlees is niet betrouwbaar geworden. Het vlees is nog steeds vlees.
“Daarom dat het bedenken des vleses vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich der wet Gods niet; want het kan ook niet.”
— Romeinen 8:7
En:
“Want het vlees begeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander; alzo dat gij niet doet, hetgeen gij wildet.”
— Galaten 5:17
Daarom zegt Efeze:
“Dat gij zoudt afleggen, aangaande de vorige wandeling, den ouden mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding.”
— Efeze 4:22
En:
“En dat gij zoudt vernieuwd worden in den geest uws gemoeds; en den nieuwen mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid.”
— Efeze 4:23-24
Let op het verschil.
De oude mens wordt verdorven door begeerlijkheden der verleiding.
De nieuwe mens is geschapen naar God in ware rechtvaardigheid en heiligheid.
Dat is precies de sleutel voor 2 Petrus 2.
Wanneer Petrus spreekt over begeerlijkheid, gierigheid, onreinheid, hoogmoed, verleiding, verderf en valse leer, dan spreekt hij over de vrucht van het vlees. En een gelovige heeft dat vlees nog.
Daarom is de waarschuwing echt.
Niet: een gelovige verliest eeuwig leven.
Wel: een gelovige kan verschrikkelijk wandelen als hij naar het vlees leeft.
3. Vleselijke gelovigen bestaan echt
Veel mensen willen maar twee vakjes:
Of iemand is gelovig, en dan kan hij niet diep vallen.
Of iemand valt diep, en dan kan hij nooit gelovig zijn geweest.
Maar de Schrift spreekt anders.
Paulus schrijft aan de Korinthiërs:
“En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot jonge kinderen in Christus.”
— 1 Korinthe 3:1
Hij noemt hen “broeders”. Hij zegt dat zij “in Christus” zijn. Maar hij noemt hen ook “vleselijk”.
Daarna zegt hij:
“Want dewijl onder u nijd is, en twist, en tweedracht, zijt gij niet vleselijk, en wandelt gij niet naar den mens?”
— 1 Korinthe 3:3
Een gelovige kan dus wandelen “naar den mens”. Praktisch alsof hij alleen de oude geboorte heeft. Zijn positie is in Christus, maar zijn wandel is vleselijk.
Dat verklaart 2 Petrus 2 veel beter dan een koud systeem.
Een gelovige kan in Christus rechtvaardig zijn, maar in zijn wandel onrecht doen.
Paulus zegt tegen broeders:
“Maar gijlieden doet ongelijk, en doet schade, en dat den broederen.”
— 1 Korinthe 6:8
Dus ja: een gelovige kan onrechtvaardig handelen.
Daarom moet 2 Petrus 2 niet tandeloos gemaakt worden. Als Petrus spreekt over valse leraars, verderf, onrechtvaardigheid en oordeel, dan moet de gelovige niet zeggen: “Dat kan mij niet raken.” Hij moet zeggen: “Dat is wat mijn vlees kan voortbrengen als ik niet wandel in de Geest.”
4. Oordeel is echt — maar niet elk oordeel is hetzelfde oordeel
Dit is zeer belangrijk.
Wanneer de Bijbel over oordeel spreekt, moet men vragen: welk oordeel? Voor wie? In welke context?
Voor de ongelovige is er het oordeel van de Grote Witte Troon.
“En ik zag een groten witten troon, en Dengene, Die daarop zat, van Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvloden, en geen plaats is voor die gevonden.”
— Openbaring 20:11
En:
“En zo iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des levens, die werd geworpen in den poel des vuurs.”
— Openbaring 20:15
Dat is eeuwige verdoemenis.
Maar voor de gelovige is er de rechterstoel van Christus.
“Want wij moeten allen geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage, hetgeen door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.”
— 2 Korinthe 5:10
En:
“Want wij zullen allen voor den rechterstoel van Christus gesteld worden.”
— Romeinen 14:10
Dat is geen oordeel om te bepalen of de gelovige eeuwig leven krijgt. Dat heeft hij al ontvangen door geloof in Christus.
“Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.”
— Johannes 6:47
Maar zijn werken, wandel, trouw, invloed en dienst zullen wel beoordeeld worden.
Paulus zegt:
“Eens iegelijks werk zal openbaar worden; want de dag zal het verklaren, dewijl het door vuur ontdekt wordt; en hoedanig eens iegelijks werk is, zal het vuur beproeven.”
— 1 Korinthe 3:13
En:
“Zo iemands werk zal blijven, dat hij daarop gebouwd heeft, die zal loon ontvangen.”
— 1 Korinthe 3:14
Maar ook:
“Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur.”
— 1 Korinthe 3:15
Dat is de sleutel.
Schade is echt.
Vuur is echt.
Verlies is echt.
Oordeel is echt.
Maar: “zelf zal hij behouden worden.”
Daarom hoeft 2 Petrus 2 niet over verlies van zaligheid te gaan om verschrikkelijk ernstig te zijn.
De gelovige moet niet denken: “Omdat ik eeuwig leven heb, maakt mijn wandel niet uit.”
Dat is dwaas. De Schrift zegt:
“Want onze God is een verterend vuur.”
— Hebreeën 12:29
Hebreeën 12 spreekt tot gelovigen over kastijding, heiligheid en ernst. God is Vader, maar Hij is geen zwakke Vader. Hij kastijdt. Hij reinigt. Hij oordeelt het vlees. Hij laat Zich niet bespotten.
“Dwaalt niet; God laat Zich niet bespotten; want zo wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien.”
— Galaten 6:7
En dan rechtstreeks aan gelovigen:
“Want die in zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderfenis maaien…”
— Galaten 6:8
Dat is precies 2 Petrus 2.
Geen verlies van eeuwig leven. Wel verderf maaien.
Dit onderscheid moet bij heel 2 Petrus 2 blijven staan. Petrus gebruikt zware oordeelstaal, maar dat betekent niet automatisch de Grote Witte Troon. Voor de ongelovige eindigt oordeel in eeuwige verdoemenis. Voor de gelovige is Gods oordeel over wandel, werken en invloed echt bij de rechterstoel van Christus: vuur, schade, tucht, loonverlies en ernstige verantwoording. Eeuwige zekerheid maakt deze waarschuwing niet zwakker, maar scherper.
2 Petrus 2 vers voor vers — vers 1
“En er zijn ook valse profeten onder het volk geweest, gelijk ook onder u valse leraars zijn zullen, die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoeren zullen, ook den Heere, Die hen gekocht heeft, verloochenende, en een haastig verderf over zichzelven brengende.”
— 2 Petrus 2:1
Dit vers zet het hele hoofdstuk neer.
Vroeger waren er valse profeten “onder het volk”. Niet buiten Israël, maar onder het volk. Binnen de religieuze kring. Binnen de plaats waar Gods waarheid bekend was.
Zo zullen er nu “onder u” valse leraars zijn.
Wie zijn die “u”? De gelovigen uit hoofdstuk 1. Mensen met even dierbaar geloof. Mensen die deel hebben aan de Goddelijke natuur. Mensen die ontvloden zijn aan het verderf dat in de wereld is door de begeerlijkheid.
Dus dit gevaar komt niet alleen van buiten. Het staat op onder de gelovigen. Dat moet hard binnenkomen. Petrus geeft de gelovige hier geen hoofdstuk waarmee hij veilig naar anderen kan wijzen. Hij houdt hem een spiegel voor. “Onder u” betekent: binnen de kring waar geloof, waarheid, onderwijs, gemeenschap en belijdenis aanwezig zijn. Daar kan het vlees zich vermommen als geestelijkheid.
Petrus zegt niet: “Er zullen buiten u valse leraars zijn.”
Hij zegt: “onder u.”
Daarom mag een gelovige 2 Petrus 2 niet van zich afschuiven.
Deze valse leraars voeren “verderfelijke ketterijen” in. Niet openlijk, maar bedektelijk. Dwaalleer komt vaak met Bijbelwoorden. Met ernst. Met vrijheidstaal. Met vroomheid. Met zogenaamd dieper inzicht. Met een toon van gezag. Maar de vrucht is verderfelijk.
Dan zegt Petrus iets wat absoluut moet blijven staan:
“den Heere, Die hen gekocht heeft”
Zij zijn gekocht.
Dat mag niet afgezwakt worden. Petrus zegt niet dat zij alleen maar deden alsof. Hij zegt dat de Heere hen gekocht heeft.
Maar gekocht zijn betekent niet dat iemand nu veilig naar het vlees kan leven. Een gekocht mens kan de Heere praktisch verloochenen.
“Zij belijden, dat zij God kennen, maar zij verloochenen Hem met de werken…”
— Titus 1:16
Petrus zelf heeft de Heere verloochend.
“Toen begon hij zich te vervloeken, en te zweren: Ik ken den Mens niet.”
— Mattheüs 26:74
Was Petrus daardoor zijn zaligheid kwijt? Nee. Maar zijn verloochening was echt.
Zo kan een gekocht mens de Heere verloochenen met leer, werken, gierigheid, onreinheid, hoogmoed, machtsmisbruik of valse vrijheid.
Het gevolg:
“een haastig verderf over zichzelven brengende”
Niet: eeuwig leven verliezen. Dat zegt Petrus niet.
Maar ook niet: een onschuldige waarschuwing voor mensen ver weg.
Het gaat om een gekocht mens die de Heere praktisch kan verloochenen en werkelijk verderf over zichzelf kan brengen.
“Want die in zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderfenis maaien…”
— Galaten 6:8
Dit is de eerste klap van het hoofdstuk:
Een gekocht mens kan naar het vlees zo leven en leren dat hij de Heere praktisch verloochent en verderf over zichzelf brengt.
Dat is 2 Petrus 2.
Vers 2 — velen volgen hun verderfenissen
“En velen zullen hun verderfenissen navolgen, door welke de weg der waarheid zal gelasterd worden.”
— 2 Petrus 2:2
Valse leer blijft nooit privé.
“velen zullen hun verderfenissen navolgen”
Een vleselijke leraar beschadigt niet alleen zichzelf; hij maakt navolgers. Mensen volgen niet alleen woorden, maar ook toon, vrijheid, houding, begeerte en voorbeeld. Daarom wordt “de weg der waarheid” gelasterd. Niet omdat de waarheid verkeerd is, maar omdat mensen onder de naam van Christus leven en leren vanuit het vlees.
Genade wordt dan beschuldigd van losbandigheid. Christus wordt beoordeeld naar het gedrag van mensen die Zijn Naam dragen. De gelovige moet dit op zichzelf toepassen: mijn wandel kan de waarheid aanbevelen, maar mijn vlees kan de waarheid ook laten lasteren.
“Want gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders, alleenlijk gebruikt de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees; maar dient elkander door de liefde.”
— Galaten 5:13
Vers 3 — gierigheid maakt mensen tot koopwaar
“En zij zullen door gierigheid, met gemaakte woorden, van u een koopmanschap maken; over welke het oordeel van over lang niet ledig is, en hun verderf sluimert niet.”
