De vrouw uit Openbaring 12 is Israël, uit wie het Messiaanse Kind voortkwam. Na de oorlog in de hemel vervolgt de draak haar met hoogste prioriteit. God brengt haar naar Zijn plaats in de woestijn en beschermt het overblijfsel daar gedurende de laatste 1.260 dagen.
Wie is de vrouw in Openbaring 12?
Openbaring 12 begint met een van de indrukwekkendste tekenen uit het laatste Bijbelboek:
„En er werd een groot teken gezien in den hemel; namelijk een vrouw, bekleed met de zon, en de maan was onder haar voeten, en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren.”
— Openbaring 12:1
De vrouw is zwanger en verkeert in barensnood. Een grote rode draak staat gereed om haar Kind te verslinden. Het Kind wordt geboren en tot God en Zijn troon weggerukt. Daarna vlucht de vrouw naar een plaats die God voor haar heeft bereid, waar zij 1260 dagen wordt gevoed.
Wie is deze vrouw?
De Schrift geeft haar naam niet in één verklarende zin, zoals zij de draak rechtstreeks „de duivel en satan” noemt. Zij geeft echter zoveel onderling overeenstemmende kenmerken dat haar identiteit toch stevig vaststaat:
de vrouw in Openbaring 12 stelt Israël voor.
Genesis verklaart haar zon, maan en sterren. De profeten verklaren de barende vrouw als Sion. De identiteit van haar Kind wijst naar de Messias Die uit Israël kwam. Exodus en Deuteronomium verklaren de woestijn, de voeding en de arendsvleugels. Daniël verklaart waarom juist Michaël optreedt. Mattheüs 24 verklaart de vlucht uit Judea. De tijdsaanduidingen plaatsen haar bescherming in de laatste helft van Daniëls zeventigste week.
Dit is geen conclusie die op één los symbool rust. De hele Schriftlijn wijst naar hetzelfde volk.
Openbaring 12 geeft een teken, geen foto van één menselijke vrouw
Johannes zegt dat hij „een groot teken” ziet. De vrouw is dus een profetische voorstelling van een werkelijke aardse geschiedenis. Haar kleding, kroon en positie dragen betekenis.
Dat het teken in de hemel wordt gezien, betekent niet dat de vrouw letterlijk als een reusachtige menselijke gestalte in de hemel woont. In vers 6 vlucht zij op aarde naar de woestijn. Johannes ziet in de hemel een teken dat Gods blik op de geschiedenis van Israël, de Messias en de draak openbaart.
Ook het woord vrouw bepaalt haar identiteit nog niet. Openbaring 19 spreekt over de vrouw van het Lam; Openbaring 17 toont een andere vrouw met een geheel andere geestelijke toestand. De context en de kenmerken moeten telkens beslissen wie wordt voorgesteld.
Bij de vrouw van Openbaring 12 zijn die kenmerken uitzonderlijk specifiek.
Het hoofdstuk beweegt tussen verleden en toekomst
Openbaring 12 mag niet worden gelezen alsof ieder volgend vers automatisch één dag later plaatsvindt. Het hoofdstuk verschijnt na de formele passage over de zevende bazuin, maar begint met de geboorte van Christus. Het grijpt dus eerst ver terug en brengt daarna de lezer naar de laatste 1260 dagen.
De opbouw is als volgt:
| Gedeelte | Wat Johannes ziet | Plaats in de geschiedenis |
|---|---|---|
| Openbaring 12:1-5 | De vrouw, de draak, de geboorte en de wegvoering van het Kind | Van Israëls Messiaanse verwachting tot Christus’ hemelvaart |
| Openbaring 12:6 | De vlucht naar de bereide plaats gedurende 1260 dagen | Vooruitblik op de tweede helft van Daniëls laatste week |
| Openbaring 12:7-12 | Michaël strijdt; Satan en zijn engelen worden op aarde geworpen | De grote eindtijdse omslag; Satan heeft nog maar een kleine tijd |
| Openbaring 12:13-17 | De draak vervolgt de vrouw; haar vlucht en bewaring worden uitvoeriger beschreven | Dezelfde laatste drieënhalf jaar en de oorlog tegen haar overige zaad |
Vers 6 en de verzen 13-16 beschrijven daarom niet twee afzonderlijke perioden van elk 1260 dagen. Vers 6 geeft de vlucht vooraf in hoofdlijnen. Na de hemelse strijd wordt dezelfde vlucht nader uitgewerkt: dezelfde vrouw, dezelfde woestijn, dezelfde bereide plaats, dezelfde voeding en dezelfde duur.
Genesis geeft het woordenboek voor zon, maan en sterren
De combinatie van zon, maan en sterren komt al voor in de geschiedenis van Jozef:
„Zie, nog heb ik een droom gedroomd; en zie, de zon, en de maan, en elf sterren bogen zich voor mij neder.”
