2 Petrus 2 uitgelegd

Dezelfde vleselijke weg kan door een ongelovige en een gelovige worden bewandeld, zonder dat zij dezelfde eeuwige positie hebben

2 Petrus 2 uitgelegd

Dezelfde vleselijke weg kan door een ongelovige en een gelovige worden bewandeld, zonder dat zij dezelfde eeuwige positie hebben

2 Petrus 2 onderscheidt ongeredde valse leraars, de behouden profeet Bileam en werkelijk ontkomen gelovigen. De leraars volgen Bileams vleselijke weg, maar delen niet zijn behouden positie. Zij proberen gelovigen opnieuw in de besmettingen der wereld te verstrikken. Positie en praktische wandel moeten daarom zorgvuldig onderscheiden blijven.

2 Petrus 2 uitgelegd: Bileam, valse leraars en Gods oordeel

Dezelfde vleselijke weg kan door een ongelovige en een gelovige worden bewandeld, zonder dat zij dezelfde eeuwige positie hebben

2 Petrus 2 behoort tot de zwaarste waarschuwingen van het Nieuwe Testament. Petrus spreekt over valse leraars, verderfelijke ketterijen, gierigheid, overspel, slavernij, vervloeking, eeuwige duisternis, een hond die naar zijn uitbraaksel terugkeert en een gewassen zeug die zich opnieuw in het slijk wentelt.


Daardoor ontstaan gemakkelijk twee tegengestelde fouten.


De ene uitleg zegt dat de mensen uit dit hoofdstuk eerst behouden waren en daarna hun eeuwige leven verloren. De andere uitleg maakt praktisch iedere waarschuwing ongevaarlijk voor gelovigen door te zeggen dat alles uitsluitend over mensen gaat die nooit werkelijk gereinigd of ontkomen waren.


Beide verklaringen missen de structuur van het hoofdstuk.



Petrus onderscheidt namelijk drie groepen:

Groep Positie Wat 2 Petrus 2 over hen laat zien
De specifieke valse leraars die Petrus „dezen” noemt In Adam, zonder de Geest Kinderen der vervloeking, fonteinen zonder water, bestemd voor de eeuwige duisternis
Bileam Een werkelijk behouden profeet Hij gaf toe aan zijn vlees, kreeg het loon lief en gaf verderfelijke raad
Degenen die „waarlijk ontvloden waren” Behouden gelovigen Zij kunnen door begeerlijkheden opnieuw worden verstrikt en overwonnen

De hoofdgedachte is eenvoudig maar beslissend:


Dezelfde vleselijke weg kan door een ongelovige en een gelovige worden bewandeld. De overeenkomst in wandel bewijst geen gelijke positie en leidt niet tot hetzelfde eeuwige oordeel.


De valse leraars uit dit hoofdstuk hebben alleen het vlees. Bileam bezat deel aan Gods Geest, maar had het vlees nog en gaf daaraan toe. De werkelijk ontkomen gelovigen bezitten eveneens de Geest, maar kunnen opnieuw naar het vlees gaan wandelen wanneer zij zich laten verleiden. Juist het onderscheid tussen vlees en Geest verklaart waarom overeenkomstige werken niet automatisch een gelijke positie bewijzen.


Wie positie en wandel door elkaar haalt, zal 2 Petrus 2 nooit zuiver begrijpen.


Met „positie” bedoelen we wat iemand voor God is. De natuurlijke mens is door zijn eerste geboorte in Adam. Wie op Christus vertrouwt, ontvangt eeuwig leven, wordt wedergeboren en is voortaan in Christus. Die positie rust niet op de dagelijkse prestaties van de mens.


Met „wandel” bedoelen we hoe iemand in zijn dagelijkse leven handelt. Een ongelovige heeft alleen het vlees. Een gelovige bezit daarnaast de Geest en kan daarom door de Geest wandelen, maar hij kan ook nog steeds aan zijn vlees toegeven. Zijn wandel kan wisselen; zijn eeuwige positie in Christus niet.



1. Petrus schrijft aan werkelijk behouden mensen


De brief begint niet met twijfel over de positie van de lezers. Petrus spreekt hen aan als mensen die hetzelfde geloof als de apostelen hebben ontvangen:

“Simon Petrus, een dienstknecht en apostel van Jezus Christus, dengenen, die even dierbaar geloof met ons verkregen hebben, door de rechtvaardigheid van onzen God en Zaligmaker, Jezus Christus.”
— 2 Petrus 1:1

Daarna schrijft hij:

“Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis Desgenen, Die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd.”
— 2 Petrus 1:3

En:

“Door welke ons de grootste en dierbare beloften geschonken zijn, opdat gij door dezelve der Goddelijke natuur deelachtig zoudt worden, nadat gij ontvloden zijt het verderf, dat in de wereld is door de begeerlijkheid.”
— 2 Petrus 1:4

De lezers:


  • hebben even dierbaar geloof als de apostelen;
  • hebben ontvangen wat tot leven en godzaligheid behoort;
  • zijn de Goddelijke natuur deelachtig;
  • zijn aan het verderf in de wereld ontvloden.


Petrus schrijft dus aan gelovigen. Juist deze behouden mensen moeten gewaarschuwd worden voor valse leraars en voor de mogelijkheid dat zij uit hun vastigheid worden afgerukt.



Aan het einde van de brief zegt hij:

“Gij dan, geliefden, zulks te voren wetende, wacht u, dat gij niet door de verleiding der gruwelijke mensen mede afgerukt wordt, en uitvalt van uw vastigheid.”
— 2 Petrus 3:17

Niet uitvallen uit Christus. Niet uitvallen uit het eeuwige leven. Uitvallen uit hun vastigheid.