— 2 Petrus 2:3
Hier legt Petrus de motor bloot:
“door gierigheid”
Gierigheid is breder dan geld. Het is begeerte om te hebben. Geld, invloed, eer, volgelingen, macht, naam, controle, positie, aandacht.
Gierigheid kan zich zeer geestelijk voordoen.
Daarna zegt Petrus:
“met gemaakte woorden”
Dat zijn geen eenvoudige, rechte woorden van waarheid. Dat zijn gevormde woorden. Woorden die bewust worden gebruikt om te beïnvloeden, te sturen, te manipuleren, te binden.
Het gevolg:
“van u een koopmanschap maken”
“Van u een koopmanschap maken” betekent: mensen worden materiaal. Zielen worden gebruikt. Angst, schuldgevoel, bewondering, geld, afhankelijkheid en geestelijke onzekerheid worden ingezet voor eigen voordeel. Dat is geen herderschap, maar handel. God noemt dat niet slim, maar verderfelijk.
Dit is een keiharde waarschuwing aan iedereen die geestelijke invloed heeft. Als het vlees regeert, wordt bediening handel. Dan worden mensen middelen voor mijn winst, mijn platform, mijn status, mijn gevoel van belangrijkheid.
God ziet dat.
“hun verderf sluimert niet”
Het slaapt niet. Het ligt niet stil. God laat het niet liggen. Zijn oordeel komt.
Voor een ongelovige eindigt oordeel uiteindelijk in eeuwige verdoemenis. Voor een gelovige komt beoordeling bij de rechterstoel van Christus. Maar niemand moet denken dat God geestelijk misbruik onbelangrijk vindt.
“Mijn broeders, wordt niet vele meesters, wetende, dat wij te meerder oordeel zullen ontvangen.”
— Jakobus 3:1
Leraars ontvangen zwaarder oordeel. Ook gelovige leraars.
Vers 4–6 — God ziet zonde niet door de vingers
“Want indien God de engelen, die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar, die in de hel geworpen hebbende, overgegeven heeft aan de ketenen der duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden;
En de oude wereld niet heeft gespaard, maar Noach, den prediker der gerechtigheid, zijn achttal bewaard heeft, als Hij den zondvloed over de wereld der goddelozen heeft gebracht;
En de steden van Sodom en Gomorra tot as verbrandende met omkering veroordeeld heeft, en tot een voorbeeld gezet dengenen, die goddelooslijk zouden leven;”
— 2 Petrus 2:4-6
Petrus stapelt drie voorbeelden op: zondigende engelen, de oude wereld en Sodom. De boodschap is eenvoudig: God ziet zonde niet door de vingers.
Hoge positie redde de engelen niet van oordeel. De meerderheid redde de oude wereld niet van de zondvloed. De welvaart en cultuur van Sodom redden die steden niet van as. God oordeelt werkelijk.
Maar tegelijk bewaart Hij de Zijnen. Noach werd bewaard. Lot werd verlost. Dat is de dubbele lijn: God oordeelt goddeloosheid en God weet de godzaligen te verlossen.
Voor de gelovige is dit lering. Geestelijke positie, kennis, gemeenschap of belijdenis maken zonde niet veilig. Wie in het vlees zaait, zal verderf maaien.
Vers 7 — de rechtvaardige Lot
“En den rechtvaardigen Lot, die vermoeid was van den ontuchtigen wandel der gruwelijke mensen, verlost heeft…”
— 2 Petrus 2:7
Hier komt een van de belangrijkste verzen van het hoofdstuk.
Petrus noemt Lot rechtvaardig.
Wie alleen Genesis leest, zou misschien aarzelen. Lot koos richting Sodom. Lot woonde in Sodom. Lot zat in de poort van Sodom. Zijn gezin werd zwaar beïnvloed. Zijn vrouw keek om. Zijn dochters waren gevormd door de sfeer van Sodom. Zijn einde in Genesis is beschamend.
En toch noemt God hem door Petrus:
“den rechtvaardigen Lot”
Dit bewijst dat positie en wandel onderscheiden moeten worden.
Lot was rechtvaardig. Maar hij zat verkeerd. Hij werd gekweld door Sodom, maar hij bleef er wonen.
Dit is een spiegel voor de gelovige.
Je kunt rechtvaardig zijn in Christus en toch leven in een omgeving, patroon of keuze die je ziel kwelt. Je kunt behouden zijn en toch enorme schade lijden. Je kunt rechtvaardig zijn en toch je huis beschadigen door verkeerde keuzes.
Lot verloor niet zijn rechtvaardige positie, maar hij verloor veel.
Vers 8 — zijn rechtvaardige ziel werd gekweld
“Want deze rechtvaardige man, wonende onder hen, heeft dag op dag zijn rechtvaardige ziel gekweld door het zien en horen van hun ongerechtige werken.”
— 2 Petrus 2:8
Petrus noemt Lot opnieuw rechtvaardig:
“deze rechtvaardige man”
En:
“zijn rechtvaardige ziel”
Drie keer in twee verzen benadrukt Petrus dat Lot rechtvaardig was.
Maar tegelijk:
“wonende onder hen”
Dat is de pijnlijke spanning.
Rechtvaardig, maar wonend onder goddeloosheid.
Rechtvaardig, maar zijn ziel kwellend.
Rechtvaardig, maar met schade.
Dit vers is een mokerslag tegen oppervlakkige redeneringen.
De ene zegt: “Als iemand zo in Sodom zit, kan hij nooit rechtvaardig zijn.”
Maar Petrus zegt: Lot was rechtvaardig.
De andere zegt: “Als iemand rechtvaardig is, maakt Sodom niet zoveel uit.”