— Genesis 37:9
Wij hoeven niet zelf te bedenken wat dit familiebeeld betekent. Jakob reageert:
„Zullen wij dan ganselijk komen, ik, en uw moeder, en uw broederen, om ons voor u ter aarde te buigen?”
— Genesis 37:10
De zon, de maan en de sterren worden daarmee verbonden aan Jakob en zijn huis. De elf sterren zijn Jozefs elf broers; Jozef zelf is de twaalfde zoon. En juist Jakob had van God de naam Israël ontvangen:
„Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israël...”
— Genesis 32:28
Wanneer Openbaring 12 opnieuw zon, maan en nu een volledig twaalftal sterren samenbrengt, ligt het huis van Jakob dus al in het Bijbelse woordenboek vast. De twaalf sterren wijzen naar de twaalf stammen.
Niet ieder onderdeel hoeft daarnaast een los, zelfbedacht geheimschrift te krijgen. Openbaring zegt niet afzonderlijk: „de zon betekent dit” en „de positie van de maan betekent dat”. Wat wel vaststaat, is dat de gezamenlijke familieconstellatie vanuit Genesis naar Jakob-Israël wijst.
De profeten beschrijven Sion als een barende vrouw
De vrouw is niet alleen met Israëls familiebeeld bekleed. Zij wordt ook als een barende vrouw voorgesteld:
„En zij was zwanger, en riep, barensnood hebbende, en zijnde in pijn om te baren.”
— Openbaring 12:2
Ook dit beeld heeft de Schrift al eerder gebruikt. Micha zegt:
„Lijd smart, en arbeid om voort te brengen, o dochter Sions! als een barende vrouw...”
— Micha 4:10
Jesaja zegt:
„Eer zij barensnood had, baarde zij; eer haar smart overkwam, zo is zij van een knechtje verlost.”
— Jesaja 66:7
En direct daarna spreekt Jesaja over Sion die weeën krijgt en haar zonen baart. Ook Jeremia gebruikt de pijn van een barende vrouw wanneer hij de ongekende toekomstige nood van Jakob beschrijft (Jeremia 30:6-7).
De profetische lijn is dus bekend:
- Sion wordt als vrouw voorgesteld;
- Israël kent barensnood;
- uit Israël komt de Messias;
- Israël zal in de eindtijd opnieuw door een ongekende benauwdheid gaan.
Openbaring 12 brengt deze lijnen samen in één groot teken.
Het mannelijke Kind is Jezus Christus
De identiteit van het Kind helpt de identiteit van de moeder vast te stellen:
„En zij baarde een mannelijken Zoon, Die al de heidenen zou hoeden met een ijzeren roede; en haar Kind werd weggerukt tot God en Zijn troon.”
— Openbaring 12:5
Psalm 2 spreekt over Gods Gezalfde en Zijn Zoon. De Vader belooft Hem de heidenen tot erfdeel en zegt dat Hij hen met een ijzeren scepter zal regeren (Psalm 2:6-9). Openbaring 19 gebruikt dezelfde heerserstaal rechtstreeks voor Jezus Christus:
„...en Hij zal hen hoeden met een ijzeren roede...”
— Openbaring 19:15
Het Kind van Openbaring 12 is daarom Jezus Christus. Zijn aardse leven wordt in één korte profetische beweging samengevat: Hij wordt geboren en daarna tot God en Zijn troon weggerukt. Zijn kruisdood en opstanding worden daarmee niet ontkend; het teken springt van Zijn geboorte naar Zijn verhoging.
Ook de poging van de draak om het pasgeboren Kind te verslinden krijgt in de geschiedenis een duidelijke aardse uitwerking. Een engel waarschuwde Jozef dat Herodes het Kind zocht om Het te doden (Mattheüs 2:13). Herodes liet vervolgens de jonge kinderen van Bethlehem ombrengen. Openbaring 12 laat de geestelijke vijand achter die moordzucht zien: de draak wilde de beloofde Koning uitschakelen, maar God bewaarde het Kind. Na kruis en opstanding werd Christus opgenomen en zette Hij Zich aan Gods rechterhand (Markus 16:19; Handelingen 1:9; Hebreeën 1:3).
Christus belooft in Openbaring 2:26-27 dat ook de overwinnaars in Zijn heerschappij zullen delen. Dat verandert de identiteit van het Kind niet. Hun gezag is afgeleid: zij ontvangen het van Christus, zoals Hij het van Zijn Vader heeft ontvangen. De Zoon uit Psalm 2 is de eerste en eigenlijke Heerser met de ijzeren roede.
Christus kwam naar het vlees uit Israël
Nu wordt de vraag eenvoudig: uit welk volk kwam Christus naar het vlees?
Paulus spreekt in Romeinen 9 uitdrukkelijk over de Israëlieten en zegt:
„Welker zijn de vaders, en uit welke Christus is, zoveel het vlees aangaat...”