Dat is het praktische gevaar dat hoofdstuk 2 beschrijft.



2. „Onder u” betekent niet automatisch „uit u”


Petrus kondigt aan:

“En er zijn ook valse profeten onder het volk geweest, gelijk ook onder u valse leraars zijn zullen, die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoeren zullen, ook den Heere, Die hen gekocht heeft, verloochenende, en een haastig verderf over zichzelven brengende.”
— 2 Petrus 2:1

De woorden „onder u” bepalen waar deze mensen functioneren. Zij bepalen nog niet hun positie voor God.


Een leraar kan zich bevinden tussen gelovigen, aan hun maaltijden deelnemen, hun taal spreken, de Bijbel gebruiken en toch de Geest niet hebben. Judas beschrijft dezelfde soort ingeslopen mensen:

“Want er zijn sommige mensen ingeslopen, die eertijds tot ditzelve oordeel tevoren opgeschreven zijn, goddelozen, die de genade onzes Gods veranderen in ontuchtigheid, en den enigen Heerser, God, en onzen Heere Jezus Christus verloochenen.”
— Judas 1:4

Later stelt Judas hun positie rechtstreeks vast:

“Dezen zijn het, die zichzelven afscheiden, natuurlijke mensen, den Geest niet hebbende.”
— Judas 1:19

Paulus zegt:

“Maar zo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe.”
— Romeinen 8:9

Daarmee zijn deze ingeslopen verleiders niet behouden. Zij bevinden zich onder gelovigen, maar zij behoren Christus niet toe.



Maar de Heere heeft hen toch gekocht?


Vers 1 zegt uitdrukkelijk dat de Heere hen gekocht heeft. Dat mag niet worden afgezwakt. Het betekent echter niet dat zij daardoor automatisch wedergeboren zijn.



Christus betaalde de losprijs voor alle mensen:

“Die Zichzelven gegeven heeft tot een rantsoen voor allen, zijnde de getuigenis te zijner tijd.”
— 1 Timotheüs 2:6

Johannes schrijft:

“En Hij is een Verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der gehele wereld.”
— 1 Johannes 2:2

Mattheüs 13 bevestigt hetzelfde onderscheid in beeld. In de gelijkenis van het onkruid verklaart Christus Zelf dat de akker de wereld is. In de verborgen schat en de kostbare parel koopt de Man de gehele wereldakker, terwijl de parel zelf rechtstreeks wordt gekocht. Eén kruis heeft dus betrekking op de gehele wereld zonder dat ieder mens daardoor automatisch tarwe, de schat of de parel wordt. Precies zo kan 2 Petrus 2 over ongeredde leraars zeggen dat de Heere hen gekocht heeft, terwijl wedergeboorte alleen door persoonlijk geloof plaatsvindt.


De prijs is voor allen betaald. Eeuwig leven wordt echter persoonlijk ontvangen door geloof:

“Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven.”
— Johannes 1:12

De valse leraars verloochenen dus de rechtmatige Meester Die ook voor hen betaald heeft. „Gekocht” stelt de betaalde prijs en het recht van de Meester vast. Het zegt niet dat zij Hem geloofd, de Geest ontvangen of eeuwig leven gekregen hebben.



3. Niet iedere valse leraar is noodzakelijk ongered


De term „valse leraar” bepaalt op zichzelf niemands eeuwige positie. Een ongelovige kan valse leer brengen, maar een behouden mens kan eveneens vanuit zijn vlees onderwijzen en daardoor onwaarheid verspreiden. De toets van de goede boom en de kwade vrucht onderzoekt daarom de bron en de kenmerkende vrucht van een geestelijke gids; zijn eeuwige positie moet worden vastgesteld door wat de Schrift rechtstreeks over hem zegt.


Paulus noemt de Korinthiërs tegelijk „broeders”, „in Christus” en „vleselijk”:

“En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot jonge kinderen in Christus.”
— 1 Korinthe 3:1

Een gelovige bezit een nieuwe natuur en de inwonende Geest, maar zijn vlees is niet verbeterd:

“Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont.”
— Romeinen 7:18

Daarom blijft er strijd:

“Want het vlees begeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander.”
— Galaten 5:17

Paulus vat het onderscheid tussen positie en wandel in één zin samen:

“Want gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij licht in den Heere; wandelt als kinderen des lichts.”
— Efeze 5:8

„Nu zijt gij licht in den Heere” is positie. „Wandelt als kinderen des lichts” is praktijk.


Een gelovige die niet als een kind des lichts wandelt, wordt daardoor niet opnieuw duisternis. Hij wandelt in strijd met hetgeen hij in Christus is.


Daarom kan een behouden leraar vanuit zijn vlees onjuiste leer geven. Bileam zal daarvan het beslissende voorbeeld blijken. Maar daaruit volgt niet dat de specifieke leraars die Petrus in dit hoofdstuk „dezen” noemt eveneens behouden zijn. Hun positie moet worden vastgesteld door wat de Schrift rechtstreeks over hén zegt.



4. Vers 9–11: onrechtvaardigen die naar het vlees wandelen


Na de voorbeelden van de gevallen engelen, de oude wereld, Noach, Sodom en de rechtvaardige Lot trekt Petrus zijn conclusie:

“Zo weet de Heere de godzaligen uit de verzoeking te verlossen, en de onrechtvaardigen te bewaren tot den dag des oordeels, om gestraft te worden.”
— 2 Petrus 2:9

Vers 10 sluit rechtstreeks aan op „de onrechtvaardigen”:

“Maar allermeest degenen, die naar het vlees in onreine begeerlijkheid wandelen, en de heerschappij verachten…”
— 2 Petrus 2:10

„Allermeest degenen” omschrijft een bijzonder verdorven groep onder de onrechtvaardigen uit vers 9. Zij volgen onreine begeerten, verachten heerschappij en spreken vermetel over machten die zij niet begrijpen.


Een gelovige kan overeenkomstige zonden bedrijven. Dat maakt de waarschuwing persoonlijk. Maar dat betekent niet dat gelovigen hier de rechtstreekse groep zijn over wie Petrus spreekt.


Er moet onderscheid blijven tussen:


  • de personen naar wie een vers rechtstreeks verwijst;
  • het praktische gedrag dat ook door anderen kan worden nagevolgd;
  • de eeuwige positie die alleen door duidelijke Schriftuitspraken wordt vastgesteld.


Vers 11 plaatst het hoogmoedige spreken van deze mensen tegenover de terughoudendheid van engelen. Daarna zegt vers 12: „Maar dezen.” Dat begint geen nieuwe menselijke groep. Het wijst terug naar de vermetele onrechtvaardigen uit vers 10 en contrasteert hen met de engelen uit vers 11.



5. Vers 12–14: hun vlees én hun positie


Petrus vervolgt:

“Maar dezen, als onredelijke dieren, die de natuur volgen, en voortgebracht zijn om gevangen en gedood te worden, dewijl zij lasteren hetgeen zij niet verstaan, zullen in hun verdorvenheid verdorven worden.”
— 2 Petrus 2:12

Dit vers bevat een vergelijking. De mensen gedragen zich als onredelijke dieren die alleen hun natuur volgen.


De woorden „voortgebracht zijn om gevangen en gedood te worden” beschrijven binnen de vergelijking de dieren. Petrus zegt niet dat God deze mensen met het doel van eeuwige verdoemenis heeft geschapen. De rechtstreekse uitspraak over de mensen is dat zij lasteren hetgeen zij niet verstaan en in hun verdorvenheid zullen verdorven worden.


Daarna beschrijft hij hun dagelijkse praktijk:


  • zij achten weelde hun vermaak;
  • zij zijn vlekken en smetten;
  • zij hebben ogen vol overspel;
  • zij houden niet op van zondigen;
  • zij verlokken onvaste zielen;
  • hun hart is geoefend in gierigheid.


Dan volgt een uitspraak over hun identiteit:

“…zij zijn kinderen der vervloeking.”
— 2 Petrus 2:14

„Kinderen der vervloeking” is meer dan een omschrijving van één slechte daad. Zoals „kinderen des toorns” in Efeze 2:3 de positie van de mens in Adam beschrijft, tekent deze uitdrukking hen als mensen die onder de vloek staan.



Vers 12–14 vermengt positie en wandel niet, maar zet ze naast elkaar:

Wat Petrus beschrijft Voorbeelden
Hun praktische vlees Onreinheid, hoogmoed, overspel, gierigheid en misleiding
Hun positie en oordeel Kinderen der vervloeking, verdorven worden in hun verdorvenheid

Hun slechte werken zijn niet het bewijs waaruit wij zelfstandig hun eeuwige positie afleiden. Petrus stelt hun positie zelf vast met de woorden „kinderen der vervloeking” en zal die in vers 17 definitief bevestigen.



6. Vers 15: de zondeval maakt „den rechten weg” helder


Vers 15 zegt:

“Verlatende den rechten weg, zijn zij afgedwaald, en volgen den weg van Balaäm, den zoon van Bosor, die het loon der ongerechtigheid liefgehad heeft.”
— 2 Petrus 2:15

„Verlatende” beschrijft grammaticaal dezelfde mensen die aan het einde van vers 14 „kinderen der vervloeking” worden genoemd. Er verschijnt geen nieuwe groep gelovige leraars. Vers 15 beschrijft de praktische weg van dezelfde ongeredde mensen, waarna vers 17 hen opnieuw aanwijst met „Deze zijn”.


Deze woorden betekenen niet dat de ongeredde leraars eerst door de enge poort zijn binnengegaan en positioneel op de smalle weg van het leven stonden. De brede en smalle weg beschrijven de positie en bestemming die uit de eerste of tweede geboorte voortkomen, niet een dagelijkse route waarop iemand heen en weer wisselt. De Schrift geeft zelf de diepere achtergrond van hun afwijking.


God maakte de mens recht:

“Alleenlijk ziet, dit heb ik gevonden, dat God den mens recht gemaakt heeft; maar zij hebben vele vonden gezocht.”
— Prediker 7:29

In Adam verliet de mens Gods rechte orde. Daarom kan Jesaja over allen zeggen:

“Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg.”
— Jesaja 53:6

Paulus zegt hetzelfde:

“Allen zijn zij afgeweken, te zamen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die goed doet, er is ook niet tot één toe.”
— Romeinen 3:12

De gevolgen zijn vanaf de natuurlijke geboorte zichtbaar:

“De goddelozen zijn vervreemd van de baarmoeder aan; de leugensprekers dolen van moeders buik aan.”
— Psalm 58:4

De lijn is glashelder:


  • God maakte de mens recht;
  • de mens week in Adam af;
  • sindsdien wordt ieder natuurlijk mens in een gevallen positie geboren;
  • de ongeredde mens dwaalt daarom naar het vlees;
  • bij deze leraars krijgt die Adamische afwijking de concrete gestalte van Bileams weg.


„Verlatende den rechten weg” wijst naar de afwijking van de mens in Adam. „Zijn zij afgedwaald” beschrijft de toestand die daaruit voortkomt. „En volgen den weg van Bileam” toont welke vleselijke richting die afwijking bij deze mensen aanneemt.


Daarmee hoeven wij van „den rechten weg” geen vage uitwendige kennismaking met waarheid te maken. Deze mensen stonden nooit positioneel op de weg des levens. Zij behoren tot de mensheid die in Adam Gods rechte weg verlaten heeft.



7. Bileam was werkelijk behouden


De leraars volgen Bileams weg. Dat betekent niet dat zij Bileams positie delen.


De Schrift stelt Bileams behouden positie vast door de som van haar getuigenis.



Hij noemt Hem „de HEERE, mijn God”

“Al gave mij Balak zijn huis vol zilver en goud, zo vermocht ik niet het bevel des HEEREN, mijns Gods, te overtreden, om klein of groot te doen.”
— Numeri 22:18

Dit staat niet als een losse vrome uitdrukking in de tekst. Het behoort tot een volledige geschiedenis van persoonlijke openbaring, werkelijke profetie en Goddelijke bestraffing.



God legt Zijn woorden werkelijk in Bileams mond

“Toen leide de HEERE een woord in den mond van Bileam, en zeide: Keer weder tot Balak, en aldus zult gij spreken.”
— Numeri 23:5

Bileams profetieën waren geen menselijke gissingen en geen valse boodschappen. God Zelf gaf hem de woorden.



De Geest Gods komt op hem

“Als Bileam zijn ogen ophief, en Israël zag, wonende naar zijn stammen, zo was de Geest Gods op hem.”
— Numeri 24:2

Bileam spreekt vervolgens als iemand die Gods woorden hoort, het gezicht des Almachtigen ziet en de kennis des Allerhoogsten kent — Numeri 24:3–4 en 16.



Hij verwacht persoonlijk de komende Messias

“Ik zal hem zien, maar nu niet; ik zal hem aanschouwen, maar niet nabij; er zal een Ster voortgaan uit Jakob, en er zal een Scepter uit Israël opkomen.”
— Numeri 24:17

Bileam verkondigt niet alleen een afstandelijke leerstelling. Hij spreekt persoonlijk: „Ik zal Hem zien” en „ik zal Hem aanschouwen.” Hij kende de komende Ster uit Jakob en verwachtte de Scepter Die uit Israël zou opkomen.



Een bepaalde weg van hem wijkt van God af


De Engel des HEEREN zegt:

“Zie, ik ben uitgegaan u tot een tegenpartij, dewijl deze weg van Mij afwijkt.”
— Numeri 22:32

De Engel zegt niet dat alles wat Bileam ooit gedaan had noodzakelijk buiten God stond. Hij wijst een bepaalde koers aan: „deze weg.” Bileam ging op dat moment praktisch een richting die van God afweek.



Petrus noemt hem „de profeet”

“Maar hij heeft de bestraffing zijner ongerechtigheid gehad; want het jukdragende stomme dier, sprekende met mensenstem, heeft des profeten dwaasheid verhinderd.”
— 2 Petrus 2:16

Petrus noemt hem niet iemand die zich ten onrechte voor profeet uitgaf. Het was werkelijk „des profeten dwaasheid”. Hij ontving ook werkelijk de bestraffing van zijn ongerechtigheid.


Let op de nauwkeurige overgang. Vers 15 spreekt in het meervoud over de leraars die Bileams weg volgen. Vers 16 zegt vervolgens in het enkelvoud: „Maar hij heeft de bestraffing zijner ongerechtigheid gehad.” Vers 17 keert met „Deze zijn” terug naar de ongeredde leraars.


De leraars volgen Bileams zonde, maar Bileam wordt niet met hun positie vereenzelvigd. Hij ontving een persoonlijke, corrigerende bestraffing: God trad hem tegemoet, opende zijn ogen en verhinderde de dwaasheid van Zijn profeet. Dat draagt het karakter van vaderlijke kastijding, zoals Hebreeën 12 die aan Gods zonen verklaart:

“Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon, dien Hij aanneemt.”
— Hebreeën 12:6

Over de specifieke leraars staat iets anders. Zij houden niet op van zondigen, zijn kinderen der vervloeking en voor hen wordt de eeuwige duisternis bewaard. Bileam ontving vaderlijke bestraffing; „dezen” wacht eeuwige vergelding.



De gezamenlijke Schriftlijn is beslissend:

Schriftgegeven Wat het over Bileam vaststelt
Numeri 22:18 Hij spreekt over „de HEERE, mijn God”
Numeri 22:32 Een bepaalde weg van hem wijkt van God af
Numeri 23:5, 16 God legt Zijn woorden in zijn mond
Numeri 24:2 De Geest Gods komt op hem
Numeri 24:4, 16 Hij hoort Gods woorden en kent de kennis des Allerhoogsten
Numeri 24:17 Hij spreekt persoonlijk: „Ik zal Hem zien” en „ik zal Hem aanschouwen”
2 Petrus 2:16 De Schrift noemt hem „de profeet”
2 Petrus 2:16 God bestraft zijn ongerechtigheid en verhindert zijn dwaasheid

Bileam was een werkelijk behouden profeet die verschrikkelijk aan zijn vlees toegaf.



8. Bileam was geen valse profeet, maar gaf wel valse leer


Bileams profetieën kwamen uit. Belangrijker nog: God legde Zijn eigen woorden in Bileams mond. Daarom kan Bileam niet nauwkeurig een valse profeet worden genoemd.


Maar hij gaf later wel verderfelijke raad:

“Zie, deze waren, door den raad van Bileam, den kinderen Israëls oorzaak, om overtreding te plegen tegen den HEERE, in de zaak van Peor; waarom die plaag was onder de vergadering des HEEREN.”
— Numeri 31:16

Christus legt uit wat Bileam aan Balak leerde:

“Balaäm, die Balak leerde den kinderen Israëls een aanstoot voor te werpen, opdat zij zouden afgodenoffer eten en hoereren.”
— Openbaring 2:14

God bewaakte Bileams profetische woorden. Bileam liet ondertussen zijn eigen begeerte regeren en leerde Balak hoe Israël door zonde onder Gods tucht kon worden gebracht.

Bileam als profeet Bileam wandelend naar het vlees
God legt het woord in zijn mond Hij heeft het loon der ongerechtigheid lief
Hij zegent Israël naar Gods bevel Hij zoekt voordeel bij Balak
Zijn profetieën zijn waar Zijn raad leidt tot afgoderij en hoererij
De bron van de profetie is Gods Geest De bron van zijn verderfelijke raad is het vlees
Hij wijst vooruit naar de Messias Hij gebruikt geestelijke kennis in dienst van de Mammon

Petrus zegt:

“…die het loon der ongerechtigheid liefgehad heeft.”
— 2 Petrus 2:15

Bileam wilde de Mammon niet alleen dienen. Hij diende de Mammon daadwerkelijk.



Christus zegt:

“Niemand kan twee heren dienen; want hij zal den enen haten, en den anderen liefhebben; of hij zal den enen aanhangen, en den anderen verachten; gij kunt niet God dienen en den Mammon.”
— Mattheüs 6:24

Bileams behouden positie maakte zijn vlees niet betrouwbaar. Toen hij aan zijn begeerte toegaf, bewandelde hij praktisch dezelfde Adamische weg die de ongeredde leraars volgen.


Daarom is de formulering van Petrus zo precies:


De leraars volgen Bileams weg. Zij delen niet Bileams behouden positie.



9. Vers 17 stelt hun positie en bestemming definitief vast


Na het voorbeeld van Bileams vleselijke weg keert Petrus terug naar de specifieke leraars:

“Deze zijn fonteinen zonder water, wolken van een draaiwind gedreven, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt.”
— 2 Petrus 2:17

De eerste woorden zijn beslissend:


„Deze zijn.”


Petrus zegt hier niet alleen wat zij tijdelijk doen. Hij zegt wat zij geestelijk zijn: fonteinen zonder water. Zij beloven anderen geestelijk leven en vrijheid, maar bezitten zelf het water niet dat zij voorspiegelen.


Daarna wordt hun bestemming rechtstreeks genoemd:


Voor hen wordt de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard.


„Denwelken” verwijst naar de personen. Ook de grammatica van de grondtekst bevestigt dit. Het betrekkelijk voornaamwoord staat mannelijk meervoud, terwijl de woorden voor fonteinen en wolken vrouwelijk zijn. De eeuwige duisternis wordt dus niet voor de beeldspraak, maar voor deze mannen bewaard.


Dit is geen tijdelijke tucht, geen loonverlies en geen beperkte uitsluiting van een feestelijke gebeurtenis. De duur wordt uitdrukkelijk genoemd: „in der eeuwigheid”.


Judas gebruikt vrijwel dezelfde beelden:

“Dezen zijn vlekken in uw liefdemaaltijden… zij zijn wolken zonder water, die van de winden omgedreven worden…”
— Judas 1:12

En:

“…dwalende sterren, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt.”
— Judas 1:13

Daarna noemt Judas hen natuurlijke mensen die de Geest niet hebben — Judas 1:19.


De som is volledig:


  • zij zijn kinderen der vervloeking — 2 Petrus 2:14;
  • zij zijn fonteinen zonder water — 2 Petrus 2:17;
  • de eeuwige duisternis wordt voor hen bewaard — 2 Petrus 2:17;
  • zij zijn natuurlijke mensen zonder de Geest — Judas 1:19.


Deze specifieke leraars zijn ongered.



10. Vers 18 maakt de scheiding tussen de groepen hard


Na hun positie te hebben vastgesteld, beschrijft Petrus wie zij proberen te verleiden:

“Want zij, zeer opgeblazen ijdelheid sprekende, verlokken door de begeerlijkheden des vleses en door ontuchtigheden degenen, die waarlijk ontvloden waren degenen, die in dwaling wandelen.”
— 2 Petrus 2:18

Hier staan twee groepen tegenover elkaar:


  • „zij”: de valse leraars die Petrus als „dezen” heeft aangewezen;
  • „degenen die waarlijk ontvloden waren”: de gelovigen die zij proberen te verleiden.


Deze scheiding is beslissend. „Dezen” zijn niet de behouden mensen die later zijn afgedwaald. Zij staan tegenover de werkelijk ontkomen gelovigen en proberen hen door begeerlijkheden opnieuw naar het vlees te trekken.


Vers 17 en 18 horen daarom direct bij elkaar:

Vers Wat Petrus vaststelt
Vers 17 Wie de leraars positioneel zijn en waar zij eeuwig heengaan
Vers 18 Wie zij praktisch proberen te verleiden

Niet iedere valse leraar is noodzakelijk ongered. Bileam bewijst dat een behouden profeet verderfelijke leer kan geven. Maar „dezen” uit 2 Petrus 2:12–18 zijn het wél. Vers 18 onderscheidt hen van degenen die waarlijk ontvloden waren.



11. Vers 19: vrijheid beloven en zelf overwonnen zijn


Petrus vervolgt:

“Belovende hun vrijheid, daar zij zelven dienstknechten zijn der verdorvenheid; want van wien iemand overwonnen is, dien is hij ook tot een dienstknecht gemaakt.”
— 2 Petrus 2:19

De leraars beloven vrijheid, maar zijn zelf slaven van hun begeerten. Hun woorden klinken ruim en geestelijk; hun bron is het vlees.


De laatste helft van het vers geeft vervolgens een algemeen beginsel:


Van wie iemand overwonnen is, daarvan wordt hij praktisch een dienstknecht.


Dat beginsel kan ook op een gelovige worden toegepast. Paulus schrijft juist aan gelovigen:

“Weet gij niet, dat wien gij uzelven stelt tot dienstknechten ter gehoorzaamheid, gij dienstknechten zijt dengene, dien gij gehoorzaamt?”
— Romeinen 6:16

Een gelovige kan zichzelf praktisch aan de zonde onderwerpen. Hij wordt daardoor niet opnieuw in Adam geplaatst en verliest zijn eeuwige leven niet. Hij laat zich in zijn dagelijkse wandel beheersen door een meester die geen recht meer op hem heeft.


Bileam werd praktisch door zijn liefde tot loon overwonnen. De werkelijk ontkomen gelovigen kunnen op dezelfde wijze opnieuw door begeerlijkheden worden verstrikt.



12. Vers 20–21: werkelijk ontvloden en toch opnieuw verstrikt


Petrus beschrijft vervolgens wat er gebeurt wanneer de werkelijk ontkomen mensen uit vers 18 aan de verleiding toegeven:

“Want indien zij, nadat zij door de kennis van den Heere en Zaligmaker Jezus Christus de besmettingen der wereld ontvloden zijn, en in dezelve wederom ingewikkeld zijnde, van dezelve overwonnen worden, zo is hun het laatste erger geworden dan het eerste.”
— 2 Petrus 2:20

De herhaling binnen dezelfde brief is te duidelijk om af te zwakken.


In hoofdstuk 1 schreef Petrus aan gelovigen:

“…nadat gij ontvloden zijt het verderf, dat in de wereld is door de begeerlijkheid.”
— 2 Petrus 1:4

In vers 18 sprak hij over degenen die „waarlijk ontvloden waren”. In vers 20 zijn zij door de kennis van de Heere en Zaligmaker Jezus Christus aan de besmettingen der wereld „ontvloden”.


Dit is geen schijnontkoming en geen oppervlakkige levensverbetering. Petrus zegt dat zij waarlijk ontvloden waren.


Ook „de kennis van den Heere en Zaligmaker Jezus Christus” mag niet tot algemene Bijbelinformatie worden verkleind. Petrus gebruikt binnen dezelfde brief hetzelfde woord voor kennis wanneer hij over de verhouding van gelovigen tot Christus spreekt — 2 Petrus 1:2, 3 en 8.


De volgorde is helder:


  1. Zij waren werkelijk aan het verderf en de besmettingen ontkomen.
  2. De valse leraars verlokken hen door begeerlijkheden.
  3. Zij raken „wederom” in dezelfde besmettingen ingewikkeld.
  4. Zij worden praktisch overwonnen.
  5. Hun laatste toestand wordt erger dan hun eerste.


Hun eeuwige positie verandert niet. Hun praktische toestand kan wel verschrikkelijk achteruitgaan. Zij zondigen nu niet meer alleen vanuit vroegere onwetendheid, maar tegen ontvangen licht, werkelijke kennis en een ervaren ontkoming in.



Petrus zegt daarom:

“Want het ware hun beter, dat zij den weg der gerechtigheid niet gekend hadden, dan dat zij, dien gekend hebbende, weder afkeren van het heilige gebod, dat hun overgegeven was.”
— 2 Petrus 2:21

Meer kennis betekent meer verantwoordelijkheid. De Heere Jezus zegt over dienstknechten:

“En die dienstknecht, welke geweten heeft den wil zijns heren, en zich niet bereid, noch naar zijn wil gedaan heeft, die zal met vele slagen geslagen worden.”

— Lukas 12:47


“Maar die denzelven niet geweten heeft, en gedaan heeft dingen, die slagen waardig zijn, die zal met weinige slagen geslagen worden.”

— Lukas 12:48

Eeuwige zekerheid maakt de verantwoordelijkheid van de gelovige niet kleiner. Zij maakt duidelijk dat tucht, schade en verlies van loon werkelijk over zijn wandel en dienst gaan, zonder dat Christus Zijn belofte van eeuwig leven verbreekt.



13. Vers 22: hond en zeug beschrijven praktische terugkeer


Petrus besluit:

“Maar hun is overkomen hetgeen met een waar spreekwoord gezegd wordt: De hond is wedergekeerd tot zijn eigen uitbraaksel; en de gewassen zeug tot de wenteling in het slijk.”
— 2 Petrus 2:22

Deze beelden worden vaak gebruikt om te beweren dat de mensen uit vers 20 nooit werkelijk behouden of gereinigd waren. Maar Petrus zegt het tegenovergestelde:


  • zij waren waarlijk ontvloden;
  • zij waren door de kennis van Christus ontvloden;
  • zij raken wederom ingewikkeld;
  • de zeug was werkelijk gewassen.


De spreuk over de hond komt uit Spreuken:

“Gelijk een hond zijn uitbraaksel wederkeert, alzo is de zot, die zijn dwaasheid herhaalt.”
— Spreuken 26:11

De Schrift verklaart zelf wat het beeld betekent: een dwaas herhaalt zijn dwaasheid. Het gaat om praktische herhaling, niet om een verklaring dat iemand nooit eeuwig leven had.


Ook de zeug was werkelijk gewassen. Het verschrikkelijke is juist dat zij na haar wassing naar het slijk terugkeert.



Petrus had in hoofdstuk 1 al uitgelegd dat een gelovige zijn werkelijke reiniging kan vergeten:

“Want bij welken deze dingen niet zijn, die is blind, van verre niet ziende, hebbende vergeten de reiniging zijner vorige zonden.”
— 2 Petrus 1:9

De reiniging heeft werkelijk plaatsgevonden. De gelovige kan haar echter vergeten en leven alsof zij nooit gebeurd is.



Paulus gebruikt hetzelfde onderscheid:

“Zijt gij zo uitzinnig? Daar gij met den Geest begonnen zijt, voleindigt gij nu met het vlees?”
— Galaten 3:3

Iemand kan werkelijk met de Geest begonnen zijn en vervolgens naar het vlees gaan handelen.


Hond en zeug geven daarom geen nieuwe positionele benaming aan de gelovigen uit vers 20. Zij beelden uit hoe weerzinwekkend het voor God is wanneer werkelijk ontkomen en gereinigde mensen hun oude dwaasheid en onreinheid opnieuw opzoeken.



14. Dezelfde vleselijke weg, maar niet hetzelfde oordeel


De verschillende personen uit het hoofdstuk kunnen praktisch overeenkomstige werken voortbrengen. Hun positie en oordeel blijven echter verschillend.

Persoon Positie Praktische mogelijkheid Oordeel en gevolg
De valse leraars uit 2 Petrus 2 In Adam, natuurlijke mensen zonder de Geest Gierigheid, ontucht, misleiding en Bileams weg Eeuwige duisternis
Bileam Behouden profeet, de Geest Gods kwam op hem Liefde tot loon, Mammon en verderfelijke raad Vaderlijke bestraffing, zijn dwaasheid verhinderd, later lichamelijk gedood, zelf behouden
Een teruggevallen gelovige In Christus, bezit eeuwig leven en de Geest Opnieuw ingewikkeld, overwonnen en teruggekeerd naar oude onreinheid Vaderlijke tucht, schade en loonverlies, zelf behouden
Een geestelijk wandelende gelovige In Christus, wandelt door de Geest Waarheid, liefde, gehoorzaamheid en vrucht Loon en een rijke ingang in het Koninkrijk

God nam Bileams zonde ernstig. Het sprekende dier verhinderde zijn dwaasheid, maar zijn latere raad toont dat hij de liefde tot loon niet blijvend oordeelde. Uiteindelijk werd hij met het zwaard gedood — Numeri 31:8. Die lichamelijke dood maakte zijn eeuwige leven niet ongedaan: hij werd getuchtigd en lichamelijk geoordeeld, maar bleef zelf behouden.



Ook gelovigen in de Gemeente kunnen door lichamelijke tucht getroffen worden:

“Daarom zijn onder u vele zwakken en kranken, en velen slapen.”
— 1 Korinthe 11:30

Maar Paulus vervolgt:

“Maar als wij geoordeeld worden, zo worden wij van den Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden.”
— 1 Korinthe 11:32

De gelovige kan werkelijk geoordeeld en getuchtigd worden, maar wordt niet met de wereld veroordeeld.



Bij de rechterstoel van Christus worden zijn werken beproefd:

“Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur.”
— 1 Korinthe 3:15

Het werk kan verbranden. De persoon blijft behouden.


Daartegenover wordt voor de ongeredde leraars uit vers 17 de eeuwige duisternis bewaard. Hetzelfde soort vleselijke werk betekent dus niet dezelfde eeuwige uitkomst. Het overzicht van de verschillende Bijbelse oordelen laat zien waarom Vaderlijke tucht, de rechterstoel van Christus en eeuwige veroordeling nooit tot één algemeen oordeel mogen worden samengevoegd.



15. Wat dit hoofdstuk niet leert


2 Petrus 2 leert niet:


  • dat een gelovige zijn eeuwige leven kan verliezen;
  • dat iedere valse leraar noodzakelijk ongered is;
  • dat Bileams liefde tot loon bewijst dat hij nooit behouden was;
  • dat de specifieke leraars uit dit hoofdstuk behouden zijn omdat Christus hen gekocht heeft;
  • dat „onder u” hetzelfde betekent als „in Christus”;
  • dat „den rechten weg verlaten” betekent dat de leraars eerst op de positionele smalle weg stonden;
  • dat hond en zeug bewijzen dat de gelovigen uit vers 20 nooit werkelijk gereinigd waren;
  • dat zichtbare slechte vrucht achteraf bewijst dat iemand nooit geloofd heeft;
  • dat eeuwige zekerheid de waarschuwingen over wandel, tucht en loon onbelangrijk maakt.



16. Wat dit hoofdstuk wel leert


2 Petrus 2 leert:


  • dat ongeredde valse leraars zich midden onder gelovigen kunnen bevinden;
  • dat Christus ook voor hen de losprijs heeft betaald;
  • dat deze specifieke leraars kinderen der vervloeking en fonteinen zonder water zijn;
  • dat voor hen werkelijk de eeuwige duisternis wordt bewaard;
  • dat hun afwijking behoort tot de gevallen weg van de mens in Adam;
  • dat zij praktisch de vleselijke weg van Bileam volgen;
  • dat Bileam een behouden profeet was die het loon der ongerechtigheid liefkreeg en valse leer gaf;
  • dat dezelfde vleselijke weg niet automatisch dezelfde positie bewijst;
  • dat de leraars werkelijk ontkomen gelovigen proberen te verleiden;
  • dat zulke gelovigen opnieuw in de besmettingen der wereld verstrikt en daarvan overwonnen kunnen worden;
  • dat een gereinigde gelovige naar oude dwaasheid en onreinheid kan terugkeren;
  • dat een gelovige uit zijn vastigheid kan vallen zonder uit Christus te vallen;
  • dat God de wandel en dienst van Zijn kinderen ernstig beoordeelt.



17. De waarschuwing is ook voor mij


2 Petrus 2 is niet gegeven zodat een gelovige veilig naar slechte leraren kan wijzen en kan zeggen: „Zulke dingen zouden mij nooit kunnen overkomen.”


Bileam bezat kennis, een profetische gave en ware woorden. De Geest Gods kwam op hem. Hij kende de komende Messias. Geen van die voorrechten maakte zijn vlees betrouwbaar.


Ook mijn eeuwige positie in Christus maakt mijn vlees niet beter.


Ik kan Gods Woord gebruiken en ondertussen naar erkenning verlangen. Ik kan de waarheid spreken en ondertussen geld, invloed of volgelingen zoeken. Ik kan anderen waarschuwen en zelf weigeren de begeerte te oordelen die God in mij aanwijst. Ik kan werkelijk ontkomen zijn en mij opnieuw laten meeslepen door hetgeen mij vroeger beheerste.


Paulus zegt:

“Maar ik bedwing mijn lichaam, en breng het tot dienstbaarheid; opdat ik niet enigszins, daar ik anderen gepredikt heb, zelf verwerpelijk worde.”
— 1 Korinthe 9:27

Paulus vreesde niet dat Christus Zijn belofte van eeuwig leven zou verbreken. Hij wist wel dat een prediker in zijn dienst onbruikbaar en verwerpelijk kan worden.


Daarom moet de gelovige niet zeggen:


Omdat ik gered ben, kan ik nooit zo diep vallen.


Hij moet evenmin zeggen:


Als iemand zo diep valt, was hij noodzakelijk nooit gered.


Hij behoort te zeggen:


Mijn positie rust volledig in Christus. Mijn vlees blijft volkomen onbetrouwbaar. Daarom moet ik door de Geest wandelen, Gods bestraffing aannemen en mijn begeerten werkelijk belijden en verlaten.



Conclusie: dezelfde weg, niet dezelfde positie


2 Petrus 2 wordt helder zodra de groepen niet meer met elkaar worden vermengd.


De specifieke valse leraars zijn ongered. Petrus noemt hen kinderen der vervloeking en fonteinen zonder water. Voor hen wordt de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard. Judas noemt dezelfde soort mensen natuurlijke mensen die de Geest niet hebben.


Zij volgen de weg van Bileam. Daarmee delen zij zijn vleselijke begeerte naar loon, maar niet zijn behouden positie. Bileam was een werkelijke profeet. De HEERE was zijn God, Gods woorden werden in zijn mond gelegd, de Geest Gods kwam op hem, hij kende de Allerhoogste en hij verwachtte persoonlijk de komende Messias. Toch gaf hij aan zijn vlees toe, diende hij de Mammon en leerde hij Balak hoe Israël tot zonde kon worden gebracht. Daarom ontving hij vaderlijke bestraffing; zelfs zijn latere lichamelijke dood maakte zijn eeuwige positie niet ongedaan.


Daarna onderscheidt vers 18 de leraars van degenen die waarlijk ontvloden waren. Deze gelovigen kunnen opnieuw verstrikt en overwonnen worden. Hond en gewassen zeug beschrijven de afschuwelijke praktische terugkeer naar oude dwaasheid en onreinheid. Zij veranderen de eeuwige positie van de gelovige niet.


De gehele bewijsvoering kan in drie regels worden samengevat:


De ongeredde leraars hebben alleen het vlees en volgen Bileams weg.


Bileam was behouden, maar wandelde op diezelfde weg toen hij aan zijn vlees toegaf.


Werkelijk ontkomen gelovigen kunnen door de leraars worden verleid en praktisch opnieuw op die vleselijke weg terechtkomen.


Dezelfde weg. Dezelfde onbetrouwbare bron: het vlees. Maar niet dezelfde positie en niet hetzelfde eeuwige oordeel.

“Gij dan, geliefden, zulks te voren wetende, wacht u, dat gij niet door de verleiding der gruwelijke mensen mede afgerukt wordt, en uitvalt van uw vastigheid. Maar wast op in de genade en kennis van onzen Heere en Zaligmaker Jezus Christus.”
— 2 Petrus 3:17–18


Het Evangelie: de losprijs is betaald, maar u moet geloven


Christus heeft voor alle mensen betaald. Dat betekent niet dat ieder mens automatisch eeuwig leven bezit.


Jezus Christus stierf voor onze zonden, werd begraven en stond op de derde dag uit de doden — 1 Korinthe 15:3–4. Eeuwig leven wordt als vrije gave ontvangen door persoonlijk op Hem te vertrouwen:

“Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.”
— Johannes 6:47

En:

“Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.”
— Romeinen 4:5

Niet uw kerkelijke plaats, Bijbelkennis, hervormde levenswijze of geestelijke woorden maken u tot Gods kind. Vertrouw op Jezus Christus als uw enige en definitieve Redder. Wie Hem gelooft, ontvangt onmiddellijk eeuwig leven.


Daarna begint de wandel van de gelovige: niet om behouden te worden of behouden te blijven, maar omdat hij nu van Christus is en geroepen wordt om door de Geest te wandelen. Hebt u dat eeuwige leven nog niet ontvangen? Lees dan hoe u volgens de Bijbel gered wordt.