Maar Petrus zegt: zijn rechtvaardige ziel werd dag op dag gekweld.
Dus de Bijbel houdt beide vast.
Rechtvaardige positie is echt.
Schade door verkeerde wandel is ook echt.
“Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur.”
— 1 Korinthe 3:15
Dat is Lot.
Zelf behouden, maar met schade.
Lot bewijst dat de Schrift niet zo oppervlakkig redeneert als mensen. De één zegt: “Als hij rechtvaardig was, kon hij daar niet zitten.” Maar God noemt hem rechtvaardig. De ander zegt: “Als hij rechtvaardig was, maakte Sodom niet zoveel uit.” Maar God laat zien dat zijn ziel gekweld werd en zijn huis beschadigd werd. Beide zijn waar: rechtvaardig, maar beschadigd; verlost, maar met verlies.
Vers 9 — God verlost en God oordeelt
“Zo weet de Heere de godzaligen uit de verzoeking te verlossen, en de onrechtvaardigen te bewaren tot den dag des oordeels, om gestraft te worden.”
— 2 Petrus 2:9
Dit is de samenvatting van de voorbeelden.
God weet de godzaligen te verlossen.
God weet de onrechtvaardigen te bewaren tot oordeel.
Nu moeten we scherp onderscheiden.
In positie geldt:
“Of weet gij niet, dat de onrechtvaardigen het Koninkrijk Gods niet zullen beërven?”
— 1 Korinthe 6:9
Een mens buiten Christus, in zijn onrechtvaardige staat, erft het Koninkrijk Gods niet. Hij heeft redding nodig. Hij moet geloven in Christus.
Maar een gelovige kan in zijn wandel onrechtvaardig handelen. Paulus zegt tegen broeders:
“Maar gijlieden doet ongelijk, en doet schade, en dat den broederen.”
— 1 Korinthe 6:8
Daarom moet “onrechtvaardig” Schriftuurlijk gelezen worden. In positie is de ongelovige onrechtvaardig en buiten het Koninkrijk. Maar in wandel kan een broeder onrecht doen. De nieuwe mens is rechtvaardig; de oude mens is verdorven. De gelovige is in Christus rechtvaardig, maar zijn vlees kan nog onrechtvaardige werken voortbrengen. 2 Petrus 2 waarschuwt dus niet dat de nieuwe geboorte ongedaan gemaakt kan worden, maar dat God onrechtvaardige wandel in een gelovige niet licht neemt.
Daarom is vers 9 ook lering voor gelovigen.
Voor een ongelovige betekent oordeel uiteindelijk: eeuwige verdoemenis bij de Grote Witte Troon.
Voor een gelovige betekent oordeel: verschijnen voor de rechterstoel van Christus, waar zijn werken door vuur beproefd worden.
“Eens iegelijks werk zal openbaar worden; want de dag zal het verklaren, dewijl het door vuur ontdekt wordt…”
— 1 Korinthe 3:13
Daarom is vers 9 niet minder ernstig voor de gelovige. God oordeelt werkelijk. Hij kastijdt werkelijk. Hij laat onrechtvaardige wandel niet onbestraft.
Vers 10 — naar het vlees wandelen
“Maar allermeest degenen, die naar het vlees in de onreine begeerlijkheid wandelen, en de heerschappij verachten; die vermetel zijn, zichzelven behagen, en de heerlijkheden niet schromen te lasteren.”
— 2 Petrus 2:10
Hier staat de bron van het kwaad:
“naar het vlees”
Dat ene woord verklaart het hoofdstuk.
Een ongelovige leeft naar het vlees omdat hij alleen de oude geboorte heeft. Maar een gelovige kan óók naar het vlees wandelen.
Paulus noemt de Korinthiërs “vleselijk” en toch “broeders” en “in Christus”.
“En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot jonge kinderen in Christus.”
— 1 Korinthe 3:1
Dit is geen geestelijke moed, maar vlees. Geen vrijheid, maar begeerte. Geen onderscheidingsvermogen, maar hoogmoed. Geen heilige scherpte, maar lasterlijke brutaliteit.
Het vlees kan religieus spreken, maar blijft vlees. Het kan Bijbelwoorden gebruiken, maar blijft vlees. Het kan zich voordoen als geestelijke vrijheid, maar blijft vlees. En als het vlees gaat leren, leiden en beïnvloeden, komt er verderfelijke vrucht.
Daarom is dit vers zo ernstig voor iedere gelovige die spreekt, schrijft, dient, onderwijst of leiding geeft.
Vers 11 — engelen spreken niet zo roekeloos
“Daar de engelen, die meerder zijn in sterkte en kracht, geen lasterlijk oordeel tegen dezelve voor den Heere voortbrengen.”
— 2 Petrus 2:11
Vers 11 legt vers 10 uit.
In vers 10 worden mensen beschreven die “heerlijkheden niet schromen te lasteren”. Zij spreken roekeloos over hoge dingen, geestelijke machten, gezag en zaken die zij niet werkelijk verstaan.
Petrus zegt: zelfs engelen, die veel groter zijn in sterkte en kracht, doen dat niet. Zij nemen geen brutale, lasterlijke houding aan voor de Heere.
Judas geeft een parallel voorbeeld:
“Maar Michaël, de archangel, toen hij met den duivel twistte, en handelde van het lichaam van Mozes, durfde geen oordeel van lastering tegen hem voortbrengen, maar zeide: De Heere bestraffe u!”
— Judas 1:9
Zelfs Michaël sprak niet brutaal in eigen gezag tegen de duivel, maar liet het oordeel aan de Heere. Dat is geestelijke terughoudendheid.
Vleselijke leraars doen het tegenovergestelde. Zij spreken groot over dingen die zij niet verstaan. Hun probleem is niet moed, maar hoogmoed. Niet geestelijk gezag, maar vleselijke brutaliteit. Grote woorden zijn geen bewijs van geestelijkheid. Een geestelijk mens vreest God; een vleselijk mens geniet van zijn eigen felheid.
Vers 12 — als onredelijke dieren
“Maar dezen, als onredelijke dieren, die de natuur volgen, en voortgebracht zijn om gevangen en gedood te worden, dewijl zij lasteren, hetgeen zij niet verstaan, zullen in hun verdorvenheid verdorven worden.”
— 2 Petrus 2:12
Petrus gebruikt harde taal.
“als onredelijke dieren”
Waarom? Omdat zij “de natuur volgen”. Zij handelen op natuurlijk niveau: drift, begeerte, instinct, eigen wil, hoogmoed.
Dat is precies wat het vlees doet.
“Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont…”
— Romeinen 7:18
“En die in het vlees zijn, kunnen Gode niet behagen.”
— Romeinen 8:8
Zodra het vlees regeert, wordt zelfs geestelijke taal dierlijk: driftig, hoogmoedig, onrein, natuurlijk en zonder ware vreze Gods. Dat is geen zachte gedachte, maar het is Bijbels. Het vlees kan een mens met Bijbelkennis naar beneden trekken tot handelen op het niveau van drift en begeerte.
“zij lasteren, hetgeen zij niet verstaan”
Hier komt de hoogmoed terug. Vleselijke mensen spreken over dingen die zij niet verstaan. Ze doen alsof zij inzicht hebben, maar ze spreken uit natuur, niet uit geestelijk onderscheid.
“in hun verdorvenheid verdorven worden”
Dat is echte verwoesting. Het vlees vernietigt. Valse leer vernietigt. Zonde vernietigt. Geestelijke hoogmoed vernietigt.
Voor de ongelovige eindigt verdorvenheid in eeuwig oordeel. Voor de gelovige betekent leven naar het vlees: verderfenis maaien, schade lijden, tucht ondergaan, loon verliezen.
Maar in beide gevallen is het ernstig. God spot niet met verderf.
Vers 13 — het loon der ongerechtigheid
“En zullen verkrijgen het loon der ongerechtigheid, als die de dagelijkse weelde hun vermaak achten; zij zijn vlekken en smetten, en zijn weelderig in hun bedriegerijen, als zij in de maaltijden met u zijn.”
— 2 Petrus 2:13
Zij krijgen loon. Maar het is het loon der ongerechtigheid.
De Bijbel spreekt veel over loon. Een gelovige kan loon ontvangen, maar ook loon verliezen.
“Zo iemands werk zal blijven, dat hij daarop gebouwd heeft, die zal loon ontvangen.”
— 1 Korinthe 3:14
Maar:
“Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden…”
— 1 Korinthe 3:15
En Johannes waarschuwt:
“Ziet toe voor uzelven, dat wij niet verliezen, hetgeen wij gearbeid hebben, maar een vol loon mogen ontvangen.”
— 2 Johannes 1:8
2 Petrus 2:13 laat zien dat ongerechtigheid ook loon heeft. Wat iemand zaait, zal hij maaien.
“Dwaalt niet; God laat Zich niet bespotten; want zo wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien.”
— Galaten 6:7
Dan zegt Petrus:
“als zij in de maaltijden met u zijn”
Dat maakt het hoofdstuk opnieuw dichtbij. Zij zitten niet buiten de kring, maar aan tafel. De waarschuwing gaat dus niet over een onbekende vijand ver weg, maar over verderf dat zich kan nestelen in gemeenschap, liefdemaaltijden, onderwijs, bediening en omgang.
Juist daar kan vlees zich vermommen als geestelijkheid. Niet iedereen die meedoet, wandelt geestelijk. Niet iedereen die bij de maaltijd zit, dient Christus. Niet iedereen die over waarheid spreekt, spreekt uit de Geest.
Vers 14 — ogen vol overspel en onvaste zielen
“Hebbende ogen vol overspel, en die niet ophouden van zondigen, verlokkende de onvaste zielen, hebbende het hart geoefend in gierigheid, zij zijn kinderen der vervloeking.”
— 2 Petrus 2:14
Hier wordt het vlees opengelegd.
Ogen vol overspel.
Niet ophouden van zondigen.
Onvaste zielen verlokken.
Een hart geoefend in gierigheid.
Let op dat laatste:
“het hart geoefend in gierigheid”
Gierigheid wordt geoefend. Zonde vormt gewoonte. Begeerte ontwikkelt vaardigheid. Het vlees wordt sterker als het gevoed wordt.
Jakobus beschrijft het proces:
“Maar een iegelijk wordt verzocht, als hij van zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt. Daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende baart zonde; en de zonde voleindigd zijnde baart den dood.”
— Jakobus 1:14-15
Zij verlokken “onvaste zielen”.
Dat is belangrijk. Onvaste zielen zijn makkelijk te pakken. Mensen zonder vaste grond in het Woord. Mensen die niet helder zijn in het evangelie. Mensen die leven op gevoel, op persoonlijkheden, op indrukken, op geestelijke sensatie.
Daarom zegt Petrus later:
“Gij dan, geliefden, zulks te voren wetende, wacht u, dat gij niet door de verleiding der gruwelijke mensen mede afgerukt wordt, en uitvalt van uw vastigheid.”
— 2 Petrus 3:17
Niet uitvalt uit zaligheid. Uit vastigheid.
Daarom is onvastheid gevaarlijk. Valse leraars zoeken geen sterke, Schriftvaste mensen; zij zoeken mensen die wiebelen. Wie het evangelie niet helder heeft, wie niet leert onderscheiden, wie leeft op gevoel, persoonlijkheden of geestelijke indrukken, wordt makkelijk gevangen. De gelovige moet daarom niet alleen gered zijn, maar ook vast worden in de waarheid.
Vers 15 — de weg van Bileam
“Verlatende den rechten weg, zijn zij afgedwaald, en volgen den weg van Balaäm, den zoon van Bosor, die het loon der ongerechtigheid liefgehad heeft.”
— 2 Petrus 2:15
Zij verlaten de rechte weg.
Dat betekent dat zij met de rechte weg te maken hadden. Zij stonden niet zonder licht. Zij hadden kennis, belijdenis, invloed, onderwijs.
Petrus noemt Bileam.
Bileam is de man van geestelijke taal met een hart dat naar loon trekt. Hij wist te veel om onschuldig te zijn, en hij hield te veel van loon om zuiver te blijven. Hij had geestelijke kennis, sprak woorden van God, wist dat God Israël gezegend had, maar zijn begeerte trok hem naar voordeel.
Dat is de weg van Bileam: geestelijke dingen gebruiken terwijl het hart verkocht is aan loon.
Judas noemt ook de weg van Bileam:
“Wee hun, want zij zijn den weg van Kaïn ingegaan, en door de verleiding des loons van Balaäm zijn zij henengestort, en zijn door de tegenspreking van Korach vergaan.”
— Judas 1:11
Daar gaat het om hun weg. De weg van Kaïn. De weg van Bileam. De tegenspreking van Korach.
De Schrift gebruikt hen als waarschuwing voor religieus vlees: eigen weg, loon, opstand, geestelijke hoogmoed.
Dat is precies waarom 2 Petrus 2 zo hard moet binnenkomen bij gelovigen.
Vers 16 — Bileam werd bestraft door een ezel
“Maar hij heeft de bestraffing zijner ongerechtigheid gehad; want het jukdragende stomme dier, sprekende met mensenstem, heeft des profeten dwaasheid verhinderd.”
— 2 Petrus 2:16
Bileam werd bestraft door een ezel.
Dat is vernederend.
Een profeet, een man met geestelijke kennis, werd zo verblind door begeerte dat een stom dier hem moest tegenhouden.
Dat is wat gierigheid doet. Kennis zonder onderwerping maakt niet geestelijk. Gave zonder vreze Gods maakt niet veilig. Als het hart naar loon trekt, kan zelfs een profeet dwaas worden.
Vers 17 — fonteinen zonder water
“Deze zijn fonteinen zonder water, wolken van een draaiwind gedreven, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt.”
— 2 Petrus 2:17
Een fontein zonder water is gevaarlijker dan een droge steen, omdat zij belofte wekt. Valse leer belooft verfrissing, vrijheid, diepte, kracht of zekerheid, maar brengt geen levend water.
Het vlees kan veel beloven, maar het kan geen leven geven. Veel woorden, geen water. Veel beweging, geen vaste koers. Veel taal, geen geestelijke vrucht.
Christus zegt:
“Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke.”
— Johannes 7:37
Een ware dienstknecht wijst mensen naar Christus. Een vleselijke leraar trekt mensen naar zichzelf, zijn systeem, zijn invloed, zijn vrijheid, zijn kennis of zijn voordeel.
Petrus spreekt ook over duisternis. Dat is zware oordeelstaal, en die moet blijven staan. Voor de ongelovige is duisternis eeuwig oordeel. Voor de gelovige blijft Johannes 10:28 staan, maar hij moet ook weten: wie in het vlees werkt, brengt geen licht, maar duisternis, verwarring en schade.
2 Petrus 2 breekt eeuwige zekerheid niet af. Het breekt vleselijke zorgeloosheid af.
Vers 18 — opgeblazen woorden en begeerlijkheden
“Want zij, zeer opgeblazen ijdelheid sprekende, verlokken door de begeerlijkheden des vleses en door ontuchtigheden degenen, die waarlijk ontvloden waren degenen, die in dwaling wandelen.”
— 2 Petrus 2:18
Petrus noemt hun spreken:
“zeer opgeblazen ijdelheid”
Dat is grote taal zonder geestelijke inhoud. Indrukwekkende woorden, maar leeg. Veel belofte, weinig waarheid. Veel kracht, weinig onderwerping aan de Schrift.
Hun methode:
“verlokken door de begeerlijkheden des vleses”
Weer het vlees.
Hun doelwit:
“degenen, die waarlijk ontvloden waren degenen, die in dwaling wandelen”
Dat raakt direct aan 2 Petrus 1:4, waar Petrus tot gelovigen zegt dat zij ontvloden zijn aan het verderf dat in de wereld is door de begeerlijkheid.
Dus de waarschuwing is ernstig: mensen die werkelijk ontvloden zijn, kunnen opnieuw verlokt worden.
Niet om eeuwig leven te verliezen. Maar wel om teruggetrokken te worden in vleselijke wandel, verwarring, schade en verderf.
De gelovige moet niet denken: “Ik ben ontvloden, dus ik kan niet meer verleid worden.”
Petrus zegt juist: wacht u.
Vers 19 — vrijheid beloven, slaven zijn
“Belovende hun vrijheid, daar zij zelven dienstknechten zijn der verdorvenheid; want van wien iemand overwonnen is, dien is hij ook tot een dienstknecht gemaakt.”
— 2 Petrus 2:19
Zij beloven vrijheid.
Maar zij zijn zelf slaven.
Dit is zeer actueel. Valse vrijheid kan twee kanten op werken.
Sommigen zeggen: “Alles is genade, dus zonde maakt niet uit.” Dat is genade misbruiken als oorzaak voor het vlees.
Anderen zeggen: “Ik breng je echte vrijheid”, maar binden mensen aan hun persoon, hun groep, hun systeem, hun controle, hun regels, hun geestelijke macht.
Beide zijn slavernij.
Valse vrijheid zegt: “Je bent vrij,” terwijl zij mensen terugbrengt onder macht. Soms onder losbandigheid, soms onder een mens, soms onder een systeem, soms onder angst. Maar Christus maakt vrij om God te dienen; het vlees belooft vrijheid om zichzelf te dienen.
Ware vrijheid in Christus is niet vrijheid voor het vlees.
“Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen.”
— Galaten 5:1
En:
“Want gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders, alleenlijk gebruikt de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees; maar dient elkander door de liefde.”
— Galaten 5:13
Dan zegt Petrus:
“van wien iemand overwonnen is, dien is hij ook tot een dienstknecht gemaakt”
Een gelovige kan praktisch onder de macht van iets komen.
Paulus zegt:
“Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar ik zal onder de macht van geen mij laten brengen.”
— 1 Korinthe 6:12
Dat is geen verlies van positie in Christus. Maar het is wel praktische slavernij. Een gelovige kan slaaf worden van iets dat hem overwint: begeerte, geld, eer, zonde, bitterheid, invloed, systeem, drank, seksualiteit, macht, religieuze trots.
Daarom is dit vers lering voor gelovigen.
Vers 20 — na kennis opnieuw overwonnen
“Want indien zij, nadat zij door de kennis van den Heere en Zaligmaker Jezus Christus, de besmettingen der wereld ontvloden zijn, en in dezelve wederom ingewikkeld zijnde, van dezelve overwonnen worden, zo is hun het laatste erger geworden dan het eerste.”
— 2 Petrus 2:20
Dit vers moet men niet afzwakken.
Er staat:
“door de kennis van den Heere en Zaligmaker Jezus Christus”
En:
“de besmettingen der wereld ontvloden”
Daarna:
“wederom ingewikkeld”
“overwonnen”
Dit is geen oppervlakkige terugval. Zij hadden kennis van de Heere en Zaligmaker Jezus Christus. Zij waren de besmettingen der wereld ontvloden. Daarom is hun terugkeer erger dan hun begin.
Zondigen tegen licht is zwaarder dan zondigen in onwetendheid. Wie terugkeert naar wat hij ontvloden is, komt niet neutraal terug; hij komt harder, blinder en schuldiger terug.
Hebreeën spreekt ook over zondigen na kennis:
“Want indien wij willens zondigen, nadat wij de kennis der waarheid ontvangen hebben…”
— Hebreeën 10:26
Dat moet niet gebruikt worden om eeuwige zekerheid af te breken. Maar het moet ook niet genegeerd worden.
Een gelovige die terugkeert naar wat hij ontvloden is, brengt zichzelf in groot gevaar. Niet gevaar dat Christus Zijn belofte verbreekt. Wel gevaar van schade, tucht, verharding, verlies, vuur, verderfenis en een veel zwaardere afrekening over zijn wandel.
“Want onze God is een verterend vuur.”
— Hebreeën 12:29
Vers 21 — de weg der gerechtigheid kennen en zich afkeren
“Want het ware hun beter, dat zij den weg der gerechtigheid niet gekend hadden, dan dat zij, dien gekend hebbende, weder afkeren van het heilige gebod, dat hun overgegeven was.”
— 2 Petrus 2:21
Zij kenden de weg der gerechtigheid.
Dat is zwaar.
Zij hadden onderwijs. Zij hadden licht. Zij hadden waarheid. Zij kenden de weg.
En toch keren zij zich af.
Meer licht betekent zwaardere verantwoordelijkheid.
De Heere Jezus zegt:
“En die dienstknecht, welke geweten heeft den wil zijns heren, en zich niet bereid, noch naar zijn wil gedaan heeft, die zal met vele slagen geslagen worden.”
— Lukas 12:47
En Jakobus waarschuwt:
“Mijn broeders, wordt niet vele meesters, wetende, dat wij te meerder oordeel zullen ontvangen.”
— Jakobus 3:1
Leraars dragen verantwoordelijkheid. Wie anderen onderwijst, wordt zwaarder beoordeeld.
Daarom is 2 Petrus 2 zo ernstig voor gelovigen die leren, schrijven, spreken of invloed uitoefenen. Kennis is geen speelgoed. Waarheid is geen middel voor eigen eer. Genade is geen dekmantel voor het vlees.
Wie de weg der gerechtigheid kent en zich daarvan afkeert in wandel of leer, zondigt tegen groot licht.
Vers 22 — hond en zeug
“Maar hun is overkomen hetgeen met een waar spreekwoord gezegd wordt: De hond is wedergekeerd tot zijn eigen uitbraaksel; en de gewassen zeug tot de wenteling in het slijk.”
— 2 Petrus 2:22
Petrus eindigt met walging. Niet met academische taal. Niet met nette dogmatiek. Niet met een zachte waarschuwing.
Een hond bij zijn braaksel.
Een gewassen zeug in het slijk.
Zo ziet God terugkeer naar oude vuilheid. De gelovige moet dit beeld niet wegverklaren, maar voelen. Het vlees is niet zielig. Het vlees is vuil.
Dit vers leert niet dat een schaap van Christus eeuwig leven verliest. Christus zegt:
“En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid…”
— Johannes 10:28
Maar dit vers leert wel hoe afschuwelijk terugkeer naar het vlees is. Wie teruggaat naar wat God geoordeeld heeft, keert niet terug naar iets neutraals, maar naar braaksel en slijk.
Daarom zegt de Schrift:
“Wandelt door den Geest, en volbrengt de begeerlijkheid des vleses niet.”
— Galaten 5:16
Wat 2 Petrus 2 niet leert
2 Petrus 2 leert niet dat een gelovige zijn zaligheid kan verliezen.
Dat zou botsen met de duidelijke beloften van Christus.
“Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven.”
— Johannes 5:24
“Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.”
— Johannes 6:47
“En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid…”
— Johannes 10:28
Wie gelooft, heeft eeuwig leven. Hij komt niet in de verdoemenis. Hij is uit de dood overgegaan in het leven.
Eeuwig leven is geen tijdelijk leven.
Daarom moet niemand 2 Petrus 2 gebruiken om Christus’ belofte onzeker te maken.
Wat 2 Petrus 2 wél leert
2 Petrus 2 leert dat een gelovige het vlees nog heeft.
En het vlees is verschrikkelijk.
Een gelovige kan, als hij naar het vlees leeft:
- de Heere praktisch verloochenen;
- verderfelijke leer brengen;
- mensen gebruiken;
- door gierigheid gedreven worden;
- anderen meeslepen;
- onvaste zielen verlokken;
- de weg van Bileam volgen;
- vrijheid beloven terwijl hij zelf slaaf is;
- terugkeren naar oude vuilheid;
- verderf zaaien en verderf maaien.
Dat is geen verlies van eeuwig leven. Maar het is wel echte verwoesting.
“Want die in zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderfenis maaien…”
— Galaten 6:8
“Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur.”
— 1 Korinthe 3:15
“Want onze God is een verterend vuur.”
— Hebreeën 12:29
De gelovige zal verschijnen voor de rechterstoel van Christus. Daar wordt zijn werk openbaar. Daar wordt vuur aangelegd. Daar kan loon ontvangen worden. Daar kan schade geleden worden.
Eeuwige zekerheid neemt dat oordeel niet weg. Eeuwige zekerheid zet het op de juiste plaats.
De waarschuwing aan de gelovige
Lees 2 Petrus 2 niet met afstand.
Zeg niet te snel:
“Dat gaat over ongelovigen.”
Zeg ook niet:
“Dan kan een gelovige dus verloren gaan.”
Zeg dit:
“Dit is geschreven aan gelovigen. Dit is lering voor mij. Dit laat zien wat mijn vlees kan voortbrengen als ik niet wandel in de Geest.”
Dat is de juiste reactie.
Een gelovige moet zijn vlees niet vertrouwen. Nooit.
Niet omdat hij zijn zaligheid kan verliezen, maar omdat zijn vlees nog steeds verderf voortbrengt.
Paulus zegt:
“Zo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.”
— 1 Korinthe 10:12
En:
“Maar ik bedwing mijn lichaam, en breng het tot dienstbaarheid; opdat ik niet enigszins, daar ik anderen gepredikt heb, zelf verwerpelijk worde.”
— 1 Korinthe 9:27
Paulus was niet bang dat hij eeuwig leven zou verliezen. Hij was bang om verwerpelijk te worden in dienst, bruikbaarheid en loon. Dat is precies de ernst van 2 Petrus 2.
Conclusie
2 Petrus 2 laat de gelovige niet twijfelen aan Christus’ belofte. Het laat hem twijfelen aan zichzelf. Niet aan zijn Zaligmaker, maar aan zijn vlees.
Want zijn vlees kan liegen, begeren, misleiden, verkopen, lasteren, terugkeren, meeslepen en zichzelf geestelijk voordoen.
Daarom moet de gelovige niet rusten in eeuwige zekerheid om het vlees ruimte te geven, maar juist vanuit eeuwige zekerheid wandelen in vreze Gods.
De rechterstoel van Christus komt. Het vuur komt. De schade kan echt zijn. Het loon kan verloren gaan. Onze God is een verterend vuur.
Wie in Christus gelooft, zal niet verloren gaan.
Maar wie in zijn vlees zaait, zal verderfenis maaien.
Dat is de ernst van 2 Petrus 2.
Niet: Christus laat Zijn schapen los.
Wel: een schaap kan verschrikkelijk vuil lopen.
Niet: eeuwig leven wordt tijdelijk.
Wel: werken worden door vuur beproefd.
Niet: de gelovige komt bij de Grote Witte Troon.
Wel: hij verschijnt voor de rechterstoel van Christus.
Daarom is de waarschuwing eenvoudig en hard:
Wandel niet naar het vlees.
Speel niet met Sodom.
Volg Bileam niet.
Gebruik mensen niet.
Maak van genade geen dekmantel.
Verkoop geestelijke dingen niet voor loon.
Beloof geen vrijheid terwijl u zelf slaaf bent.
Verloochen de Heere niet met uw werken.
Zaai niet in het vlees.
Want wie in het vlees zaait, zal uit het vlees verderfenis maaien.
“Maar wast op in de genade en kennis van onzen Heere en Zaligmaker Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, beide nu en in den dag der eeuwigheid. Amen.”
— 2 Petrus 3:18
📖 Verder lezen
Als ik eenmaal geloof, kan ik dan nog verloren gaan?
Waarom zou ik God nog dienen als ik toch gered ben?
Geloof zonder werken is dood — wat bedoelt Jakobus?
Waarschuwingen in Hebreeën: verlies van zaligheid of verlies van loon?