— Romeinen 9:5
De vrouw brengt de Messias voort. Romeinen zegt dat de Messias naar het vlees uit Israël kwam. Dat sluit naadloos aan op de zon, maan en twaalf sterren uit het huis van Jakob en op de barende Sion uit de profeten.
Waarom Maria niet de volledige vrouw is
Maria heeft Jezus werkelijk lichamelijk gebaard. Zij staat daarom niet buiten dit teken: zij is de concrete Israëlitische vrouw door wie de Messias in de wereld kwam.
Maar Maria alleen kan de volledige profetische vrouw niet zijn. Nadat het Kind tot Gods troon is weggerukt, gaat de geschiedenis van de vrouw verder. Zij wordt eeuwen later door Satan vervolgd, vlucht naar de woestijn, ontvangt arendsvleugels, wordt 1260 dagen gevoed en heeft „overigen van haar zaad”.
Het teken omvat dus meer dan één individuele moeder. Maria behoort tot Israël; de vrouw stelt het volk voor waaruit Christus naar het vlees is voortgekomen en waarmee Gods profetische handelen daarna doorgaat.
Waarom de vrouw niet de gemeente is
De gemeente wordt elders werkelijk als de vrouw of bruid van het Lam voorgesteld. Maar hetzelfde beeldwoord hoeft niet in ieder visioen dezelfde groep aan te duiden.
In Openbaring 12 brengt de vrouw Christus voort. De gemeente heeft Christus echter niet voortgebracht. Christus kwam uit Israël en zei tijdens Zijn aardse bediening:
„...op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen...”
— Mattheüs 16:18
Christus bouwt de gemeente; de gemeente baart Christus niet. Bovendien verklaren de zon, maan en twaalf sterren, de barende Sion, de woestijn, de arendsvleugels en Michaël de gemeente niet. Zij passen gezamenlijk bij Israël.
De identificatie van de vrouw hangt daarom ook niet alleen af van het eerder vastgestelde tijdstip van de opname. Openbaring 12 en de eerdere Schrift identificeren haar zelfstandig als Israël.
De vrouw van Openbaring 12, de vrouw bij het zuurdesem en de hoer
Het woord „vrouw” is in de profetie geen vaste groepsnaam. De context bepaalt telkens welke kring en welke geestelijke toestand wordt voorgesteld.
Mattheüs 13 toont de vrouw die zuurdesem in drie maten meel verbergt. Binnen de samenhang van die gelijkenis stelt zij het afvallige religieuze Israël voor, in het bijzonder het ongelovige leiderschap vanuit Jeruzalem dat valse leer, huichelarij en wettische vermenging verbreidt.
Openbaring 12 toont nationaal Israël in verbinding met het Messiaanse Kind. In de concrete eindtijdse vlucht gaat het om het gelovige overblijfsel dat Christus’ waarschuwing gehoorzaamt, door de draak wordt vervolgd en door God wordt bewaard.
Openbaring 17 toont het afvallige Jeruzalem en Israël in verbinding met het Beest. Deze vrouw vlucht niet voor de antichristelijke macht, maar zit erop en wordt uiteindelijk door die macht verwoest.
Openbaring 19 toont vervolgens de Gemeente als de gereedgemaakte vrouw van het Lam. Zij heeft Christus niet voortgebracht, maar is door Hem gekocht, gereinigd en met Hem verbonden.
Deze vrouwbeelden spreken elkaar niet tegen. Hetzelfde nationale Israël kan profetisch in twee tegengestelde geestelijke verhoudingen worden getoond: het gelovige overblijfsel in verbinding met de Messias en het afvallige Jeruzalem in verbinding met het Beest. De Gemeente blijft daarvan onderscheiden als de vrouw van het Lam.
De draak wordt rechtstreeks als Satan geïdentificeerd
Over de draak laat de Schrift geen ruimte voor twijfel:
„En de grote draak is geworpen, namelijk de oude slang, welke genaamd wordt duivel en satanas...”
— Openbaring 12:9
De draak is dus Satan. De naam „oude slang” voert terug naar Genesis 3, waar God vijandschap stelt tussen de slang en de vrouw, tussen zijn zaad en haar Zaad. In Openbaring 12 zien wij opnieuw de slang, de vrouw, het Zaad en de vijandschap. De eeuwenlange strijd bereikt haar eindtijdse hevigheid.
Dat betekent niet dat de vrouw van Openbaring 12 eenvoudig Eva is. Genesis 3 geeft de grote strijdlijn; de specifieke kenmerken in Openbaring identificeren de vrouw binnen die lijn als Israël, het volk waaruit het beloofde Zaad kwam.
