Kort antwoord: De Bijbel beschrijft geen kleine verlichte wereld binnen een veel grotere aarde waarvan enorme gebieden permanent buiten het bereik van de zon liggen. Genesis stelt zon en maan in het uitspansel des hemels „om licht te geven op de aarde”. Psalm 19 spreekt vervolgens over „de ganse aarde”, „het einde der wereld”, de omloop van de zon tot „de einden” des hemels en besluit: „niets is verborgen voor haar hitte.” De Schrift geeft nergens aan dat „de ganse aarde” slechts een kleinere leefzone binnen een veel grotere aarde betekent.
Is de aarde groter dan wij kennen? Wat zegt de Bijbel?
Sommige theorieën stellen dat onze bekende wereld slechts een klein deel is van een veel grotere aarde. Maar Psalm 19 spreekt over „de ganse aarde”, „het einde der wereld” en zegt dat „niets is verborgen” voor de hitte van de zon. Laat de Bijbel zo'n grotere aarde werkelijk toe?
Kort samengevat
De Bijbel beschrijft geen kleine verlichte wereld binnen een veel grotere aarde waarvan enorme gebieden permanent buiten het bereik van zon en maan liggen.
Genesis stelt de lichten in het uitspansel des hemels om licht te geven op de aarde. Psalm 19 begint vervolgens met de hemelen en het uitspansel, spreekt over de ganse aarde en het einde der wereld, plaatst de tent van de zon in die hemelen en beschrijft haar omloop tot aan de einden des hemels.
Daarna volgt de beslissende uitspraak:
„Haar uitgang is van het einde des hemels, en haar omloop tot aan de einden deszelven; en niets is verborgen voor haar hitte.”
— Psalm 19:7
Een model waarin grote delen van de werkelijke aarde nooit door deze zon bereikt worden, zegt daarmee precies het tegenovergestelde.
De vraag is daarom niet welk model indrukwekkend klinkt. De vraag is: wat laat de Schrift zelf toe?
Niet iedere alternatieve theorie is Bijbels
Wie de Bijbel over hemel en aarde serieus begint te lezen, kan ontdekken dat de Schrift op veel plaatsen anders spreekt dan mensen gewend zijn.
De Bijbel spreekt over een uitspansel. Over wateren boven het uitspansel. Over zon en maan als lichten die God daarin stelt. Over de zon die een pad loopt. Over de aarde die gegrond is. Over de einden der aarde. Over grenzen die God aan de wateren stelt.
Dat kan terecht aanleiding geven om menselijke modellen opnieuw te onderzoeken.
Maar daarna ontstaat gemakkelijk een ander gevaar: alsof iedere alternatieve theorie daarom Bijbels zou zijn.
Dat is niet zo.
Een oude kaart is geen Schrift. Een indrukwekkend model is geen Schrift. Een documentaire is geen Schrift. En een theorie wordt niet Bijbels doordat zij afwijkt van de gangbare kosmologie.
Ook een alternatieve theorie moet volledig buigen voor het Woord van God.
„Alle woord Gods is doorlouterd; Hij is een Schild dengenen, die op Hem betrouwen. Doe niet tot Zijn woorden, opdat Hij u niet bestraffe, en gij leugenachtig bevonden wordt.”
— Spreuken 30:5-6
Wij mogen dus niet minder zeggen dan God zegt. Maar wij mogen ook niet méér zeggen dan God zegt.
De vraag is niet of wij ons een veel grotere aarde kunnen voorstellen.
De vraag is: laat de Schrift zo'n aarde toe?
Over welke theorie gaat het precies?
We moeten eerst duidelijk onderscheiden waarover dit artikel wel en niet gaat.
Dit artikel beweert niet dat mensen iedere vierkante kilometer van de aarde kennen. Het beweert ook niet dat ieder eiland, iedere kustlijn of ieder moeilijk bereikbaar gebied noodzakelijk volledig bij mensen bekend is.
Dat is een andere vraag.
De theorie die hier wordt onderzocht zegt veel meer. Volgens dat model vormt onze bekende wereld slechts een kleiner gedeelte van de totale aarde. Zon en maan zouden hun baan uitsluitend boven dat beperkte gebied hebben. Daarbuiten zouden enorme hoeveelheden land en water liggen die permanent buiten de baan van de zon vallen.
De kern van de theorie is dus eenvoudig:
De werkelijke aarde is veel groter dan het gebied dat de zon bereikt.
Kan dat volgens de Bijbel?
Daarvoor beginnen we waar God Zelf begint.
Genesis geeft de bouwtekening
Genesis 1 zegt:
„En God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren; en dat make scheiding tussen wateren en wateren.”
— Genesis 1:6
Daarna:
„En God maakte dat uitspansel, en maakte scheiding tussen de wateren, die onder het uitspansel zijn, en tussen de wateren, die boven het uitspansel zijn; en het was alzo.”
— Genesis 1:7
En vervolgens geeft God Zelf het uitspansel een naam:
„En God noemde het uitspansel hemel.”
— Genesis 1:8
Dat is belangrijk.
De Schrift legt zelf de verbinding: het uitspansel wordt hemel genoemd.
De volledige opbouw van Genesis 1 behandelen we stap voor stap in Genesis 1: de bouwtekening van hemel en aarde.
Daarna, op de vierde dag, zegt God:
„En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels, om scheiding te maken tussen den dag en tussen den nacht; en dat zij zijn tot tekenen, en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren.”
— Genesis 1:14
Vers 15:
„En dat zij zijn tot lichten in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde; en het was alzo.”
— Genesis 1:15
En vers 17:
„En God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde.”
— Genesis 1:17
Lees alleen wat de tekst zegt.
God maakt het uitspansel. God noemt het uitspansel hemel. Vervolgens stelt God de lichten in het uitspansel des hemels.
En waarom?
Om licht te geven op de aarde.
Niet om licht te geven op een klein gedeelte van de aarde. Niet om alleen een beperkte leefzone te verlichten. Niet om onze bekende wereld te verlichten terwijl enorme gedeelten van de werkelijke aarde permanent buiten hun bereik blijven.
Genesis zegt eenvoudig: op de aarde.
Dat is het fundament.
En precies op dat fundament bouwt Psalm 19 verder.
Psalm 19 begint met hetzelfde uitspansel
Psalm 19 begint niet zomaar met een beschrijving van de zon.
De eerste woorden zijn:
„De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.”
— Psalm 19:2
We kennen die woorden inmiddels uit Genesis.
Genesis heeft gezegd dat God het uitspansel hemel noemde. Psalm 19 spreekt vervolgens over de hemelen en het uitspansel.
Wie eerst de volledige Schriftlijn over die door God gemaakte hemel wil zien, kan verder lezen in Wat is het uitspansel volgens de Bijbel?
Dit is dezelfde Bijbelse scheppingstaal.
Dat is belangrijk om te zien, want anders kan Psalm 19:5 gemakkelijk als een los vers gelezen worden. Maar dat is het niet. De passage begint al in vers 2 bij de hemelen en het uitspansel.
Daarna zegt de psalm:
„De dag aan den dag stort overvloediglijk sprake uit, en de nacht aan den nacht toont wetenschap.”
— Psalm 19:3
Het hemelse bestel verkondigt Gods werk. Dag na dag. Nacht na nacht.
En dan komt Psalm 19:5.
„Over de ganse aarde”
„Hun richtsnoer gaat uit over de ganse aarde, en hun redenen aan het einde der wereld; Hij heeft in dezelve een tent gesteld voor de zon.”
— Psalm 19:5
Hier moeten we zorgvuldig lezen.
„Hun richtsnoer” is niet hetzelfde als het fysieke uitspansel. De eerste helft van het vers spreekt over de verkondiging die van de hemelen uitgaat.
Maar hoe ver reikt die volgens de psalm?
Over de ganse aarde.
En:
aan het einde der wereld.
Dat is de context waarin Psalm 19 spreekt.
Niet over een klein plaatselijk gedeelte. Niet over een beperkte leefwereld. De woorden zijn juist breed: de ganse aarde en het einde der wereld.
En precies in dezelfde zin gaat de psalm verder met de zon.
„Hij heeft in dezelve een tent gesteld voor de zon”
Psalm 19:5 eindigt met de woorden:
„Hij heeft in dezelve een tent gesteld voor de zon.”
— Psalm 19:5
Waar staat die tent?
De Bijbel heeft de lezer daar inmiddels al op voorbereid.
Psalm 19 begon met de hemelen en het uitspansel. Genesis had reeds gezegd dat God het uitspansel hemel noemde. Genesis had bovendien de zon en maan gesteld in het uitspansel des hemels.
Psalm 19 zegt nu dat God in dezelve een tent voor de zon heeft gesteld.
En enkele regels later wordt dat nog duidelijker, want haar uitgang en omloop worden uitdrukkelijk aan de hemel verbonden.
De Schrift legt dus zelf de lijn:
Genesis: uitspansel → hemel → zon daarin.
Psalm 19: hemelen en uitspansel → tent van de zon daarin → baan door die hemel.
Het gaat om één samenhangend hemels bestel.
De hemel wordt zelf met tenttaal beschreven
Dat past bovendien bij andere Schriftplaatsen.
Jesaja zegt:
„Die de hemelen uitbreidt als een dunnen doek, en breidt ze uit als een tent om te bewonen.”
— Jesaja 40:22
Psalm 104 zegt:
„Hij rekt den hemel uit als een gordijn.”
— Psalm 104:2
Genesis noemt het uitspansel hemel. Jesaja beschrijft de hemelen als een uitgespannen tent. Psalm 19 zegt dat God in die hemelen een tent voor de zon heeft gesteld.
We hoeven daar geen tweede, los hemels systeem bij te bedenken. De Bijbel geeft zelf de begrippen waarmee we moeten werken.
En nu komen we bij een woord dat voor onze vraag zeer belangrijk is.
Wat betekent „ganse”?
Psalm 19 zegt: de ganse aarde.
Hoe zwaar moeten we dat woord laten wegen?
We hoeven dat niet zelf te bedenken. We kunnen kijken hoe de Schrift dezelfde taal elders gebruikt.
Psalm 33 zegt:
„Laat de ganse aarde voor den HEERE vrezen; laat alle inwoners van de wereld voor Hem schrikken.”
— Psalm 33:8
Let op hoe de twee delen elkaar versterken.
De ganse aarde. Alle inwoners van de wereld.
De bedoeling is duidelijk het geheel waarop de uitspraak betrekking heeft.
Ezechiël zegt:
„Ja, Ik zal mensen op u vermenigvuldigen, het ganse huis Israëls, ja, dat geheel…”
— Ezechiël 36:10
Dat is bijzonder duidelijk.
Het ganse huis Israëls — ja, dat geheel.
Handelingen 17 zegt:
„En heeft uit een bloede het ganse geslacht der mensen gemaakt, om op den gehelen aardbodem te wonen…”
— Handelingen 17:26
Opnieuw taal van volledigheid: ganse en gehele.
De natuurlijke kracht is duidelijk. Het woord wijst op het geheel waarop de uitspraak betrekking heeft.
Natuurlijk bepaalt de context de reikwijdte
Dat betekent niet dat woorden als „ganse”, „alle” of „niets” ooit zonder context gelezen mogen worden.
De Schrift legt de Schrift uit. Wanneer een passage zelf een bepaalde groep of een bepaald gebied afbakent, respecteren we die grens.
Maar juist daarom is Psalm 19 zo belangrijk.
Waar beperkt Psalm 19 de ganse aarde tot een kleine cirkel binnen een veel grotere werkelijke aarde?
Nergens.
Waar zegt de passage dat met de ganse aarde slechts het gebied bedoeld wordt waar zon en maan hun baan hebben?
Nergens.
Sterker nog: de context wordt daarna niet kleiner.
Hij wordt steeds vollediger.
Vijf uitspraken in dezelfde richting
Kijk naar de woorden van Psalm 19:5-7.
Eerst spreekt de psalm over de ganse aarde.
Dan over het einde der wereld.
Vervolgens wordt de zon beschreven. Haar uitgang is van het einde des hemels.
Haar omloop gaat tot aan de einden deszelven.
En uiteindelijk zegt de Schrift dat niets verborgen is voor haar hitte.
Binnen slechts enkele regels krijgen we dus:
GANSE
EINDE
EINDE
EINDEN
NIETS
De passage gaat niet van algemeen naar plaatselijk. Zij stapelt juist taal van geheel, uitersten en volledigheid op.
Dat moet gewicht krijgen in onze uitleg.
De bredere Bijbelse taal over het midden, de einden, hoeken en vier winden wordt afzonderlijk onderzocht in De einden, hoeken en vier winden der aarde.
„De ganse aarde — behalve…”
Stel nu dat onze bekende wereld werkelijk slechts een klein gedeelte is van een veel grotere aarde.
Dan zou „de ganse aarde” in Psalm 19 eigenlijk moeten betekenen: het kleinere gedeelte van de werkelijke aarde waar het beschreven zonnesysteem werkzaam is.
Maar dan gebeurt er iets merkwaardigs.
Het woord ganse blijft in de Bijbel staan, terwijl het in onze uitleg feitelijk een gedeelte van gaat betekenen.
Zeg het eens gewoon in één zin:
De ganse aarde — behalve de enorme gedeelten van de werkelijke aarde die daarbuiten liggen.
Als die gebieden werkelijk onderdeel zijn van de aarde, waarom behoren zij dan niet tot de ganse aarde?
De uitzondering staat niet in Psalm 19.
Het model heeft haar nodig.
Denk aan „geenszins”
Hetzelfde leesprobleem herkennen we gemakkelijk bij andere duidelijke Bijbeluitspraken.
De Heere Jezus zegt:
„…die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.”
— Johannes 6:37
Als iemand daarvan maakt dat Christus iemand geenszins uitwerpt, behalve wanneer later bepaalde omstandigheden optreden, dan staat het woord „geenszins” nog wel in de Bijbel, maar is de kracht ervan uit de uitleg verdwenen.
Christus zegt ook:
„En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid…”
— Johannes 10:28
Wanneer iemand daarvan maakt dat zij niet verloren zullen gaan in der eeuwigheid, behalve wanneer zij uiteindelijk toch verloren gaan, heeft de toegevoegde uitzondering de oorspronkelijke uitspraak uitgehold.
„Ganse aarde” is grammaticaal niet dezelfde constructie als „geenszins”. Maar het leesprincipe is hetzelfde:
Een menselijk model mag duidelijke Bijbeltaal niet stilzwijgend van haar natuurlijke kracht beroven.
Wanneer de Schrift Zelf een beperking geeft, volgen wij die. Maar de beperking moet uit de Schrift komen.
Niet uit een theorie die anders niet kan blijven staan.
De zon heeft een door God gegeven pad
Psalm 19 gaat verder:
„Dewelke is als een bruidegom, uitgaande uit zijn slaapkamer; zij is vrolijk als een held, om het pad te lopen.”
— Psalm 19:6
De zon heeft een tent, een slaapkamer, een uitgang en een pad.
Zij zwerft niet willekeurig.
God heeft haar gesteld. God heeft haar een plaats gegeven. God heeft haar een taak gegeven. God heeft haar een loop gegeven.
Genesis vertelt waarom zij in het uitspansel is gesteld: om licht te geven op de aarde.
Psalm 19 beschrijft vervolgens haar beweging binnen dat hemelse bestel. De volledige Schriftlijn over hun plaats, baan, schijnsel en stilstaan behandelen we in Zon en maan volgens de Bijbel.
En dan volgt vers 7.
„Van het einde des hemels”
„Haar uitgang is van het einde des hemels, en haar omloop tot aan de einden deszelven; en niets is verborgen voor haar hitte.”
— Psalm 19:7
Ook hier is de taal opvallend.
De zon wordt niet beschreven alsof zij slechts ergens midden in een veel groter hemels domein een kleine plaatselijke baan loopt.
De psalm spreekt over het einde des hemels en de einden deszelven.
Binnen dezelfde passage hebben we nu de ganse aarde, het einde der wereld, het einde des hemels en de einden des hemels.
En dan volgt de uitspraak waarop de theorie van een enorme permanent donkere buitenwereld uiteindelijk breekt.
„En niets is verborgen voor haar hitte”
De Schrift zegt:
Niets is verborgen voor haar hitte.
Het grotere-aardemodel zegt daarentegen dat enorme gedeelten van de werkelijke aarde nooit door deze zon worden bereikt.
Als dat waar is, volgt daar noodzakelijk uit dat er juist heel veel verborgen is voor haar hitte.
Daar ligt de directe botsing.
Psalm 19 zegt: niets verborgen.
Het model vereist: enorme gebieden permanent verborgen.
Beide kunnen niet tegelijk hetzelfde aardse en hemelse bestel beschrijven.
Hier moet het model wijken
Wanneer een theorie noodzakelijk zegt dat een groot gedeelte van de aarde permanent buiten de door God beschreven zonnebaan ligt, terwijl de Schrift zegt dat niets verborgen is voor haar hitte, dan zijn er uiteindelijk twee mogelijkheden.
We veranderen de natuurlijke betekenis van Psalm 19.
Of we veranderen het model.
Wanneer Gods Woord de norm is, hoeft die keuze niet moeilijk te zijn.
Het model moet wijken.
Maar 's nachts is het toch ook donker?
Dat is geen probleem voor deze uitleg.
De Bijbel kent dag en nacht vanaf Genesis 1.
„En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en tussen de duisternis.”
— Genesis 1:4
En:
„En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht.”
— Genesis 1:5
Psalm 19 spreekt bovendien over een omloop.
De zon loopt haar pad.
„Niets is verborgen voor haar hitte” betekent daarom niet dat ieder gedeelte van de aarde op ieder moment tegelijkertijd rechtstreeks zonlicht ontvangt. Dat zou dag en nacht onmogelijk maken.
Er is een groot verschil tussen tijdelijk buiten het directe zonlicht zijn als onderdeel van dag en nacht en permanent buiten de gehele baan van de zon liggen.
Het eerste is volledig Bijbels.
Het tweede is het probleem.
Onbekend voor mensen is niet verborgen voor de zon
Hier moet nog een belangrijk onderscheid gemaakt worden.
Uit dit artikel volgt niet dat mensen iedere plaats op aarde kennen. Er kan voor mensen onbekend land zijn. Er kunnen moeilijk bereikbare plaatsen bestaan. Mensen kunnen onvolledige kaarten hebben.
Maar dat is totaal iets anders.
Onbekend voor mensen is niet hetzelfde als verborgen voor de zon.
Een plaats kan voor vrijwel iedereen onbekend zijn en toch volledig binnen het ene aardse en hemelse bestel liggen dat Psalm 19 beschrijft.
Psalm 19 sluit dus niet uit dat mensen geografisch niet alles kennen.
Wat de passage wél buitengewoon moeilijk maakt, is een model waarin enorme delen van de werkelijke aarde principieel en permanent buiten het bereik van de zon liggen.
Prediker bevestigt de geordende loop
Psalm 19 staat hierin niet alleen.
Prediker zegt:
„Ook rijst de zon op, en de zon gaat onder, en zij hijgt naar haar plaats, waar zij oprees.”
— Prediker 1:5
De zon rijst op, gaat onder en keert terug naar haar plaats.
Psalm 104 zegt:
„Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden; de zon weet haar ondergang.”
— Psalm 104:19
Genesis had al gezegd dat de lichten zijn:
„…tot tekenen, en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren.”
— Genesis 1:14
Steeds zien we dezelfde orde.
De hemellichten zijn door God gesteld. Zij hebben gezette tijden. Zij hebben een baan. Zij vervullen Gods bevel.
Ook de wateren heeft God Zelf begrensd
Naast Psalm 19 loopt nog een tweede Schriftlijn die bij dit beeld past.
Spreuken 8 zegt over Gods scheppingswerk:
„Toen Hij de hemelen bereidde, was ik daar; toen Hij een cirkel over het vlakke des afgronds beschreef.”
— Spreuken 8:27
En:
„Toen Hij der zee haar perk zette, opdat de wateren Zijn bevel niet zouden overtreden…”
— Spreuken 8:29
Job zegt:
„Hij heeft een gezet perk rondom over de wateren afgetekend, tot aan de voleinding toe des lichts met de duisternis.”
— Job 26:10
En in Job 38 spreekt God Zelf over de zee::
„En Ik brak voor haar Mijn besluit door, en stelde grendel en deuren; en zeide: Tot hiertoe zult gij komen, en niet verder…”
— Job 38:10-11
Psalm 104 zegt:
„Gij hebt een paal gesteld, dien zij niet overgaan zullen…”
— Psalm 104:9
Let op de taal: cirkel, perk, rondom, afgetekend, grendel, deuren, tot hiertoe, niet verder.
De Schrift laat een God zien Die Zijn schepping ordent en begrenst.
Niet een onbepaald aardoppervlak waarop ergens toevallig een kleine verlichte wereld bestaat.
Job 26:10 bewijst geen enorme donkere buitenwereld
Job 26:10 noemt de voleinding van licht met duisternis.
Daaruit zou iemand misschien willen afleiden dat er buiten onze leefwereld enorme gebieden van permanente aardse duisternis liggen.
Maar dat zegt Job niet.
De tekst spreekt over Gods gezet perk rondom over de wateren en over licht en duisternis. Er staat nergens dat buiten de baan van de zon nog een gigantische tweede aardwereld ligt.
Dat moet aan de tekst worden toegevoegd.
En bovendien zegt Psalm 119:
„De som Uws woords is waarheid…”
— Psalm 119:160
Job 26 mag daarom niet zo worden uitgelegd dat Psalm 19 uiteindelijk het tegenovergestelde moet betekenen van wat er staat.
Schrift moet Schrift uitleggen.
Eén aarde binnen één door God geordend bestel
Wanneer alle speculatie wordt verwijderd, blijft een veel eenvoudiger Bijbels beeld over.
God schiep de hemel en de aarde. Hij maakte het uitspansel. Hij noemde het uitspansel hemel. Hij stelde de lichten in het uitspansel des hemels om licht te geven op de aarde.
Psalm 19 begint vervolgens met de hemelen en het uitspansel. Daarna spreekt de psalm over de ganse aarde, het einde der wereld, de tent van de zon, haar pad, haar omloop, het einde des hemels, de einden des hemels en niets dat voor haar hitte verborgen is.
Dat vormt één samenhangende Schriftlijn.
De rest van de Bijbel gebruikt dezelfde scheppingsorde
Genesis opent:
„In den beginne schiep God den hemel en de aarde.”
— Genesis 1:1
Exodus zegt:
„Want in zes dagen heeft de HEERE den hemel en de aarde gemaakt, de zee, en al wat daarin is…”
— Exodus 20:11
Nehemia zegt:
„Gij zijt die HEERE alleen, Gij hebt gemaakt den hemel, den hemel der hemelen, en al hun heir, de aarde en al wat daarop is, de zeeën en al wat daarin is…”
— Nehemia 9:6
Psalm 146 zegt:
„Die den hemel en de aarde gemaakt heeft, de zee en al wat in dezelve is…”
— Psalm 146:6
Steeds verschijnt dezelfde grote scheppingsorde: hemel, aarde, zee en alles wat daarin is.
De Schrift introduceert nergens onze kleine plaatselijke aarde binnen een andere, veel grotere werkelijke aarde.
Zij spreekt eenvoudig over de aarde.
En Psalm 19 zegt zelfs: de ganse aarde.
Als we het model toch willen behouden, moeten we Psalm 19 verkleinen
Dit maakt het probleem misschien het duidelijkst.
Als een enorme extra aarde buiten het bereik van de zon werkelijk bestaat, dan moeten verschillende uitdrukkingen uit Psalm 19 een nieuwe betekenis krijgen.
De ganse aarde moet dan slechts het gedeelte van de aarde betekenen waarover deze passage spreekt.
Het einde der wereld moet dan niet het einde van de volledige aardse wereld zijn, maar alleen van onze plaatselijke wereld.
De einden des hemels moeten slechts de grenzen zijn van het plaatselijke hemelgebied waarin onze zon beweegt.
En niets is verborgen voor haar hitte moet uiteindelijk betekenen dat niets verborgen is binnen het kleinere gebied dat vooraf als het bereik van de zon is gekozen.
Maar geen van die beperkingen staat in Psalm 19.
Het model heeft ze nodig. De tekst niet.
En daarmee is de volgorde omgekeerd.
Dan legt niet langer de Schrift het model uit. Dan bepaalt het model wat de Schrift nog mag betekenen.
Schriftgezag wordt juist hier getest
Het is gemakkelijk om Schriftgezag te belijden wanneer de Bijbel een theorie verwerpt die we toch al niet geloofden.
De echte test komt wanneer een theorie ons juist aanspreekt.
Misschien leek zij veel dingen te verklaren. Misschien paste zij bij andere gedachten die we al hadden. Misschien vonden we haar overtuigend.
En vervolgens zien we dat een Schriftgedeelte er niet mee overeenkomt.
Wat doen we dan?
Maken we de tekst kleiner?
Of laten we onze theorie vallen?
Paulus zegt:
„God zij waarachtig, maar alle mens leugenachtig.”
— Romeinen 3:4
Dat geldt tegenover gangbare menselijke theorieën.
Maar net zo goed tegenover alternatieve theorieën.
En ook tegenover onze eigen gedachten.
Laat „ganse aarde” gewoon „ganse aarde” zijn
Wanneer Psalm 33 spreekt over de ganse aarde en daarnaast over alle inwoners van de wereld, begrijpen we de kracht.
Wanneer Ezechiël spreekt over het ganse huis Israëls, ja, dat geheel, begrijpen we het.
Wanneer Handelingen spreekt over het ganse geslacht der mensen, begrijpen we dat niet als een willekeurig klein gedeelte.
En wanneer Psalm 19 zegt de ganse aarde, hebben we geen Schriftuurlijke reden om daar ineens van te maken: het kleinere gedeelte van de werkelijke aarde dat ons model nodig heeft.
Zeker niet wanneer dezelfde passage vervolgens spreekt over het einde der wereld, het einde des hemels, de einden deszelven en niets dat verborgen is voor haar hitte.
De context bevestigt de volledigheid.
Hij beperkt haar niet.
De hemelen vertellen Gods eer
Psalm 19 is uiteindelijk niet geschreven om de mens trots te maken op een kosmologisch model.
De psalm begint:
„De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.”
— Psalm 19:2
Daar moet Bijbelse kosmologie uiteindelijk naartoe leiden.
Niet naar de gedachte dat wij een geheime kaart hebben gevonden.
Niet naar de gedachte dat wij alles begrijpen.
Maar naar de Schepper.
God maakte hemel en aarde. God maakte het uitspansel. God stelde de zon haar baan. God bepaalde de tijden van de maan. God stelde de grenzen van de zee.
De schepping verkondigt niet onze wijsheid.
Zij verkondigt Zijn handenwerk.
De Schepper is ook de Redder
Maar zelfs juiste kennis over hemel en aarde kan een mens niet redden.
Wij hebben een veel groter probleem. Wij hebben gezondigd tegen onze Schepper.
Maar God heeft Zijn Zoon gegeven.
Christus stierf voor onze zonden. Hij werd begraven. Hij stond op uit de doden.
Eeuwig leven wordt niet verdiend door goede werken, religie of juiste kosmologische kennis. Het wordt ontvangen door geloof in Christus.
„Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.”
— Johannes 6:47
En:
„Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven…”
— Johannes 3:36
De zon kan licht geven op de aarde, maar de zon kan geen zonden vergeven.
De maan kan haar schijnsel geven, maar de maan kan niemand eeuwig leven geven.
Een juiste kaart kan niemand redden.
Christus alleen redt.
Conclusie
Kan onze bekende wereld slechts een klein verlicht gedeelte zijn van een veel grotere aarde, terwijl enorme gebieden onder hetzelfde hemelse bestel permanent buiten de baan van de zon blijven?
Wanneer Genesis en Psalm 19 gewoon naast elkaar mogen blijven staan, is het antwoord helder.
Genesis zegt dat God het uitspansel maakte. Hij noemde het uitspansel hemel. Hij stelde zon en maan in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde.
Psalm 19 begint vervolgens opnieuw met de hemelen en het uitspansel. Daarna spreekt dezelfde passage over de ganse aarde en het einde der wereld.
In die hemelen heeft God een tent voor de zon gesteld. De zon komt uit haar slaapkamer om haar pad te lopen. Haar uitgang is van het einde des hemels en haar omloop gaat tot aan de einden deszelven.
En uiteindelijk:
„…en niets is verborgen voor haar hitte.”
— Psalm 19:7
Dat is één doorgaande lijn.
Uitspansel. Hemel. Ganse aarde. Einde der wereld. Tent van de zon. Pad van de zon. Einde des hemels. Einden des hemels. Niets verborgen.
Daar vervolgens een enorme aardwereld aan toevoegen die permanent buiten de baan en hitte van die zon ligt, vereist dat al die woorden worden ingeperkt.
De ganse aarde moet dan een gedeelte van de aarde gaan betekenen. Het einde der wereld moet niet werkelijk het einde van de totale aardse wereld zijn. De einden des hemels moeten slechts de grenzen van een plaatselijk hemels gebied worden. En niets is verborgen voor haar hitte moet uiteindelijk betekenen: niets binnen het kleinere gebied dat ons model vooraf heeft geselecteerd.
Maar die beperkingen staan niet in Psalm 19.
Het model heeft ze nodig. De Schrift niet.
Daarom mag de ganse aarde gewoon de ganse aarde blijven betekenen.
Niet iedere gangbare theorie is Bijbels.
Maar ook niet iedere alternatieve theorie.
Niet iedere theorie over een platte aarde is daarom Schriftuurlijk.
De Schrift beslist.
En wanneer een model noodzakelijk zegt dat een enorm gedeelte van de aarde permanent buiten het bereik van de zon blijft, terwijl Gods Woord zegt:
„…en niets is verborgen voor haar hitte.”
— Psalm 19:7
dan hoeft Gods Woord niet kleiner gemaakt te worden om het model te redden.
Dan moet het model weg.
Verder in deze serie
Vorige artikel:
Serie-overzicht:
Volgende artikel: