KONING SAUL WAS BEHOUDEN

God veranderde zijn hart en legde Zijn Geest op hem. Saul verloor zijn koningschap — niet zijn eeuwige leven.

Koning Saul was behouden. God veranderde zijn hart, maakte hem tot een andere man, was met hem en legde Zijn Geest op hem. Later keerde Saul zich in zijn wandel van achter God af en verloor hij zijn gemeenschap, Geestesbekrachtiging, koningschap en lichamelijke leven — maar niet zijn eeuwige redding.

Was koning Saul behouden? De Schrift laat geen andere consistente conclusie toe

God veranderde Sauls hart en legde Zijn Geest op hem. Later verloor Saul zijn gemeenschap en koningschap — niet zijn eeuwige leven.

Inleiding


Koning Saul wordt meestal als een verloren man beschouwd. Zijn ongehoorzaamheid, jaloersheid, moordpogingen, bezoek aan de waarzegster en uiteindelijke dood lijken voor velen voldoende bewijs dat hij nooit werkelijk behouden kan zijn geweest.


Maar daarmee wordt Sauls eeuwige positie beoordeeld vanuit zijn latere wandel.


De Schrift begint ergens anders.


Voordat Sauls verval begon, zegt God dat:


  • Saul in een andere man werd veranderd;
  • God zijn hart veranderde;
  • God met hem was;
  • de Geest Gods vaardig over hem werd;
  • Saul door Gods Geest profeteerde;
  • Gods Geest hem opnieuw bekrachtigde tot verlossing van Israël.


Dat zijn geen onbelangrijke of losse uitspraken. Samen beschrijven zij een werkelijk innerlijk werk van God en een persoonlijke geestelijke verhouding tussen God en Saul.


Juist daar ligt de beslissende vraag:

Kan God persoonlijke geestelijke gemeenschap hebben met de oude mens, het vlees, dat duisternis en vijandschap tegen Hem is?

De Schrift antwoordt:

„Wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis?”
— 2 Korinthe 6:14

God kan een ongered mens aanspreken, begrenzen, oordelen en binnen Zijn soevereine plan gebruiken. Maar Hij kan geen persoonlijke geestelijke gemeenschap hebben met de oude natuur. Het vlees is niet slechts zwak of onvolmaakt; het is vijandschap tegen God en kan Hem niet behagen.


Wanneer God daarom Sauls hart veranderde, met hem was, Zijn Geest op hem legde en geestelijke vrucht door hem voortbracht, moest er in Saul geestelijk leven aanwezig zijn.


Sauls latere zonden maken dat eerdere werk van God niet ongedaan. Zij laten zien hoe ver een gered mens kan afdwalen wanneer hij niet door den Geest wandelt, maar zijn vlees de praktische beheersing geeft.



Dit artikel volgt daarom niet eerst Sauls slechte einde, maar de volledige volgorde die de Schrift zelf geeft:

God veranderde Saul → Gods Geest bekrachtigde hem → Saul keerde zich later van achter God af → hij verloor zijn gemeenschap, dienst, koningschap en lichamelijke leven.

De conclusie zal niet worden gebaseerd op sympathie voor Saul, maar uitsluitend op wat God Zelf over hem zegt.

Koning Saul was behouden.



Waarom wordt Saul meestal als een verloren man gezien?


Bij koning Saul denkt men meestal eerst aan zijn einde.


Saul:


  • gehoorzaamde Gods Woord niet volledig;
  • vreesde het volk;
  • werd jaloers op David;
  • probeerde David meermaals te vermoorden;
  • liet de priesters te Nob ombrengen;
  • zocht raad bij een waarzegster;
  • stierf uiteindelijk op het slagveld.


Daarom wordt vaak geredeneerd:

Iemand die zo leeft, kan nooit werkelijk behouden zijn geweest.

Maar daarmee wordt iemands eeuwige positie beoordeeld op grond van zijn praktische wandel. De Schrift leert juist dat een werkelijk gered mens zeer vleeslijk kan leven.



Paulus schreef aan de Korinthiërs:

„En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot jonge kinderen in Christus.”
— 1 Korinthe 3:1

Deze mensen waren:


broeders;

in Christus;

maar tegelijkertijd vleeslijk.

„Want dewijl onder u nijd is en twist en tweedracht, zijt gij niet vleselijk, en wandelt gij niet naar den mens?”
— 1 Korinthe 3:3

Nijd, twist en vleeslijk gedrag bewezen niet dat zij nooit in Christus waren geweest. Het bewees dat mensen die werkelijk in Christus waren, in hun dagelijkse leven naar het vlees konden wandelen.



Paulus zegt bovendien over zijn eigen vlees:

„Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont…”
— Romeinen 7:18

Het vlees van een gelovige wordt bij de wedergeboorte niet verbeterd. Het blijft vlees. Naast die oude natuur ontvangt de gelovige geestelijk leven uit God.


Daarom moeten wij Sauls eeuwige positie niet vaststellen aan de hand van wat zijn vlees later voortbracht.


Wij moeten eerst onderzoeken wat God Zelf in Saul deed.



1. Saul werd in een andere man veranderd


Samuel zei tegen Saul:

„En de Geest des HEEREN zal vaardig worden over u, en gij zult met hen profeteren, en gij zult in een anderen man veranderd worden.”
— 1 Samuël 10:6

In dit ene vers worden drie gebeurtenissen direct met elkaar verbonden:


  1. de Geest des HEEREN zou over Saul komen;
  2. Saul zou profeteren;
  3. Saul zou in een andere man veranderd worden.


Samuel zegt niet alleen:

U krijgt een nieuwe taak.

Hij zegt:

„Gij zult in een anderen man veranderd worden.”

Saul zelf zou veranderen.


Natuurlijk hield deze verandering verband met zijn roeping tot koning. God maakte hem geschikt voor de verantwoordelijkheid die voor hem lag. Maar de Schrift beperkt de verandering niet tot Sauls uiterlijke positie, kennis of bestuurlijke bekwaamheid.


De tekst spreekt over:


  • de Geest des HEEREN;
  • profetie;
  • verandering van Saul zelf.


Dat is geen beschrijving van een uitsluitend natuurlijke verandering.



De Heere Jezus zegt:

„Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees; en hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest.”
— Johannes 3:6

Wat uitsluitend uit het vlees geboren is, blijft vlees. De natuurlijke mens kan zichzelf niet in een geestelijk mens veranderen.



Bij Saul wordt daarentegen een verandering aangekondigd die rechtstreeks verbonden is aan de werking van Gods Geest:

Saul zou in een andere man veranderd worden.


2. God veranderde Sauls hart


Enkele verzen later kwam Samuels woord uit:

„Het geschiedde nu, toen hij zijn schouder gewend had, om van Samuel te gaan, zo veranderde hem God het hart in een ander; en al die tekenen kwamen te dienzelven dage.”
— 1 Samuël 10:9

Hier staat niet alleen dat Sauls gedrag tijdelijk veranderde.



Er staat:

„God veranderde hem het hart in een ander.”

Niet Samuel veranderde Sauls hart.


Niet het vooruitzicht op het koningschap veranderde Sauls hart.


Niet Saul verbeterde zijn eigen hart.


God veranderde het.



Het hart is in de Schrift de innerlijke mens. Vanuit het hart komen geloof, overtuiging, verlangen, besluit en wandel voort.

„Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid…”

— Romeinen 10:10


„Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens.”

— Spreuken 4:23

Daarom kan „God veranderde zijn hart” niet zonder meer worden gereduceerd tot:

Saul ontving alleen natuurlijke moed of bestuurlijke bekwaamheid.

De directe context gaat over:


  • Saul die een andere man wordt;
  • God Die met hem is;
  • Gods Geest Die over hem komt;
  • Saul die profeteert.


De verandering van Sauls hart staat midden in een geheel van geestelijke gebeurtenissen.



De eenvoudige lezing is daarom ook de sterkste:

God verrichtte een werkelijk innerlijk werk in Saul.


3. God was met Saul


Samuel zei:

„En het zal geschieden, wanneer u deze tekenen zullen komen, doe gij, wat uw hand vinden zal; want God zal met u zijn.”
— 1 Samuël 10:7

Deze uitspraak staat niet los van de verzen eromheen.


Samuel had zojuist gezegd dat:


  • de Geest des HEEREN over Saul zou komen;
  • Saul zou profeteren;
  • Saul in een andere man veranderd zou worden.


In dat verband zegt Samuel:

„God zal met u zijn.”

Er bestaat een verschil tussen Gods soevereine macht over iemand en Gods persoonlijke geestelijke verhouding met iemand.


God regeert over alle mensen. Hij kan een mens aanspreken, tegenhouden, oordelen en binnen Zijn raad gebruiken. Maar dat is niet automatisch geestelijke gemeenschap.


Bij Saul lezen wij veel meer dan alleen dat God hem voor een bepaald doel zou gebruiken.


God:


  • veranderde Saul zelf;
  • veranderde zijn hart;
  • was met hem;
  • legde Zijn Geest op hem;
  • bracht door hem geestelijke profetie voort.


De Schrift gebruikt in 1 Samuël 10 niet letterlijk het woord „gemeenschap”. Maar de combinatie van deze uitspraken beschrijft duidelijk meer dan uitwendige besturing.


Het gaat om een persoonlijke geestelijke verhouding.



4. Gemeenschap kan niet met duisternis bestaan


God is volmaakt licht:

„God is een Licht, en gans geen duisternis is in Hem.”
— 1 Johannes 1:5

Daarom vraagt Paulus:

„Wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis?”
— 2 Korinthe 6:14

Dit is absoluut. Licht en duisternis kunnen geen persoonlijke geestelijke gemeenschap met elkaar hebben. God kan de oude mens wel oordelen, begrenzen en binnen Zijn soevereine raad besturen, maar Hij kan geen gemeenschap hebben met die oude natuur.


De oude natuur is niet gedeeltelijk goed en gedeeltelijk zondig. Zij is vlees, duisternis en vijandschap tegen God. Er bevindt zich in haar niets waarmee de heilige God geestelijke gemeenschap kan hebben.


Persoonlijke gemeenschap met God kan daarom alleen bestaan waar geestelijk leven uit God aanwezig is. De Heilige Geest heeft gemeenschap met en werkt door de nieuwe, inwendige mens — niet door het vlees als vlees.



Dit onderscheid is beslissend voor Saul. Wanneer God alleen Sauls omstandigheden of uiterlijke handelen had bestuurd, zou dat nog geen bewijs van behoud zijn. Maar God veranderde Sauls hart, maakte hem tot een andere man, was persoonlijk met hem, legde Zijn Geest op hem en bracht geestelijke vrucht door hem voort. Dat kon niet plaatsvinden in gemeenschap met Sauls oude natuur. Er moest in Saul een nieuwe, geestelijke mens aanwezig zijn.


De natuurlijke, ongeredde mens wordt niet alleen beschreven als iemand die verkeerde dingen doet. Paulus zegt tegen de gelovigen te Efeze:

„Want gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij licht in den Heere; wandelt als kinderen des lichts.”
— Efeze 5:8

Vóór hun redding waren zij niet slechts mensen die zich af en toe in de duisternis bevonden.



Paulus zegt:

„Gij waart eertijds duisternis.”

Na hun redding waren zij:

„Licht in den Heere.”

Dat is een verandering van geestelijke positie en innerlijke werkelijkheid.



De oude, natuurlijke mens is vlees:

„Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees…”
— Johannes 3:6

Over dat vlees zegt Paulus:

„Het bedenken des vleses is vijandschap tegen God; want het onderwerpt zich der wet Gods niet; want het kan ook niet.”
— Romeinen 8:7

En:

„En die in het vlees zijn, kunnen Gode niet behagen.”
— Romeinen 8:8

Het vlees is niet slechts onvolmaakt. Het is:


  • vijandschap tegen God;
  • niet onderworpen aan God;
  • niet in staat zich aan God te onderwerpen;
  • niet in staat God te behagen.


God kan een zondig mens bestuurlijk begrenzen en binnen Zijn raad gebruiken. Maar geestelijke gemeenschap kan niet voortkomen uit een natuur die uitsluitend duisternis en vijandschap tegen God is.


Bij Saul zien wij echter:


  • een door God veranderd hart;
  • een verandering tot een andere man;
  • God Die met hem is;
  • Gods Geest Die over hem komt;
  • geestelijke profetie.


Dat gaat verder dan uitwendig bestuur.


Het beschrijft een persoonlijke geestelijke verhouding die niet door Sauls vlees kon worden voortgebracht.



5. Een gelovige kan later wel in de duisternis wandelen


Dat een gelovige licht in den Heere is, betekent niet dat hij automatisch altijd in het licht wandelt.


Johannes schrijft aan mensen die gemeenschap met God bezitten:

„En deze onze gemeenschap is ook met den Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus.”
— 1 Johannes 1:3

Vervolgens waarschuwt hij:

„Indien wij zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben, en wij in de duisternis wandelen, zo liegen wij en doen de waarheid niet.”
— 1 Johannes 1:6

Een gelovige kan dus:


  • in positie licht in den Heere zijn;
  • maar in zijn praktische leven in de duisternis wandelen.


Wanneer hij in de duisternis wandelt, wordt zijn geestelijke geboorte niet ongedaan gemaakt. Wel wordt de praktische gemeenschap met God verbroken.


Dat onderscheid is essentieel voor het begrijpen van Saul.


Saul werd door God veranderd. God was met hem en Gods Geest bekrachtigde hem.


Later begon Saul steeds verder in de duisternis te wandelen.


Zijn latere duisternis bewijst niet dat God hem nooit veranderd had. Zij laat zien dat een mens met geestelijk leven in zijn praktische wandel ver van God kan afdwalen.



6. De Geest Gods werd vaardig over Saul


De voorzegging van Samuel werd letterlijk vervuld:

„Als zij daar aan den heuvel kwamen, zie, een hoop profeten ontmoette hem; en de Geest Gods werd vaardig over hem, en hij profeteerde in het midden van hen.”
— 1 Samuël 10:10

Dit was werkelijk de Heilige Geest.



Romeinen 8 gebruikt verschillende benamingen voor dezelfde Geest:

„Doch gijlieden zijt niet in het vlees, maar in den Geest, zo anders de Geest Gods in u woont. Maar zo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe.”
— Romeinen 8:9

Binnen hetzelfde vers wordt Hij genoemd:


  • de Geest Gods;
  • de Geest van Christus.


De Geest Gods Die over Saul kwam, was dus dezelfde Heilige Geest Die in het Nieuwe Testament de Geest van Christus wordt genoemd.


Het verschil tussen de bedelingen verandert niet Wie de Geest is.


De Geest kwam niet slechts ergens in Sauls omgeving. De tekst zegt dat Hij vaardig over Saul werd.



Het directe gevolg was:

Saul profeteerde.


7. „Vaardig worden over” beschrijft werkelijke beïnvloeding en beheersing


Later lezen wij:

„En het geschiedde des anderen daags, dat de boze geest Gods vaardig werd over Saul…”
— 1 Samuël 18:10

Niemand leest dit alsof die boze geest alleen ergens dicht bij Saul aanwezig was, zonder werkelijke invloed op hem uit te oefenen.


De gevolgen waren zichtbaar:


  • Saul raakte innerlijk ontregeld;
  • hij had een spies in zijn hand;
  • hij probeerde David te vermoorden.


Wanneer de boze geest vaardig over Saul werd, kwam Saul werkelijk onder diens beïnvloeding en beheersing.



Dan moet dezelfde krachtige formulering bij Gods Geest eveneens ernstig worden genomen:

„De Geest Gods werd vaardig over hem…”

Dat betekent niet slechts:

God gebruikte Saul op afstand, terwijl Saul zelf buiten iedere Geestelijke werking bleef.

Saul kwam werkelijk onder:


  • Gods leiding;
  • Gods beïnvloeding;
  • Gods bekrachtiging;
  • de beheersende werking van Gods Geest.


Het zichtbare gevolg was profetie.


De tegenstelling binnen Sauls eigen geschiedenis is scherp.


Toen de Geest Gods vaardig over Saul werd


  • profeteerde Saul;
  • handelde hij onder Goddelijke bekrachtiging;
  • werd hij gebruikt tot verlossing van Israël;
  • gaf hij de HEERE de eer.


Toen de boze geest vaardig over Saul werd


  • raakte Saul ontregeld;
  • kregen jaloersheid en haat steeds meer ruimte;
  • probeerde hij David te vermoorden;
  • werden de werken van het vlees zichtbaar.


Het zou een dubbele maatstaf zijn om bij de boze geest onmiddellijk te erkennen dat Saul werkelijk onder diens invloed stond, maar dezelfde formulering bij Gods Geest vrijwel betekenisloos te maken.



8. De twee naturen verklaren deze tegenstelling


Een gered mens heeft na zijn wedergeboorte nog steeds het vlees. Daarnaast heeft hij geestelijk leven uit God ontvangen.


Paulus schrijft:

„Want het vlees begeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander…”
— Galaten 5:17

De nieuwe mens is niet een verbeterde versie van de oude mens. Hij is door God geschapen:

„En den nieuwen mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid.”
— Efeze 4:24

De nieuwe mens is:


  • naar God geschapen;
  • rechtvaardig;
  • heilig.


Johannes zegt:

„Een iegelijk, die uit God geboren is, die doet de zonde niet, want Zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren.”
— 1 Johannes 3:9

Johannes bedoelt niet dat een gelovige als gehele persoon nooit meer zondigt. Hij had eerder geschreven:

„Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij onszelven, en de waarheid is in ons niet.”
— 1 Johannes 1:8

De gelovige kan dus wel zondigen vanuit zijn vlees. Maar wat uit God geboren is, de nieuwe mens, is niet de bron van zonde.


Dat verklaart de tegenstelling in Sauls leven.


De boze geest kon de uit God geboren nieuwe mens niet veranderen in iets zondigs. Die nieuwe mens is naar God geschapen in rechtvaardigheid en heiligheid.


De boze geest vond aansluiting bij Sauls vlees:


  • trots;
  • mensenvrees;
  • jaloersheid;
  • achterdocht;
  • haat;
  • moordzucht.


De Heilige Geest werkte daarentegen in de inwendige mens en bracht Sauls spreken en handelen onder Geestelijke leiding.


Paulus zegt:

„Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn.”
— Romeinen 8:16

En:

„Opdat Hij u geve, naar den rijkdom Zijner heerlijkheid, met kracht versterkt te worden door Zijn Geest in den inwendigen mens.”
— Efeze 3:16

De Heilige Geest maakt het vlees niet heilig. Hij werkt in de inwendige mens en brengt vandaaruit de praktische wandel onder Zijn leiding.

„Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheid des vleses niet.”
— Galaten 5:16

Wanneer de Heilige Geest de wandel beheerst, wordt het vlees niet verbeterd. De begeerlijkheid van het vlees wordt niet uitgevoerd.


Wanneer het vlees de wandel beheerst, verdwijnt de nieuwe mens niet. De gelovige leeft dan alleen niet vanuit het geestelijke leven dat hij ontvangen heeft.


Dat is de sleutel tot Sauls latere verval.



9. Zonder geestelijk leven ontbreekt de basis voor deze persoonlijke Geesteswerking


Stel dat Saul ondanks alles ongered was gebleven.


Dan bezat Saul uitsluitend:


  • de natuurlijke mens;
  • het vlees;
  • een natuur die vijandschap tegen God was;
  • een natuur die God niet kon behagen;
  • een natuur die de dingen des Geestes niet kon ontvangen.


Over de natuurlijke mens staat:

„Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden.”
— 1 Korinthe 2:14

Toch zou dan tegelijkertijd het volgende waar zijn geweest:


  • God veranderde Sauls hart;
  • Saul werd in een andere man veranderd;
  • God was met Saul;
  • Gods Geest werd vaardig over Saul;
  • Saul kwam onder de beheersende werking van Gods Geest;
  • Saul profeteerde;
  • geestelijke vrucht kwam uit zijn leven voort.


Dan zou Gods Geest een persoonlijke geestelijke verhouding en geestelijke vrucht moeten voortbrengen door een mens die uitsluitend duisternis en vijandschap tegen God bezat. Dat is onmogelijk, want God kan geen persoonlijke geestelijke gemeenschap hebben met de oude mens. Het vlees is niet het kanaal van gemeenschap met God; het staat als vijandschap tegenover Hem.


Dat past niet bij de Schrift.


De Schrift noemt eerst de innerlijke verandering die God in Saul verrichtte. Daarna komt Gods Geest over hem en ontstaat geestelijke werking.


De volgorde is betekenisvol:

veranderd hart → andere man → God met hem → Geest Gods over hem → profetie.

Dit is geen beschrijving van een geestelijk dode mens die uitsluitend uitwendig werd gebruikt.


Het beschrijft geestelijk leven.



10. Saul profeteerde werkelijk door Gods Geest

„En de Geest Gods werd vaardig over hem, en hij profeteerde in het midden van hen.”
— 1 Samuël 10:10

Sauls profetie kwam niet uit zijn vlees. De Schrift noemt uitdrukkelijk de bron:

de Geest Gods.

Petrus schrijft:

„Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door den wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken.”
— 2 Petrus 1:21

Sauls specifieke woorden uit 1 Samuël 10 zijn niet in de Schrift opgenomen. Daarom hoeft niet te worden beweerd dat zijn onbekende uitspraken onderdeel van de geschreven Schrift werden.



Maar het geestelijke beginsel staat wel vast:

Werkelijke profetie wordt niet voortgebracht door de natuurlijke wil of het vlees van de mens, maar door de werking van den Heiligen Geest.

Bij Saul staat precies:

de Geest Gods kwam over hem — en hij profeteerde.

Dit bevestigt het volledige getuigenis dat God een werkelijk geestelijk werk in Saul had verricht.



11. Gods Geest bekrachtigde Saul opnieuw


De gebeurtenis in 1 Samuël 10 was geen los moment zonder verdere vrucht.


Toen Nahas, de Ammoniet, Jabes in Gilead bedreigde, lezen wij:

„Toen werd de Geest Gods vaardig over Saul, als hij deze woorden hoorde; en zijn toorn ontstak zeer.”
— 1 Samuël 11:6

Saul werd door Gods Geest bekrachtigd om Israël te verlossen.



Na de overwinning wilden sommigen de mannen doden die eerder aan Sauls koningschap hadden getwijfeld. Saul antwoordde:

„Er zal te dezen dage niemand gedood worden; want de HEERE heeft heden een verlossing in Israël gedaan.”
— 1 Samuël 11:13

Saul had op dat moment de macht om zich op zijn tegenstanders te wreken. Toch koos hij voor barmhartigheid.


Bovendien eigende hij zichzelf de overwinning niet toe.



Hij zei niet:

Ik heb Israël gered.

Hij zei:

„De HEERE heeft heden een verlossing in Israël gedaan.”

De vroege Saul:


  • stond onder de bekrachtiging van Gods Geest;
  • diende tot verlossing van Gods volk;
  • spaarde zijn tegenstanders;
  • gaf God de eer.


Dit is geestelijke vrucht die voortkwam uit de Geest Die over hem gekomen was.



12. Saul keerde zich later van achter God af


Na Sauls ongehoorzaamheid zei de HEERE:

„Het berouwt Mij, dat Ik Saul tot koning gemaakt heb; want hij heeft zich van achter Mij afgekeerd, en Mijn woorden niet bevestigd.”
— 1 Samuël 15:11

De formulering is veelzeggend:

„Hij heeft zich van achter Mij afgekeerd.”

Saul wordt niet beschreven als iemand die nooit achter God stond en nooit enige verhouding tot Hem bezat.


God zegt dat Saul zich van achter Hem had afgekeerd.


Er was dus:


  • een eerdere wandel achter de HEERE;
  • een eerdere positie van volgen en gehoorzamen;
  • een verhouding waarvan Saul in zijn praktische leven afweek.


Dat past bij de eerdere geschiedenis:


  • God had zijn hart veranderd;
  • God was met hem;
  • Gods Geest was over hem;
  • hij diende onder Goddelijke bekrachtiging.


Saul begon niet als een geestelijk dode vijand die slechts uiterlijk een religieuze rol vervulde. Hij begon als een door God veranderde en bekrachtigde man.


Later keerde hij zich in zijn wandel van achter God af.



Ook gelovigen kunnen afdwalen:

„Broeders, indien iemand onder u van de waarheid is afgedwaald…”
— Jakobus 5:19

Afwijken bewijst niet dat iemand nooit geestelijk leven bezat. Het betekent dat zijn wandel niet langer overeenkomt met dat leven.


Dat is wat er met Saul gebeurde.



13. Sauls verval begon met wandelen vanuit het vlees


Sauls verval kwam niet doordat God hem nooit werkelijk veranderd had.


Het kwam doordat Saul steeds meer begon te handelen vanuit het vlees.


In 1 Samuël 13 wachtte hij niet op Samuel en handelde hij eigenmachtig.


In 1 Samuël 15 voerde hij Gods bevel niet volledig uit.

Zie: Sauls ongehoorzaamheid tegenover Amalek


Toen Samuel hem met zijn ongehoorzaamheid confronteerde, zei Saul:

„Ik heb gezondigd, omdat ik het bevel des HEEREN en uw woorden overtreden heb; want ik heb het volk gevreesd en naar hun stem gehoord.”
— 1 Samuël 15:24

Saul noemt zelf een belangrijke oorzaak:

„Ik heb het volk gevreesd.”

Mensenvrees kreeg de overhand boven gehoorzaamheid aan God.


Dat is vlees.



Daarna probeerde Saul zijn positie en aanzien te behouden:

„Ik heb gezondigd; eer mij toch nu voor de oudsten mijns volks en voor Israël…”
— 1 Samuël 15:30

Saul erkende dat hij gezondigd had, maar bleef sterk gericht op zijn eer voor de mensen.


Vervolgens werd zijn vleeslijke wandel steeds ernstiger:


  • hij werd jaloers op David;
  • hij vreesde David;
  • hij wantrouwde David;
  • hij probeerde David te vermoorden;
  • hij beschouwde David steeds meer als vijand;
  • hij liet mensen doden die David geholpen hadden.


Sauls nieuwe mens werd niet zondig. Saul liet alleen steeds meer zijn vlees de praktische beheersing krijgen.



14. God verwierp Saul als koning


Samuel zei:

„Omdat gij des HEEREN woord verworpen hebt, zo heeft Hij u verworpen, dat gij geen koning zult zijn.”
— 1 Samuël 15:23

De tekst zegt precies waarin Saul werd verworpen:

„Dat gij geen koning zult zijn.”

Later zegt Samuel:

„De HEERE heeft u verworpen, dat gij geen koning zijt over Israël.”
— 1 Samuël 15:26

God zegt niet:

Ik heb u uit Mijn eeuwige redding verwijderd.

Hij zegt:

Ik heb u verworpen als koning.

De reikwijdte van het oordeel wordt door de tekst zelf bepaald.


Saul verloor:


  • zijn koninklijke roeping;
  • zijn bruikbaarheid;
  • zijn dynastie;
  • zijn aardse positie;
  • de bijzondere bekrachtiging voor zijn ambt.


Dit was een verschrikkelijk verlies.


Maar verlies van koningschap is niet hetzelfde als verlies van eeuwig leven.



15. De koninklijke Geestesbekrachtiging ging van Saul naar David


Nadat Saul als koning was verworpen, werd David gezalfd:

„En Samuel nam den oliehoorn en zalfde hem in het midden zijner broederen; en de Geest des HEEREN werd vaardig over David, van dien dag af en voortaan.”
— 1 Samuël 16:13

Direct daarna staat:

„En de Geest des HEEREN week van Saul, en een boze geest van den HEERE verschrikte hem.”
— 1 Samuël 16:14

De volgorde is duidelijk:


  1. Saul werd als koning verworpen.
  2. David werd tot koning gezalfd.
  3. De Geest des HEEREN werd vaardig over David.
  4. De Geest des HEEREN week van Saul.


Dit gedeelte gaat over de overgang van de koninklijke roeping en bekrachtiging.


God nam niet Sauls geestelijke geboorte weg om die vervolgens aan David te geven.


De bijzondere Geestesbekrachtiging voor het koningschap ging van Saul naar David.


Wat Saul verloor, was de Geestelijke kracht, leiding en bruikbaarheid die met zijn koninklijke ambt verbonden waren.



16. David vreesde hetzelfde verlies


Na zijn zonde met Bathseba bad David:

„Verwerp mij niet van Uw aangezicht, en neem Uw Heiligen Geest niet van mij.”
— Psalm 51:13

David kende Sauls geschiedenis.


Hij had gezien:


  • hoe Saul als koning werd verworpen;
  • hoe de Geest des HEEREN van Saul week;
  • hoe Saul zijn Geestelijke kracht en stabiliteit verloor;
  • hoe een boze geest hem daarna kwelde.


David vreesde dat hem hetzelfde zou overkomen.



Maar Davids volgende woorden laten zien dat zijn eeuwige heil niet verdwenen was:

„Geef mij weder de vreugde Uws heils; en de vrijmoedige geest ondersteune mij.”
— Psalm 51:14

David vroeg niet:

Geef mij het heil opnieuw.

Hij vroeg:

Geef mij de vreugde van Uw heil terug.

Zijn zonde had zijn:


  • praktische gemeenschap;
  • vreugde;
  • vrijmoedigheid;
  • geestelijke kracht;
  • bruikbaarheid


beschadigd.


Niet zijn eeuwige redding.


Daarom kan het wijken van de Geest van Saul niet automatisch betekenen dat Saul zijn eeuwige leven verloor.


Dezelfde gebeurtenis die David vreesde, ging over Gods aangezicht, praktische gemeenschap, Geestesbekrachtiging en bruikbaarheid voor zijn koninklijke dienst.



17. De boze geest vond aansluiting bij Sauls vlees

„En de Geest des HEEREN week van Saul, en een boze geest van den HEERE verschrikte hem.”
— 1 Samuël 16:14

De nieuwe mens in Saul was naar God geschapen in rechtvaardigheid en heiligheid. Een boze geest kon die nieuwe mens niet zondig maken.


De boze geest vond aansluiting bij Sauls vlees, waaraan Saul al steeds meer de praktische beheersing had gegeven.


De uitwerking was:


  • angst;
  • innerlijke onrust;
  • jaloersheid;
  • achterdocht;
  • haat;
  • moordzucht.


Dat zijn geen vruchten van de nieuwe mens. Het zijn werken van het vlees.



Paulus noemt onder de werken van het vlees:

„Vijandschappen, twisten, afgunstigheden, toorn, gekijf…”
— Galaten 5:20

Sauls latere gedrag laat daarom niet zien dat hij nooit geestelijk leven bezat.


Het laat zien hoe verdorven het vlees van een gelovige blijft wanneer dat vlees de praktische wandel beheerst.


De tegenstelling in Sauls leven is duidelijk:


  • onder Gods Geestesbekrachtiging: profetie, kracht, verlossing en barmhartigheid;
  • onder invloed van de boze geest via het vlees: angst, jaloersheid, haat en moordzucht.



18. Saul vraagde den HEERE, maar zocht Hem niet werkelijk


Vlak vóór de laatste strijd tegen de Filistijnen lezen wij:

„En Saul vraagde den HEERE, maar de HEERE antwoordde hem niet, noch door dromen, noch door den Urim, noch door de profeten.”
— 1 Samuël 28:6

Toch zegt Kronieken:

„En den HEERE niet gezocht had…”
— 1 Kronieken 10:14

Dat is geen tegenspraak.


Saul stelde God een vraag. Maar hij zocht niet werkelijk de HEERE.


Er bestaat verschil tussen:


  • iets van God willen weten;
  • Gods aangezicht zoeken;
  • tot God terugkeren in verootmoediging;
  • zonde belijden;
  • opnieuw in gehoorzaamheid en gemeenschap wandelen.


Saul wilde weten wat er met de strijd en met zijn leven zou gebeuren.


Maar hij keerde niet werkelijk terug tot God.


Hij zocht een antwoord, maar niet de HEERE Zelf.



Bidden vanuit het vlees


Ook een gelovige kan vanuit het vlees bidden.



Jakobus schrijft:

„Gij bidt, en gij ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt, opdat gij het in uw wellusten doorbrengen zoudt.”
— Jakobus 4:3

Deze mensen baden werkelijk. Maar hun gebed kwam voort uit verkeerde begeerten. Daarom ontvingen zij niet.



De psalmist zegt:

„Had ik naar ongerechtigheid met mijn hart gezien, de Heere zou niet gehoord hebben.”
— Psalm 66:18

Wanneer een gelovige bewust aan ongerechtigheid vasthoudt, kan hij niet verwachten dat God zijn gebed als een gebed uit praktische gemeenschap verhoort.

„Wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis?”
— 2 Korinthe 6:14

Saul probeerde in zijn laatste crisis niet werkelijk tot het licht terug te keren. Hij wilde vanuit een vleeslijke en ongehoorzame toestand een antwoord ontvangen.


Toen God hem niet antwoordde, verootmoedigde hij zich niet. Hij ging naar een waarzegster.



Daarom zegt God terecht:

Saul zocht de HEERE niet.

Hij vroeg iets aan God, maar hij zocht Hem niet in geloof, verootmoediging, gehoorzaamheid en herstelde gemeenschap.



19. Sauls dood wordt aan concrete overtredingen verbonden


Kronieken geeft de geïnspireerde verklaring van Sauls dood:

„Alzo stierf Saul in zijn overtreding, waarmede hij overtreden had tegen den HEERE, tegen het woord des HEEREN, dat hij niet gehouden had, en ook omdat hij de waarzegster gevraagd had, haar zoekende.”
— 1 Kronieken 10:13

Daarna:

„En den HEERE niet gezocht had; daarom doodde Hij hem, en keerde het koninkrijk tot David, den zoon van Isaï.”
— 1 Kronieken 10:14

Sauls dood wordt niet algemeen verklaard met:

Hij was een ongelovige en daarom stierf hij.

God noemt concrete overtredingen:


  • Saul hield een ontvangen woord des HEEREN niet;
  • Saul zocht verboden leiding bij een waarzegster;
  • Saul zocht de HEERE niet werkelijk.


Daarom:


  • doodde God hem lichamelijk;
  • nam God zijn koninkrijk weg;
  • gaf God het koninkrijk aan David.


De tekst spreekt over een man met een ontvangen woord, een ontvangen verantwoordelijkheid en een ontvangen positie, die tegen dat woord overtrad en daarom zijn aardse leven en koningschap verloor.


Dit is de taal van tuchtiging en verlies.



20. Behouden mensen kunnen vanwege concrete overtredingen lichamelijk sterven


Saul is niet de enige persoon in de Schrift die vanwege een concrete overtreding lichamelijk werd weggenomen.



Mozes


God zei tegen Mozes:

„Daarom dat gijlieden tegen Mij overtreden hebt in het midden der kinderen Israëls…”
— Deuteronomium 32:51

Mozes stierf en mocht het beloofde land niet binnengaan vanwege een concrete overtreding.


Toch was Mozes onmiskenbaar behouden.


Hij verloor:


  • een aards voorrecht;
  • toegang tot het land;
  • zijn lichamelijke leven.


Niet zijn eeuwige redding.



De Korinthiërs


Paulus schrijft:

„Daarom zijn onder u vele zwakken en kranken, en velen slapen.”
— 1 Korinthe 11:30

Deze mensen waren gelovigen. Toch waren sommigen ziek geworden en gestorven vanwege hun zondige wandel rond het avondmaal.


Lichamelijke dood onder Gods oordeel bewijst dus geen eeuwige verlorenheid.



De zondigende broeder


Paulus schreef:

„Denzulken over te geven den satan tot verderf des vleses, opdat de geest behouden moge worden in den dag van den Heere Jezus.”
— 1 Korinthe 5:5

Hier staan twee zaken rechtstreeks naast elkaar:


  • verderf van het vlees;
  • behoud van de geest.


De Schrift leert dus uitdrukkelijk dat zware lichamelijke tuchtiging en eeuwig behoud tegelijk waar kunnen zijn.


Sauls einde past volledig binnen dit Bijbelse patroon.


Hij werd vanwege ernstige, concrete overtredingen lichamelijk weggenomen.


Dat bewijst niet dat hij nooit geestelijk leven bezat.



21. Wat verloor Saul werkelijk?


Saul verloor bijna alles wat een gelovige in zijn aardse leven kan verliezen.


Hij verloor zijn praktische gemeenschap met God

Saul keerde zich van achter de HEERE af. Zijn wandel was niet langer in het licht.


Hij verloor zijn Geestelijke kracht en bekrachtiging

De Geest des HEEREN week van hem wat betreft zijn koninklijke dienst.


Hij verloor zijn bruikbaarheid

God gebruikte hem niet langer als de koning die Israël onder Zijn leiding bestuurde.


Hij verloor zijn vrede en stabiliteit

Een boze geest kwelde hem. Angst, jaloersheid en achterdocht kregen steeds meer ruimte.


Hij verloor zijn koningschap

God verwierp hem uitdrukkelijk als koning.


Hij verloor zijn dynastie

Het koninkrijk zou niet in zijn huis bevestigd worden.


Hij verloor zijn eer

De man die in nederigheid begonnen was, eindigde ontregeld en vernederd.


Hij verloor zijn lichamelijke leven

God doodde hem vanwege zijn overtreding.


Dit onderscheid tussen redding, gemeenschap, dienst, loon en tuchtiging wordt verder uitgelegd bij wat er na geloof gebeurt.


Maar nergens staat:

Saul verloor het eeuwige leven dat God hem gegeven had.

Een gelovige kan:


  • gemeenschap verliezen;
  • vreugde verliezen;
  • kracht verliezen;
  • dienst verliezen;
  • loon verliezen;
  • zijn lichamelijke leven verliezen.


Maar een geboorte uit God wordt niet ongedaan gemaakt.

„Hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest.”
— Johannes 3:6

Wat uit den Geest geboren is, wordt niet later opnieuw uitsluitend vlees.



Saul werd niet door zijn dienst of wandel behouden


Saul werd niet behouden doordat hij koning was, doordat Gods Geest hem tot dienst bekrachtigde of doordat hij profeteerde. Geestelijke dienst verdient geen eeuwig leven. Ook bleef Saul niet behouden doordat hij goed genoeg leefde. Zijn latere wandel was juist verschrikkelijk.


Eeuwig leven wordt alleen door geloof ontvangen.


Christus stierf voor onze zonden, werd begraven en stond op uit de dood:

„Dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften;
En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften.”
— 1 Korinthe 15:3-4

De Heere Jezus zegt:

„Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.”
— Johannes 6:47

Wie op Jezus Christus vertrouwt als Redder, heeft eeuwig leven. Daarna begint de verantwoordelijkheid om door den Geest te wandelen. Sauls geschiedenis laat zien hoe ernstig de gevolgen kunnen zijn wanneer een gered mens steeds verder aan zijn vlees toegeeft.


Lees de volledige uitleg: Hoe word ik gered?



Conclusie: koning Saul was behouden


De Schrift geeft een duidelijke en samenhangende lijn.


God:


  • veranderde Saul in een andere man;
  • veranderde zijn hart;
  • was met hem;
  • legde Zijn Geest op hem;
  • bracht hem werkelijk onder Geestelijke bekrachtiging;
  • liet hem profeteren;
  • gebruikte hem tot verlossing van Israël.


Dit was niet alleen uitwendig gebruik van een geestelijk dode vijand.


De Schrift beschrijft een innerlijke verandering en een persoonlijke geestelijke verhouding.

„Wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis?”
— 2 Korinthe 6:14

God kon geen persoonlijke geestelijke gemeenschap hebben met Sauls oude natuur. Die oude natuur was vlees, duisternis en vijandschap tegen God. Wanneer God met Saul was, zijn hart veranderde, Zijn Geest op hem legde en door hem geestelijke vrucht voortbracht, moest er daarom in Saul geestelijk leven aanwezig zijn. God had gemeenschap met Saul door de nieuwe mens die Hij Zelf in hem had voortgebracht.


Saul had niet uitsluitend duisternis en vlees. God had geestelijk leven in hem voortgebracht. Daarom kon God met hem zijn, Zijn Geest op hem leggen en geestelijke vrucht door hem voortbrengen.


Later begon Saul steeds verder vanuit het vlees te wandelen.


Hij:


  • vreesde mensen;
  • verwierp Gods Woord;
  • zocht menselijke eer;
  • werd jaloers en moorddadig;
  • keerde zich van achter God af;
  • verloor zijn Geestesbekrachtiging;
  • verloor zijn koningschap;
  • kwam onder zware tuchtiging;
  • verloor uiteindelijk zijn lichamelijke leven.


Maar zijn latere vleeslijke wandel maakte het eerdere werk van God niet ongedaan.


Sauls geschiedenis leert daarom niet:

Een geestelijk dode ongelovige kan een veranderd hart ontvangen, een andere man worden, Gods persoonlijke nabijheid kennen, onder de beheersing van Gods Geest komen en geestelijke vrucht voortbrengen, zonder geestelijk leven te bezitten.

Sauls geschiedenis leert:

Een gered mens kan, wanneer hij zich steeds verder door het vlees laat beheersen, vrijwel alles verliezen wat God hem voor zijn aardse wandel en dienst heeft toevertrouwd.

Niet zijn eeuwige leven.



De Schrift laat daarom geen andere consistente conclusie toe:

Koning Saul was behouden.