De draak heeft zeven hoofden en tien hoornen. In Openbaring 13 verschijnt het beest met dezelfde kenmerken, waarna de draak hem zijn kracht, troon en grote macht geeft. De overeenkomst toont de geestelijke macht achter de laatste aardse wereldmacht: Satan vervolgt Israël niet alleen rechtstreeks, maar werkt ook door het beestrijk.
Het derde deel van de sterren behoort bij de engelen van de draak
De staart van de draak trekt het derde deel van de sterren des hemels en werpt die op de aarde (Openbaring 12:4). Deze sterren moeten binnen de eigen Schriftcontext worden gelezen. Enkele verzen later staan twee hemelse legers tegenover elkaar:
„Michaël en zijn engelen krijgden tegen den draak, en de draak krijgde ook en zijn engelen.”
— Openbaring 12:7
Daarna wordt de draak op aarde geworpen en „zijn engelen” worden met hem geworpen (Openbaring 12:9).
De parallel is sterk:
- de draak sleept sterren mee en werpt ze op aarde;
- de draak voert samen met zijn engelen oorlog;
- de draak en zijn engelen worden op aarde geworpen.
Openbaring verbindt de sterren hier dus met de persoonlijke hemelse macht van de draak en zijn engelen. Het gaat niet om meteorieten en evenmin om Satan die buiten Gods macht om Gods getrouwe, lichtende sterrenheir wegrooft. Het is de gevallen engelenmacht die bij de draak hoort en met hem wordt neergeworpen.
Wel moeten wij niet méér dateren dan de tekst doet. Openbaring 12 zegt niet met zoveel woorden dat vers 4 de oorspronkelijke val van exact een derde van alle ooit geschapen engelen vóór de mensengeschiedenis beschrijft. Het hoofdstuk toont hun verbondenheid met de draak en hun gezamenlijke neerwerping; het openbaart niet ieder moment uit hun eerdere geschiedenis.
Het onderscheid tussen Gods getrouwe sterrenheir en de afvallige sterren die de draak volgen, wordt verder uitgewerkt in Wordt er geen ster gemist?.
De oorlog in de hemel is een toekomstige eindtijdse gebeurtenis
De strijd tussen Michaël en de draak is niet slechts een hervertelling van Satans oorspronkelijke val. De tekst zelf plaatst deze neerwerping veel later.
Na de overwinning klinkt in de hemel dat de aanklager van de broederen is neergeworpen, die hen voor God dag en nacht aanklaagde. De broederen hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis (Openbaring 12:10-11). Dat veronderstelt reeds Christus’ vergoten bloed en het getuigenis van gelovigen.
Daarna wordt tegen de aarde en de zee gezegd:
„Wee dengenen, die de aarde en de zee bewonen, want de duivel is tot u afgekomen, en heeft groten toorn, wetende, dat hij een kleinen tijd heeft.”
— Openbaring 12:12
Zijn tijd op aarde is dan nog maar klein. Direct daarop vervolgt hij de vrouw, die voor drieënhalf jaar wordt beschermd. De neerwerping naar de aarde behoort daardoor tot de grote omslag rond het midden van Daniëls zeventigste week, niet tot een ongedateerde gebeurtenis vóór Genesis 1.
De Schrift toont verschillende fasen van Satans oordeel. Zijn nederlaag is door Christus’ kruis en opstanding verzekerd. In Openbaring 12 wordt hij uit de hemelse sfeer op aarde geworpen. Bij Christus’ komst wordt hij in de afgrond opgesloten (Openbaring 20:1-3). Uiteindelijk wordt hij in de poel des vuurs geworpen (Openbaring 20:10). Deze gebeurtenissen moeten niet tot één moment worden samengevoegd.
Waarom juist Michaël verschijnt
Michaël is geen toevallig detail in dit hoofdstuk. Daniël noemt hem „uw vorst” in verband met Daniëls volk (Daniël 10:21). Later zegt de engel:
„En te dier tijd zal Michaël opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen uws volks staat...”
— Daniël 12:1
Welk volk bedoelt Daniël? Daniël 9:24 heeft de zeventig weken bepaald over „uw volk” en „uw heilige stad”: Israël en Jeruzalem.
Juist Daniël 12 brengt vier zaken samen:
- Michaël;
- Daniëls volk;
- een ongekende tijd van benauwdheid;
- verlossing van wie in het boek gevonden wordt.
Openbaring 12 brengt dezelfde zaken samen: Michaël strijdt, de vrouw wordt vervolgd, de nood is ongekend en God bewaart haar. Dat Michaël hier optreedt, bevestigt opnieuw dat de vrouw Daniëls volk — Israël — voorstelt.
De vlucht begint bij de grote middenweekse omslag
Daniël 9:27 zegt dat de toekomstige vorst in de helft van de laatste week het slachtoffer en het spijsoffer laat ophouden. Jezus verwijst rechtstreeks naar Daniël wanneer Hij zegt:
„Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël, den profeet, staande in de heilige plaats...”
— Mattheüs 24:15
Daarna volgt geen algemeen advies om waakzaam te zijn. Christus geeft een plaatsgebonden vluchtbevel:
„Dat alsdan die in Judea zijn, vlieden op de bergen.”
— Mattheüs 24:16
De vlucht moet onmiddellijk zijn. Wie op het dak is, moet niet eerst zijn huis binnengaan. Wie op de akker is, moet niet terugkeren om zijn kleding te halen. Vervolgens zegt Christus:
„Want alsdan zal grote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal.”
— Mattheüs 24:21
Leg de teksten naast elkaar:
| Daniël en Mattheüs | Openbaring 12 |
|---|---|
| In de helft van de week wordt de heilige orde verbroken | Satan wordt op aarde geworpen en heeft een kleine tijd |
| De gruwel staat in de heilige plaats | De draak vervolgt de vrouw |
| Wie in Judea is, moet vluchten | De vrouw vlucht naar haar plaats in de woestijn |
| Er begint een ongekende grote verdrukking | Israël wordt door de woedende draak vervolgd |
| Jakob komt in benauwdheid maar wordt verlost | God geeft de vrouw een bereide plaats en onderhoudt haar |
Jeremia noemt dezelfde periode „een tijd van benauwdheid voor Jakob” en voegt eraan toe dat hij daaruit verlost zal worden (Jeremia 30:7). Daniël spreekt over een tijd van benauwdheid zoals er nooit geweest is. Jezus spreekt over grote verdrukking zoals er nooit geweest is. Openbaring toont wie vervolgd wordt en hoe God haar bewaart.
De 1260 dagen zijn de laatste drieënhalf jaar
Openbaring 12 noemt de duur van de bescherming tweemaal. Eerst:
„En de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij een plaats had, haar van God bereid, opdat zij haar aldaar zouden voeden duizend tweehonderd zestig dagen.”
— Openbaring 12:6
Later:
„En der vrouw zijn gegeven twee vleugelen eens groten arends, opdat zij zou vliegen in de woestijn, in haar plaats, alwaar zij gevoed wordt een tijd, en tijden, en een halven tijd, buiten het gezicht der slang.”
— Openbaring 12:14
Hetzelfde hoofdstuk verklaart daarmee zijn eigen tijdstaal:
1260 dagen = een tijd + tijden + een halve tijd = drieënhalf jaar.
Openbaring 13 geeft het beest vervolgens 42 maanden om zijn godslasterlijke eindmacht uit te oefenen. Daniël 7:25 beschrijft diezelfde vervolgingsmacht als „een tijd, en tijden, en een gedeelte eens tijds”. De heilige stad wordt eveneens 42 maanden vertreden (Openbaring 11:2).
Bij de Bijbelse profetische telling zijn 42 maanden gelijk aan 1260 dagen. Genesis geeft daarvoor al een kalendervoorbeeld: van de zeventiende dag van de tweede maand tot de zeventiende dag van de zevende maand verlopen vijf maanden, terwijl dezelfde periode 150 dagen wordt genoemd (Genesis 7:11, 24; 8:4). Dat is dertig dagen per maand:
42 × 30 = 1260 dagen.
De tijdslijnen vallen dus samen:
- de vrouw wordt 1260 dagen onderhouden;
- zij wordt een tijd, tijden en een halve tijd beschermd;
- het beest krijgt 42 maanden;
- de grote verdrukking begint na de middenweekse gruwel.
Daarom behoren Israëls vlucht en bescherming tot de tweede helft van Daniëls zeventigste week. Zij liggen binnen het grote eindcomplex dat bij de zevende bazuin hoort. De Schrift dwingt ons daarbij niet de exacte seconde vast te leggen waarop de formele bazuinklank binnen de korte middenovergang klinkt. Voor de plaatsing van de vrouw verandert dat niets: haar 1260 dagen zijn de laatste drieënhalf jaar die eindigen bij Christus’ zichtbare komst.
Hoe deze afgemeten periode zich verhoudt tot „niemand weet de dag en de ure”, de vijgenboom en de dagen van Noach, wordt uitgewerkt in De vijgenboom, dit geslacht en de dagen van Noach in Mattheüs 24.
De bescherming herhaalt het patroon van de uittocht
De identificatie van de vrouw wordt nog sterker door de wijze waarop God haar redt. Openbaring gebruikt niet één, maar een hele reeks Exodusbeelden:
- een vijand achtervolgt Gods volk;
- God geeft arendsvleugels;
- het volk gaat naar de woestijn;
- God brengt het naar een door Hem bepaalde plaats;
- God voedt het daar;
- een overweldigende watermacht bedreigt het;
- God zorgt dat de aarde die dreiging verzwelgt.
God zei na de uittocht tegen Israël:
„Gijlieden hebt gezien, wat Ik den Egyptenaren gedaan heb; hoe Ik u op vleugelen der arenden gedragen, en u tot Mij gebracht heb.”
— Exodus 19:4
De inleiding tot die woorden luidt:
„Alzo zult gij tot het huis van Jakob zeggen, en den kinderen Israëls verkondigen...”
— Exodus 19:3
Wie droeg God op arendsvleugels? Het huis van Jakob, de kinderen Israëls. Wie ontvangt in Openbaring 12 de vleugels van een grote arend? De vrouw die al met Jakobs zon, maan en twaalf sterren is getekend.
Deuteronomium 32 maakt de verbinding nog voller. Daar is Jakob het snoer van Gods erfenis. God vindt hem in een land van woestijn, omringt en bewaart hem, „gelijk een arend zijn nest opwekt” en zijn jongen op zijn vlerken draagt (Deuteronomium 32:9-12).
Ook de voeding in de woestijn hoort bij Israël. Mozes herinnert het volk eraan dat God het met manna spijzigde in een gebied waar het zichzelf niet kon onderhouden (Deuteronomium 8:3, 16). Openbaring zegt opnieuw dat God in de woestijn een plaats bereidt waar de vrouw wordt gevoed.
De arendsvleugels hoeven daarom niet in vliegtuigen of een andere moderne vervoerswijze te worden veranderd. De Schrift heeft het beeld zelf al verklaard: zij spreken over Gods machtige, snelle en bovennatuurlijke bevrijding van Israël uit de hand van een vervolger. Hoe God die vlucht praktisch uitvoert, vertelt Openbaring niet.
De rivier en de aarde passen eveneens in de Exoduslijn
De slang werpt uit zijn mond water als een rivier achter de vrouw aan om haar door de stroom te laten wegvoeren. De aarde helpt de vrouw, opent haar mond en verzwelgt de rivier (Openbaring 12:15-16).
De hoofdzaak is helder: Satan zet een overweldigende vernietigingsmacht tegen het vluchtende Israël in, maar de schepping zelf moet onder Gods bevel aan haar redding meewerken. De vijand bereikt zijn doel niet.
Ook hier klinkt de uittocht door. Nadat de Egyptische macht in de zee ten onder is gegaan, zingt Mozes:
„Gij hebt Uw rechterhand uitgestrekt, de aarde heeft hen verslonden.”
— Exodus 15:12
Openbaring gebruikt opnieuw de taal van Gods vijand die Israël achtervolgt en van de aarde die de dreiging verzwelgt.
De tekst zegt echter niet of de rivier uitsluitend letterlijk water, een oprukkend leger, een vloed van vervolging of een combinatie van oordeelshandelingen voorstelt. De profeten kunnen overstromende rivieren als beeld voor binnenvallende machten gebruiken, maar Openbaring 12 geeft hier geen afzonderlijke verklaring. Wij hoeven het middel niet te benoemen om de uitkomst zeker te weten: God doet de aanval mislukken en bewaart de vrouw op haar plaats.
Wordt heel Israël zonder onderscheid beschermd?
De vrouw stelt Israël als volk voor. Dat betekent niet dat iedere natuurlijke Israëliet zonder onderscheid tot de vluchtende vrouw behoort. Christus richt Zijn bevel tot toekomstige discipelen die Daniëls gruwel verstaan, Zijn woord gehoorzamen, over hun vlucht bidden en de valse christussen verwerpen. Daniël zegt daarbij dat de verstandigen verstaan en de goddelozen niet (Daniël 12:10).
Openbaring toont dit vluchtende deel van Israël op een door God bereide plaats. Vers 17 maakt vervolgens onderscheid tussen de beschermde vrouw en „de overigen van haar zaad”, tegen wie de draak elders oorlog gaat voeren. Het onderscheid betreft hun plaats en bescherming, niet een tegenstelling tussen een ongelovige vrouw en gelovig zaad. De overige nakomelingen bewaren Gods geboden en hebben het getuigenis van Jezus Christus; de vrouw waaruit zij voortkomen staat binnen dezelfde geloofskring.
Daarom moeten twee waarheden samen blijven staan:
De profetische vrouw stelt nationaal Israël voor.
In haar concrete eindtijdse vlucht stelt zij het gelovige overblijfsel van Israël voor dat Christus gehoorzaamt en door God wordt onderhouden.
Openbaring noemt niet hoeveel mensen daar worden samengebracht. Het noemt de plaats niet bij naam. Het zegt ook niet door welke menselijke of engelachtige dienaren de voeding wordt verzorgd. Het beslissende is dat de plaats „haar van God bereid” is. Israëls voortbestaan hangt in deze periode niet af van de goede wil van het Beest, maar van Gods verbondstrouw en macht.
Waarom de vrouw niet bij de schapen en de bokken wordt ingedeeld
Bij Christus’ wederkomst worden de overlevenden niet als één ongedifferentieerde mensengroep beoordeeld. De Gemeente is dan reeds bij Christus. Israël wordt afzonderlijk onder de roede van het verbond gebracht en de wederstrevers worden uit het volk uitgezuiverd (Ezechiël 20:37–38). Numeri 23:9 zegt bovendien dat Israël onder de heidenvolken niet wordt gerekend.
Mattheüs 25 verzamelt daarna de levende heidenvolken voor de Koning. De gelovigen uit die volken zijn de schapen; de ongelovigen zijn de bokken. De beschermde vrouw is daarom geen andere naam voor de schapen. Het gelovige overblijfsel van Israël en de rechtvaardige schapen uit de volken gaan langs onderscheiden profetische lijnen als levende, geredde mensen het Koninkrijk binnen.
De volledige samenhang tussen de vluchtgroep, Israëls afzonderlijke loutering en het oordeel over de volken staat in Mattheüs 24 en 25 uitgelegd in samenhang.
Het verschil tussen deze gelovige vluchtgroep en Gods afzonderlijke uitzuivering van afvallig Israël wordt verder uitgewerkt in waar is afvallig Israël bij de wederkomst?
Wie zijn de overigen van haar zaad?
Wanneer de draak de vrouw niet kan vernietigen, vergrimt hij op haar:
„...en ging heen om krijg te voeren tegen de overigen van haar zaad, die de geboden Gods bewaren, en de getuigenis van Jezus Christus hebben.”
— Openbaring 12:17
De tekst vertelt ons genoeg om hun geestelijke positie te herkennen. Zij zijn met de vrouw verbonden, bewaren Gods geboden en hebben het getuigenis van Jezus Christus. Het zijn dus geen ongelovige vervolgers van Christus, maar mensen die Hem toebehoren en om Zijn getuigenis worden aangevallen.
Openbaring 12 zegt niet uitdrukkelijk dat deze groep identiek is aan de 144.000. Ook geeft het vers geen volledige geografische indeling van alle gelovigen in die periode. Zulke gelijkstellingen mogen daarom niet als rechtstreeks geopenbaarde namen worden gepresenteerd.
Wat wel vaststaat, is ernstig genoeg: wanneer Satan de door God beschermde kern van Israël niet kan bereiken, keert zijn oorlog zich tegen anderen uit haar zaad die van Jezus Christus getuigen.
God beschermt Israël omdat Zijn Woord niet kan falen
Openbaring 12 gaat uiteindelijk niet over Israëls natuurlijke kracht. De vrouw is zonder Gods ingrijpen niet tegen de draak opgewassen. Haar plaats is door God bereid. De vleugels worden haar gegeven. Zij wordt gevoed. De aarde helpt haar. De tijd van haar vijand is begrensd.
Dat is de profetische uitwerking van een veel oudere belofte. God heeft Israël niet bewaard omdat het volk altijd trouw was, maar omdat Hij Zelf trouw is aan Zijn Woord. De draak heeft door de eeuwen heen geprobeerd het volk en vooral het beloofde Zaad te vernietigen. Hij kon Christus niet tegenhouden. Hij zal ook Gods toekomstplan met Israël niet vernietigen.
De 1260 dagen zijn daarom tegelijk een tijd van verschrikkelijke vervolging en een getuigenis van volstrekte begrenzing. Satan heeft „groten toorn”, maar slechts „een kleinen tijd”. Het beest ontvangt macht, maar slechts 42 maanden. De vrouw wordt aangevallen, maar God heeft haar plaats al bereid voordat zij er aankomt.
Deze bewaring loopt uiteindelijk uit op wat de Schrift leert over de wederkomst en de uiteindelijke redding van Israël.
Het bloed van het Lam is het antwoord op de aanklager
Midden in dit profetische hoofdstuk klinkt ook het Evangelie:
„En zij hebben hem overwonnen door het bloed des Lams, en door het woord hunner getuigenis; en zij hebben hun leven niet liefgehad tot den dood toe.”
— Openbaring 12:11
Satan wordt de aanklager genoemd. Dat raakt de werkelijke nood van ieder mens, want wij hebben gezondigd en staan uit onszelf schuldig voor God. Het antwoord op schuld is niet dat wij onszelf beter voordoen, genoeg werken verzamelen of de aanklacht ontkennen. Het antwoord is het bloed van het Lam.
Jezus Christus, het mannelijke Kind uit Israël en de eeuwige Zoon van God, stierf voor onze zonden. Hij werd begraven en stond op de derde dag op, naar de Schriften (1 Korinthe 15:3-4). Zijn bloed is de betaling voor de zonde. Zijn opstanding bewijst dat het verlossingswerk volbracht is.
De gelovigen in Openbaring 12 overwinnen niet naast het bloed door hun eigen verdienste. Het bloed van het Lam is de grond; hun getuigenis belijdt Degene op Wie zij vertrouwen. Dat zij hun leven niet liefhebben tot de dood toe, beschrijft hun trouw onder vervolging, niet de prijs waarmee zij eeuwig leven kopen.
Eeuwig leven is Gods gave. Wie op Jezus Christus vertrouwt, heeft eeuwig leven. Wie gelooft, gaat niet verloren maar is uit de dood overgegaan in het leven (Johannes 3:16; 5:24). Dezelfde Christus Die Israël in de toekomst zal verlossen, redt nu iedere zondaar die alleen op Hem vertrouwt.
Alle lijnen wijzen naar Israël
Wanneer de kenmerken naast elkaar worden gelegd, is de uitkomst niet vaag:
| Kenmerk in Openbaring 12 | Verklaring vanuit de Schrift |
|---|---|
| Zon, maan en twaalf sterren | Genesis 37: het huis van Jakob; Jakob heet Israël |
| Barende vrouw | Micha 4 en Jesaja 66: de dochter Sions en Sion in barensnood |
| Mannelijke Zoon met ijzeren roede | Psalm 2 en Openbaring 19: Jezus Christus, de Messiaanse Koning |
| Christus komt uit de vrouw | Romeinen 9:5: Christus kwam naar het vlees uit Israël |
| Draak en oude slang | Openbaring 12:9 en Genesis 3: Satan en de strijd tegen het beloofde Zaad |
| Michaël | Daniël 10 en 12: de vorst die voor Daniëls volk staat |
| Ongekende vervolging | Daniël 12, Jeremia 30 en Mattheüs 24: benauwdheid voor Jakob en grote verdrukking |
| Vlucht uit het bedreigde gebied | Mattheüs 24: degenen in Judea moeten bij de gruwel vluchten |
| Arendsvleugels | Exodus 19: God droeg het huis van Jakob, de kinderen Israëls |
| Woestijn en voeding | Exodus en Deuteronomium: God onderhield Israël in de woestijn |
| De aarde verzwelgt de aanval | Exodus 15: de aarde verslond Israëls vervolgers |
| 1260 dagen | Openbaring 12:6: de exacte duur van de bescherming |
| Tijd, tijden en een halve tijd | Openbaring 12:14 en Daniël 12: dezelfde drieënhalfjarige eindtijd |
| 42 maanden van het beest | Openbaring 13: dezelfde laatste helft van Daniëls week |
Maria verklaart de lichamelijke geboorte, maar niet deze hele profetische geschiedenis. De gemeente is de bruid van Christus, maar heeft Christus niet voortgebracht en verklaart de Jakob-, Sion-, Exodus- en Michaëllijnen niet. Israël verklaart alle gegevens tegelijk.
Conclusie
De vrouw in Openbaring 12 stelt nationaal Israël voor; in haar concrete eindtijdse vlucht gaat het om het gelovige overblijfsel dat Christus gehoorzaamt en door God wordt bewaard.
Zij draagt het familiebeeld van Jakob: zon, maan en twaalf sterren. Zij verschijnt als de barende Sion uit de profeten. Zij brengt het Messiaanse Kind voort dat de volken met een ijzeren roede zal regeren. Paulus zegt rechtstreeks dat Christus naar het vlees uit Israël kwam.
Wanneer de draak in de eindtijd op aarde wordt geworpen, vervolgt hij dezelfde vrouw. Dan verschijnen opnieuw de herkenbare lijnen van Israëls geschiedenis: de vijand jaagt haar na, God draagt haar op arendsvleugels, brengt haar naar de woestijn, voedt haar en laat de aarde de aanval verzwelgen. Michaël strijdt, de vorst die volgens Daniël voor Israëls volk staat.
De duur is exact bepaald. De vrouw wordt 1260 dagen — een tijd, tijden en een halve tijd — onderhouden. Dat zijn de laatste drieënhalf jaar van Daniëls zeventigste week, dezelfde periode waarin het beest 42 maanden macht ontvangt en waarin Jezus de grote verdrukking plaatst.
Satan zal hevig woeden, maar hij zal Gods raad niet breken. Zijn tijd is klein. Zijn macht is begrensd. De plaats voor de vrouw is al door God bereid. Het Kind dat hij wilde verslinden, zit bij Gods troon en zal zichtbaar terugkomen als Koning der koningen.
Openbaring 12 verheerlijkt daarom niet de draak. Het verkondigt de trouw van God, de overwinning van het Lam en de zekerheid dat geen macht in hemel of op aarde Gods Woord aan Israël kan vernietigen.
Verder lezen in de serie Openbaring en de eindtijd
Vorige artikel:
De zevende bazuin en de zeven fiolen
Volgende artikel:
De zeven hoofden en tien hoornen
Serieoverzicht: